|
|
|
| | | | | |
| |
Levensbericht van Alle Meenderts Cramer.
Toen mij in 't begin van dit jaar een schrijven van den Secretaris der
Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden gewerd, het verzoek
inhoudende om een levensbericht van haar in December 1894 overleden lid, den
emeritus-predikant
A.M. Cramer saam te stellen, was mijn eerste
indruk ‘natuurlijk doe ik dat gaarne; Cramer was mij een vaderlijk vriend, van
wien ik veel hield’. Toen ik een paar dagen later het geval aan een goed vriend
mêedeelde, drukte hij mij de hand en zei: ‘dat staat gekleed’. En waarlijk, nu
begon ik zoo iets van een eer te gevoelen, die mij overkwam, die anderen meer
waardig waren dan ik, maar ik had het aangenomen en.... ijdelheid voltooide 't
spel der verzoening met mijne taak. Al te naïef, kinderachtig misschien zal
deze of gene dit eergevoel noemen. 't Zij zoo - wij ouderen hebben nu eenmaal
nog eerbied voor een lichaam als de Leidsche Maatschappij, ik kan mij althans
niet vinden in opvattingen als die van de HH.
Alb. Verwey en
K. Alberdingk Thijm, die dezer dagen voor de
eer van het lidmaatschap bedankten. Misschien ook ben ik te veel provinciaal
geworden om in den dampkring der voornaamste | | | | litterarische
kringen van hoofd- en hofstad te kunnen ademen en nog te goed Mennist om niet
gaarne den lof te zingen van een ouderen broeder, wanneer hij het verdient. En
dat doet de overleden dominé Cramer ten volle, al zie ik, terwijl ik dit
schrijf zijn eerbiedwaardige gestalte voor mij oprijzen met afwijzend
handgebaar, terwijl hij mij vriendelijk vermanend toevoegt: ‘geen overdrijving,
lieve vriend’. Natuurlijk sprak ik sedert dien dag niemand meer over mijne
taak, dan tot hen, aan wie ik inlichtingen vragen moest, de naaste betrekkingen
van den overledene. Van hen was het verzoek tot de Maatschappij uitgegaan om
mij een levensbericht van hun vader te doen opstellen - aan hen den dank, voor
wat zij mij schreven en mededeelden, voor de hulp en den steun, mij zoo
bereidwillig geboden.
Alle Meendertz Cramer werd den 25sten Maart 1805 te
Norden in Oost-Friesland geboren. Zijn vader
Meendert Alles en zijn' moeder Geertje Kremer behoorden tot dien degelijken
burgerstand, tot dat slag van menschen waaruit de kern onzer broederschap is
voortgekomen, vroom, eenvoudig in leefwijze en kleeding, stil levende voor
gezin en zaken, en daarmêe in verband in betrekkelijlk goeden doen. Zij konden
althans hun zoon een goede opvoeding geven, ja hem later zelfs bestemmen voor
den predikdienst. Aan zijne moeder schijnt de jeugdige Cramer veel gehad te
hebben - althans op hoogen leeftijd bleef de band tusschen haar en haren zoon
bewaard. In '54 verliet zij Oost-Friesland om hare laatste levensjaren in
Middelburg, waar haar zoon destijds predikant was, door te brengen en als in
zijn armen den laatsten adem uit te blazen. Zegt men wel eens dat er geen groot
man is, die geen goede moeder heeft gehad, zeker geldt dit | | | | in de
eerste plaats van een vroom, een goed man. Van moederszijde behoorde Cramer tot
de bekende familie van Geuns. Geertje Kremer was uit Neustadt Gödens (spreek
uit: Geuns), een vlek in Oost-Friesland's Oosten gelegen, afkomstig en wel van
die familie Kremer, wier naar Holland verhuisde tak daar den naam Van Geuns
aannam. Tal van oudsten en leeraars zijn uit beide takken voortgekomen.
Was het die verwantschap of alleen sympathie voor de eenvoudige zeden
der Oud-Vlamingen, die later onzen Cramer drong een brief ‘betreffende den
stamvader der familie Van Geuns hier te lande’ te plaatsen in de ‘Doopsgezinde
lectuur’ van 1858, destijds onder redactie van D.S. Gorter en S. Hoekstra Bz.,
te Sneek bij de heeren van Druten en Bleeker uitkomende? - Wij weten het niet -
hij zelf zegt het ons evenmin als hij verhaalt, hoe hij aan dien brief is
gekomen. Misschien wel gevonden onder oude familiepapieren en den inhoud
dienstbaar gemaakt aan eene mededeeling ‘over de nederigheid der oude
Doopsgezinden, met namen der oude Vlamingen’, gelijk de titel van het opstel
aanwijst.
Van Cramer's jeugd is weinig te verhalen. Oostfriesland was tot 1807
Pruisisch, om na den vrede van Tilsit en het verdrag van Fontainebleau bij het
koningrijk Holland te worden ingelijfd. De officieele landstaal werd dus ook te
Norden de Hollandsche, maar het ging er mêe zooals het ging. Het volk stoorde
zich aan den overgang niet en bleef ‘plat’ spreken, een tongval, die het midden
hield en houdt tusschen de beide Germaansche taaltakken in. Wie Fritz Reuter
kent, al is zijn landstaal Meckelenburgsch, kan er zich eene voorstelling van
vormen. De predikant evenwel, namelijk de Menniste, Ds. Huizinga, en de
Gereformeerde predikant preekten in 't Hollandsch. De voornaamste, de grootste
stadsge- | | | | meente daarentegen, de Luthersche, was en bleef Duitsch.
In 1811 werd Oost-Friesland met het Koningrijk Holland bij Frankrijk ingelijfd,
om tegen het eind van 1813 weer Pruisisch en in 1815 Hannoversch te worden. De
lagere school te Norden, de stadsschool was ondanks al deze bestuurswisselingen
Luthersch, dus Duitsch gebleven. Zoo ook het Gymnasium. Het godsdienstonderwijs
op beide inrichtingen gegeven, geschiedde in 't Duitsch. ‘Ik heb’, verklaart
Cramer in eene beoordeeling van E. de
Laveleye's volksonderwijs in de XIXe eeuw (uit het Fransch
door E.C. Enklaar Kampen, K.v. Hulst 1867) ‘in mijne jeugd op eene Luthersche
school gegaan en Luther's kleinen Katechismus tweemaal opgezegd’ - wat hem,
voegen we er bij, niet belet heeft later een goed hollandsch mennist predikant
te worden. Wel een bewijs dat de school niet alles vermag op de vorming van den
toekomstigen mensch, gelijk men uit overdreven vrees of voorliefde voor een
bepaalde richting bij het onderwijs wel eens meent. Trouwens het Luthersch
onderwijs op de school vond een tegenwicht in de catechisatie van Ds. Huizinga,
ook wat de taal betreft. Deze gaf zijne lessen in 't Hollandsch. Toch schijnt
dat Hollandsch, al spraken ook Cramer's ouders zoowat zoowat die taal - 't zal
wel plat Duitsch geweest zijn - even weinig bij den jeugdigen Cramer beklijfd
te hebben als de Luthersche Catechismus, want toen hij in 1823 zijn
admissie-examen bij het Doopsgezind Seminarie te Amsterdam deed, werd hem
toegestaan Duitsch te spreken.
Hoogleeraar aan onze kweekschool was destijds Rinse Koopmans, die in
1826 overleed. Met dezen was hij zeer bevriend, evenals met Prof.
W.A.v. Hengel, den lateren Leidschen
hoogleeraar, den grooten exegeet. De studie der classieke talen, bij de
toenmalige jongelui zeer in | | | | zwang, vond ook een groot voorstander
in Cramer. Vandaar dat hij deelnam aan het privatissimum van den toenmaals zoo
beroemden hoogleeraar
David Jacob v. Lennep.
In 1827 werden hoogleeraren aan het Doopsgezind Seminarie
Samuel Muller en
Wopko Cnoop Koopmans. Het vermeerderd aantal
jongelui en de zich langzaam uitbreidende leerstof hadden opzieners en
bestuurderen van het Seminarie tot een splitsing der vakken genoopt. Voor één
man was de taak te bezwarend. Twee jaar bleef Cramer nog onder hunne leiding.
In 1829 verliet hij het Athenaeum en de kweekschool der Alg. Doopsgez.
Societeit te Amsterdam om de wereld in te gaan. Liefelijke herinneringen liet
hij er achter, maar nam hij ook mêe. Zijne vrienden onder de studenten,
Boeke (later predikant te Amsterdam) en
Mauve (later pred. te Haarlem), bleven zijn
vrienden. Hun bijbelsch-gemoedelijke geestesrichting, die zich verzet had tegen
het platte rationalisme van den toenmaligen tijd, bleef de band, die hen ook in
den lateren levensstrijd vereenigde en telkens weer tot elkander bracht. En wat
het huisgezin van Samuel Muller, zijn' vroegeren leermeester, betreft, daaruit
heeft hij zich in 1840 een dochter tot huisvrouw verkoren, Elisabeth geheeten,
die door haar helder verstand, haar vromen zin zijn huis tot een huis Gods
heeft trachten te maken. Van zijne eerste gade Katharina Romkes, waarmêe hij
van 1831-36 gehuwd was, is mij weinig anders bekend dan dat zij een lieve
zachte, maar zwakke vrouw is geweest, zwak van gezondheid en lichaamskracht.
Ééne dochter, Geertje, is hem uit dat huwelijk overgebleven. Zijne andere
kinderen, een tiental, zijn uit zijn tweeden echt gesproten
1. | | | | Vijfenveertig jaar mocht Cramer met die tweede
vrouw verbonden zijn. Wat zij voor hem geweest is, welk een trouwe zorg voor
hem en haar kinderen, laat zich kwalijk beschrijven. Nog zie ik haar voor mij,
volijverig in goede werken van den vroegen morgen tot den laten avond, nooit
iets te veel vindende om dezen of dien genoegen te doen, een echte Martha, en
toch hoe innig vroom was zij niet tevens, in zorgen en moeiten gedragen door
dien reinen heiligen Godsgeest, die haar leven wijding en beteekenis bijzette.
‘Ave pia anima’, zegt Kielstra in zijn gedachteniswoord Cramer ter eere, ‘gij
vrome ziele, wees gegroet’ zeg ik hem na, denkend aan Cramer's gade, de
schrandere, nobele Elisabeth Muller met haar helder hoofd en haar hart van
goud.
In den jare 1829 werd
Cramer proponent bij de Algemeene
Doopsgezinde Societeit om kort daarop een beroep naar de Doopsgezinde gemeente
van Huizinge in de provincie Groningen te ontvangen en aan te nemen, alwaar hij
in Januari 1830 zijn dienstwerk aanvaardde. Niet lang bleef hij er werkzaam.
Reeds in October 1832 vertrok hij naar de gemeente te
Middelburg, destijds met die te Vlissingen
gecombineerd.. Zeventien jaren lang, tot 1849, nam hij den veelomvattenden
dienst er alleen waar. Was die taak hem op den duur te zwaar? Hoe het zij, eene
ernstige borstaandoening noopte hem eenige maanden rust te nemen. De
geïsoleerde positie dier beide Doopsgezinde Gemeenten op Walcheren drong, ook
met het oog op den mogelijk langen duur van Cramer's ongesteldheid, tot het
benoemen van een hulpprediker, die later, toen Cramer hersteld was als vaste
leeraar naast hem gekozen werd. 't Was
Klaas Rutger Pekelharing, die van 1849-71,
toen Cramer zijn emeritaat nam en zich te
Lochem met der woon vestigde, hem als
ambtgenoot ter zijde stond. | | | |
Van 1871-90 bleef Cramer te
Lochem, om daarna zijne dochter Anna, die, na
den dood zijner gade 2 Jan. 1885 - helaas! zij was weduwe! - een lieve en
trouwe verzorgster voor hem was, naar Haarlem te volgen, waarheen zij ter wille
der verdere opvoeding harer kinderen meende te moeten vertrekken.
Daar, te
Haarlem, leefde de oude man rustig en kalm nog
eenige jaren. Zijn geest bleef helder, al werd de lichaamskracht zwakker.
Belangstellend in alles, niet het minst in wat onze Doopsgezinde broederschap
betrof, gaf de bijna 90-jarige grijsaard nog adviezen aan jongeren en ouderen
in zaken van geloof en leven, prediking en wandel. En ze werden gaarne gehoord,
omdat ze zoo welgemeend, zoo hartelijk waren, omdat ze kwamen van zoo bevoegde
zijde. In den laatsten brief, dien ik van hem den 2den Aug.
des vorigen jaars ontving, waarin hij eenige stellingen van mij over onze
broederschap in verband met maatschappelijke toestanden beoordeelde, merkt hij
aan 't slot in een naschrift op: ‘zou toch niet ook voor ons kerkgenootschap,
ja voor onze broederschap eenige dogmatische (juist niet een uitgewerkt
leersysteem) grondslag, zoo niet noodig, althans natuurlijk zijn? Doch mijn
hoofd is thans niet sterk genoeg om dat door te denken en uit te voeren. Ik
blijf, zooals ik laatst schreef, zeer zwak. Overigens weinig
letsel, Gode zij dank! veeleer groote stof tot dankbaarheid’. In gelijken geest
schreef hij herhaaldelijk aan den tegenwoordigen predikant zijner
Middelburgsche Gemeente. Deze verhaalt in zijn gedachtenisrede den 16en Dec., twee dagen na Cramer's dood uitgesproken - een model
zoowel wat vorm als inhoud aangaat van dergelijke reden - ‘steeds keerden in
zijne laatste brieven met aandoenlijks vastheid dezelfde zinnen weder: ‘Met den
dag voel ik mijne krachten verminde- | | | | ren. Ik wordt al zwakker en
zwakker. Alles begint mij moeilijk te vallen. Gezette arbeid van lichaam en
geest wordt steeds bezwarender voor mij.... doch.... Goddank! - (en daarbij
miste men nooit het uitroepingsteeken of de gedachtenstreep).... de geest
blijft helder, het hart gezond.... en 't geloof bewaard! En ik hoop dat dit zoo
blijven zal tot mijn einde!’ Goddank! zeg ik op mijn beurt, die wensch is
vervuld. Kalm en zacht sliep hij in den nacht van 13 op 14 Dec. in den leeftijd
van bijna 90 jaar in, de herinnering aan een welbesteed leven den zijnen
achterlatende. Plaats nu tegenover het beeld van dien opgewekten, tot op hoogen
leeftijd blijmoedigen grijsaard dat van den zieken jongeling van het eind onzer
eeuw, die het leven moede, vertwijfelend aan zich zelven en de wereld, niet
beter weet te doen dan bij den minsten tegenspoed een eind te maken aan een
waardeloos bestaan en.... de tegenstelling op zich zelve reeds doet u gevoelen,
dat er in die oude menschen, in dat geslacht, dat voor de meesten onzer reeds
tot de historie behoort, een levenskracht school, die op hun geloof gegrond,
aan dat laatste een hoogere wijding leent, dan wij er in onze wijsheid, in onze
liefde voor wat wij hebben gedacht en gevonden, wel eens aan hebben toegekend.
Aan de vrucht kent men den boom.
In de lijst dier uitwendige levensgeschiedenis, der feiten en
gebeurtenissen past het beeld van den overleden leeraar der Doopsgezinden te
Middelburg, van het lid der Leidsche
Maatschappij van Letterkunde.
Nog zie ik het voor mij, dat goedige gelaat met dat vriendelijk oog,
het grijze hoofd een weinig ter zijde gebogen, met den hagelwitten das om den
hals - geen modern colletje met vasten strik, nuffig van achteren met een
gespje sluitende, maar een ouderwetschen die | | | | een paar maal om den
hals geslagen in een eigengemaakten strik met fijne punten eindigde. Een rok
was zijn geliefkoosd kleedingstuk. De deftige kleederdracht hoorde bij de
geheele persoonlijkheid evenals de hooge hoed - een gekleurd hoedje met lagen
bol, een nieuwerwetsche frak, een gekleurde pantalon zou hem misstaan hebben.
Niet dat hij deftig was in den zin van hoog, ongenaakbaar - integendeel hij was
de eenvoud en vriendelijkheid zelve en had voor ieder een goed woord, maar 't
was nu eenmaal zoo zijne gewoonte.
Was het uit eerbied daarvoor of in 't algemeen voor zijn leeftijd dat
ik, hoe vertrouwelijk onze omgang soms zijn mocht, nooit den afstand, die in
kennis en jaren mij van hem scheidde, uit het oog verloor. In 't dagelijksch
leven noemde ik hem altijd ‘dominé’ en als ik schreef zou ik nooit een amice!
maar altijd in zijn geest ‘waarde vriend’ er boven zetten. 't Doet mij
onwillekeurig denken aan wat Huët over zijne verhouding tot Potgieter opmerkte:
‘in brieven heb ik hem nooit ‘amice’ altijd ‘waarde vriend’, in gesprekken
nooit Potgieter, altijd ‘meneer’ genoemd. Jonge tijdgenooten tutoyeeren
elkander, leermeesters tutoyeeren hunne discipelen, maar discipelen doen het
hun leermeesters niet terug. En zoo zijn wij gedurende vele jaren vrienden
geweest, zonder ooit tot die zekere gemeenzaamheid te vervullen, die aan de
hoogere vriendschap dikwijls afbreuk doet.’ Trouwens - was het mijne
Amsterdamsche opvoeding, die er mij toe bracht, of een zekere natuurlijke
schroom? - ik heb altijd dat ‘maatjes gelijk’ tegenover ouderen afgekeurd en
mij zoo dikwijls geërgerd aan tijdgenooten, die pas van de academie op de
eerste de beste ringvergadering of broederlijke samenkomst, mannen, vergrijsd
in den dienst der kerk, van | | | | rijke en rijke levenservaring, zoo
maar klakkeloos bij hun naam noemden en een familiairen toon tegen hen
aansloegen, als kenden ze hen sinds lang. Daarom behoeft geen stijfheid in den
omgang te heerschen, wordt geen zwijgen tegenover dwalingen of verkeerde
meeningen ook van ouderen gevorderd, maar.... tot in den vriendschapstoon
hebben goede vormen waarde. ‘Het gevoel voor het betamelijke en welvoegelijke
is elken mensch zoo diep ingeschapen, zegt
Cramer in zijn rede over ‘den invloed der
beschaving op het geluk’ (waarover later) dat alleen hij, die de regelen
daarvan in acht neemt, zich vrij en onbelemmerd kan gevoelen.’ Zoo is het. Hij
zelf zou nooit den goeden toon schaden door plompheid of een ruw woord, hij was
er te beschaafd, te classiek onderlegd, maar ook te goedhartig voor. ‘De
waarlijk wellevende gaat met zijn gelijken, met hoogeren en minderen
gemakkelijk om en geeft, door zich steeds binnen de palen der welvoegelijkheid
te houden, door minzaamheid en voorkomendheid overal genoegen’ - deze les in
bovengenoemde rede te vinden, is door hem zelf steeds in praktijk gebracht. Zoo
bleef hij zich zelven gelijk, zijn gansche leven door. Evenmin als witte das en
rok een schijn van rechtzinnigheid of conservatisme uitdrukten, gaven zijne
manieren, zijn wijze van zijn en spreken van eenige gekunsteldheid, van
opgelegden dwang of nagemaakt vertoon blijk. Hij was conservatief - nu ja! -
liberaal noemde hij zich zelf 't liefst en dat was hij ook in zijn bloeitijd
tusschen '30 en '60 - maar zijn conservatisme of liberalisme was van de beste,
echt Christelijke soort. Ik heb hem gekend als Middelburgsch predikant, als
emeritus in Lochem, geëerd als huisvader, als mentor en vriend en altijd
denzelfden in hem gevonden, denzelfden in eenvoud | | | | en
bescheidenheid, vriendelijkheid en welwillendheid, denzelfden Mennisten
vermaner onder alle omstandigheden, in kerk en huis. Want vermanen was zijn
lust en leven. Hij vermaande zijn gemeente, zijn vrienden, zijn kinderen, allen
en iegelijk, met wie hij in aanraking kwam. Daarvan droegen zijne preeken, zijn
geschriften, zijne brieven de onmiskenbare sporen. Ook in dien zin was hij een
echte zoon van dien Menno, wiens leven hij zoo juist, zoo goed geteekend heeft.
In opgewondenheid over een schoone beeldspraak, die ik ergens gevonden en in
een preek te pas had gebracht, hoor ik hem nog zeggen: ‘maar lieve vriend!’ -
een stereotype uitdrukking in zijn mond - ‘de prediking van het Evangelie
behoeft toch zulke dingen niet, houd u maar aan dat Evangelie en ge zult altijd
de rijkste stof voor uwe prediking vinden.’ Met die behoefte om te vermanen
hing de toon van zijn spreken, de eigenaardigheid van zijn stijl ten nauwste
samen. Noch door woord, noch door blik, noch door gebaren poogde hij de
aandacht te trekken of af te leiden van zijn onderwerp, om dien op zijn persoon
te vestigen. Kalm, gelijkmatig vloeide zijn rede voort als een beekje tusschen
't groene lover, de oneffenheden gelijkmakend, afslijpend de steenen der
ongerechtigheid, die daar op den bodem der werkelijkheid verborgen liggen,
verfrisschend en verkwikkend tevens den moeden wandelaar aan zijn zoom.
Roerend, treffend, bezielend door stoute grepen, door machtige beeldspraak was
noch zijn taal, noch zijn stijl. Ondanks allen afkeer van het oude rationalisme
was er toch iets beredeneerds in alles wat hij zei of schreef, ook daar waar de
quaesties het diepst gevoelsleven raakten. Van vallen en opstaan in gedachte en
wijze van uitdrukking, van zoeken, worstelen, dringen, van twijfelen en
strijden | | | | naar den geest had hij geen voorstelling. Een paar
stijlproefjes mogen als voorbeeld dienen. Het later werken met streepjes en
tusschenvoegsels kende hij in den aanvang nog niet. Zijn eerste reden, zoowel
die in het Zeeuwsch Genootschap als op het Nut, loopen vrij gelijkmatig af. Men
oordeele. ‘Wij hebben,’ zoo sprak en schreef hij in '36 aan het slot zijner
rede in het Zeeuwsch Genootschap, ‘de deugden, de geloofskracht, den vromen
ijver onzer voorvaderen herinnerd. Laat ons daarin hunne waardige nakomelingen
zijn en diezelfde deugden in onze tijden beoefenen! Wij hebben ook gebreken en
verkeerdheden in hen moeten opmerken; en ongetwijfeld, hoe nader wij die
geschiedenissen beschouwen, des te meer menschelijks zullen wij daarin
ontdekken. Maar dat desniettegenstaande de goede zaak doorgegaan en de gansche
Christenheid van het tijdperk der Hervorming af merkelijk is vooruitgegaan,
daarin erkennen wij het hooge bestuur der Voorzienigheid en de voortdurende
zorg van den verheerlijkten Heiland voor Zijne gemeente.’ Een ander staaltje
uit lateren tijd, is te vinden in Cramer's recensie van Hoekstra's ‘
Leer en beginselen der oude Doopsgezinden’ (Godgel.
Bijdragen van 1864, pag. 321). Telkens komen er aanhalingen voor uit H.'s werk,
door den beoordeelaar van goed- en afkeurende opmerkingen voorzien, op deze
wijze: ‘als algemeene stelling, die wel geen tegenspraak vinden zal, spreek ik
(
Hoekstra) deze uit: iedere afdeeling der
Christelijke Kerk heeft juist zooveel kracht van duurzaam bestaan en leven in
zich zelven als de bebeginselen, van welke zij uitgaat, geschikt zijn om ware
geestelijke gemeenschap (gemeenschap der heiligen) te stichten of om de
gemeente op te bouwen en te volmaken.’ (Zeer waar en behartigingswaardig!)
‘Naar | | | | mijne overtuiging’, zoo gaat de Hoogleeraar voort, ‘kan en
moet deze algemeene stelling nader op deze wijze bepaald worden, dat de
bestaanskracht van iedere afdeeling der Christelijke Kerk hiervan afhangt, of
en in welke mate hare beginselen deel hebben aan datzelfde beginsel, door
hetwelk de Apostelen des Heeren eens de gemeente op den grondslag, die door den
Heer Jezus Christus zelven gelegd is, gebouwd hebben.’ (Zeer Christelijk en
bijbelsch!) ‘De gemeenschap, die Christus bedoelde, is zelve zonder eene zekere
overeenstemming in denkbeelden niet wel mogelijk, maar haar wezen wordt door
overeenstemming in denkbeelden alleen in geenen deele uitgedrukt. Zij is
eenheid van den geest, niet noodzakelijk in alle stukken van het leerstelsel.’
(Juist, juist, regt Doopsgezind!) ‘De afzonderlijke Christenen zijn eerst dan
levende leden der geestelijke gemeenschap of des geestelijken lichaams, wanneer
de Geest, die in de geheele gemeenschap of in het lichaam woont en heerscht
(namelijk, het door de kennis van Gods oneindige liefde ons in het hart geprent
besef, dat wij kinderen Gods zijn, bestemd om voor eeuwig burgers te zijn van
het rijk der volmaakte liefde), het beginsel is, van hetwelk al onze
gezindheden en alzoo onze geheele wandel uitgaan’ (ik bid u welk Christen zal
dit van zich zeggen en waar vindt men zulke gemeenten?) enz.
Preeken uitgegeven heeft
Cramer niet. Stichtelijke stukjes weinige.
In het Christelijk Album van '63 (?) vinden we er een over ‘
de Christelijke Gemeente vergeleken bij een lichaam’. Zijn
bijbelsch standpunt komt daarin treffend uit, waar hij Christus, den Godszoon
teekent als het hoofd der Gemeente, ‘want, zegt hij, indien we ons alléén aan
de Kerk of de Gemeente, aan menschen hielden, zoo zouden we zeker aan de
schro- | | | | melijkste dwaling en misleiding blootstaan. Maar leven wij
waarlijk in de gemeenschap met Hem, worden wij van Zijnen Geest bezield, dan
wordt die geest in ons ook opgewekt door de Gemeente’. Trouwens dat bijbelsch
Christendom, dat in den geest der oude vermaners zijn deel geworden was in den
kinder- en jongelingsleeftijd, is zijn kracht gebleven tot het einde zijns
levens toe. De exegeet de Wette was daarbij zijn voorganger ook in de
dogmatiek. Aan de Groninger, later aan de Evangelische richting sloot zich dat
bijbelsch Christendom 't naast aan. Van de Calvinistische orthodoxie was het
even afkeerig als van het modernisme. Over Menno's
Fundamentboek (
Het leven en de verrigtingen van Menno Simonsz. 1837 pag.
66) sprekende, zegt Cramer: ‘Dit fundamentboek in het jaar 1539 uitgegeven,
diende om de Doopsgezinden van de beschuldigingen hunner vijanden te bevrijden,
inzonderheid de Overheden tot meerdere matiging te bewegen en om de zijnen
tegen verleiding van dweepers en bedriegers te wapenen. Het draagt eigenlijk
dezen titel: ‘
Een Fundament en klare aanwijzinge van de zaligmakende leere Jesu
Christi’. Men zou hieruit een zamenstel, althans van
de hoofdwaarheden der Christelijken Godsdienst verwachten, maar het boek is
niets minder dan dat. Men ziet er uit, dat Menno, gelijk de oude Doopsgezinden
in 't algemeen (Ypey heeft dit in zijne Geschied. der system. Godgel.
aangemerkt), zich niet toelegden op een stelselmatige
behandeling der Godsdienstleer, maar slechts naar dat zijn bepaald doel en ook
de omstandigheden het vereischten het een of ander onderwerp behandelde, iets,
waarin hij immers de Apostelen zelve in hunne brieven tot voorgangers heeft’.
Van die zelfde gedachte doordrongen heeft Cramer nu eens dit dan dat onderwerp
in zijn geschriften besproken, 't meest in vertalingen, zoo vaak de omstan- | | | | digheden er hem toe drongen. Zoo vertaalde hij in 1865
Prof. Beyschlag's brochure ‘
de bekeering van Paulus’, een vertaling die hij met
aanteekeningen verrijkte; zoo besprak hij in ‘
Geloof en Vrijheid’ het tijdschrift der Evangelischen
onder ons, in den jare 1870 ‘
de proeven eener zuiver wijsgeerige verklaring en verdediging van
de meest eigenaardige waarheden des Christendoms’ van Janet en Ch.
Secrétan in de Revue Chrétienne van Aug. en Sept. van dat jaar opgenomen. Toch
waren die wijsgeerige dogmatische studiën niet zijn lievelingswerk.
Zelfstandigen arbeid - enkele aanteekeningen en opmerkingen uitgezonderd -
heeft hij op dit gebied niet geleverd. Natuurlijk! ‘Weest toch onpartijdig’ was
met betrekking tot de kerkelijk-leerstellige vragen van den dag zijn
levensleuze. En wie van die gedachte uitgaat op grond van zijn bijbelsch
Christendom, zal zich niet 't eerst en 't liefst bewegen te midden van de
netelige quaestiën op het gebied van 't afgetrokken denken en redeneeren.
Merkwaardig is 't dan ook dat Cramer onder dien titel een brochure heeft
uitgegeven, waarin hij zijn standpunt op 't eigenaardigst aangeeft. Las hij de
orthodoxie de les, in zijn schrijven: ‘
Wie brengt twist en verdeeldheid in het bijbelgenootschap, over de
nieuwe bijbelvertaling? (
Geloof en Vrijheid 6e afl. 1870)’ waar
hij opmerkte: ‘dat de eenzijdige dogmatische denkwijze der Dordtsche vaderen,
die den bijbel hebben doen vertalen toch wel eenigen invloed op hunne
overbrenging heeft geoefend’, om er de vraag bij te voegen ‘of de vrees der
rechtzinnigen wel zoo geheel voortspruit uit angst dat het Christendom daardoor
schade zoude lijden, of is 't ook enkel hunne bijzondere zienswijze, hun geloof
dat zoo licht gekwetst en zoo kwetsbaar is?’ evenmin spaarde hij de
voorstanders en ijveraars voor de synodale bijbelvertaling, die wel mochten
beden- | | | | ken dat het ergeren van anderen het tegendeel uitwerkt van
wat men wil tot stand brengen. Maar het helderst komt die vrees voor
overdrijving, dat streven naar onpartijdigheid uit in de brochure, die ik
zooeven noemde. Wat was er geschied? 't Was in de dagen der opkomst van de
moderne richting, in den jare 1865, dat het rustige
Middelburg, althans het beschaafde lezend deel
van het publiek, door verschillende uitgekomene vlugschriften werd beroerd. De
strijdvaardige pen van Ds.
J.P. Nonhebel had populaire geschriftjes doen
verspreiden onder den titel ‘
Stemmen voor Christelijk-nationaal Schoolonderwijs’ waarop
èn de Heer
J.J. de Kanter in een blaadje èn Ds.
Sibmacher-Zijnen in zijne ‘
Stemmen voor waarheid en Godsdienst’ het antwoord niet
schuldig waren gebleven. Of
Cramer ze las? - Hij verhaalt ons van neen. -
Hij hield niet van die geschriftjes van den dag. Maar een vriend wilde er zijn
oordeel over weten. En daarom, in vaderlijke bezorgdheid voor zijne goede
Middelburgers, liet hij zich overhalen om ze te lezen en er zelfs zijn oordeel
over publiek te maken. Dat ‘onvruchtbaar strijden deed hem zóó smartelijk aan’
dat hij de verzoeking niet kon weerstaan om..- beide partijen te vermanen
tot... onpartijdigheid. De schoolwet-agitatie, door den Heer
Groen van Prinsterer op touw gezet, stuitte
hem tegen de borst. ‘Hoe lang en hoe dikwijls’, roept hij diens geestverwant
Nonhebel toe, ‘zijn door heftig drijven van
eene bevooroordeelde en uitsluitende zienswijze - gelijk het gaat - booze
driften, ijdele twisten, dwaze redeneeringen van alle kanten, uitgelokt! In 't
geheel komt het mij voor’, schrijft hij, ‘dat Ds. N. met zijn blaadjes een
vergeefsch, vruchteloos en schadelijk werk ondernomen heeft. Door het
eenzijdige zijner beschouwingen zal hij bij andersdenkenden wel geen ingang
vinden | | | | en daarom ook het goede en ware dat hij heeft bij hen wel
niet sterker aanbevelen. Bij de gelijkgezinden denk ik niet dat hij zijne
denkbeelden behoefde aan te dringen - waarvoor ook wel weinig nieuws bijgebragt
is, gelijk het in den aard van zulk blaadjes ligt’. In gelijken toon klinkt
zijne vermaning tot den Heer de Kanter, wiens strijdwoord: ‘Wat moet er gedaan
worden? een woord aan de orthodoxen’ hem de ontboezeming ontlokt: ‘men mag
betwijfelen of er eenig nut door dit blaadje gesticht is. Mijn veeljarige en
waarde vriend heeft er eens, op zijn pikante manier, zijn
hart in lucht gegeven’. Ziedaar alles! Meer sympathie heeft bij hem een ander
strijdschrift onder gelijken titel als dat van den Heer de Kanter tegen dezen
uitgegeven door den Heer K. van der Gijp. Dit vlugschrift heet heftig, gespierd
en strijdend. Dat de moderne theologie er eens goed in à faire genomen wordt,
doet Cramer heimelijk genoegen. Hij verkneukelt er zich wel in - maar toch, als
de Heer
Van der Gijp aan 't slot zijner brochure
schrijft: ‘meer en meer wordt het voor ieder duidelijk, dat de strijd, die
thans wordt gestreden, zich beweegt niet rond deze of gene
meening, maar rond den Christus des Bijbels (een eigenaardig
Zeeuwsch Anglicisme) en dat de tijd spoedig nadert, waarin de verschillende
leuzen der strijders zich zullen oplossen in deze ééne: vóór of tegen Jezus’ -
dan gaat 't hem te kras -, die woorden behelzen z.i. eene dier hartstochtelijke
drijverijen, die door hare overdrijving hare waarheid en kracht verliezen en
veel kwaad stichten. ‘Gij allen, die zoo spreekt’, gaat hij voort, ‘weet gij
dan niet, dat eveneens in de (nog zooveel grooter) Roomsche kerk naar de
voorstelling van zoovele heftige strijders de twistvragen zich meer en meer
zamentrekken in deze ééne: voor of tegen de kerk? en dat alzoo de oogen
| | | | verblind en de gewetens verward en booze driften in de plaats der
liefde - ook der liefde tot de waarheid - gesteld worden? Wie - die niet
goddeloos is - verklaart zich niet voor Jezus, wie wil tegen Hem strijden? De
orthodoxen mogen dat zeggen, omdat men hunne leerbepalingen niet aannemen wil
noch kan, maar zij hebben toch ook de waarheid niet in pacht. Maar door hun
onverstandig en gansch niet Evangelisch drijven wekken zij bij velen, vooral in
onzen tijd, eene reactie op, waardoor van den anderen kant de goddelijke
waarheid ook weder niet genoeg erkend wordt’. Men vergeve mij dit betrekkelijk
lange citaat. Het staaltje is uit het oogpunt van zienswijze, gedachtengang en
stijl van
Cramer te karakteristiek, de vermaning te zeer
hem teekenende om haar niet te memoreeren. Dat broeder Zijnen met zijne
‘stemmen’ er niet beter afkomt dan Ds. Nonhebel en zijne vrienden, laat zich
denken. Heet Zijnen's eerste blaadje ‘Wat is waarheid’, ‘ik geloof niet,
schrijft Cramer, dat iemand na de lezing iets wijzer zal zijn dan te voren. De
inhoud ervan is geen andere dan deze: de velerlei kerkgenootschappen beweren de
waarheid te hebben en te leeren, elk behoort door zijne geboorte tot het een of
ander en denkt dan al ligt (bij eenig nadenken toch wel zoo ligt niet) in zijn
kringetje de waarheid te hebben (daar is immers ook toch iets waars aan en het
wordt eerst dwaze bekrompenheid als men aan de anderen de waarheid ontzegt) -
doch dat hangt dan eigenlijk van het toeval af; - sommigen vragen de kerkleer,
anderen naar het onderwijs der Heilige Schriften: maar 't blijft altijd de
vraag: wat is waarheid?’ De volgende blaadjes staan onder hetzelfde oordeel:
niets nieuws; wat wij er in hooren wisten we òf reeds lang òf 't geeft niets.
Zoo b.v. zegt Cramer, zou ook ik de uitdrukking ‘de heilige | | | |
Schrift’ onnauwkeurig en voor misvatting blootstellend achten - ‘maar om haar
zoo met grof geschut van weinig uitwerking te willen bestoken als Ds. Zijnen
doet, dat leidt in allen gevalle tot niets’. Waar deze telkens zegt ‘waarheid
bovenal’, vermaant Cramer: ‘maar dan moeten wij toch ook de waarheid liefhebben
en wat wij eenmaal als heilige waarheid van God erkend en geloofd hebben
getrouw en met ingenomenheid vasthouden’. 't Maakt hem zelfs warm dat ‘waarheid
bovenal’ van Zijnen, want onmiddellijk laat hij op de vorige woorden volgen:
‘ik durf gerust zeggen dat ik (Cramer) die leuze eerder aangenomen heb dan hij,
want reeds voor 25 à 30 jaar had ik haar uitdrukkelijk tot mijne zinspreuk
gekozen. Kritiek is uitstekend, maar liever - en in dit proefje vindt men den
tegenhanger zoowel als de aanvulling van het boven aangehaald citaat - moesten
de vertegenwoordigers der moderne theologie behalve de kritiek hunner eigen
beschouwingswijze - eens ernstig den invloed overwegen, dien
hunne denkbeelden op velen oefenen. Voorwaar het valt gemakkelijker af te
breken dan op te bouwen. Doch men meent, de orthodoxie met haar
bijgeloovigheden moet bestreden worden. 't Kan zijn dat ik als Doopsgezinde het
bezwaar daarvan zoo niet bij ondervinding ken - wij Doopsgezinden zijn nooit
orthodox (in den gewonen zin), altijd liberaal geweest. Maar daarom kan ik er
misschien te onpartijdiger over oordeelen en spreken’. Dus voor Cramer is
liberaal = onpartijdig en onpartijdig = Doopsgezind. Waan of werkelijkheid?
Wie, vraag ik op mijn beurt, is wijzer in dezen? Neem een standpunt, welk ge
wilt in, redeneer, schrijf er over en binnen 10 minuten is uwe overtuiging de
meest eerlijke, de meest rationeele, de meest ware. Hiervan geldt zeer zeker:
‘Wie zonder zonde is’ en wat daar verder volgt | | | | van dien steen.
Maar was Cramer ook wel zóó onpartijdig, zoo verdraagzaam als hij zich zelf
teekent en gaarne doet voorkomen? Dit is zeker, hij kwetste niemand met opzet
en waar hij lessen uitdeelde en vermaningen tot personen richtte, omdat hij
hunne denkbeelden verkeerd vond, daar kwam er altijd een vriendelijk, een
goedig ‘maar gij zijt zoo niet als ge beweert, gij zijt beter dan uwe leer’
over zijn lippen. Als hij Ds. Nonhebel bestrijdt zegt hij: ‘de denkbeelden van
zijn zeer geachten en voorzeker achtingswaardigen collega zijn voor zeer bedenkelijk, ja
rechtstreeks verkeerd te houden’. Als hij waarschuwt tegen het opwekken van
booze driften en Ds. Nonhebel hem toeschijnt dat te doen, voegt hij er
vergoelijkend bij: ‘zeker tegen zijne bedoeling, naar ik hem ken’. Van de
moderne voortbrengselen sprekend, past hij daarop Schiller's woord toe ‘dat de
heeren wat ze geleerd hebben, morgen reeds willen onderwijzen - waaronder
echter Ds. Zijnen niet behoort’! Typisch in Cramer's mond, 't is of ik 't hem
hoor zeggen. Die vrees om iemand te grieven, te beleedigen is echter nog iets
anders dan verdraagzaamheid, meer een temperamentsquaestie, dan 't uitvloeisel
van een beginsel, waartoe sommigen de verdraagzaamheid wel zouden willen
verheffen. Huldigde Cramer in de practijk wel die deugd, ik herhaal die vraag,
al beweert hij het herhaaldelijk? Och!.... in ieder onzer schuilt iets van den
kettermeester en gelukkig ook! Laat de Remonstrant in art. I der statuten
zijner broederschap verdraagzaamheid hoog laten uitklinken als leuze, laat
Prof. Muller in zijne voortreffelijke
Geschiedenis van het onderwijs in de theologie bij de
Nederlandsche Doopsgezinde (opgenomen in het jaarboekje voor de
Doopsgezinde Gemeente over de jaren 1840-50) schrijven ‘Verdraagzaamheid, die
levensvoorwaarde van de Hervorming | | | | uitgaande, begunstigde hier al
vroeg de ontwikkeling van den geest, zij gaf ruimte voor verschillende
opvattingen der christelijke geloofsleer en vrijheid om ze ook naar buiten te
doen gelden’ - men behoeft waarlijk niet lang met den Arminiaan te spreken om
te ervaren dat hij in zijn verdraagzaam zwak getast, zich die handelwijze niet
verdraagzaam laat welgevallen en wat Prof. Muller aangaat - wie hem gekend
heeft, weet wat scherpe dingen hij, met tranen in de oogen, over iemands
dwaasheid of domheid, zeggen kon. En
Cramer? Verdraagzaamheid wordt
onverschilligheid of karakterloosheid, waar zij tot beginsel zal verheven
worden, een beginsel waarmêe de praktijk trouwens spot. En Cramer was noch het
een, noch het ander. Hoe welwillend ook, hoeveel waardeering hij hebben mocht
voor personen, hoezeer ook bevreesd voor eenzijdigheid - ook hij kon op zijn
stuk staan, bedaard op zijn stuk. Viel men hem heftig aan, neen! hij verzette
zich niet even heftig maar, al boog hij bij wijlen het hoofd - ‘lieve vriend’ -
hij ging zijn gang en deed zijn zin. Scherp kon hij soms zelfs uitvallen. Als
Mina Krüseman hare emancipatietheorieën overal
in den lande uitbazuint, kan Cramer 't zelfs bij eene kerkelijk
huwelijkswijding niet nalaten daarop te zinspelen, als op ‘ijdel gekraai’.
Tegen der orthodoxen veroordeeling van Jezus Evangelie, zooals hij het opvatte,
kon hij met kracht opkomen. Het ergerde hem, als hij bedacht dat zij hunne
zienswijze zelfs aan kinderen wilden opdringen. ‘'t Is waar, schrijft hij, ze
zeggen en meenen ook wel dat ze allen tot godsdienst willen opgeleid hebben,
maar waarom dringen ze dan niet op die algemeene (natuurlijk Christelijke)
godsdienstigheid aan, welke alle oprechte en ernstige Christenen erkennen en
zoeken, en welke voor het verstand en hart | | | | der onontwikkelde
jeugd alleen geschikt is, maar ijveren zij daartegen veeleer steeds en heftig.
Het is waarlijk wel te begrijpen en althans gelukkig, dat de meesten zich
daarmêe niet vereenigen en de pogingen van den Heer
Groen van Prinsterer totaal mislukt zijn’.
Ongetwijfeld is er ten deze verschil tusschen personen en personen in
verband met het standpunt dat zij innemen. Heftige en prikkelbare naturen
treden anders op dan kalme en beredeneerde. Paulus en Petrus, Luther en
Melanchton, Mirabeau en Robespierre verschillen onderling èn wat hunne
persoonlijkheid èn wat hunne verhouding tot de richtingen huns tijds betreft.
Wiens aard en standpunt meebrengt, dat hij zich verplicht acht tot verzoening
der uiterste partijen mee te werken, meer dan zich aan de zijde van een dier
uitersten te scharen, zal zonder karakterloos te worden of ontrouw aan
beginselen te plegen, verdraagzamer zijn, dan hij die aan de spitse staat of
zich op den voorgrond stelt van eene der meest op den voorgrond tredende
richtingen zijns tijds. Om nu op Cramer terug te komen - hoe verdraagzaam ook,
hij hield aan zijn zienswijze als de ware vast, al lei die zienswijze hem ook
het woord ‘verzoening’ op de lippen. Door opleiding en traditie, de studie ook
der groote voorgangers van de oude Mennisten, was die zienswijze in
overeenstemming met het standpunt zijner leermeesters. Het Bijbelsch
Christendom, het zoogenaamd Apostolisch Evangelie erkende hij als het eenig
Christelijke, het natuurlijk ware. Toen de orthodoxie met haar leerdrijven
opkwam, gevoelde hij zich, zelf op haar supranatureel standpunt staande,
eenerzijds tot haar aangetrokken, om haar anderzijds als leerdrijverij te
verfoeien. Als halve vriend nog gevaarlijker dan een tegenstander, ver- | | | | oordeelde zij hem en noemde zijn Evangelie ‘kleurloos’. Nauwelijks was de moderne theologie, brekende met
iedere supranatureele openbaring, tot ontwikkeling gekomen, of wederzijds
ontstond antipathie, al erkende Cramer ook, dat zij door haar aandringen op
waardeering van de menschelijke zijde in Jezus' leven, in haar optreden tegen
leerheiligheid en vormendienst, aanspraak op waardeering maakte. Zoo stond hij
tusschen beide partijen in, voor zijn bewustheid er boven; van beide beide
zijden ontving hij de slagen, die vooral van orthodoxe zijde 't hevigst
aankwamen, omdat hij in de praktijk, door relatiën en omstandigheden, 't meest
sympathiseerde met de mannen der linkerzij. Waarschuwend bleef hij evenwel de
vingers tegen beiden opheffen, om, in 't dagelijksch leven 't meest te
ontmoeten en om te gaan met hen, die in theorie van hem verschillend, eene
practische opvatting van het Christendom huldigden. Want practisch was zijn
Christendom in de eerste plaats. Als bijbelsche theologie mocht het geen scherp
geformuleerde beginselen kennen, voor de praktijk had het een zeer geopend oog.
Trouwens, zijn echt Doopsgezinde levensopvatting drong hem daartoe als van
zelve. Evenals bij Menno het speculatief en dogmatisch bestanddeel van het
Christendom veel minder uitkwam, gelijk Prof.
Muller in het bovenaangehaalde stuk opmerkt,
maar alles nagenoeg uitsluitend op het werkdadige gericht was, zoo was het ook
bij Muller's schoonzoon, Menno's levensbeschrijver, Cramer. Daar, in het
practisch Christendom lag zijn kracht, de beteekenis van zijn leven voor de
stad zijner inwoning en daardoor voor menigen kring daarbuiten. Wij zullen 't
straks nader zien. In verband daarmêe waren op wetenschappelijk gebied
historische studiën hem 't liefst. Zijn | | | | hoofdwerk is: ‘
Het leven en de verrigtingen van Menno
Simons’, voorafgegaan door een inleidende verhandeling over den
oorsprong en de opkomst der Doopsgezinden, voornamelijk in de Nederlanden.
Amsterdam, bij Johannes Muller, 1837. Beter werk dan dit, verklaarde
Prof. de Hoop Scheffer, zeker een bevoegd
beoordeelaar in dezen, is over onzen Nederlandschen hervormer tot heden niet
geschreven. Het lidmaatschap van de Leidsche Maatschappij van Letterkunde was
er het loon voor.
Nauwkeurige bronnenstudie, gepaard aan scherpzinnige zifting van het
bruikbare en onbruikbare in de hem ten dienste staande bescheiden, ligt aan dit
werk ten grondslag. Met conscientieuse trouw wordt hier stap voor stap door den
jeugdigen geleerde de schrede gezet op den moeilijken, vóór hem nog weinig
betreden weg, die tot de kennis van het leven en de verrichtingen van
Menno Simons leiden moest. Het beeld van den
eenigen Nederlandschen hervormer, al staat hij dan niet op ééne lijn met Luther
en Calvijn, wordt hier met dezelfde juistheid geteekend als waarmêe, na rijp
overleg uit de verschillende bestaande portretten van Menno, dat gekozen is,
wat in het boek tegenover het titelblad prijkt. Reeds in zijn studententijd was
Cramer met dezen arbeid begonnen om, toen hij door de drukte van eene eerste
gemeente en spoedig daarop gevolgde verhuizing heen was, dien te voltooien. En
voortdurend verzamelde hij gegevens voor verdere studiën op dit gebied. Hij
kopiëerde deels zelf en bestudeerde o.a. de handschriften van Krohn uit de
Hamburgsche bibliotheek en trachtte door briefwisseling en vlijtig onderzoek
zijne kennis te verrijken. Zoo kon hij in 1844 aan zijn standaardwerk toevoegen
eene levensbeschrijving van David Joris, den dweeper, den aartsketter, die in
't begin vrij wat opgang onder de | | | | Doopsgezinden ook hier te lande
gemaakt had (geplaatst in het Ned. Archief voor Kerk. Gesch. van Kist en
Royaards). Al werd deze moeitevolle arbeid later ook door Nippold's
onderzoekingen overvleugeld, voor de dagen, waarin deze studie ontstond, was
zij eene voortreffelijke, eene baanbreekster op een onontgonnen veld, licht
brengende in de duisternis, waarin het verleden onzer Doopsgezinde vaderen
gehuld was. De oudste echt-Nederlandsch-reformatorische beweging, zooals zij
zich zelfstandig in het anabaptisme in wording en ontwikkeling tot het door
Menno Simons in goede banen geleid werd, had
geopenbaard, kwam door Cramer's arbeid in deugden en gebreken, haar grove
fouten en edele karaktertrekken tot haar volle recht. Wat Ypey en Dermout in
hunne ‘
Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk’ ter loops
hadden aangevoerd, wat er onjuists in hunne voorstelling der feiten,
onvolledigs in hunne schets van het gebeurde geweest was, werd door
Cramer verbeterd en aangevuld. De kennis der
Kerkgeschiedenis van Nederland, vooral waar het dat merkwaardig tijdperk der
wording onzer natie als een zelfstandig volk betrof, werd door zijn arbeid niet
weinig uitgebreid. Rechtvaardiging van het voortbestaan, het werken en streven
van den kleinen kring van Doopsgezinden in ons vaderland, was daarbij drijfveer
en hoofddoel. Cramer drukt het zelf in een inleidend woord voor zijn hoofdwerk
over Menno Simons dus uit: ‘Bestaan wij nog tot op dezen dag, bestaan wij nog
als een Christelijke gemeenschap, in welke een iegelijk onzer (tot welk einde
de Heer zijne belijders op aarde tot Gemeenten verbond) van de jeugd af tot de
kennis van God en den Zaligmaker gebracht werd, en zijne opleiding tot geloof,
deugd en Godsvrucht, tot het eeuwige leven ontving, aan welke wij ons plechtig
| | | | verbonden in den doop: deze gedachte doe ons hoog belang stellen
in onze gemeenschap, tot derzelver welstand en bloei naar vermogen medewerken,
zooals onze vaderen deden en God en het verheerlijkt hoofd der Gemeente danken,
dat hunne pogingen tot hiertoe eenen gewenschten uitslag hadden’. Trouwens van
die gedachte is hij zijn gansche leven doordrongen geweest. Nauwelijks is hij
in Middelburg gevestigd en benoemd tot lid van het Zeeuwsch Genootschap der
Wetenschappen, of hij maakt gretig van de gelegenheid gebruik om ook in dezen
kring eene bijdrage te leveren tot waardeering zijner geloofsgenooten door een
lezing te houden (later geplaatst in de
Vaderlandsche Letteroefeningen van 1836) over ‘de twee
akten van Prins Willem I van 26 Jan. 1577 en 26 Juli 1578 tot bescherming der
Doopsgezinden’. Deze akten, bewaard in het archief der Middelburgsche gemeente,
zijn nog in 't vorige jaar bij het bezoek der Koninginnen aan de Provincie
Zeeland door den Kerkeraad aan HH. Majesteiten getoond. Uit die akten blijkt
dat de Magistraat hen (de Doopsgezinden) in 't begin van 1577 hunne winkels had
doen sluiten op grond dat zij den eed als andere poorters of burgers nog niet
gedaan hadden. Een verzoekschrift, ingediend om bescherming bij Zijne
Excellentie, die toen te Middelburg toefde, was gunstig door Zijne Hoogheid
ontvangen. Maar 't had niet gebaat. Toen volgde de eerste missive uit
Antwerpen, waarin de Prins zulk een strijdmiddel hoogelijk afkeurde. Nog was er
geen verandering te bespeuren. Eene tweede missive volgde. Deze schijnt meer
succès gehad te hebben. Althans langzamerhand hield deze soort van vervolging
op. De zeldzame gematigdheid en vrijzinnigheid van den Prins in deze zaak
verdient allen lof, verdient onze bewondering, zegt Cramer te recht. Niet
omdat, gelijk Bilderdijk insinueert, de | | | | Doopsgezinden den Prins
geld gaven, rekende hij hen goede Ingezetenen ‘maar uit wezenlijke
belangstelling in den godsdienst, door verlichte wijsheid bestuurd, beschermde
hij gaarne elke belijdenis’.
Het ‘daarna’ is niet altijd het ‘daarom’. Toch is het wel merkwaardig,
dat na het verschijnen van Cramer's studiën, voornamelijk van die over Menno
Simons, de lust ontwaakt is om onze geschiedenis uit de bronnen te bestudeeren.
Bovengenoemde rede is van 1836, Menno's levensbeschrijving van '87 en
Blaupot ten Cate's eerste proeve van eene ‘
Geschiedenis der Doopsgezinden’ zij het voorshands in
Friesland alleen, dateert van 1839. Daarop volgde
Halbertsma's boek ‘
de Doopsgezinden en hunne herkomst’ in 1844. Voor onzen
tijd en onzen Hoogleeraar
de Hoop Scheffer bleef de eervolle taak
bewaard om in zijne ‘
Geschiedenis der Kerkhervorming’ het volle licht der
wetenschap in al zijn klaarheid te doen opgaan over den bodem, waarin het
ontstaan onzer broederschap wortelt. Maar genoeg - zoo hij al niet den stoot
tot al deze studiën heeft gegeven - een der eersten, die onze kerkgeschiedenis
beoefenden en in hunne monographiën bouwstoffen voor latere schrijvers
verzamelden, was ongetwijfeld onze
Cramer uit Middelburg. Dat ten Cate's
‘Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland’ hem ter beoordeeling werd
gezonden, laat zich licht begrijpen. Al bracht hij bescheidenlijk enkele
bedenkingen tegen bijzondere punten, tegen onderdeelen van 't geheel in 't
midden, toch was hij met dat werk hoogelijk ingenomen. Hij noemde 't een
belangrijk geschenk voor de Friezen en eene gewichtige voorbereiding, ja een
legger voor een algemeene geschiedenis. Minder sympathiseerde hij met
Halbertsma's boek, waartegen hij met zijn vriend en tijdgenoot
Jan Boeke uit Amsterdam een tweetal Brieven in
't licht zond ‘ter | | | | toelichting en toetsing der schets van den
Deventerschen leeraar
Joost Hiddes Halbertsma van de Doopsgezinden
en hunne herkomst’.
Evenals Boeke vond hij ‘de voorstelling’, die H. geeft van het
eigenaardig wezen van ons kerkgenootschap, valsch en uit nog al aanmerkelijke
onkunde ontsproten; de daaruit voortgevloeide veroordeelingen voor 't grootst
gedeelte ongegrond, daarbij onbezonnen en liefdeloos, zoo niet hatelijk. Men
ziet het, ook de verdraagzame Cramer kan hard zijn, als hij maar in zijn zeêr
getast wordt. En dat had Halbertsma door zijn beschuldigingen tegen de
Doopsgezinden, door den bitteren toon van zijn schrijven gedaan. Ook het
historisch gedeelte, waarin Halbertsma de afstamming der Doopsgezinden van de
Waldenzen tracht aan te toonen, vindt Cramer's instemming niet. ‘'t Moet nog
aangetoond worden’, zegt hij, ‘dat de overeenstemming van gevoelens tusschen
Doopsgezinden en Waldenzen ook wijst op afstamming der eersten van de laatsten.
Dit is zeker, onze voorvaderen zelve wisten van die afstamming niets. De
Martelaarsspiegel van
Tieleman en
van Bragt spreekt er nergens van. Wanneer
den martelaars naar den oorsprong hunner gevoelens gevraagd werd, hebben zij
zich altijd beroepen op den Zaligmaker en de H. Schrift. Menno Simons wist er
evenmin iets van en verklaart ‘dat de bijzondere gevoelens wegens den Doop, die
hij voorstond, na de tijden der Apostelen verdonkerd en eerst binnenkort weder
aan het licht gebracht waren’.
Het werk van de Hoop Scheffer was te veelomvattend en Cramer, toen het
uitkwam, te hoog bejaard, om zich nog aan een grondig onderzoek van zijn rijken
inhoud te wagen, waarvoor hij anders ongetwijfeld de aangewezen man zou zijn
geweest.
Beoefende Cramer de historie der Doopsgezinden, hij | | | | deed
het omdat hij hunne beginselen liefhad. Toen deze dan ook opzettelijk in een
werk van
Prof. Hoekstra ‘
Leer en beginselen der oude Doopsgezinden’ ter sprake
kwamen, was hij het, die onmiddellijk naar de pen greep, om in de
Godgeleerde Bijdragen (1e stuk 1864)
een aanbevelend en critisch woord te plaatsen. Met ingenomenheid begroette hij
's Hoogleeraar's arbeid, met belangstelling doorlas hij het boek, hoofdstuk
voor hoofdstuk besprekende en toetsende aan zijn groote belezenheid en rijke
kennis van de geschriften onzer Bejaarddoopers. De physiologie der
Doopsgezinden door Prof. Hoekstra gegeven, mocht hem doen denken aan den vriend
die feilen toont, aan den anderen kant prijst hij de objectiviteit, waarmêe
deze allen en alles beoordeelt. Slechts een weinig meer voorliefde
ware z.i. niet ongepast geweest.
Ongetwijfeld - hij bezat haar, zelfs al mocht zijne onpartijdigheid
daardoor min of meer in de klem raken. Hij was het zich niet bewust - zoo zijn
wij menschen - naïef soms! Geen ernstig debat kon er over Doopsgezinde belangen
ontstaan, of
Cramer achtte zich gedrongen er een woordje
in meê te spreken. Vooral de doopquaestie trok zijne aandacht. Menig opstel van
zijne hand bewijst het. Nauwelijks had
Prof. Scholten in een afzonderlijk opstel
‘de Doopformule’ behandeld, of onmiddellijk plaatste Cramer in het Groninger
tijdschrift dier dagen ‘
Waarheid in liefde’ eene beoordeeling er van. Hij vond het
jammer, dat een twist in de Nederl. Herv. Kerk over het al of niet gebruiken
der bekende formule bij de Doopbediening aanleiding tot het schrijven der
brochure gegeven had; 1o omdat daardoor het godsdienstig
leven en de stichting der Gemeente al te zeer door den Hoogleeraar vergeten of
op den achtergrond gelaten was, maar ook 2o (kondt ge van
den Doopsgezinden leeraar anders ver- | | | | wachten?) ‘omdat er met geen
enkel woord in gesproken werd over de vraag of de doop aan
kinderen of aan volwassenen moet toegediend worden’. Vooral had hij tegen
het weinig onbevooroordeelde van 's Professors schrijven. ‘Want ware hij
onpartijdig geweest dan zou op grond der waarheid van het Evangelisch
geschiedverhaal het doopbevel hem niet verdicht hebben kunnen
voorkomen. Had hij die waarheid van het geschiedverhaal maar voor een oogenblik
aangenomen, dan’.... men ziet het, 't is de oude quaestie - onbevooroordeeld
onpartijdig is hij, die op mijn standpunt staat. Zoo waren die oude
menschen.... en.... zoo zijn wij.
Toen de vraag naar de al of niet facultatiefstelling van den Doop
onder ons veler gemoed bewoog, mengde zich Cramer in den strijd, daarbij
uitgaande van de meening dat ‘mêegaan met den tijdgeest’ in deze materie zijn
zeer bedenkelijke zijde heeft. ‘Juist omdat wij Doopsgezinden vrij zijn, moeten
we er tegen waken’, schreef hij, ‘dat wij niet lichtvaardig of roekeloos naar
verandering haken, bestaande ordeningen en gebruiken afschaffen. Met concessies
aan den tijdgeest, wint men zelden iets en als men stellig ware en goede dingen
prijsgeeft, dan sticht men zeker kwaad, ofschoon dan ook met eene goede
bedoeling’. Dat handhaving van den Doop zijn conclusie zou zijn, laat zich uit
deze praemissen lichtelijk afleiden. (Doopsgez. Bijdragen 1878).
Over het afleggen eener geloofsbelijdenis als voorwaarde voor den Doop
in onze Gemeente, waarop hij reeds in bovengenoemd stuk had gezinspeeld,
verklaarde hij zich nader in de Doopsgezinde Bijdragen van 1886. Hij achtte dit
eene zeer gepaste plechtigheid. Dogmatische zwarigheden komen bij ons immers
niet te pas of zijn althans bij eenige redelijkheid licht te
vermijden. Immers wij zijn | | | | gewoon alleen zulke vragen te doen,
vooral van zedelijken aard, die aan elken Christen moeten gesteld worden en
verder vrijheid te laten ‘maar natuurlijk: (en die bijvoeging is typisch) de
vragen moeten dan ook bevestigend
beantwoord worden’.
't Eigenaardigst komt dit standpunt evenwel uit in zijne studie, in
een letterkundige vereeniging te Lochem voorgedragen in Nov. '72 en opgenomen
in de Doopsgez. Bijdragen van '73, over ‘het eigenaardige der Doopsgezinden,
vooral hier te lande’. Hun democratischen zin, hun antikosmisme en
antidogmatisme, hun onafhankelijkheidsstreven tegenover den Staat, maar vooral
hun practische richting teekent hij daarin met innige voorliefde om te eindigen
met de woorden, ‘dat bij alle verschil van inzicht het voorvaderlijk gevoelen
onder hen leeft, dat het ware Christendom zich vooral in goede werken moet
betoonen’.
Wie uit dit alles het besluit wilde trekken, dat
Cramer zich in zijn eng Mennist kringetje
opgesloten heeft, zou zich zeer vergissen en hem grovelijk miskennen. Ja hij
ging om met leden zijner Gemeente, maar met dezen niet alleen. Hoe menig vriend
telde hij niet onder de leden van het Zeeuwsch Genootschap! Onder allen noem ik
er slechts één, den welbekenden Zeeuwschen geleerde F.J. Nagtglas, die nog na
Cramer's dood zulk een waardeerend woord aan zijne nagedachtenis wijdde in de
Midd. Ct. van den 21sten Dec. des vorigen jaars. Ja, Cramer
beoefende de geschriften der Doopsgezinde vaderen, der Menniste classieken,
maar verwaarloosde daarom de oude classieken, die van Athene en Rome niet. Als
student - ik deelde 't vroeger reeds mêe - woonde hij het privatissimum van den
beroemden David Jacob van Lennep bij. Van den lateren Leidschen hoogleeraar van
Hengel, was hij | | | | in die dagen een charme. Nauwelijks proponent
geworden, schreef hij op verzoek van zijn leermeester Rinze Koopmans eene
beoordeeling van Roorda's
Specimen exhibens vitam Amadis
Tulonidis (in de ‘
Vaderlandsche Letteroefeningen’ van 1827 onder de
auspiciën van zijn leermeester en prijkende met diens naam, geplaatst. Tot in
hoogen ouderdom bleef hem die liefde voor de klassieken bij. Zelfs op zijn
ziekbed - een jaar voor zijn dood - herinnerde hij nog een der zijnen, die hem
op zijn naderend einde wilde voorbereiden, aan wat Philo de Jood eens
geschreven had over opvoeding en onderwijs, daar en daar in diens geschriften
te vinden. Hij wist het wel, de bijna 90-jarige, dat het den mensch, ook hem,
gezet was eenmaal te sterven, hij was er op voorbereid, maar.... nog was zijn
levenskracht, zijne helderheid van geest te groot, om niet met volkomen
juistheid door een citaat de aandacht den zijnen van dit smartelijk onderwerp
af te leiden.
Cramer beoefende de historie der Doopsgezinden van den ouden dag, maar
had een niet minder open oog voor Neander's Kerkgeschiedenis, 't is wel zoo,
vertaald door zijn vriend Mauve, maar toch niet daarom alleen besprak hij dit
werk in den ‘Recensent der Recensenten’ van den toenmaligen tijd. Wat hij er 't
meest in bewonderde, was de getuigenis der edelste onpartijdigheid, waarmeê
Neander de geschiedenis der Christelijke Kerk had voorgesteld ‘als een sprekend
bewijs van de goddelijke kracht des Christendoms, als een leerschool der
Christelijke ondervinding, als eene stem der eeuwen, om allen die hooren
willen, te stichten, te leeren en te waarschuwen.’ Zijn laatste werk van
eenigen omvang was nog de vertaling van
Ebers' boek ‘
Van Gosen naar Sinaï’. Cramer was een Nutsman van den
echten stempel. Gesproten uit gelijken kring, als waaruit Jan Nieuwen- | | | | huysen was voortgekomen, groot geworden onder den indruk van diens
machtige stichting, zag hij in ‘het Nut’ de uitwerking en toepassing van dat
practisch Christendom, dat hem van der jeugd af aan als het meest uitnemende
was voorgekomen. Getuige daarvan de rede, die hij in 't jaar '63 in het
Middelburgsch Departement dier Maatschappij hield ‘over den invloed der
beschaving op het geluk’. Zijn voorganger op den Nutskatheter had gesproken
over ‘den invloed der beschaving op de eetkunst’, een typisch onderwerp voor de
eerste helft onzer eeuw, toen men zoo hoog wegliep met de beschaving, als de
schoonste vrucht van den boom der kennis en alles met haar in verband bracht of
uit haar afleidde. Cramer vond echter dat er een hooger en edeler genoegen was
dan dat eener rijke tafel. En daarom bracht hij de beschaving in verband met
het geluk. Naar den geest van den toenmaligen tijd sprak hij natuurlijk eerst
over de beschaving in 't algemeen, om daarna haar invloed op de genoegens van
den mensch en op de samenleving, als veredelend en veraangenamend het gezellig
leven, te schetsen. Ten slotte werd het verband tusschen zedelijkheid -
voorwaarde van geluk - en de beschaving des geestes angetoond, onder
waarschuwing tegen een ijdele, valsche overdrevene beschaving, die in
overbeschaving ontaardende, de menschen verwijft en verweekelijkt, genotzucht
en karakterloosheid bevordert. O, ik weet het wel, er zijn honderd zulke
lezingen gehouden in den toenmaligen tijd, ik weet het, wij zijn aan die
onderwerpen en dien leestrant ontgroeid, maar juist, omdat èn onderwerp èn
wijze van bewerking zoo goed den tijd weergeeft, waarin deze lezing gehouden
is, omdat zij ons nog eens herinnert aan een' Nutsperiode, waarlijk
| | | | voor de Maatschappij geen tijd van kwijning of achteruitgang, die
zoo lang reeds achter ons ligt, meende ik er een enkel oogenblik bij te moeten
stilstaan. Op algemeene vergaderingen heeft
Cramer nooit geschitterd -
Nieuwenhuysen zelf zou het niet gedaan hebben
- hij kwam er niet - maar op de gewone departementale samenkomsten was hij een
van hen, die in den geest des stichters diens stichting hoog hielden, haar voor
ontaarding althans hielpen bewaren. Maar het Nut heeft naar oorsprong en wezen
nog een Mennisten glimp over zich en daarom.... Alsof Cramer's blik niet verder
ging! Geen ernstig vraagstuk deed zich op algemeen, maatschappelijk of
staatkundig gebied voor of het wekte zijne belangstelling. Met politiek als
zoodanig heeft hij zich niet ingelaten, dat lag zoo niet in zijn aard, hij was
er misschien te oud-Mennist voor. Hij bezat zelfs niet eens kiesrecht. In
Oost-Friesland geboren, vandaar naar Groningen en later naar Middelburg gegaan,
had hij zich niet laten naturaliseeren. Hij bleef daardoor buiten elken
politieken strijd, al volgde hij dien ook met belangstellend oog. Slechts over
ééne quaestie, die eene politieke geworden, hem in verband met studie en
ontwikkeling zeer nabij lag, heeft hij zich openlijk uitgelaten, de
schoolquaestie namelijk. Een tweetal brochures heeft hij er aan gewijd. In
1855, zeven jaar na de Grondwetsherziening van Thorbecke, meende hij reeds zijn
waarschuwende stem te moeten doen hooren tegen het drijven der Groenianen. Hij
was te practisch om het brengen van scherp bepaalde dogmatische leerstukken in
de school goed te keuren, ‘eenvoudig’, zooals hij schrijft, ‘wegens het geheel
ongeschikte, ondoelmatige en schadelijke daarvan voor de jeugd’. Dweepte hij
dan met een godsdienstlooze school? Verre van dien! | | | | Als ideaal
zweefde hem een school voor den geest, waarop een soort van Christendom boven
geloofsverdeeldheid den kinderen zou worden ingeprent, maar aangezien de
werkelijkheid hem slechts eene neutrale bood, legde hij zich daarbij neêr,
liever dan mee te doen met hen, die de school tot een draagster hunner leer
zouden willen maken. Ja, de bijbelsche geschiedenis ‘als de geschiedenis van
Gods koninkrijk, als den spiegel van deugd en ondeugd en van het Godsbestuur’
zou hij den kleinen gaarne zien geleerd, ‘wil de school’, schrijft hij, zegen
stichten en daarom geeerd en hooggeschat zijn, dan moet zij godsdienstig zijn
en tot godsdienstigheid opleiden - wee der school, indien zij hare
allerbelangrijkste en allerheiligste roeping niet erkent en tracht te
vervullen!’ - édoch! 't is zoo ‘bij de verdeeldheid der kerkgenootschappen
kunnen de scholen van staatswege niet door den godsdienst worden beheerscht en
daarom, als de geest, die in de school en in de algemeene denkwijze omtrent de
school bij de onderwijzers en het volk heerscht een godsdienstige en
belangstellende is, behoeft de opleiding tot Christelijke en maatschappelijke
deugden geen doode letter te worden.’ Van bijzondere gezindtescholen had hij
een bepaalden afkeer - leefde hij nog, hij zou tegen het jongste Unie-rapport
ongetwijfeld zijn waarschuwende stem hebben doen hooren. Onherstelbare schade
zou daardoor - dit werd geschreven in 1855 - der jeugd worden toegebracht. Hoe
licht zou in afzonderlijke scholen, waar de eenzijdige beschouwing zich meer
vrij kan doen gelden, de onderwijzer niet vervallen tot de verkeerdheid om b.v.
het onderwijs in de Vaderlandsche geschiedenis dienstbaar te maken aan zijn
kerkelijke inzichten! Neen, dan liever een meer onpartijdige
en | | | | bloot feitelijke, zoo men wil, uiterlijke voorstelling der
geschiedenis, zooals die in de algemeene scholen vereischt wordt! Uit dit éene
staaltje kent men den man en zijn standpunt. Hij aanvaardt de werkelijkheid,
inziende dat wat er tegenover staat hem nog verder van den weg, dat is van de
verwezelijking van zijn wensch afbrengt, en moppert nu niet, klagende en
zuchtende over zijn isolement, maar hij zet zich over de bezwaren heen om de
lichtpunten van het hem gebodene op te zoeken met al den ernst en de toewijding
aan het goede eener eerlijke ziel.
In dezelfde
Godgeleerde Bijdragen waarin zijn
vroeger stuk was opgenomen, plaatste hij 12 jaar later eene beschouwing over de
Laveleye's studie over het volksonderwijs in de 19de eeuw,
die van dezelfde gedachte uitging. Betreurt hij eenerzijds de Laveleye's
eenzijdigheid en bekrompenheid, ‘omdat hij het onderwijs alleen uit een
sociaal- en zoogenoemde liberaal politiek oogpunt (waarlijk liberaal is het
daarom niet altijd) geheel afgescheiden van godsdienst en zedelijkheid
beschouwt’, aan den anderen kant geeft hij toe dat men van bijzondere
vereenigingen en bijzondere scholen op den duur niet zulke
goede verwachtingen kan hebben, als daar waar de hoogste zorg en leiding bij de
overheid berust, en hij verklaart met
De Laveleye ‘dat de vrees ongegrond is dat
door de openbare scholen het volk ongodsdienstig zou worden of daardoor eene
krachtige godsdienstige ontwikkeling zou worden tegengewerkt, getuige Amerika
en Schotland’. Van schoolplicht was hij met den Belgischen geleerde wel een
voorstander, ‘maar men mogt er, zei hij, niet te groote verwachtingen van
hebben’. Hij heldert dit door 't volgend voorbeeld op: ‘tegenover
onderscheidene timmermans- en metselaarsknechts, die zeer goed schrijven, maar
in hun vak gansch niet uitmunten | | | | en 't ook nooit ver brengen
zullen, staat een mij bekend parapluie-kooper over, die zeer goede zaken doet
en een beschaafd man schijnt, maar wiens schoolopleiding zoo gebrekkig is
geweest dat hij zijne rekeningen schrijft als een keukenmeid en voor een
En-tous-cas schrijft ‘Antuca’.
Cramer zou Cramer niet geweest zijn, indien
hij niet onmiddellijk bezwaren had voelen opkomen tegen een overigens door hem
niet verkeerd gevonden zaak.
In den jare 1838 bestond er nog geen sociale quaestie, althans men
kende dat woord en de beweging die er door uitgedrukt wordt, nog niet. Men
sprak toen van pauperisme en zon op middelen om dit kwaad te bestrijden. De
diaconiën waren daartoe niet bij machte en toen.... toen rees er een denkbeeld,
een practisch plan op in het hoofd van de Middelburgschen leeraar, waaraan hij
weldra, door vrienden en geestverwanten gesteund, uitvoering geven zou.
Nadenkende over het vraagstuk der armoede had hij al spoedig opgemerkt, dat er
twee soorten van armen zijn - zij die door ziekte en ouderdom of door
traagheid, lichtzinnigheid en dronkenschap te krachteloos zijn om zich uit den
ellendigen toestand, waarin zij geraakt zijn op te heffen en zij, die wel
willen maar niet kunnen, omdat de winter hun de gelegenheid tot werken beneemt.
De laatste te redden, op practische wijze door den winter te helpen, te bewaren
voor het ontzenuwend leven van giften en gaven, hun het eergevoel hoog te doen
houden, het heirleger van proletariërs niet door hunne verarming te
vermeerderen en daardoor het maatschappelijk geheel een onschatbre dienst te
bewijzen was de schoone gedachte, die Cramer deed besluiten zijn ‘Loon en Werk’ in 't leven te roepen, eene inrichting die armoede
moest voorkomen door een eerlijk stuk brood te laten verdienen door wie 't
wilde, maar | | | | het uit gebrek aan werk niet kon. Zoo bestreed hij
het spook der werkeloosheid in een tijd, toen niemand nog daaraan dacht. Of
zijne inrichting de eerste van dien aard in Nederland geweest is, ik weet het
niet - het ijverigst onderzoek heeft 't mij niet aan 't licht kunnen brengen,
maar eene der eersten is ze zeker geweest. Het bezwaar der werkhuizen met hunne
half willige, half onwillige bevolking, met hunne opeenhooping van
verwaarloosden, werd door Cramer's stelsel voorkomen. Slechts in den winter,
van 15 Dec. tot einde Maart werkte men ‘want dan staan hier het werk en de
verdiensten het meest stil en is de behoefte 't grootst’ schrijft hij in zijn
jaarverslag. Wat men werkte? Men had een timmerwinkel, eene spijkermakerij,
eene touwpluizerij en nam arbeid aan de bolwerken aan. ‘'t Was nog al moeilijk,
verhaalt Cramer, om geschikte werkzaamheden te vinden, die hier ter stede niet
bestonden (waartoe wij ons verbonden hadden om geene bestaande kostwinning te
benadeelen) en die toch door ons werkvolk konden uitgevoerd worden. Het
hoofddenkbeeld bij de oprichting was om klompen te laten maken, ten einde
vooral de werkelooze timmerlieden bezig te houden. Doch na dat drie jaar, onder
geschikte bazen beproefd te hebben, hebben wij 't moeten opgeven. Voor de
schilders hadden wij kartonwerk uitgedacht, doch ook dat mislukte. Als de
menschen eenige geoefendheid in de vakken verkregen hadden, was het
wintersaizoen voorbij en het volgende jaar moesten zij op nieuw beginnen te
leeren; ook waren er dan weêr gedeeltelijk anderen. Eveneens moest eene
bezemmakerij na tweejarige proefneming wegens schadelijkheid der rekening
worden opgegeven. Er bleef eindelijk over - de Vereeniging had toen 19 jaar
bestaan - voor de timmerlieden de vervaardiging van allerlei grof houtwerk
| | | | van inlandsch hout, zooals dijkwerkers - kruiwagens, schoppen,
spaboomen enz. Voor andere knappe werklieden koperen spijkers voor den
scheepsbouw koud te hameren; voor vrouwen en kinderen het verpluizen van oud
touw tot kalefaatwerk, eindelijk voor onhandig werkvolk, sjouwers enz. arbeid
aan de bolwerken of stadswallen.’ Van het tweede jaar, dus van 1839 af werd dit
werk in overleg met het stedelijk bestuur ter hand genomen - dit verschafte de
planteekeningen en had den stadsbouwmeester opgedragen op de werklieden door de
vereeniging geleverd, toe te zien. Het timmeren enz. geschiedde in de
werkplaats, een ledigstaand uitgestrekt gebouw met een groot plein, der stad
toebehoorende en gratis der Vereeniging ten gebruike gegeven. Met het
touwpluizen alleen werden gemiddeld 100 huisgezinnen in den winter bezig
gehouden, terwijl een 50 man het overig werk verrichtte, behalve natuurlijk dat
aan de wallen, waarvoor een afwisselend personeel noodig was - en ook gebruikt
werd. Aan loon werd dooreen van 60-80 cts daags door een werkman in de
werkplaats of door een vrouw in de touwpluizerij verdiend. In den eersten tijd
betaalde men tusschen de 50 en 75 cts daags. De vervaardigde voorwerpen werden
aan particulieren, aan winkels, later ook aan dijkstoelen en vooral wat het
verwerkt touw betreft aan de Marine te Vlissingen verkocht. Hoe men aan 't geld
kwam? De strenge winter van '37-38 had door gebrek aan werk zooveel armoede
doen ontstaan, dat de Middelburgsche weldadigheid te nauwernood in staat was
geweest een groot deel der bevolking voor gebrek te bewaren. Toen
Cramer daarop met zijn plan te voorschijn
kwam, vond dit al dadelijk zooveel sympathie, dat er aan bijdragen, waaronder
eene uit de stadskas (ik vermoed van ƒ 1000 later werd dit tot ƒ 2000 toe ten
bate der | | | | afgraving van de bolwerken) ontvangen werd ƒ 4329.35. In
1848 klom dit cijfer zelfs tot ƒ 8000 om daarna langzaam, maar zeker, weer te
dalen. Aan loon werd het eerste jaar reeds uitbetaald ƒ 3762.10, in 1848 zelfs
ƒ 8283. Even gelukkig was de ontwerper in het vinden van menschen, die deel van
hoofd en subcommissiën wilden uitmaken. Verscheiden leden van den kerkeraad der
Doopsgezinde gemeente verklaarden o.a. zich daartoe bereid. Of de vereeniging
nut afwierp? Een vriend van Cramer, die de werking zijner instelling van nabij
gadegeslagen heeft, de heer
Nagtglas, verklaarde na den dood des
stichters in de Midd. Ct.: ‘Op voorslag van Cramer en door de krachtige
medewerking zijner kerkvrienden werd de vereeniging ‘Loon voor Werk’ in
Middelburg tot stand gebracht. Het zou te ver
voeren om hier te schetsen wat de inrichting heeft gedaan. Wie den
overheerlijken aanleg der bolwerken in Middelburg bewondert, welke aan den
stedelijken Raad schier niets hebben gekost, kan dankbaar getuigen: dat heeft
de commissie van ‘Loon voor Werk’ in menigen winter doen verrichten en die
schoone wandelingen is men grootendeels verplicht aan den helderen blik en den
onvermoeiden ijver van den heer Cramer. Toen in 1847 en '48, na de ziekte in de
aardappelen, het dure brood overal de verarming deed toenemen en oproer
dreigde, heeft ‘Loon voor Werk’ krachtig meegeholpen om Middelburg rustig te
doen blijven. Toen dan ook in dat jaar koning Willem II Zeeland's hoofdstad
bezocht werd aan
Cramer als koninklijke onderscheiding de
ridderorde van den Nederl. Leeuw uitgereikt en er was niemand, zegt de Heer
Nagtglas, die de onderscheiding niet welverdiend achtte’. Een paar fouten in
deze mededeeling ingeslopen, dienen hier hersteld te worden. Vooreerst is
koning Willem II in '48 niet in Middelburg geweest; in | | | | de 2e plaats ontving Cramer de orde van den Leeuw, niet in '48 maar
in 1842 toen de koning bij de onthulling van de Ruiter's standbeeld in Zeeland
vertoefde. Indien het al waar is dat niemand hem die onderscheiding misgunde -
wat nog te betwijfelen valt - zeker is het dat hij haar zichzelf niet als loon
voor verdienste toerekende. Hij vond eene koninklijke onderscheiding eigenlijk
te veel eer voor zijn werk en - teekenende bijzonderheid! - te weinig passend
voor een eenvoudig Mennistprediker als hij was, om haar te dragen, maar 't was
toch een eer en bedanken ging slecht, daarom nam hij haar aan en droeg hij het
lintje steeds in het knoopsgat van zijn rok.
Ondanks al het nut dat ‘Loon voor Werk’ gesticht heeft, is de
Vereeniging in het jaar 1870 na 32 jaar bestaan te hebben, bezweken. Reeds in
1857 zag Cramer de ure den onbinding naderen. Zijn rede: ‘moet de
werkinrichting te Middelburg nog verder blijven bestaan?’ is er eene getuigenis
van. Oogenschijnlijk verkeerde zij toen nog in haar bloeitijd, maar de
staathuishoudkunde kon het niet met haar vinden en dat deed schade aan veler
sympathie en offervaardigheid. 't Waren toen nog de dagen waarin de
individualistische economie met haar ‘selfhelp’ den scepter zwaaide, waarin men
elken steun van de zijde der gemeenschap of van een kring uit haar midden
ongezond en verkeerd achtte. 't Was vooral het werk van den Heer Mr.
W.C. Mees uit Rotterdam ‘
de inrichtingen voor armen uit een staathuishoudkundig oogpunt
beschouwd’ (1844) waarin deze bedenkingen werden uiteengezet. Zich
grondende op de bevolkingsleer, die duidelijk aantoont, dat de bevolking altijd
neiging heeft de bestaansmiddelen te achterhalen, dat vermeerdering der laatste
dus vermeerdering in populatie, in casu ook der arme bevolking ten gevolge
heeft, achtte deze werkin- | | | | richtingen en werkhuizen meer
kweekplaatsen van pauperisme, dan middelen ter bestrijding er van. In de tweede
plaats zag hij er een benadeeling in van de zich zelve onderhoudende
nijverheid, terwijl hij ten derde de stelling verdedigde, dat werkinrichtingen
kostbaarder zijn dan bloote bedeelingen. Trots al de kracht die in hem was, al
de liefde voor zijn stichting kon Cramer zich niet aan deze gedachte, aan de
omarming van deze economische hydra ontworstelen. Er was veel waars in - maar
zóó duur was ‘Loon voor Werk’ toch niet. In de meeste jaren had men ƒ 2000 meer
aan loon uitbetaald, dan aan giften was ontvangen. Dit geld zou der nijverheid
ten goede gekomen zijn als - als zij maar werk had kunnen verschaffen. ‘En dan
- waar moesten, vroeg hij, de werkeloozen blijven als de liefdadigheid ze niet
te hulp kwam. Naar elders verhuizen? Dit is voor velen moeilijk, zoo niet
onmogelijk. Wij zouden daardoor, vervolgt hij, knappe werklieden verliezen, die
wij in den zomer zeer wel gebruiken kunnen, die wellicht in later tijd geen
hulp meer noodig hebben, en enfin, wij willen gaarne onze stadgenooten, zoolang
het mogelijk is, bij elkander houden. Wie moet het niet veeleer hoog
waardeeren, dat een aantal huisgezinnen voldoende door de winter geholpen
wordt, dat een aantal huisvaders door vlijtigen en eerlijken arbeid het brood
voor hunne gezinnen verdienen, terwijl zij anders door aalmoezen vernederd en
toch gebrekkig geholpen zouden zijn, dat een aantal werklieden voor verarming
wordt bewaard?’ Deze bestrijding zou ‘Loon voor Werk’ dan ook wel het hoofd
geboden hebben, als er niet allerlei andere omstandigheden bij gekomen waren,
die schadelijk op haar inwerkten. Wie zag in dien tijd, vóor '70 althans, in,
dat de onfeilbre economie ook wel eens dwalen kon in hare redeneeringen, dat
zij vergat het onderscheid | | | | tusschen economisch sterken en zwakken
in 't oog te vatten, dat zij vergat welk een groot aandeel de
gemeenschap heeft in het bepalen der gunstige levensvoorwaarden, die den
eersten, den economisch sterken, ten goede komen, waartegenover van hunne zijde
wel eene compensatie in den vorm van werkverschaffing in den winter staan
mocht, waarlijk! geen al te hooge eisch ten bate der economisch zwakken gedaan,
kortom wie wees toen de fouten der individualistische leer aan, waar hare
apostelen luider en luider hare theorieën, als de eenig houdbare den volke
verkondigden? Dat Cramer zijn tijd daarin niet vooruit was, en hij zich in '57,
toen in den boezem van het Bestuur der Vereeniging zelve de vraag was gerezen:
‘of het niet raadzaam zou zijn, de inrichting op te heffen’, moest troosten met
de gedachte, al protesteerde hij tegen die opheffing, dat ‘Loon voor werk’ ten
minste zóólang had bestaan, zóóveel knappe gebreklijdende menschen geholpen,
zóóveel weldadigheid uitgelokt zóóveel zegen ondervonden had’ - wie zal het hem
euvel duiden? Dertien jaren later zou de opheffing volgen, want - hoevelen
waren er niet weggerukt, die aanvankelijk de zaak krachtig hadden gesteund,
hoeveel kapitaal was er niet langzamerhand uit Middelburg weggevloeid, hoeveler
ijver was niet geweken onder den druk der tijden!
Cramer zelf dacht aan den tijd van zijn
emeritaat - wie zou hem vervangen? Voeg daarbij dat het ziekteproces, waaraan
‘loon voor werk’ te gronde ging, voor een niet gering deel veroorzaakt werd
door den aard der inrichting zelve, die aanvankelijk met jeugdigen ijver, in
jeugdigen overmoed wel wat te veel hooi op de vork genomen
had. Wie bedenkt dat hier, in Zutphen, onze werkinrichting, op gelijke
leest geschoeid als die te Middelburg, dit jaar haar 50-jarig jubilé viert,
vraagt zich onwillekeurig af: | | | | van waar het verschijnsel dat in
Zutphen kan gedijen, wat in Middelburg, de vaderstad van dergelijke
inrichtingen, nog geen 40 jaar bestaan kon. Moeilijke tijden zijn hier
doorleefd evenals elders, de offervaardigheid is in Middelburg - een stad van
nagenoeg gelijke bevolking als Zutphen - niet geringer dan hier; de economische
bezwaren drukten daar niet meer dan onder ons en toch, de stichting van
Ds. Rutgers van der Loeff overleeft die van
Ds. Cramer. Was men door ervaring, de ervaring wellicht ook in
Middelburg, wijzer geworden, toen men in
Zutphen eene werkinrichting in 't leven riep?
Hoe dit zij! - terwijl men in Middelburg alles aanvatte, timmeren klompen
maken, spijkers slaan, touwpluizen, bolwerken afgraven, werd hier alleen het
touwpluizen onderhanden genomen. Na den eersten bloeitijd in Middelburg verval.
Toen er geen graafwerk meer te verrichten was, kon men een groot deel der
werkeloozen niet meer steunen, het spijkers maken verviel, door de
concurrentie, die opnieuwe uitvindingen prat, geen winst meer toeliet, het
timmeren en klompen maken moest worden opgegeven, het laatste vooral omdat de
inkomsten de uitgaven niet konden dekken, het eerste omdat bij de oproeping van
werklieden zich al minder en minder timmerlieden aangaven. De touwpluizerij,
die in de Marine te
Vlissingen een goede afneemster vond, moest de
ongunst der tijden, voor haar in den ijzeren scheepsbouw gelegen, ondervinden
en zoo geviel het dat, toen met den spoorweg begonnen werd er zooveel werk
kwam, dat de kwijnende inrichting van zelve bezweek. Cramer had altijd gezegd
‘als het spoor komt, eindigen wij’ - en alzoo is geschied. Hij heeft het werk
zijner liefde zien geboren worden en ten grave helpen dragen, nog voor hij
Lochem bereikte.
Gelukkiger was hij met eene andere stichting in zoo- | | | | ver
dat zij nog bestaat en een zegen is voor velen. Toen Cramer in 1832 in
Middelburg kwam, verhaalt de heer Nagtglas, werd er van wezenlijk armverzorging
nog weinig werk gemaakt en de oogen van slechts enkelen waren geopend om te
zien, hoe de wonden in het maatschappelijk leven eerst moesten worden gepeild,
om tot genezing te komen.
In Middelburg was toen, gelijk in de meeste steden, een college van
regenten over de algemeene armen, met twaalf wijkmeesters, die evenals de
diakenen der verschillende gezindheden zich bepaalden bij bedeeling en nu en
dan de oudjes onder de armen een bezoek brachten.
Het dreigend spook van het pauperisme grijnsde echter reeds in de
verte, er werd erg geklaagd over toeneming van armoede, altijd hoogere subsidie
aan de armbesturen en steeds grootere last van bedelaars, die hier en daar op
straat o.a. op den toen levendigen weg naar Vlissingen eene zitplaats hadden
gekozen en hun haveloosheid en afzichtelijke wonden tentoonstelden.
Cramer had een warm hart voor zijne noodlijdende medemenschen, maar
meer nog een helder hoofd, dat het eerste den weg wees. Met zijn zwager, den
kundigen
S. Blaupot ten Cate, schrijver eener
bekroonde verhandeling over het armwezen, had hij dit groote vraagstuk
menigmaal besproken en in 1837 was door hem in de toen veel gelezen
Letteroefeningen een belangrijk bericht geschreven over de stichting van Amalia
Sieveking te Hamburg. Maar Cramer was er de man niet naar om het bij woorden te
laten, er moesten daden uit ontkiemen. Hij begreep voor bijna zestig jaar reeds
wat nog onlangs als het laatste woord over armenverpleging in The Fortnightly
Review werd betoogd, dat slechts door persoonlijke ontmoeting en kennismaking
van gegoeden | | | | en behoeftigen, verbetering tot stand kan komen.
Naar dit doel streefde
Cramer bij de oprichting der ‘Vereeniging
tot het bezoeken van armen’, eene instelling in 1839 op zijne aansporing tot
stand gekomen en waarvan hij jarenlang als ondervoorzitter eigenlijk de leider
was. Zooals hij het opvatte, mocht het eene volmaakte armenzorg genoemd worden
en nog kort geleden schreef de bekende philanthroop Samuel A. Burnett: ‘als
morgen aan den dag ieder, wien het lot der armen ter harte gaat, de vriend werd
van een arm gezin, zonder zich verder met de anderen te bemoeien, zou binnen
eene week de geheele quaestie der werkeloosheid zijn opgelost en Londen op weg
wezen om eene stad te worden van gelukkige gezinnen’.
Deze meening, wat de werkeloosheid aangaat, voor rekening van den
Engelschen schrijver latende, ligt er toch een diepe waarheid, eene helaas! te
veel vergetene in zijn woord. Die waarheid te hebben erkend en in praktijk
gebracht is Cramer's verdienste. Een werk van inwendige zending noemde hij zijn
instelling. Langzaam werkende, schijnbaar op weinig succes bogende, ligt er
toch in haar streven zulk een schoon en edel beginsel, dat op den duur zegen
daaruit voortkomen moet. Toen de vereeniging 15 jaar gewerkt had, mocht Cramer
getuigen: ‘dat tijdvak is niet geheel en al onvruchtbaar geweest. Het is rijk
genoeg in uitkomsten om ons te bewaren voor geheele uitblussching van moed. Ja,
onze Vereeniging heeft wat goeds gesticht. Onze verslagen zijn dáár ten
bewijze. Van enkele huisgezinnen, die door ondersteuning, raad, voorspraak en
hulp van den wijkbezoeker zijn vooruitgekomen, mogen wij gewagen. Een beter
bedeelingsstelsel is door onzen invloed ingevoerd; de algemeene bedeelingen,
die zoo verderfelijk | | | | werkten, zijn afgeschaft. Eene meer billijke
verdeeling van soepkaarten hebben wij voorbereid en hopen slechts op de
medewerking onzer stadgenooten, om het nuttig alimentatiemiddel tot
zijne ware bestemming te brengen. Voor jongelingen, die in de zeedienst zich
willen begeven hebben wij den weg effen gemaakt. Het schaamteloos bedelen op
den Nieuwjaarsdag met al de ongebondenheden daaraan verknocht, hebben wij
gekeerd en in 't algemeen mogen wij het wel aan den invloed onzer Vereeniging
toeschrijven, dat het vragen van aalmoezen aan de huizen en het blindelings
geven aan onbekende armen veel verminderd is. Het schoolgaan der kinderen is
aanmerkelijk toegenomen, zoodat de niet schoolgaande als uitzonderingen, met
name in onze verslagen worden genoemd. Over 't algemeen komt er ook
langzamerhand bij de armen een beter begrip van onze Vereeniging tot stand en
sluiten zij zich, ook om hare zedelijke strekking, gaarne bij haar aan. En wie
zal zeggen, hoeveel woorden van goeden raad en moedversterking, in die 15 jaar
in de woningen der armen gesproken, goed zijn neergekomen en vruchten hebben
gedragen, al hebben wij die niet dadelijk aanschouwd? Zij zijn niet onder
cijfers te brengen, de koude statistiek laat ons hier verlegen, maar zij zijn
opgeteekend in het Gedenkboek des Alwetenden.’
Zoo schreef Cramer in 1858, toen de 15de algemeene
vergadering der Vereeniging gehouden werd. Wat wij in onze ‘Kamers van Navraag’
toejuichen, wat wij goeds en deugdelijks prijzen in het Elberfeldsche stelsel,
werd in beginsel door Cramer reeds in de eerste helft onzer eeuw toegepast in
zijn ‘Vereeniging tot verbetering van armenzorg’, eene Vereeniging, die nog
bestaat en volgens verklaring van deskundigen te Middelburg nog zegenrijk
werkt. | | | |
Zoo leefde en werkte stil en bescheiden, in kleinen kring arbeidende
de Doopsgezinde vermaner Cramer. Een welbesteed leven ligt achter hem, mocht
naar waarheid getuigd worden, toen op een guren Decemberdag zijn stoffelijk
overschot in het vriendelijk Lochem naast dat zijner gade werd ter ruste
gelegd. Hoe meer ik over zijn leven nadenk, hoe beminnelijker het mij voorkomt.
Zijn practisch Christendom, in Menno's school tot een levenwekkende kracht
geworden, heeft zijn blik verruimd ver over de grenzen van zijne broederschap
heen. Hij sloot zich niet enghartig op in eigen gemeentekring, in denken en
doen begrensd door de eischen zijner betrekking, maar had een open oog voor de
behoeften en nooden der groote maatschappij, behoeften en nooden die hij niet
theoretisch onderzocht in den trant der latere katheder-socialisten, maar
waarvoor hij eene praktische oplossing trachtte te vinden, zonder daardoor in
botsing te komen met zijn eigenlijken werkkring. Zeg ik te veel als ik beweer
dat Nieuwenhuysen's mantel op hem gevallen was, al hebben zijne stichtingen
niet zulk een vlucht genomen als die van den Edamschen vermaner?
Hij had de wetenschap lief, classiek gevormd als hij was, maar om de
praktijk. Ik heb er gekend wier wetenschappelijk onderzoek in liefhebberen is
ontaard; ik heb er gekend wier hoofd een pakhuis van geleerdheid gelijk was,
van wie men zeggen kon dat al wat stond in boeken, in dat hoofd was gevaren,
maar van wier geleerdheid de maatschappij weinig of geen vruchten zag. Niet
alzoo bij Cramer. Zijne historische studiën vormden den band die wetenschap en
praktijk, letterkunde en Christendom verbond. Ongetwijfeld was hij Mennist in
hart en nieren, maar omdat en voorzoover | | | | hij Christen was. Zijn
bijbelsch standpunt mocht menig jongere van jaren verouderd toeschijnen, hij
zelf behooren tot een geslacht, dat voor ons is voorbijgegaan - wat er eeuwig
waars en nieuws blijft in zijn optreden, in zijn werken en streven, is de
praktische geest waarvan hij altijd en overal getuigde in
woord en werk. Tot in hoogen ouderdom stelde hij belang in alles wat om hem
voorviel, ook in dat wat buiten zijn eigenlijk studiegebied gelegen was -
hoeveel hield hij niet van populaire astronomie, hoe gaarne ontmoette hij niet
den Directeur der Enschedesche industrieschool, van Deinse, en sprak hij met
hem over zijn inrichting; zelfs de quaestie der landnationalisatie liet hem
niet onverschillig! En zoo bleef hij jong al was zijn haar zilverwit en werd
zijne gestalte ook meer en meer gebogen door den last der jaren. ‘Hij was een
dienstknecht in de hand van God, maar omdat hij zich getrouw aan Gods woord
hield, heeft hij een goed werk tot stand gebracht.’ Dus schrijft
Cramer van
Menno Simons - is het woord niet op hem
zelven van toepassing? Geruchtmakend was zijn leven niet, de wereld buiten
Middelburg, vrienden en geloofsgenooten uitgezonderd, kende niet of ter
nauwernood zijn naam, maar voor de stad zijner inwoning was hij een zegen. In
menig opzicht zijn tijd vooruit, heeft hij nooit zijne persoonlijkheid op den
voorgrond gesteld. Een autoriteit mocht hij zijn op het gebied der historie
onzer Doopsgezinde vaderen - als zoodanig zich te laten gelden deed hij nooit.
Meest op den achtergrond van het tooneel des levens vervulde hij zijn rol, niet
zwijgend maar vermanend, niet passief maar leerend. Geen schitterend vuurwerk
gelijk is zijn arbeid geweest, maar een stil bedaard licht dat den weg wijst op
den donkeren weg van godsdienstige en | | | | maatschappelijke
vraagstukken. Op de hem eigen vriendelijke wijze - zijn zedeleer had niets van
die eens deurwaarders of veldwachters - stichtte hij zijne gemeenteleden
ernstig en gemoedelijk, des Zondags en in de week. Niet als een verdrietige
optimist, zooals hij zegt, maar de bon coeur zorgde hij voor de werkeloozen in
zijne omgeving, zocht hij de paupers door deelneming in hun lot te winnen voor
wat hij het goede, het Godsrijk noemde.
‘O! die stille grooten!’ roept Carlyle uit - ‘zij maken niet veel
drukte, zij zoeken niet in het buitengewone hun kracht, zij streven niet naar
macht en invloed of eer, maar stil en ongemerkt gaan zij hun weg, doende wat
hun hand vindt om te doen en alzoo handelend stichten zij, juist
zij, een onschatbaar nut en brengen zij grooten zegen!
Ave pia anima!’
Zutphen, Juli 1895.
B. Cuperus.
| | | |
| |
Geschriften van A.M. Cramer.
| 1. |
Recensie van Roorda's Specimen exhibens vitam Amadis Tulondis
Vaderl. Letteroefeningen van 1827. |
| 2. |
Twee akten van Prins Willem I tot bescherming van de
Doopsgezinden. Vaderl. Letteroefeningen. 1836. |
| 3. |
Het leven en de verrigtingen van Menno Simons. Amsterdam,
Johannes Müller. 1837. |
| 4. |
Eenige aan de ondervinding beproefde denkbeelden om den
zedelijken en godsdienstigen toestand der lagere volksklassen te bevorderen.
Vaderl. Lett. 1839. |
| 5. |
Recensie van Blaupot ten Cate's Geschiedenis der Doopsgezinden in
Friesland. Vaderl. Letteroefeningen. 1840. |
| 6. |
Aanteekening van eene rondreis in alle Oud-Vlaamsche Gemeenten in
1754. Jaarboekje voor de Doopsgezinde Gemeenten. 1840. |
| 7. |
De invloed der beschaving op het geluk. Vaderl. Letteroefeningen.
1843. |
| 8. |
Levensbeschrijving van David Joris. Nederl. Archief van Kist en
Royaards. 1843. |
| 9. |
Bijvoegselen tot de levensbeschrijving van David Joris. Nederl.
Archief van Kist en Royaards. VI. |
| 10. |
(J. Boeke en) A.M. Cramer. Twee brieven ter toelichting en
toetsing van Halbertsma's ‘de Doopsgezinden en hunne herkomst’. 1844. |
| 11. |
Recensie van Neander's Geschiedenis der Chr. Kerk, vertaald door
Mauve. Recensent ook der Recensenten. 1849. |
| 12. |
Over onze gebrekkige kennis aangaande de toekomstige Zaligheid.
Christelijk Album. |
| 13. |
De Christelijke Gemeente vergeleken met een lichaam. Christelijk
Album. |
| 14. |
De lagere scholen met betrekking tot den Godsdienst. Godgel.
Bijdragen. 1855. |
| | | |
| 15. |
De vraag over het wenschelijke van werkinrichtingen. Tijdschrift
van het Armwezen. 1857. |
| 16. |
Aanspraak in de Vereeniging tot het bezoeken der armen.
Tijdschrift van het Armwezen. 1858. |
| 17. |
Brief betreffende den stamvader der familie van Geuns en de
nederigheid der oude Doopsgezinden. Doopsgezinde lectuur. 1858. |
| 18. |
Recensie van S. Hoekstra Bz. Leer en Beginselen der oude
Doopsgezinden. Godgel. Bijdragen. 1864. |
| 19. |
Beyschlag: de bekeering van den Apostel Paulus, met
aanteekeningen door A.M. Cramer. 1865. |
| 20. |
Ontwerp-reglement voor den Kerkeraad eener Doopsgezinde Gemeente.
Doopsgez. Bijdragen. 1865. |
| 21. |
‘Weest toch onpartijdig’. Brochure. Middelburg 1865. |
| 22. |
Recensie van E. de Laveleye's ‘Het volksonderwijs in de XIXe
eeuw’ vertaald door Enklaar. Godgel. Bijdragen. 1867. |
| 23. |
Recensie van J.H. Scholten, de Doopformule. Waarheid in Liefde.
1869. |
| 24. |
Proeve eener zuivere wijsgeerige verklaring van de waarheden des
Christendoms. Geloof en Vrijheid. 1870. |
| 25. |
Wie brengt twist in het Nederlandsche bijbelgenootschap? Geloof
en Vrijheid. 1870. |
| 26. |
Het eigenaardige der Doopsgezinden, vooral hier te lande.
Doopsgezinde Bijdragen. 1873. |
| 27. |
Doop voor allen gehandhaafd of facultatief? Doopsgezinde
Bijdragen. 1878. |
| 28. |
Reis van Gosen naar den berg Sinaï door G. Ebers, vertaald door
A.M. Cramer. Enschede. M.J. van der Loeff. 1878. |
| 29. |
De legende van Aardenburg. Doopsgez. Bijdragen. 1885. |
| 30. |
Over de voorwaarden voor den Doop in onzen Gemeenten.
Doopsgezinde Bijdragen. 1886. |
| 31. |
Karakteristiek van en lofrede op de Jezuiten. Stemmen voor
Waarheid en Vrede. 1889. |
|
1Acht dezer overleefden hem. Allen bekleeden
eervolle betrekkingen in moederland en koloniën. Een hunner is hoogleeraar te
Amsterdam aan het Doopsgezind Seminarium en de gemeentelijke Universiteit
aldaar.
|
|