|
|
|
| | | | | |
| |
Levensbericht van Jhr. Mr. Dirk van Akerlaken.
Eerst nadat mij gebleken was, dat meer bevoegden zich hadden
verontschuldigd, heb ik gehoor gegeven aan het verzoek van mevrouw de
Douairière van Akerlaken en van de kinderen van haren echtgenoot om een
levensbericht op te stellen van Jonkheer Mr.
Dirk van Akerlaken. Men kwam tot mij, omdat
men wist, dat ik tot den overledene in eene aangename verhouding had gestaan.
Als commies-griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en later, eerst
als commies-griffier, daarna als griffier van de Eerste Kamer had ik hem leeren
kennen en waardeeren. Nimmer had ik iets anders van hem ondervonden dan
welwillendheid, vriendschap en (hetgeen ik bovenal op prijs stelde, vermits
zijn geest en de mijne niet in elk opzicht aan elkander verwant waren)
vertrouwen. Mocht ik weigeren hulde te brengen aan zijne nagedachtenis, nu mij
dit met vriendelijken aandrang gevraagd werd?
De bezwaren, onafscheidelijk verbonden aan de te vervullen taak, heb
ik mij niet ontveinsd. Ik had den overledene wel is waar gedurende eene reeks
van jaren gekend, doch slechts van ééne zijde. Het een en ander omtrent hem als
volksvertegenwoordiger mede te deelen, daartoe | | | | zou ik wel kans
zien. Maar zijn leven was veelzijdig geweest; zijne werkzaamheden hadden zich
in verschillende richtingen bewogen. Niet gekend had ik hem als rechterlijk
ambtenaar; van zijne bemoeiingen in polderzaken had ik slechts bij geruchte
vernomen, evenals van hetgeen hij in onderscheidene betrekkingen en door zijn
geheele persoonlijkheid voor zijne vaderstad Hoorn was geweest. Ook als
schrijver behoorde van Akerlaken te worden geschetst.
Eigen onderzoek, naar vermogen ingesteld, was onvoldoende ter
bereiking van het doel. Ik had behoefte aan de voorlichting van anderen. Zij
heeft mij niet ontbroken. Bij niemand heb ik te vergeefs aangeklopt.
Mr. G. de Vries Azn, die van Akerlaken aan de hoogeschool had gekend,
en die vervolgens als Griffier der Staten van Noordholland, waarin van
Akerlaken vele jaren zitting had, tot hem in betrekking had gestaan en die
levenslang met hem bevriend was gebleven, deelde mij belangrijke bijzonderheden
omtrent van Akerlaken mede
1. Mijn vriend Jhr. Mr. S. Laman
Trip, president der rechtbank te Zutphen, vroeger onder anderen
substituut-officier bij de rechtbank te Hoorn, liet mij evenmin in
verlegenheid. Door zijne tusschenkomst ontving ik bovendien inlichtingen van
Mr. J.T. Boelens, tegenwoordig vice-president der rechtbank te
's-Hertogenbosch, die eerst als substituut-griffier en daarna als rechter te
Hoorn met en onder van Akerlaken heeft gewerkt, en van Mr. F. Booy, thans hoog
bejaard in otio cum dignitate woonachtig te Tiel, die
gedurende vele jaren het ambt van griffier der rechtbank te Hoorn bekleedde
2. Voorts
heb ik belangrijke mededeelingen te danken aan den heer M. de Jong, lid van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal. Maar de meeste gegevens ontving ik uit den
aard der | | | | zaak van de familie zelve, en wel bij monde en bij
geschrifte van van Akerlaken's schoonzoon Mr. C.H.Q. van Stryen, griffier bij
het gerechtshof te Amsterdam, mijnen commilito van weleer, met wien ik te
Leiden ‘onbewolkte dagen’ doorbrengen mocht.
Allen, die mij bij mijnen arbeid ter zijde hebben gestaan, ben ik
daarvoor van harte erkentelijk.
| |
I.
Jonkheer Mr.
Dirk van Akerlaken sproot uit een oud en
beroemd geslacht. Zijne ouders waren Mr. Pieter van Akerlaken en Maria van
Stralen. Van hunne drie kinderen was Dirk de oudste. Zien wij wat deze omtrent
zich zelven schrijft in de door hem uitgegeven ‘Verzameling van eenige
geschriften vervat in het Familie-Archief’, een boek, waardoor de overledene de
taak van zijn levensbeschrijver aanmerkelijk heeft verlicht.
‘Jonkheer Mr. Dirk van Akerlaken, geboren te Hoorn 18
December 1815, huwde 19 Juli 1841 Christina Johanna de Vicq, geb. 13 Juli 1820.
Na haar overlijden hertrouwd 8 Mei 1862 met Johanna Godardina Laurentia van
Doorn. Hij promoveerde tot jur. Ut. Doctor te Leiden 10 Mei 1838, was
achtereenvolgens Advocaat, Rechter-plaatsvervanger 1839 en President der
Arrondissements-Rechtbank te Hoorn 1860-1877 toen die rechtbank werd opgeheven.
Plaatselijk ontvanger van Hoorn 1844-1854. Raad 1862 en wethouder 1881. Lid der
Staten van Noord-Holland 1841-1850, 1862-1874. Lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal 1850-1860, 1869-1874. Lid van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal 1874.
In Dijksbesturen bekleedde hij de functiën van Waarschap van
Drechterland 17 April 1847-1865. Hoofd-Ingeland van West-Friesland 1852-1865.
Dijkgraaf van Drechterland 17 April 1865. Hoog-Heemraad van den Hondsbossche 16
Augustus 1854.
Benoemd tot Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw 15 September
(lees: 12 Mei) 1874.
Zijne eerste vrouw Christina Johanna de Vicq, overleden te Oberhausen 7
Augustus 1860, op haar terugreis naar Hoorn, was eene dochter van Mr. François
van Bredehoff de Vicq, Vrijheer van
| | | |
Oosthuizen c.a., Ridder der
Orde van den Nederlandschen Leeuw, President der Arrondissements-Rechtbank van
Hoorn, Lid der Staten van Noord-Holland en van den Gemeenteraad van Hoorn,
Dijkgraaf van de Beemster, en Elisabeth van Foreest.
Uit dat huwelijk negen kinderen, waarvan nog slechts twee gehuwde
dochters in leven.
De tweede vrouw, Johanna Godardina Laurentia van Doorn, geb. te Utrecht
22 Juli 1831, dochter van Jonkheer Eliza Cornelis Unico van Doorn, geb. te
Oosterwijk 13 October 1799, gehuwd 1824 met Judith Vrolik, geb. 17 Januari
1803, overleden 9 Juni 1844. Hij bekleedde achtereenvolgens de betrekkingen van
Ontvanger der Domeinen te Utrecht, Lid van den Gemeenteraad aldaar. Lid van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal 1848-1853. Minister van Financiën en Hervormde
Eeredienst 1853-54. Lid van den Raad van State en in 1860 Commissaris des
Konings in de Provincie Utrecht. Hij was Ridder en Commandeur der Orde van den
Nederlandschen Leeuw en Groot-Officier der Orde van de Eikenkroon en is 22
Augustus 1882 overleden.
Het laatste huwelijk zonder oir’
1.
Ziedaar als het ware den tekst, dien wij hebben toe te lichten.
| |
II.
Van van Akerlaken's jeugd is mij weinig bekend geworden. Hij werd in
zijne geboorteplaats opgevoed en ontving aldaar eene classieke opleiding.
Rector der Latijnsche School, die van Akerlaken onder hare leerlingen telde,
was
Cornelis Alard Abbing, in 1825 te Utrecht
gepromoveerd op eene dissertatie
de Solonis laudibus poëticis. Als
geschiedschrijver is hij bekend door eene ‘
Beknopte geschiedenis der stad Hoorn en van de Groote Kerk
aldaar’, door een vervolg op Velius' chronyk, en door andere Latijnsche
werken, o.a. door de derde uitgave van Henricus Weyting, Historia Graecorum et
Romanorum literaria (Hoorn 1854), waaraan hij eene geestige Praefatio toevoegde. Hij was met de familie van Akerlaken
bevriend, gelijk blijkt uit de dichtregelen door | | | | hem vervaardigd
‘ter gelegenheid van de Zilveren Bruiloft van den Wel Edelgestr. HoogMogenden
Heer Mr. P. van Akerlaken, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal enz.
enz. en Vrouwe M. van Akerlaken, geb. van Stralen, gevierd binnen Hoorn 23
Maart 1840’
1. Het
onderwijs van dezen kundigen literator zal niet weinig hebben bijgedragen tot
de ontwikkeling van van Akerlaken. Deze, toegerust met een goeden aanleg, werd
op zijnen tijd student en wel in de rechten te Leiden. Het Album
Studiosorum vermeldt de inschrijving op 10 Sept. 1833 van Didericus van
Akerlaken rectore Jacobo Nieuwenhuis
2.
De studentenmaatschappij is altijd vol leven en beweging. De jaren, die
van Akerlaken in haar midden doorbracht, leveren daarvan op nieuw een bewijs.
De destijds verschenen studentenalmanakken vertoonen op letterkundig gebied den
invloed van Barbier, Victor Hugo, Schiller en Byron op den smaak en de neiging
der academische jongelingschap. Het was in diezelfde dagen, dat de eerste
Mixed-pickles in die jaarboekjes werden opgenomen, eerst onder den titel, in
meer dan eenen jaargang, van Proeve van een Academisch
Woordenboek, later onder eene rubriek Plaatsvulling.
Destijds niet van geest ontbloote noch onreine, en in elk geval onschuldige
scherts. In latere jaren is het genre er niet altijd op vooruit gegaan. Één
voorbeeld zij vergund. In den jaargang van 1834 leest men in voce
Dissertatie: ‘Een omslachtig soort van visitekaartjes, die men bij zijne
vrienden rondbrengt, om hun te berigten, dat men de Academie gaat verlaten. -
Een bastaard, waaraan de vader dikwijls niets geeft dan den naam. - Het
corpus delicti van eene algemeene letterdieverij’
3. Als caricatuur niet
onaardig. Maar telde deze triviale op- | | | | vatting reeds destijds onder
de studenten talrijke aanhangers?
Van Akerlaken schijnt met de onlangs - tot
blijdschap van velen, tot leedwezen van vele anderen - afgeschafte wettelijke
verplichting voor de studenten in de rechten tot het schrijven van een
academisch proefschrift ter verkrijging van het doctoraat in de rechts- of
staatswetenschap, niet bijzonder ingenomen te zijn geweest. In de voorrede van
het zijne gewaagt hij van de noodzakelijkheid ‘documentum aliquod studiorum in
lucem edere’ en voegt er bij: ‘quod onus lex omnibus, qui
lauream doctoralem adipisci velint, imponit.’
Nam van Akerlaken aan het literarische leven der studentenwereld deel?
Ik moet het antwoord schuldig blijven. Maar wel nam hij deel aan de behartiging
van de belangen van het studentencorps. De scheiding in dat corps had eerst in
1838 plaats, toen van Akerlaken de hoogeschool reeds had verlaten, maar de
voorafgaande jaren had den reeds de sporen der naderende verdeeling in partijen
geopenbaard. De vraag was reeds aan de orde, of er Een senaat
zou zijn? Van Akerlaken mengde zich in de gedachtenwisseling. Sprak hij
daarover in de studentenvergaderingen, dan deed hij het met vuur. Hij was
totus in illis. Na het spreken was hij vermoeid en afgemat.
Aldus verhaalde mij zijn academievriend Mr. G. de Vries Azn, zijn medelid van
een juridisch dispuutgezelschap, waaraan voor van Akerlaken, blijkens hetgeen
hij in de voorrede zijner dissertatie tot zijne vrienden zegt, de aangenaamste
herinneringen verbonden waren. Tot die vrienden behoorden ook
C.H. Boot, later onder anderen Minister van
Justitie,
J.C. van de Kasteele, later lid der rechtbank
te 's-Gravenhage en Jhr.
J.B.A.J.M. Verheyen, thans lid van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal.
Mr. de Vries getuigt van van Akerlaken, dat
| | | | hij een vroolijk student was, goed werkte en op tijd examen
deed.
Nog hebben wij zijne leermeesters niet genoemd. Het propaedeutisch
onderwijs voor toekomstige rechtsgeleerden werd destijds gegeven door de
hoogleeraren Nieuwenhuis, Siegenbeek, Bake, Hoffman Peerlkamp en Reuvens. De
laatste onderwees de voor den aanstaanden jurist zoo belangrijke romeinsche
antiquiteiten. Toen
van Akerlaken in het leerjaar 1834-1835 de
rechtsgeleerde studiën aanving, was de hoogleeraar Smallenburg juist emeritus
geworden. Enkele jaren te voren was
Thorbecke uit Gent naar Leiden overgeplaatst,
aanvankelijk als buitengewoon hoogleeraar. Tot gewoon hoogleeraar werd hij den
11den Januari 1834 bevorderd. Deze uitbreiding van het
getal hoogleeraren in de rechtsgeleerde faculteit was echter van korten duur,
want de vacature, door het emeritaat van Smallenburg ontstaan, werd niet
vervuld. Diens lessen over de Instituten nam
Tydeman over: ‘Institutionum Justiniani
doctrinam cursim repetet ad ductum Westenbergii’ meldt de Series. Verder werd
het romeinsche recht nog onderwezen door den classiek gevormden van Assen, die
ook de lessen in het burgerlijk recht en de rechtsvordering gaf. Tydeman had
voorts de colleges in de encyclopaedie, staathuishoudkunde en statistiek en in
het handelsrecht.
Cock gaf ius natúrae, strafrecht, staats- en
volkenrecht. De lessen door Thorbecke gegeven verschilden telken jare. In den
cursus 1833-1834 kondigde hij drie colleges aan: een over de diplomatieke
geschiedenis van Europa van Lodewijk XIV tot het Weener Congres, welk college
ook in de beide volgende cursussen op de Series voorkomt; een tweede, aldus
omschreven: ‘Diplomaticum, id est disciplinarum principiorum et | | | |
formarum, quibus rationes Regnorum externae reguntur.’ Op een derde college
behandelde hij: ‘Statum publicum et civilem Patriae nostrae inde a Carolo V
historice describet.’ In 1835-1836 werd de historia diplomatica voortgezet;
onderwees hij ‘historiam politicam et iuris civilis patriae nostrae, inde ab
anno 1650’; en tevens ‘historiam doctrinarum politicarum inde ab Hugone Grotio,
singulis temporibus, conditione comparatam’. In den volgenden cursus,
1836-1837, gaf Thorbecke historiam juris Romani; behandelde hij weder de
historia Politica et juris civilis, maar nu in een vroeger tijdvak, van Karel V
tot den vrede van Munster, en gaf hij voor het eerst: ‘Historicam legis
Fundamentalis cum aliis nostri aevi Legibus Fundamentalibus comparatae,
interpretationem’. Hoeveel valt niet aangaande den staatsman
te leeren uit de bloote opgave der colleges, gegeven door den geleerde gedurende dat drietal leerjaren. Juist deze drie noemde
ik, omdat zij het zijn, waarin van Akerlaken Thorbecke's lessen geheel of
gedeeltelijk zal hebben bijgewoond. Geen onveranderlijk en onveranderd dictaat,
jaar op jaar voorgedragen, maar telkens nieuwe en hoogst belangrijke
onderwerpen. Gewicht gehecht aan de geschiedenis, grondslag van elke
wetenschap; de beschrijving van den status publicus et civilis des vaderlands
‘historisch’ opgevat; ‘historisch’ ook de uitlegging der Grondwet, met
vergelijking nochtans van andere Grondwetten van onzen leeftijd. Wie de
omschrijving der colleges ziet en zich den inhoud der ‘
Historische Schetsen’ herinnert, bespeurt terstond, dat
menig opstel in dien bundel opgenomen, uit de academische lessen ontstaan is.
Zoo namelijk het stuk over ‘Johan de Witt’ en de ‘Schets eener geschiedenis der
provinciaalburgerlijke wetgeving in de Republiek der Vereenigde Ne- | | | | derlanden’. De hoofdinhoud der Rede ‘Over Simon van Slingelandt's
toeleg om den Staat te hervormen’ zal eveneens op het college zijn
voorgedragen. Vervolgens zien wij, dat de ‘Aanteekening op de Grondwet’ haren
oorsprong vond in het college over de legis Fundamentalis interpretatio.
Die interpretatio zoude, wij zagen het zoo even, historica zijn. In hoever dit op het college werkelijk het geval
is geweest, zouden zijne leerlingen kunnen getuigen, maar te loochenen valt
het, dunkt mij, niet, dat in het standaardwerk zelf de gestadige verwijzing
naar buitenlandsche Grondwetten onzer eeuw, eene verwijzing, waarin ons land
eene eerste proeve van vergelijkende rechtswetenschap ontving, aan eene
grondige beschouwing en eene billijke beoordeeling van de wording en het
karakter der vaderlandsche staatsinstellingen en der Nederlandsche Grondwet
afbreuk heeft gedaan.
In
Thorbecke als geschiedkundige openbaart zich
niet slechts de hoogleeraar, maar ook de staatsman. ‘Hij zoekt in de
geschiedenis minder bevrediging zijner weetgierigheid dan volmaking zijner
politiek’
4.
Als vanzelf trekt verder de veelheid en de verscheidenheid der vakken,
die de geest van Thorbecke omvatte, de aandacht. Aard en neiging helden tot het
publiek recht over en men ziet Thorbecke door studie der staatswetenschappen
arbeiden aan de eigen vorming tot staatsman en aan de vorming van leerlingen,
van wie een aanzienlijk getal eerlang geroepen zou worden tot deelneming aan de
publieke zaak; maar het verband tusschen privaat en publiek recht was hem
volkomen helder; beide beheerschte hij. Straks deinst hij er niet voor terug
ook de geschiedenis van het romeinsche recht te onderwijzen. In latere jaren
nam hij bovendien het handelsrecht voor zijne rekening. Waar Thorbecke later
| | | | in de Staten-Generaal zich zoo menigmaal tegen eene telkens
uitgebreidere splitsing van vakken aankantte en (soms niet zonder overdrijving,
gelijk Opzoomer terecht aanmerkt) de stelling verdedigde, dat de uitkomsten van
het hooger onderwijs hoofdzakelijk afhangen van de persoonlijkheid van
‘weinige, bekwame, ijverige mannen’, daar was het voorbeeld, dat hij zelf
gegeven had, voor die stelling zijn beste bewijs
5.
Van Akerlaken en zijne tijdgenooten aan de
hoogeschool konden te meer vruchten plukken van Thorbecke's onderwijs, omdat de
buitengewone man destijds nog met hart en ziel hoogleeraar was. Vóór 1839 was
Thorbecke op politiek terrein bij weinigen bekend
6. Ook waren toen de persoonlijke twisten tusschen Thorbecke en
onderscheidene zijner ambtgenooten, ten deele zelfs leden derzelfde faculteit,
nog niet uitgebroken, twisten, die niet konden strekken tot het welzijn der
Universiteit in het algemeen en der studeerende jeugd in het
bijzonder: de verhouding bij voorbeeld van Thorbecke tot Cock en van Assen liet
eerst later te wenschen over
7.
Vraagt men naar de sporen van Thorbecke's invloed op van Akerlaken?
Kennelijk zijn de beide laatste theses achter de dissertatie de vrucht van
Thorbecke's lessen. Deze: ‘Summum fuit in republica provinciarum foedere
junctarum vitium, quod auctoritate non satis valeret gubernatio generalis ad
cogendos singulos socios negotia decidere, quaeque decreta essent perficere’.
Onmiskenbaar eene vertolking van Thorbecke's uitspraak in het opstel over de
Witt: ‘Met het onhandelbaarste staatswezen, waarin zich immer een
volk of eene Mogendheid bewoog vervulde de Witt een rol in de bestelling
van Europa’. Kenmerkend is ook die andere stelling: ‘Foedus inter Magnam
Britanniam, Austriam et Foederati Belgii | | | | provincias initam dd. 17
m. Novembris Ao 1715. Antwerpiae, quod vulgo vocatur
barrière tractaat, reipublicae nostrae magna attulit incommoda’. Toen van
Akerlaken later in de Tweede Kamer, het was op 21 December 1850, de belangen
van het Rijksarchief bepleitte, vond hij gelegenheid in den toenmaligen
Minister van Binnenlandsche Zaken hulde te brengen aan ‘den uitstekenden
geleerde, die zelf zoo veel voor onze historie heeft gedaan’. Duidelijk sprak
hier de redenaar als man van ondervinding.
Thorbecke was zijn promotor geweest.
In de voorrede der dissertatie volgde van Akerlaken de aloude, thans
echter van lieverlede in onbruik rakende gewoonte om aan de academische
leermeesters een woord van dank te brengen. Hij doet dit aan de rechtsgeleerde
professoren in het algemeen, zonder iemand hunner bij name te noemen. Hij heeft
overvloedige reden tot erkentelijkheid. ‘Non solum enim in publicis
lectionibus, sed etiam in privata disciplina et domestica consuetudine eorum
doctrina, consilio, amicitia uti frui mihi licitum erat’. Dat hij hierbij ook
vooral doelde op hetgeen professor Tydeman voor hem was geweest, blijkt uit het
boek, dat
van Akerlaken in 1878 uitgaf over Mr.
Hendrik van Stralen. Destijds, na een verloop
van veertig jaren, was bij hem de herinnering nog levendig aan het voorrecht,
te
Leiden genoten, ‘om deel te nemen aan de
vertrouwelijke en gezellige bijeenkomsten, die de achtingwaardige Professor
H.W. Tydeman voor zijne bevriende studenten
ten zijnen huize openstelde en dáár niet alleen aan zijne jeugdige vrienden de
gelegenheid gaf om vrij en ongedwongen omtrent allerlei onderwerpen van hunne
meening te doen blijken, maar ook de vonken van zijn eigen vernuft en
buitengewone scherpzinnigheid deed schitteren, terwijl hij daarbij ten beste
gaf den schat | | | | zijner veel omvattende kennis en langdurige
ervaring’
8.
Het in het openbaar verdedigde proefschrift, waarop van Akerlaken 10 Mei
1838 ‘met lof’ promoveerde, handelde ‘de Pactis licitis et illicitis in codice
civili obviis’
9. De schrijver roept de welwillendheid
van den lezer in voor de behandeling van een onderwerp, dat tot de moeilijkste
van den Code civil behoort. Achtereenvolgens bespreekt hij de pacta licita in
boek I, II en III van den Code, daarna de pacta illicita in diezelfde
boeken.
De literatuur over het onderwerp, vooral de Fransche, is vlijtig
geraadpleegd. Tijdens de bewerking was in hoofdtrekken de aanstaande wetgeving,
die met 1 October 1838 zou worden ingevoerd, bekend. Het is bevreemdend, dat op
haar nergens in het proefschrift wordt acht geslagen. Het Latijn is niet beter
en niet minder dan in de meeste dissertaties van dien tijd. De beste periode
van een Latijn, zoo als bij voorbeeld Groen van Prinsterer het schreef, was
reeds voorbij. Maar voor eene ernstige beweging in de studentenwereld tegen het
Latijn was de tijd nog niet aangebroken. Zij ontstond eerst omstreeks 1860. Zij
was natuurlijk. Men haatte hetgeen men niet kende: Ars non habet
osorem nisi ignorantem. Doch reeds in van Akerlaken's tijd dacht het gros der studenten in het Hollandsch en drukte zich zoo
goed en zoo kwaad als het ging in het Latijn uit. In de medegedeelde theses
heeft men proeven van van Akerlaken's Latijn gezien.
Onder die stellingen zijn er enkele, die ons met de oeconomische
denkbeelden van den schrijver in kennis stellen. Hij beaamt het gevoelen van
Montesquieu: ‘l'effet naturel du commerce est de porter à la paix’. Zijne
menschlievendheid brengt hem tot beweringen als deze: ‘Ratio quaedam personarum
in poenis infligendis est habenda’, en: ‘communis gentium salus postulat ut
relegationis | | | | poena ubivis abrogetur’. Merkwaardig is deze
stelling: ‘Boni legislatoris est admittere divortium mutuo coniugum concensu’.
Vrij radicaal, vooral in den jare 1838! Aan den anderen kant is zijn
rechtsgevoel zuiver genoeg en is zijn historische zin voldoende ontwikkeld om
ten aanzien der strafrechtspleging te stellen: ‘Iudicia Juratorum (Jury) in
patria nostra improbanda videntur’.
| |
III.
Met voldoening mocht hij op het wèl volbrachte academieleven terugzien.
Binnen een betamelijken tijd was hij met eere gereed gekomen. ‘Ecce
quinquennium fere praeterlapsum’, lezen wij in den aanhef der voorrede van het
proefschrift, ‘quo, paternis carissimi monitis precibusque monitus, domum
paternam reliqui.’
Dat vaderlijk huis was hem dierbaar en aan beide ouders was hij innig
gehecht.
In zijn werk over van Stralen vond hij gelegenheid het karakter zijner
moeder te schetsen. Ik wil niet nalaten zijne eigene woorden over te nemen,
omdat zij ons vergunnen een blik te slaan in het diepste van zijn gemoed.
‘De steller dezer bijdrage heeft eene hem zeer dierbare vrouw,
van Stralen's bloedverwante, gekend. Trouwe gade, lieve zorgdragende moeder
harer kinderen en goede huisvrouw, mogt zij tevens door meerdere
voortreffelijke eigenschappen aan anderen ten voorbeeld strekken. Uiterst
minzaam, voorkomend en beleefd in den omgang, trok zij veler harten tot zich en
toch waarborgde hare statig rijzige gestalte, gepaard met ietwat
aristocratische vormen, haar tegen te groote gemeenzaamheid. Van jongs af
gewoon vlijtig ter kerk te gaan, was zij stipt in de nakoming harer
godsdienstige pligten tot aan haren hoogen ouderdom zoolang zij dit vermogt, en
toen op het laatst van haren leeftijd de zoogenaamde moderne rigting bij de
Hervormden veld won en die ook wel eens met haar besproken werd, was zij steeds
gewoon te zeggen, dat zij bij het geloof bleef, dat zij zoo lang had omhelsd en
op haar ouden dag geene neiging had tot verandering. Desniettemin was zij zeer
verdraagzaam jegens andersdenkenden. De weinige dienstboden, die zij gedurende
haar lang leven had en die haar dienst zelden dan | | | | om een huwelijk
aan te gaan verlieten, behoorden tot onderscheidene kerkgenootschappen, zoo tot
die der Hervormde fractiën als die der R. Catholijken. Hoogst zelden viel er
een onaangenaam woord tusschen haar voor, in weerwil dat er stipte orde
heerschte in hare woning. Geacht en bemind door ieder die haar kende, was haar
een gelukkig en voorspoedig leven toegelegd, zij mocht een benijdenswaardigen
echt van ruim zeven en veertig jaren genieten, en toen acht jaren later ook
haar sterfuur sloeg, had zij het voorrecht de drie kinderen, die zij eens
baarde, in meer of min gevorderden leeftijd achter te laten, en was haar einde
zóó zacht en onopgemerkt, dat haar eenige dochter, die alleen bij het sterven
tegenwoordig was, dit ter nauwernood bespeurde. Zóó leefde Maria van Stralen en
is zij op 83 jarigen leeftijd gestorven’
1.
Wie voelt zich niet aangetrokken door het beeld dezer moeder? Eere aan
den zoon, die jaren na haar dood haar beeld zóó had vastgehouden, alsof zij
gisteren overleden ware. Ook de trekken van het oudhollandsche, degelijke
huiselijk leven doen weldadig aan.
Niet minder groot was van Akerlaken's eerbied voor zijnen vader. Aan hem
had hij het proefschrift opgedragen: ‘Petro van Akerlaken, iur. utr. doct.
ordinum Hollandiae adscripto, Icto causarumque patrono, urbis Hornanae
quaestori, caet. caet. patri optimo, carissimo pio atque grato animo hancce
dissertationem D D D auctor’.
Korte dagen na zijns vaders dood bracht hij hem eene eenvoudige,
welsprekende hulde in een levensbericht, dat eerst zevenentwintig jaren later
in het ‘
Familie-Archief’ gedrukt werd. Het beslaat daarin eene
eereplaats. Het met gloed en met waarheidszin geschreven opstel is mijns
inziens ook uit een letterkundig oogpunt het beste wat uit van Akerlaken's pen
is gevloeid. Wie het leest wordt getroffen door de overeenkomst tusschen den
levensloop van den vader en dien van den zoon. Beiden advocaat te
Hoorn; beiden ontvanger en lid van het bestuur der
stad; beiden werkzaam in polderbesturen; | | | | beiden optredende in de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, beiden hunne staatkundige loopbaan in de
Eerste besluitende. In eenen brief van 9 October 1862, waarin
van Akerlaken zijnen vriend Mr. G. Vries Azn.
dankt voor de deelneming in het overlijden van zijnen vader, schrijft hij, dat
diens lijden in den laatsten tijd zoo groot was geweest, dat niemand verlenging
des levens wenschen mocht. ‘Intusschen’, gaat hij voort, ‘is voor mij zijn dood
een groot gemis, grooter dan ik mij had kunnen voorstellen. Het heeft in onzen
levensloop gelegen, dat ik hem nagenoeg in alle zijne betrekkingen ben
opgevolgd. Wij bewoonden dezelfde plaats. Van mijne jeugd af was ik in alle
zijne bijzondere zaken geinitiëerd, ons wederkeerig vertrouwen was bijzonder
groot, in elke (lees: alle) belangrijke levensomstandigheden
raadpleegden wij elkander, en ofschoon wij nu en dan, vooral vroeger in de
politiek van meening verschilden, stond dit onze sympathie niet in den weg. Met
zijn dood heb ik mijn oudsten en besten vriend verloren. Ik zag er reeds
zoovele anderen ten grave dalen en gaat het u zoo als mij, dan maakt men
dergelijke relatiën op onzen leeftijd zelden meer’
2.
Het is de moeite waard die opvolging in het ambt telkens in enkele
bijzonderheden na te gaan. De vader is voor den zoon een goede genius geweest;
deze heeft dit gevoeld en dankbaar erkend.
| |
IV.
Onder de gunstigste omstandigheden mitsdien vestigde van Akerlaken zich
na de promotie in zijne vaderstad.
Hij begon zijne maatschappelijke loopbaan als advocaat.
Het voorbeeld des vaders was al dadelijk geschikt om hem de
rechtspraktijk met moed te doen aanvangen. Diens | | | | praktijk, in den
aanvang reeds niet ongelukkig geslaagd, nam weldra hand over hand toe. Volgens
den zoon wemelde het vaderlijk huis van rechtzoekenden. Rijken en armen werden
op loyale wijze van raad gediend. Vooral de boedelpraktijk was uitgebreid:
meest alle Amsterdamsche notarissen raadpleegden den Hoornschen advocaat. ‘Ik
durf gerust beweren’, schrijft van Akerlaken, ‘dat nimmer vóór hem te Hoorn een
Advocaat is geweest, die op zulk eene uitgebreide rechtspraktijk en op zoo
groot vertrouwen heeft kunnen bogen als mijn Vader - het is niet
waarschijnlijk, dat er na hem te Hoorn een Advocaat zal zijn, wiens
rechtspraktijk de zijne zal evenaren’. Of de overweging, dat met 1 October 1838
de nieuwe wetgeving werd ingevoerd, op het besluit invloed geoefend heeft, zij
in het midden gelaten, maar zeker is het hoofdzakelijk ter wille van zijnen in
dat jaar gepromoveerden zoon geweest, die toen te Hoorn de advocatuur
aanvaardde, dat Mr. P. van Akerlaken zich ‘allengskens’ aan de praktijk
onttrok.
Zij ging over op den zoon. Ook deze mocht zich verheugen in den roem van
een nauwgezet en welsprekend pleiter, van een kundig en eerlijk raadsman. Menig
geding wist hij door zijne tusschenkomst te voorkomen; toch voerde hij tal van
procedures, dikwijls met den door hem gewenschten uitslag. Dat zijn naam als
rechtsgeleerde spoedig was gevestigd, blijkt onder anderen hieruit, dat hij
reeds binnen een jaar nadat hij de hoogeschool verlaten had, den 19den April 1839, benoemd werd tot rechterplaatsvervanger. Als
rechterlijk ambtenaar onderscheidde hij zich zóó, dat, toen in 1864 vijf en
twintig jaren sedert die benoeming verloopen waren, de rechtbank en de balie
aan haren president als bewijs van hoogachting en vriendschap een kostbaar
geschenk aanboden. | | | |
Aan haren president. Want tot dat ambt was hij in 1860 benoemd.
Als president was
van Akerlaken in zijne volle kracht. Er is
maar ééne stem over de voortreffelijke wijze, waarop hij die eervolle, maar
moeilijke betrekking bekleedde. De jaren, gedurende welke hij de rechtspraktijk
had uitgeoefend en waarin hij de vraagbaak was geweest van een goed deel van
Noordholland; de uitgebreide kennis van zeden en gewoonten, van personen en
zaken, die hij èn als advocaat èn als lid van Dijksbesturen had opgedaan en in
laatstgenoemde betrekking voortdurend opdeed, maakten hem tot een uitstekend
rechter en Voorzitter. Welwillend van aard, was hij altijd en overal bereid het
den rechtzoekenden gemakkelijk te maken. Het grootste belang der justitiabelen
oordeelde hij, om in het geheel geen processen te voeren. Waar hij kon trachtte
hij minnelijke schikkingen tot stand te brengen, conflicten tusschen
autoriteiten te voorkomen, particuliere veeten te doen eindigen. Algemeen
bekend en geëerd, gelukte hem dit menigmaal, ook zonder daartoe aangezocht te
zijn. Een enkel voorbeeld. Op een drukken marktdag verzocht hij een
Roomsch-katholieken burgemeester en eenen predikant, die sedert geruimen tijd
verschil hadden over een voetpad, bij zich en bracht de verzoening tot stand,
zoodat zij te zamen in een open rijtuig huiswaarts keerden, tot groote
verwondering hunner dorpelingen. Waar hij kon was de president vrederechter,
maar, was tot een proces besloten, dan deed hij al hetgeen in zijn vermogen was
om de afdoening te bevorderen. Van de jaarlijksche vacantie der rechtbanken was
hij geen voorstander. Hij waande die uitsluitend ingesteld ten genoegen der
advocaten, in strijd met het belang der rechtzoekenden. Diep was hij
doordrongen van de juistheid van hetgeen | | | | Montesquieu reeds in
1725 had gezegd: ‘Il faut que la justice soit prompte. Souvent l'injustice
n'est pas dans les jugements, elle est dans les délais’
1. Niets
hinderde hem sterker, dan het gedurig uitstel van de behandeling der civiele
zaken en hij schroomde niet de procureurs te verzoeken om niet telkens dat
uitstel te vragen. Eenmaal liet hij zich zelfs ontvallen, dat in zekere zaak
voor het laatst uitstel werd verleend, ofschoon hij wel wist, dat op eenstemmig
verzoek van partijen weinig tegen vernieuwde vertraging was te doen.
Van Akerlaken presideerde de openbare
zittingen vlug en flink. Hij was volkomen op de hoogte der te behandelen zaken.
Procureurs en advocaten, die lange conclusies en lange pleidooien voordroegen,
waren zijne vrienden niet. In ééns afdoen, kort en bondig, was zijn methode.
Ongaarne schorste hij de zitting: had zij om tien of elf uur een aanvang
genomen, hij zette ze liefst zonder verpoozing onafgebroken voort. Slechts ten
gevalle van jongere rechters was hij tot eene schorsing van een kwartier of een
half uur te vinden. Duurde de zitting evenwel tot na drie uur, dit vond hij
onaangenaam. Onder alle omstandigheden wist hij het prestige der rechtspraak te
bewaren. Eens gebeurde het, dat eene boerin in een civiel proces den eed moest
afleggen en in plaats van dat zóó te doen, als de president het haar had
gezegd, zich omkeerde, zoodat zij aan de rechtbank den rug toedraaide,
vervolgens den hoed afzette, den voorsten vinger van iedere hand boven op het
hoofd plaatste en gereed stond te zweren. Van Akerlaken vertrok geen
gelaatstrek, maar zeide alleen: ‘Vrouw, dat gaat zoo niet’ en bracht haar tot
de orde. In strafzaken was hij in het algemeen voor de toepassing van zachte
straffen en van verzachtende omstandigheden. In 1870 betoonde hij zich als lid
der Tweede Kamer een hartstochtelijk | | | | voorstander van de
afschaffing der doodstraf. Niemand meene echter, dat hij daarom in onze dagen
gerekend zou mogen worden onder de aanhangers der Italiaansche school met hare
cynische psychologie tot grondslag en haren Lombroso aan het hoofd. Het
bestanddeel van waarheid, dat hare leer bevat, is oud, en het nieuwe, dat zij
verkondigt, is onwaar: van Akerlaken zou de eerste geweest zijn om dit in te
zien. Men mag dit reeds hieruit afleiden, dat hij zich op 1 Maart 1881 in de
Eerste Kamer verklaarde tegen de proefneming, in het nieuwe wetboek van
Strafrecht opgenomen, ‘om de gevangenen vóór de expiratie van hun straftijd
voorloopig in vrijheid te stellen’.
Was van Akerlaken op de zitting nimmer scherp, in de raadkamer kon hij
prikkelbaar wezen. Hij ontwierp veelal de civiele vonnissen. Zijne zucht om
kort te zijn had wel eens ten gevolge, dat zijn concept naar het oordeel zijner
ambtgenooten al te beknopt en te weinig gemotiveerd was. Bezwaren hiertegen van
den kant zijner ambtgenooten vielen hem moeilijk te dragen. Hij zag te veel
voorbij, dat de rechter ongetwijfeld de zaken kernachtig moet uitdrukken, maar
dat de waarde der rechterlijke beslissing in de voldoende motiveering ligt,
vooral omdat die beslissing in vele gevallen onherroepelijk is. Hij
veroorloofde zich wel eens den uitval: ‘Een rechter moet apodictisch zijn’. Hij
had in dit opzicht les défauts de ses qualités. Over het algemeen liet echter
de verstandhouding tusschen den president eenerzijds en de leden der rechtbank,
het parket en de griffie andererzijds niets te wenschen over. Ook bestond er
tusschen allen, die aan de rechtbank verbonden waren en hunne gezinnen, een
gezellig verkeer. Het ontbrak niet aan gemeenschappelijke maaltijden.
Door zijn invloed heeft van Akerlaken velen aan | | | | eene
betrekking geholpen en leden van de rechtbank en ambtenaren van parket en
griffie aan eene bevordering. Achtte hij iemands aanspraken billijk en
interesseerde hij zich voor hem, voor den zoodanige gaf hij zich veel moeite.
Begreep hij echter den sollicitant niet te kunnen of te mogen helpen, dan gaf
hij dit rondborstig te kennen: nooit was men omtrent zijne meening aangaande
personen of zaken in twijfel. Hij billijkte het streven tot verbetering van
positie, mits men Hoorn niet te spoedig wilde verlaten. Klachten over Hoorn of
over te lage bezoldiging van het personeel der Hoornsche rechtbank vonden bij
hem geen gunstig onthaal: ‘Gij hebt immers alles geweten,’ placht hij te
zeggen, ‘de betrekking toch begeerd en de omstandigheden zijn niet veranderd.’
Ongaarne zag hij ongehuwde personen zich aanmelden voor een vacanten zetel in
de rechtbank of eene plaats op het parket of ter griffie: want hij begreep, dat
zij zich beijveren zouden zoo spoedig mogelijk elders te worden geplaatst en
gestadige verwisseling van personeel vond hij niet wenschelijk, allerminst
aangenaam. Tuk was hij op de onafhankelijkheid der rechterlijke macht. Op eene
aanschrijving, inhoudende, dat de griffie door den Procureur-Generaal zou
worden geinspecteerd, gaf hij schriftelijk ten antwoord, dat hij dien
hooggeplaatsten ambtenaar gaarne aan zijnen disch zou ontvangen, doch dat er
van de voorgenomen inspectie geen sprake kon zijn.
Zoo presideerde
van Akerlaken. Onafgebroken van 1860 tot 1869.
Toen hij in 1860 tot president benoemd werd, begreep hij, het lidmaatschap der
Tweede Kamer te moeten neerleggen: het presidium eischte vooral in den aanvang
zijns inziens een heel mensch. In September 1869 opnieuw naar de Tweede Kamer
afgevaardigd, | | | | meende hij evenwel gedurende zijne afwezigheid te
's-Gravenhage de functiën van president aan den oudsten rechter met vertrouwen
te mogen overlaten. Aan dezen, die ongefortuneerd was, stond van Akerlaken
gedurende dien tijd zijn meerdere wedde af. In 1874 verwisselde van Akerlaken
het lidmaatschap der Tweede met dat der Eerste Kamer: de zooveel geringere
omvang van werkzaamheden, aan het lidmaatschap der Eerste Kamer verbonden,
stelde hem in staat voortaan weder met volle kracht als president op te
treden.
Lang zou hem dit echter niet meer vergund zijn. Drie jaren later, in
1877, besloot de wetgevende macht tot opheffing van de rechtbank te
Hoorn.
Men weet hoe het daartoe gekomen is. De Grondwet van 1848 leverde een
aantal proeven te meer van het verbazende geduld, dat aan het papier eigen is.
Hare bedoeling was ook ten aanzien van het rechtswezen loffelijk. De wensch
bestond om het land met eene nieuwe rechterlijke inrichting te begiftigen. Ten
einde de vervulling van dien wensch te waarborgen, schreef men in art. 5 der
additioneele artikelen, dat zoo mogelijk in de eerste zitting der
Staten-Generaal, volgende op de afkondiging der veranderingen in de Grondwet en
in allen geval niet later dan in de daarop volgende, de voordracht eener nieuwe
rechterlijke inrichting moest worden ingediend. Het voorschrift werd nageleefd.
Onder dagteekening van 19 Februari 1851 had de indiening plaats door den
Minister Nedermeyer van Rosenthal. Het werd na afstemming door de Tweede Kamer
van een hoofdbeginsel ingetrokken. Een tweede ontwerp van den Minister Strens
(2 April 1853), een derde van den Minister Donker Curtius (13 November 1855) en
een vierde van den Minister van der Brugghen (5 Februari 1857) verviel telkens
| | | | door aftreding van den Minister, die het had ingediend. Een
vijfde van den Minister Boot (4 Februari 1859) onderging hetzelfde lot als dat
van den Minister Nedermeyer van Rosenthal. Naar het scheen was een gelukkiger
lot beschoren aan het ontwerp van den Minister Godefroi. Met vuur en talent
verdedigd, werd het ten minste tot wet verheven (31 Mei 1861, Staatsblad no. 49). Maar de Tweede Kamer entte met opzet in
caudam venenum. Bij amendement werd de bepaling opgenomen, dat de wet met
1 Januari 1862 of vroeger in werking zou treden: eene nadere wet werd noodig om
het in werking treden te verzekeren. Nu had de reactie vrij spel. Zij zorgde
wel, dat de termijn van invoering herhaaldelijk werd uitgesteld. De stemming in
1870 over een ontwerp, dat de invoering moest voorbereiden, bezorgde aan de
dood geboren wet van 1861 eene smadelijke begrafenis: tegen den zin van
van Akerlaken, die zich vóór de invoering
verklaarde. Nog is de historia morbi niet aan het einde. Een
zevende ontwerp van den Minister Jolles (15 December 1871), werd opgeborgen ter
griffie van de Tweede Kamer, tengevolge van het aftreden van dien bewindsman.
Het volgende jaar diende de Minister de Vries, evenals zijn voorganger,
overtuigd, dat de Grondwet nu eenmaal gewild had, niet slechts, dat er een
nieuwe rechterlijke organisatie zou worden ingediend, maar
ook zou worden ingevoerd, en dat de Regeering zich door al
het gebeurde niet mocht laten ontmoedigen, een achtste ontwerp in. Het bleek
opnieuw welk een onfeilbaar middel het misbruikte recht ‘om wijziging in een
voorstel te brengen’ oplevert ter verkrijging eener negatieve uitkomst. De
beslissing over vraagstukken van zuiver juridischen aard, zooals, om één
voorbeeld te noemen, dat betreffende het appèl in straf- | | | | zaken,
werd genomen onder den invloed der politiek. Het ontwerp, door amendementen van
zijn eigenaardig karakter beroofd, werd 20 Mei 1873 door de Tweede Kamer met 39
tegen 37 stemmen afgestemd.
Aangaande dezen uitslag gaf van Akerlaken den vijfden April 1877 in de
Eerste Kamer als zijne meening te kennen, dat de voordracht was afgestemd ‘door
eene goed aaneengesloten, goed gedisciplineerde oppositie’. Hij zelf had zijne
stem aan het ontwerp gegeven.
Hij had met mate, maar met kracht aan de beraadslaging deel genomen. Hij
had zich verklaard vóór het onveranderd behoud van art. 1, waarin over ‘de
rechtsmacht en die haar uitoefenen’ werd gehandeld. De bedenkingen, tegen dat
artikel geopperd door den Baron van Lynden van Sandenburg, den geachten
afgevaardigde uit Tiel, trachtte hij te weerleggen. Vruchteloos kwam hij op
voor het behoud der aanbevelingslijsten bij de rechtbanken. Een voorstander
betoonde hij zich van het appèl in strafzaken. Een amendement, door hem
voorgesteld, waarin hij de taak van den Hoogen Raad als hof van cassatie
omschreef, ontmoette een gunstig onthaal bij den Minister en werd door de Kamer
met 53 tegen 17 stemmen aangenomen. Zijne desiderata voor
eene rechterlijke organisatie waren: appèl in strafzaken; afschaffing van alle
hoven en van de cassatie in burgerlijke zaken. Niet in alle opzichten werden
zijne wenschen bevredigd. De oorspronkelijke voordracht strookte meer met zijne
inzichten, dan de voordracht zoo als zij luidde op het oogenblik der
eindstemming. Niettemin vond hij vrijheid zich met haar te vereenigen.
De belangstelling van van Akerlaken in alles wat omtrent de rechterlijke
organisatie in de Staten-Generaal voorviel was te meer verklaarbaar, omdat de
invoering eener | | | | nieuwe rechterlijke inrichting
noodwendig met zich zou brengen eene nieuwe rechterlijke indeeling en daarbij zou het de vraag zijn, of de rechtbank te
Hoorn behouden bleef.
Toen het ontwerp van Mr. Godefroi in het najaar van 1860 de Tweede Kamer
bereikte, was het eerste tijdperk van van Akerlaken's parlementaire loopbaan
gesloten. Maar deze volgde op den voet hetgeen op het Binnenhof voorviel. De
Minister Olivier diende in 1862 een wetsontwerp in, houdende eene nieuwe
rechterlijke indeeling, een ontwerp, dat al weder strekken moest om de wet van
31 Mei 1861 in te voeren. Bij dat ontwerp werd onder anderen de opheffing der
Hoornsche rechtbank voorgesteld.
Van Akerlaken was hevig tegen dat voornemen
gekant; niets liet hij onbeproefd om het te verijdelen. Dit blijkt uit
denzelfden brief van 9 October 1862 aan Mr. G. de Vries Azn., waarvan wij boven
gewag hebben gemaakt. De lezer oordeele.
‘Nu over eene andere zaak, waaromtrent ik uwe hulp ernstig
inroep. Het betreft de regterlijke indeeling. Ik heb gelezen dat dit ontwerp
zal worden omgewerkt en herzien. Mocht dit werkelijk plaats hebben, stel u dan
voor het behoud der Hoornsche Regtbank krachtdadig in de bres. Ik vraag dit
niet voor mij zelven, maar voor het oord en de plaats mijner geboorte en
inwoning. Mijn belang is daarbij luttel betrokken. Wordt de Regtbank
gesupprimeerd, ik zal Hoorn verlaten en verleg mijne woonplaats naar de
residentie, welligt ziet men mij dan weer eens in de Kamer. Maar het behoud van
de Regtbank is eene levensquestie voor Hoorn. Er kan geen beter gelegen en
ingerigt Arrondissement worden uitgedagt. Het vormt het zoogenaamde
Noorderquartier of Westfriesland, Waterland met een deel van Kennemergevolg. De
voorgestelde verdeeling is de dwaasheid zelf. Voor u, met de locale positie
bekend, behoef ik dit niet te betoogen. Ik vraag niet de suppressie eener
andere Regtbank. Ook Haarlem en Alkmaar kunnen behouden blijven. Zelfs in het
systeem der wet, want waarom wordt Noord-Holland in tegenstelling met
Zuid-Holland, Noord-Braband, Overijssel en Zeeland zoo stiefmoederlijk bedeeld?
- Werd aan mijn verlangen voldaan, zoo bleven alle Arrondissementen behouden.
Ik zou dit wenschen om de Regterlijke organi- | | | | satie eindelijk eens
tot stand te brengen, om de wille der justiciabelen en om het belang der
plaatsen waar men de Regtbanken wil opheffen. Men zegt, bij de uitbreiding der
Regtsmagt bekomen wij kundige Regters! Maar men vergeet het vastgestelde appèl
in alle strafzaken. Men zou dan ook moeten beginnen met hen veel hooger te
salariëeren en niet eene bespottelijke aalmoes van ƒ100 toe te werpen. En is de
Regterlijke magt tegenwoordig zoo slecht zamengesteld? Zijn de Regters in appèl
zoo veel kundiger dan die in eerste instantie? Is de balie zoo veel beter
zamengesteld dan die van 40 à 50 jaren geleden, zoodat men daardoor en daaruit
geene kundige regters zou kunnen erlangen? Ik durf dit met gerustheid
betwijfelen en veeleer het tegendeel volhouden. Welligt verschilt gij met mij
in een of ander opzigt, maar toch zijn, meen ik, mijne bedenkingen niet van
allen grond ontbloot. Spreek si placet er eens over met den Minister, met
Borret en Meeussen. Met den laatsten was ik steeds bijzonder bevriend, maar tot
mijn leedwezen moet ik erkennen noch van hem, noch van eenige mijner liberale
vrienden, immer medewerking, wel tegenwerking te hebben ondervonden. Ik zou dit
met onderscheidene voorbeelden kunnen staven. Intusschen doe wat gij kunt en
wilt. Gij zult mij daarmede verpligten en de wenschen en belangen alhier een
goede dienst bewijzen. Is het niet te veel gevergd en kan dit plaats hebben dan
zou ik omtrent den verderen loop dezer zaak gaarne à courant gehouden blijven
en houd mij daarvoor aanbevolen.’
Ditmaal dreef de bui nog over. Toch was de Hoornsche rechtbank
opgeschreven ten doode.
Van Akerlaken doorzag, dat de invoering der wet van Mr. Godefroi
afstuiten zou op de invoering eener nieuwe rechterlijke indeeling. ‘Eindelijk eens tot stand te brengen.’ Dit werd geschreven in
1862. Acht jaren later, in 1870, wij herinnerden het reeds, bleef van Akerlaken
aan zijne meening van 1862 getrouw.
Toen de Tweede Kamer den Koning verzocht had ook de wet van den Minister
de Vries ‘in nadere overweging te nemen,’ ‘nu bleek dan toch,’ schrijft de
hoogleeraar van Boneval Faure, ‘dat de Grondwetgever te hooge eischen aan de
wetgevende macht had gesteld.’
2.
De Grondwetgever van 1887 heeft zich gewacht wederom een gebiedend
voorschrift op te nemen in den trant van | | | | dat van het additioneele
artikel der Grondwet van 1848.
Na de beslissing van 20 Mei 1873 nam de gewone wetgever de toevlucht tot
het stelsel van partiëele herziening, reeds in de vergadering der Nederlandsche
Juristenvereeniging van 1870 door den genoemden bewindsman met nadruk ter
verbetering der wetgeving in het algemeen voorgestaan en na de afstemming
zijner wet op de rechterlijke organisatie terstond met kloeken moed en met
goeden uitslag op dit deel der wetgeving toegepast. Getuige de wet van 4 Juli
1874,
Staatsblad No. 90, tot wijziging van de
bepalingen omtrent de rechterlijke tucht:
van Akerlaken was rapporteur over de
desbetreffende voordracht. De opvolger van den Minister de Vries, Baron van
Lynden van Sandenburg, bewandelde dit zooveel gemakkelijker pad insgelijks, en
wel met versnelden tred. Zijne gaven en zijne veerkracht kwamen hem daarbij
uitnemend te stade en het geluk diende hem. In 1875 verschenen reeds een
tweetal wetten in het Staatsblad, die een partiëele herziening der rechterlijke
organisatie inhielden. Wij vermelden hier alleen de wet van 10 November,
Staatsblad No. 204, ‘houdende opheffing der provinciale
geregtshoven en de instelling van nieuwe geregtshoven.’ Dat zij gevolgd zou
worden door de wetten van 9 April 1877, Staatsblad No.
74-78, bij iedere waarvan het rechtsgebied en de zetels der
arrondissements-rechtbanken en kantongerechten binnen het ressort van een der
vijf Gerechtshoven werd omschreven, was te voorzien. Bij die wetten werden eene
reeks rechtbanken en kantongerechten opgeheven.
Is die maatregel in het belang van het land geweest? De vraag sluit eene
menigte andere vragen in zich. Allereerst de principiëele vraag: mocht de financiëele quaestie den doorslag geven? Dat zij den doorslag gaf, weet iedereen. Wèl gold als tweede,
daarmede samenhangend | | | | motief, vermeerdering van werk voor de
rechterlijke ambtenaren, doch van Akerlaken meende te kunnen aantoonen (5 April
1877), dat de ontworpen maatregelen geen vermeerdering, maar
slechts verplaatsing van werk zouden na zich slepen.
Werkelijk zag de Regeering geen kans verbetering te brengen in de bezoldiging
der rechterlijke macht, dan door opheffing van gerechtshoven, rechtbanken en
kantongerechten. Die verbetering was zeker een billijke eisch. En aan dien
eisch is in een bescheidene mate voldaan. Niet licht zal iemand de destijds
ingevoerde bezoldiging der rechterlijke macht te hoog noemen. Het was trouwens
verstandig gezien, dat de verhooging matig was. Want wanneer de rechterlijke
macht bovenmatig wordt bezoldigd loopt men gevaar, dat er een jacht ontstaat
naar rechterlijke betrekkingen, waarbij de onafhankelijkheid der rechterlijke
ambtenaren dreigt te loor te gaan. Let men op de destijds vastgestelde cijfers,
dan blijkt, dat de begrooting van Justitie eenerzijds door de afschaffing van
vele rechtscolleges belangrijk werd ontlast, maar daar stond tegenover, dat
haar voortaan de hoogere uitgaven zouden drukken voor de bezoldiging der
rechterlijke macht, voor de gerechtskosten, uit te keeren aan getuigen en
deskundigen en voor nieuwe en te vernieuwen rechtsgebouwen. De vermeerdering
van wedde strekte zeker zijdelings ook tot voordeel der rechtzoekenden, maar
was voor een zeer groot getal hunner de verwijdering van de plaats der
rechtspraak niet een nadeel, dat slechts ten deele door de versnelde middelen
van vervoer werd getemperd? Vervolgens de sociale beteekenis van den maatregel.
Op plaatsen, die tot dusver niet de zetel waren van eene rechtsinstelling een
rechtbank of een kantongerecht te vestigen, dit ware zeker bedenkelijk geweest,
maar was het gewenscht, dat de wetgever medewerkte om kleinere steden en
grootere | | | | dorpen van eene bron van intellectueel leven en van
vertier te berooven, tot de ontvolking van het platteland mede te werken en de
ophooping der bevolking in enkele groote middelpunten van het land te
bevorderen? En, voor zoover hier van eenige rechterlijke organisatie sprake kon zijn, was het te verdedigen om halverwege
te blijven staan en waar men de provinciale hoven ophief, vijf nieuwe hoven te
scheppen in plaats van alle hoven af te schaffen?
3. Het stond te
bezien, wat zwaarder moest wegen, het voor of het
tegen.
Wie aarzelen mocht,
van Akerlaken niet. Ofschoon hij zich met de
opheffing der provinciale gerechtshoven had vereenigd, ten aanzien van de
opheffing van rechtbanken was zijn tegenstand onverzettelijk. Wilde hij alle
rechtbanken met haar bestaand rechtsgebied onveranderd behouden, de toepassing
van den afgekeurden maatregel op Hoorn was in zijn oog eene daad van ruw
geweld, immers een verbreken van eeuwenoude historische toestanden.
Onberekenbaar achtte hij het nadeel door de opheffing zijner
rechtbank aan de stad zijner inwoning toegebracht: wij hoorden hem aan zijnen
vriend de Vries verzekeren, dat er voor Hoorn eene levensquaestie mede gemoeid
was. Zou Haarlem vallen? Of Alkmaar? Of Hoorn? De rechtbank te Haarlem wilde
men niet opofferen. De hoofdplaats van Noord-Holland niet meer de zetel eener
rechtbank, dat ging toch niet aan en het was allerminst van den oudgriffier der
Staten van Noord-Holland, zelf op en top Haarlemmer, te verwachten, dat hij dit
niet zou inzien en immer Hoorn zou steunen ten koste van Haarlem. Zoo
ontbrandde dan de strijd tusschen
Alkmaar en Hoorn. In dien strijd dolf
Hoorn het onderspit. Maar het viel met eere. Met
buitengewone schranderheid was het plan van opheffing van onderscheidene
rechtbanken door de Regee- | | | | ring beraamd. Bij het ontwerpen van zulk
een plan moest de eerste vraag zijn, welk punt men tot uitgangspunt zou nemen.
De Minister van Lynden van Sandenburg koos als zoodanig het behoud der
rechtbank te Tiel. Het behoud van Tiel bracht den val van Nijmegen en van
Gorcum mede, ja uit het oogpunt van het behoud van Tiel liet zich het geheele
plan verklaren. De wetsontwerpen waren vast gebouwd als eene vesting: de muren
waren zoo wèl samengevoegd, dat elk wapen, elk ingrijpend amendement de kracht
miste om ze te doorboren
4. Geen afgeschafte rechtbank, hetzij Appingadam of
Sneek of Amersfoort, hetzij Leiden of Deventer of Eindhoven, die niet dapper
verdedigd werd, maar voor het behoud van geen rechtbank werd feller gekampt dan
voor dat van die te Hoorn. Nog zie ik den heer K. de Jong, Hoorn's
afgevaardigde ter Tweede Kamer, vóór mij, strijdende met onbezweken moed,
totdat hij voor de overmacht bezweek. Dat van Akerlaken, destijds lid der
Eerste Kamer, bij de behandeling dezer dusgenaamde rechtbanken-wetten eveneens
met moed en met fierheid in het strijdperk trad, wie, die het niet begrijpt?
Zijne adviezen van 5 en 6 April 1877 trillen van verontwaardiging. De wrange
vruchten der aanneming dezer ontwerpen zouden naar zijne innige overtuiging
zijn: ‘vermindering van welvaart, daardoor vermeerdering van ontevredenheid en
teleurstelling, verdooving van vaderlandsliefde’. Dit bleek hem te duidelijker,
naarmate hij de ontwerpen nauwkeuriger bezag. Zierikzee werd behouden. Maar van
het standpunt der Regeering was dit weggeworpen geld. Tiel zou behouden
blijven, omdat hat ‘een centraal punt’ was. Maar was Hoorn dit niet? Hij kon
het niet uitstaan, dat de West-Fries, die steeds, die zelfs onder het alles
sloopend Fransch bestuur, een eigen vierschaar had | | | | bezeten,
voortaan recht moest gaan zoeken in Kennemerland. Hij beschouwde de zaak als
eene persoonlijke beleediging. ‘Hoe vergevensgezind ook’, schrijft zijn
schoonzoon, ‘dàt heeft hij der Regeering nimmer vergeven’. Het was voor hem een
nagel aan de doodkist.
Nimmer is hij het hartzeer te boven gekomen. In de Staten-Generaal
bezweek hij voor de verzoeking om na te pleiten: men leze zijn advies van 20
Januari 1880 bij de behandeling der begrooting van Justitie voor dat jaar. Twee
jaren te voren had hij in zijn werk over
Hendrik van Stralen, in eene noot aan den voet
der bladzijde, waarop hij de rampen vermeldt, die de revolutie van 1795 over
Hoorn had uitgestort, aan zijn overkropt gemoed op schamperen toon lucht
gegeven: ‘Men zou verwachten,’ dus klaagt hij, ‘dat dergelijke rampen
grootendeels van staatswege berokkend ook eenigermate zouden zijn in aanmerking
genomen bij de ongelukkige en onregtvaardige nieuwe regterlijke indeeling,
waarbij het belang van Hoorn en dat der ingezetenen van Westfriesland zoo
roekeloos is opgeofferd. Maar neen, men heeft er niet eens van durven gewagen,
uit vrees van te worden uitgelagchen, want dit bragt de vaderlandsliefde van
den tegenwoordigen tijd mede’
5.
Wij zagen, dat
van Akerlaken in 1862 aan Mr. de Vries zijn
voornemen kenbaar maakte om, indien de rechtbank viel, Hoorn te verlaten en in
Den Haag te gaan wonen. Zoover is het evenwel niet gekomen.
Na de opheffing is hem meer dan eens elders eene hoogst eervolle
betrekking aangeboden, onder anderen het presidentschap eener aanzienlijke
rechtbank. Telkens bedankte hij. In het laatstbedoelde geval raadpleegde hij
zijnen vriend, den gewezen griffier Mr. Booy. Beslist ontraadde deze hem de
aanneming, niet alleen in het | | | | belang van Hoorn en Westfriesland,
maar omdat ook zijn levensgeluk op zijn leeftijd in een andere omgeving niet
zou worden verhoogd. In latere jaren was er nogmaals een oogenblik, waarop van
Akerlaken er aan dacht om uit Hoorn te gaan. Het was, toen aldaar een
hoofdelijke omslag werd ingevoerd, waartegen hij ernstige grieven had. Aan een
invloedrijk mede-ingezetene der gemeente gaf hij te kennen, dat hij niet vreemd
was aan de gedachte om 's Gravenhage tot woonplaats te kiezen. ‘Dit is maar een
dreigement; U gaat niet uit Hoorn,’ luidde op beslisten toon het antwoord. ‘Gij
durft het te zeggen’ hernam van Akerlaken en betaalde de plaatselijke
belasting.
| |
V.
Het verwondert ons niet. De banden, die hem aan Hoorn en aan geheel
Westfriesland hechtten, waren veel te sterk: slechts de dood zoude ze
slaken.
Nog hebben wij niet gewezen op meer dan een belangrijken werkkring, dien
hij bovendien voor en na te Hoorn vervulde. De vader was in 1814 tot
plaatselijk ontvanger benoemd. De zoon volgde hem dertig jaren later in die
betrekking op en bekleedde haar tot 1854. Na den dood des vaders, van 1844 tot
1862 burgemeester van Hoorn, werd de zoon in het laatstgenoemde jaar tot lid
van den raad verkozen; eene verkiezing waardoor èn aan de nagedachtenis van den
vader, die ook als burgemeester veel voor Hoorn had gedaan, èn aan den zoon eer
werd bewezen. Later, in 1881, werd van Akerlaken wethouder. Hij bleef dit tot
aan zijn dood. In de vergaderingen van het dagelijksch bestuur, die hij zeer
getrouw bijwoonde, werden zijn rijpe ervaring, zijn uitgebreide kennis, zijn
helder doorzicht gewaardeerd. Als wethouder arbeidde | | | | hij een
tijdlang samen met een ander verdienstelijk man, den onlangs in den vreemde
helaas! ontslapen oud-Minister van Koloniën, Mr. W.K. baron van Dedem, voorheen
burgemeester van Hoorn. Beiden bleken van tijd tot tijd opbruisende naturen en
bij verschil van inzicht ontbrak het niet aan botsingen, zelfs van min of meer
ontstuimigen aard. Maar de golven kwamen telkens spoedig tot bedaren.
Al hetgeen van Akerlaken op zich nam, verrichtte hij met opgewektheid.
Maar behalve zijne rechterlijke werkzaamheden was er geen arbeidsveld, waarop
hij zich met meer ingenomenheid bewoog, dan dat der dijksbesturen. Hij zelf
heeft ons reeds medegedeeld welke functiën hij daarin bekleedde. Wederom zijn
het grootendeels dezelfde, die ook de vader had vervuld.
In de levensbeschrijving van den vader schetst de zoon diens bemoeiingen
aangaande het dijkwezen met levendige kleuren
1.
Verdienstelijk noemt hij hem als Heemraad van den Heer Hugowaard en Heemraad
van den Westerhoog; als Hoofd-Ingeland van den Hondsbossche en Duinen tot
Petten (de zoon werd in Augustus 1854 Hoog-Heemraad in dat bestuur); als
Dijkgraaf van de Baarsdorpermeer, als Banmeester van Hoorn en Molenmeester van
den Oosterpolder. Maar blonk de vader vooral uit als bestuurder van
Drechterland, ook de zoon verrichtte als zoodanig veel van blijvende
beteekenis.
Opmerkelijk, hoe wij hier weder eene soort van erfopvolging voor ons
hebben. De vader, in 1814 benoemd tot Waarschap van Drechterland, in 1822
verkozen tot Hoofd-Ingeland van Westfriesland, bekleedde van 1852 tot zijn dood
de betrekking van Dijkgraaf van Drechterland. De zoon Waarschap van
Drechterland 1847-1865, Hoofd-Ingeland van Westfriesland 1852-1865, in November
1862, na den dood des vaders waarnemend Dijk- | | | | graaf, in 1865
Dijkgraaf van Drechterland tot zijn dood.
‘Wat mijn vader voor het dijkwezen heeft gedaan, staat voor de
nakomelingschap in de notulen der Dijksbesturen geboekt,’ schrijft de zoon. Hij
vermeldt het in breede trekken. Ongeoorloofde praktijken van aannemers en
opzichters heeft hij geweerd; het beheer heeft hij vereenvoudigd en verbeterd;
de dijkage versterkt en in goeden staat gebracht. Hij stelde in 1822 vóór een
Algemeen Reglement van Beheer voor de Vier Ambachten van West-Friesland, dat
deze in den loop van dat jaar aannamen. Bij den vreeselijken watervloed van
Februari 1825 stond hij op den dijk te Schellinkhout, ten koste zijner
gezondheid, zoodat hij weldra gevaarlijk ziek werd. Maar ook hier, gelijk zoo
menigmaal, ontstond uit verlies winst. Zijn invloed bewerkte, dat het Rijk aan
West-Friesland tot leniging der ramp en tot bevestiging der dijken eene
aanmerkelijke som toekende. Van dien tijd dagteekent de blijvende verbetering
der West-Friesche dijkage. De wierriemen werden van lieverlede weggeruimd en
vervangen door steenen glooiingen van eenen aard en een gehalte, dat zij de
bewondering der deskundigen wegdragen. ‘Mijn vader,’ vervolgt de zoon, ‘was
van dat alles de ziel en het leven. Door zijn volhardend onderzoek, door zijn
praktischen blik en door zijne veeljarige ondervinding had hij daarvan eene
kennis gekregen, die niet ligt zal worden geëvenaard.’
Dit over West-Friesland in het algemeen. En dan in het bijzonder
Drechterland. Hij heeft in 1834 en 1835 eene belangrijke vermindering bewerkt
in de voorgestelde berekening der kadastrale waarde van de ongebouwde
eigendommen in de Drechterlander polders. In 1836 begon hij op algemeene kosten
den aanleg der Mac-Adamwegen en bracht ze binnen een betrekkelijk kort
| | | | tijdsbeloop tot stand. Daardoor geriefde hij bijzonder den
landman, herschiep als het ware de geheele landstreek, bevorderde het verkeer,
bezorgde een onberekenbaar voordeel aan zijne vaderstad. Van 1814 tot 1862 is
geen enkel belangrijk stuk van Drechterland's Dijksbestuur uitgegaan, of de
oude heer van Akerlaken heeft het òf gesteld òf wel het ademde zijnen
geest.
Zulk een man van vooruitgang was deze man van
behoud.
Het Dijksbestuur erkende zijne verdiensten. ‘Het vereerde hem,’ lezen
wij, ‘door het meest uitgebreid vertrouwen en een buitengemeen ontzag.’
Buitengemeen ontzag! Merkwaardige en tevens euphemistische uitdrukking.
Hij moet eene figuur geweest zijn, deze Jonkheer Mr. Pieter van Akerlaken. Een
krachtige persoonlijkheid; een potentaat. Hij was bereid al wat goed was door
invloed en stoffelijke middelen te steunen, mits hij
regeerde, hij alléén. Maar hij regeerde rechtvaardig en nauwgezet. Toen hij in
1843 in den adelstand was verheven, voegde hij bij het wapen Cicero's woord aan
Atticus als spreuk: ‘Mea mihi conscientia pluris est quam omnium
sermo.’ Hij werd wel eens Koning van Noord-Holland genoemd, maar het volk,
dat zijne weldaden ondervond, doch ook den druk, dien hij uitoefende, gevoelde,
gaf hem een anderen, zij het weinig eerbiedigen naam. Het heette hem Piet
Almachtig.
Zulke karakters vormt de strijd tegen het water. Deus mare,
Batavus litora fecit. In dien strijd niet minder, dan in den strijd tegen
den Spanjaard is onze volksaard ontwikkeld en gehard. Bij gelegenheid van het
ten vorigen jare binnen onze landpalen gehouden Congres voor binnenlandsche
scheepvaart heeft men niet verzuimd den vreemdeling te wijzen op de
veroveringen, die wij | | | | op onzen ‘aartsvijand’ hebben behaald!
Inderdaad is, naar het woord, indien ik het wèl heb, van Thorbecke, voor
Nederland de begrooting van Waterstaat de ware begrooting van Oorlog. Maar zijn
wij altijd jegens dezen aartsvijand edelmoedig? Erkennen wij, dat hij tevens
onze trouwste bondgenoot, onze beste vriend is?
't Water dreigt maar krijgt ons
niet
zong Beets en die onvermijdelijke inspanning, die gestadige zorg, dat
het ons niet krijgt, dat wij de zee zoowel als de rivieren en
het binnenwater de baas blijven, ziedaar hetgeen ons wakker houdt.
Tegenover ‘Piet Almachtig’ noemde het volk den zoon gemeenzaam Jonker
Dirk. Eveneens eene persoonlijkheid. Even rechtvaardig, doch minder krachtig,
dan de vader, minder heerschzuchtig, minder volhoudend, maar ook minder
afstootend, ja veelal, schoon niet altijd, minzaam en insgelijks in geheel
Westfriesland van grooten invloed. Eenige jaren na den dood des vaders, toen
Jonker Dirk nog in de volle kracht van den mannelijken leeftijd stond, schreef
de heer A. van Eck, hypotheekbewaarder te Hoorn: ‘De verhouding van
van Akerlaken tot Westfriesland is eenigermate
te vergelijken met die van Oranje tot Nederland’
2.
Laat ons in het kort nagaan wat Jonkheer Dirk voor
Drechterland verricht heeft.
Gelijk gemeld, fungeerde hij reeds in 1862 als Dijkgraaf van dat
Ambacht. De reden waarom hij eerst in 1865 tot Dijkgraaf benoemd werd lag
hierin, dat volgens het gevoelen der Regeering tot de vervulling der vacature
eerst behoorde te worden overgegaan, nadat de herziening van het Reglement van
de Ambachten van West- | | | | Friesland, waaraan men bezig was, zou zijn
afgeloopen. Als waarschap van Drechterland en als waarnemend Dijkgraaf nam van
Akerlaken zulk een werkzaam aandeel in de samenstelling van het bijzonder
Reglement voor dat Ambacht, alsmede in de wijze, waarop voortaan het Bestuur
zou worden verkozen, dat men zonder overdrijving het een en het ander nagenoeg
geheel zijn werk noemen mag. Dat daarin sedert dien tijd geen enkele
belangrijke wijziging noodig of zelfs wenschelijk is geoordeeld, pleit zeker
voor de deugdelijkheid van den arbeid. Men raadplege het uitnemende werk van
Mr.
G. de Vries Azn.: ‘
De Zeeweringen en Waterschappen van Noordholland.’ Welk
een genot om, gewapend met de voortreffelijke topografische kaart, door het
Ministerie van Oorlog uitgegeven, dat boek te bestudeeren! Schijnbaar dor, is
het in werkelijkheid vol leven en poezij! Een sprekend gelijkend portret van
Noordholland. Een kostbare bron voor de kennis van geschiedenis, van
administratief- en dijkrecht. In één woord een meesterstuk naar vorm en inhoud
en, wat de typografie betreft, de drukkerij van Johannes Enschedé en Zonen
waardig. Waar zijn zij, die ons van de andere provinciën een dergelijk beeld
teekenen? Welnu, in den tweeden druk, dien men aan Jhr. Mr. J.W.M. Schorer te
danken heeft, leest men deze sobere, maar daarom rijke lofspraak: ‘Het geheele
land door den Westfrieschen omringdijk omvat, is verdeeld in
vier ambachten, genaamd: Drechterland, de vier
Noorder koggen, Geestmerambacht en de Schager en Niedorper
Koggen, elk met een eigen bestuur, sedert de invoering van het Reglement
van 1864 op eenvoudige wijze ingericht’
3.
Wij leeren uit dat boek wat het zegt, gedurende eene reeks van jaren
dijkgraaf van een Ambacht als Drech- | | | | terland te zijn; wat die
onafgebroken zorg voor waterkeeringen, voor sluizen, voor zeedijken, voor wegen
beteekent. Wat al quaesties van bevoegdheid, van verplichting, van uitvoering,
van toezicht! Aan geen enkele schakel van de kunstig samengestelde keten mag
iets haperen, of land en bewoners lijden onberekenbare schade.
Van Akerlaken drukte als Dijkgraaf geheel de
voetstappen van zijnen vader, door allereerst het oog te vestigen op de
verbetering, dat wil zeggen op de verhooging, de verbreeding en de verzwaring
van de West-Friesche zee- en binnendijken, opdat deze ten allen tijde weerstand
en bescherming zouden kunnen verleenen. Daarenboven zette hij den door den
vader aangevangen arbeid tot verbetering der wegen voort. Waar zulks nog niet
was geschied zorgde hij, dat de klei- of modderwegen van de gemeenten- en de
polderbesturen werden overgenomen, en, ten einde het verkeer te bevorderen, op
algemeene kosten werden verbeterd en dat nieuwe Mac-Adamwegen werden aangelegd.
Zoo nam het Ambacht in 1880 van de gemeente
Medemblik den zoogenaamden Medemblikker tolweg
over. Zoo werd voornamelijk door zijn toedoen in 1866 de zoogenaamde Nieuwe
weg, strekkende van de Wijzend zuidwaarts tot den Hout; in 1867 de rijweg in de
gemeente
Bovencarspel, strekkende van de brug over de
Togt zuidwaarts tot
Broekerhaven; in 1872 een grindweg op den
Meerweg naar Hem en in 1872 een grindweg van den Bobeldijk naar de Leek,
gemeente
Berkhout, aangelegd. Werken als deze eischten
belangrijke uitgaven; niettemin werd tijdens van Akerlaken's bestuur de schuld
van het waterschap van ƒ63000 tot ƒ6000 terug gebracht.
Evenals de vader smaakte de zoon voldoening van den | | | |
arbeid. Het bestuur van het waterschap stelde van Akerlaken's verdiensten als
Dijkgraaf op hoogen prijs. In de buitengewone vergadering van 23 Januari 1888
herdacht het den dag, waarop voor vijfentwintig jaren de waardschappij van
Drechterland van Akerlaken met de waarneming der functie van Dijkgraaf belastte
en hij voor het eerst de vergadering leidde. Voor van Akerlaken moet die 23ste Januari een ware feestdag zijn geweest.
| |
VI.
Toen van Akerlaken voor het eerst in 1847 als lid van een dijksbestuur
werkzaam was, had hij eene eenjarige oefenschool voor de behandeling van
openbare aangelegenheden en met name van waterstaatszaken achter den rug. Reeds
in 1841 toch was hij lid geworden der provinciale Staten van Noordholland en
hij bleef dit tot 1850, het jaar, waarin het kiesdistrict Hoorn hem naar de
Tweede Kamer der Staten-Generaal afvaardigde. Nadat hij in 1860 als
volksvertegenwoordiger bedankt had, gaf hij in 1862 op nieuw aan de roepstem
der kiezers gehoor om als lid der provinciale Staten op te treden. Hij bleef
lid tot dat zijne medeleden hem in 1874 tot lid der Eerste Kamer benoemden. Dat
niet vele leden der gewestelijke vertegenwoordiging Noordholland benoorden het
IJ en met name Westfriesland zoo door en door kenden als van Akerlaken, mag
veilig worden aangenomen.
Een tijdlang had hij in de Staten te gelijk zitting met zijnen vader.
Herhaaldelijk kwam het verschil van staatkundig inzicht tusschen hen beiden
uit; menigmaal stemden zij in tegenovergestelde richting, zonder dat evenwel -
wij hoorden het den zoon aan Mr. de Vries verzekeren - de onderlinge
verstandhouding immer daaronder leed. | | | |
Wij herinnerden daar, dat
van Akerlaken mede jaren lang lid der
Staten-Generaal is geweest. Ook de vader had geruimen tijd, van 1838 tot 1847,
het lidmaatschap der Tweede Kamer bekleed. Deze was in 1847 lid geworden der
Eerste Kamer en had als zoodanig in 1848, toen de grondwetsherziening de
inrichting dier instelling veranderde, de staatkundige loopbaan geëindigd.
Meermalen, doch telkens vruchteloos, was hij aangezocht om Minister te worden;
in 1843 was hem de portefeuille van Financiën, in 1846 die van Binnenlandsche
Zaken aangeboden. De briefwisseling tusschen Mr. P. van Akerlaken en
onderscheidene tijdgenooten, met wie hij op staatkundig terrein werkzaam was, -
ik noem slechts Luzac, F.A. van Hall, W.A. Schimmelpenninck van der Oye van
de Poll - stelde Mr. Dirk welwillend ter beschikking van den schrijver der
geschiedenis van Nederland na 1830, die er een ruim en dankbaar gebruik van
heeft gemaakt
1. Van Akerlaken senior
was vooral met van Hall op een goeden voet. Hij betoonde zich een warm
voorstander van de bekende conversiewet. In het zittingjaar 1844-1845 was hij
de onpartijdige en bezadigde Voorzitter der Tweede Kamer; onder zijne leiding
werd het voorstel der negen mannen tot herziening der Grondwet behandeld.
Aanlokkend vooruitzicht voor Mr. Dirk om eveneens werkzaam te zijn in 's
lands vergaderzaal, waar de naam van zijnen vader bij geestverwant en
tegenstander in eere was geweest.
De parlementaire loopbaan van den zoon zou van nog langeren duur zijn.
Wij vernamen reeds uit zijne autobiografische aanteekening, dat hij eerst van
1850 tot 1860, daarna van 1869 tot 1874 lid van de Tweede en vervolgens sedert
1874 lid van de Eerste Kamer is geweest. Hij is dit gebleven tot aan zijnen
dood. | | | |
Toen krachtens de kieswet van 1850, uitvloeisel der Grondwet van 1848,
de rechtstreeksche verkiezingen voor het eerst plaats hadden, vaardigde het
hoofddistrict
Hoorn van Akerlaken af. Het district is hem
altijd trouw gebleven.
Van Akerlaken kwam in de Tweede Kamer in eenen tijd van opgewekt
staatkundig leven en van vruchtbare werkzaamheid. Nog was het de bloeitijd van
het eerste Ministerie Thorbecke. Krachtig werd aan eene reeks van organieke
wetten gearbeid en veel kwam binnen korten tijd tot stand. Groote eischen
werden gesteld aan de inspanning der Tweede Kamer, want het Ministerie ging
zelf in werkzaamheid voor. Het was de tijd, waarin Thorbecke, na over de
inrichting der gemeentelijke financiën een paar uur te hebben gesproken, zijne
rede een korte poos wenschte af te breken, niet omdat hij zelf vermoeid was,
maar omdat hij bij zijn gehoor vermoeidheid meende te moeten onderstellen.
Van Akerlaken nam met ijver aan de werkzaamheden der Kamer deel.
Al spoedig zien wij hem optreden tot verdediging van de samenstelling
der gemeenteraden uit een grooter getal raadsleden, dan het ontwerp der
gemeentewet had gewild.
Vooral stelde hij belang in den toestand der financiën. Hoewel van
Regeeringswege was verklaard, dat het met de ‘Redding door bezuiniging’, een
der leuzen van 1848, uit en de rei der bezuinigingen gesloten was, gaf hij
terstond bij de behandeling der staatsbegrooting voor 1851 te kennen, dat hij
voor zich, ofschoon gekant tegen bezuinigingswoede, van eene verstandige
bezuiniging voorstander was en bleef.
Uit de korte rede, die hij bij de begrooting van Oorlog hield, bleek,
dat hij, in strijd met hetgeen Thorbecke | | | | tot dusver met klem van
redenen had betoogd, en hetgeen na hem zoowel Groen van Prinsterer en de Bosch
Kemper als Buys en A.F. de Savornin Lohman in het licht stelden, zich
gerechtigd achtte eene begrooting af te stemmen om redenen, buiten die
begrooting gelegen. Toen de Tweede Kamer, voor het eerst op 5 en 6 December
1856, de stemming over eene begrooting als middel bezigde om eenen Minister -
en wel dien van Binnenlandsche Zaken, Dr. G. Simons, te verwijderen - behoorde
van Akerlaken tot de tegenstemmers.
Eveneens om redenen buiten de begrooting stemde hij tegen de begrooting
van Marine voor 1851. Daarvoor bestond eene bijzondere reden.
In het advies van 9 December 1850, waarin
van Akerlaken zijne denkbeelden omtrent den
toestand en de eischen der financiën ontwikkelde, gaf hij te kennen, dat hij
sprak ‘al ware het alleen om zijne beschouwingen aan hen te doen kennen, die
daarin belang kunnen stellen en hun, die mij naar hier hebben gezonden,
rekenschap te geven der redenen die tot het uitbrengen mijner stem zullen
leiden’. In denzelfden geest sprak hij over de verhouding van de leden der
vertegenwoordiging tot het volk op 12 Maart 1873 en op 27 Februari 1874.
Het is niet meer dan natuurlijk, dat hij bij zoodanige gezonde opvatting
van den band tusschen kiezers en gekozonen (geen imperatief
mandaat, maar rekenschap achterna) altijd op zijn post
was, waar een bijzonder belang van het kiesdistrict ter sprake kwam.
Dat was het geval bij gelegenheid van de behandeling der zoo even
genoemde begrooting van Marine. Op initiatief van den Minister van dat
Departement was het instituut tot opleiding van adelborsten van Medemblik naar
elders verplaatst. Van Akerlaken nam het voor de | | | | zijns inziens
miskende gemeente op. Diep had hem die miskenning gegriefd. Door die
verplaatsing achtte hij het doodvonnis over Medemblik uitgesproken, hare
bevolking tot den bedelstaf gebracht. Kortom, hij sprak eene rede uit, die
uitnemende bouwstoffen had kunnen opleveren aan Henri Havard bij de
beschrijving dezer ‘ville morte’. In later jaren werd
Medemblik op dezelfde wijze getroost. Een en
twintig jaren daarna, den 8sten Mei 1871, wendde van
Akerlaken eene poging aan om de strafgevangenis voor vrouwen van Woerden naar
Medemblik verplaatst te krijgen. Te vergeefs. Medemblik zou op dezelfde wijze
worden getroost, waarop Franeker getroost was. Het voormalige academiegebouw
van het Friesch Atheen werd ingericht tot krankzinnigengesticht: geen ander
voorrecht viel te beurt aan het gebouw, waarin weleer een aanzienlijk deel van
Neerlands hope voor het militaire zeemansleven werd opgeleid
2.
En toch, hoe ook gedwongen om het belang van Medemblik te bepleiten, de
redenaar verklaarde zich bereid zijn verzet te staken, wanneer hij de
overtuiging erlangde, dat het algemeen belang de noodzakelijkheid der
verplaatsing vereischte. Evenwel kon hij niet van zich verkrijgen voor deze
begrooting van marine te stemmen.
Dat van Akerlaken zich in de Kamer de belangen der gevangenen aantrok,
voor eene doelmatige regeling der gelden, die zij met arbeid verdienden,
ijverde en een voorstander was van de celstraf als straf, strookte geheel met
zijn karakter. Van den ânderen kant, wij hebben het opgemerkt, was hij, hoe
humaan ook, vrij van ziekelijke philanthropie. Nog op hoogen leeftijd liet hij
zich de benoeming (bij kon. besluit van 22 Augustus 1882) welgevallen, tot lid
van het college van regenten | | | | van de Rijkswerkinrichting van
mannen en het huis van bewaring te Hoorn.
Meer dan eens kwam aan het licht, dat een gevoel van rechtvaardigheid
hem bestuurde. Onder anderen in zijne rede van 17 Dec. 1856, waarin hij
handelde over de voordeelen, die sommige controleurs der staatsloterij boven
anderen genoten.
Dit raakte, het is waar, slechts een ondergeschikt punt en niet het
beginsel dier onzedelijke instelling. Het valt niet te ontkennen, dat van
Akerlaken over den dieperen grond der dingen zich in de Staten-Generaal weinig
uitliet.
Maar ook op dezen regel bestond eene uitzondering.
Bij de beraadslaging over de wet op de kerkgenootschappen in Augustus
1853 verklaarde van Akerlaken door de taal uit het Vaticaan ‘in zijn nationaal
gevoel ‘te zijn geschokt’. Het kwam hem voor, dat ‘die taal niet onbeantwoord
kon worden gelaten’. ‘Een ieder’, vervolgt hij, ‘die zijn Vaderland lief had en
de daden van het voorgeslacht op prijs stelde, moest daartegen protest
aanteekenen; vooral het Protestantsche gedeelte der Natie kan die taal met geen
stilzwijgen laten voorbijgaan’. En later: ‘Ik bid mijne Roomsch-katholijke
medeburgers steeds in gedachte te houden, dat, wel is waar in Nederland bestaat
volkomen vrijheid van godsdienst en gelijkheid van de wet voor een ieder, -
maar dat het Protestantisme is inheemsch in Nederland: dat het grootste
gedeelte der Natie, afstammelingen van hen, die den tachtigjarigen strijd voor
vrijheid van land en geweten hebben gestreden, diep is gehecht aan die
vrijheid, aan hunne godsdienst en de herinneringen van het voorgeslacht, en dat
er een andere volksstam den Nederlandschen bodem zal moeten bewonen, vóór en
aleer dat gevoel en die herinneringen kunnen worden uitgewischt’
3. | | | |
Thorbecke, die den 20sten
Augustus van een ‘volkswaan van den dag’ gewaagde, had toch den 18den April moeten erkennen, ‘dat het gevoel van velen onder ons
gekrenkt is, dat velen zich beleedigd hebben gevoeld, zich terecht beleedigd
hebben kunnen gevoelen’. Hoe was het dan mogelijk, dat een man zoo schrander
als Thorbecke de krenking niet heeft voorzien, teweeggebracht door de allocutie
van Paus Pius IX over de invoering der nieuwe Roomsch-katholieke kerkinrichting
in Nederland? De miskenning van een wezenlijken karaktertrek der Natie verwekte
een storm, ‘die het schijnbaar zoo krachtige bewind als ware het een vermolmde
boomstam met één vlaag omverwierp’
4.
In de zeven volgende jaren der eerste periode van van Akerlaken's
parlementaire loopbaan, de jaren van 1853-1860, wisselde het eene Ministerie na
korten levensduur het andere af. De oppositie was regeerende partij.
Van Akerlaken behoorde in dat tijdperk tot
hare gematigde leden, die goedkeurden hetgeen zij in 's lands belang achtten,
ook al werd het door den staatkundigen tegenstander voorgesteld.
Wat zijn verhouding tot Mr.
F.A. van Hall betreft, diens ‘stouten
maatregel’, ‘waardoor de vermindering der rente onzer staatsschuld werd
daargesteld, s' Lands finantiën tot orde en regelmaat zijn teruggebracht, en
wij voor een staatsbankroet zijn bewaard’ had hij even als zijn vader
toegejuicht en prees hij opnieuw in de vergadering van 9 December 1850.
Hij vond te minder reden om tegenover van Hall fel op te treden, omdat
de herinnering aan de samenwerking tusschen dien staatsman en zijnen vader bij
hem levendig was.
Bijzonder ingenomen was van Akerlaken met van | | | | Hall's
voorstel tot afschaffing der belasting op het gemaal.
Het zij vergund het slot der rede, waarin hij dien maatregel aanprees,
mede te deelen. Het munt uit door feu sacré, maar tevens door
dat eigenaardig pathos, dat zoo geschikt is ons een vervlogen tijdperk van
parlementaire welsprekendheid voor den geest te tooveren. Het oogenblik was
belangrijk. Het ministerie had zich verzet tegen het in November 1854
ingediende ontwerp van vijf leden tot afschaffing van den accijns op de
brandstoffen en kwam kort daarna zelf met een voorstel voor den dag, dat een
veel dieperen greep in den financiëelen toestand inhield. Dat gedeelte der
conservatieven, dat aan beginselen hechtte, treurde. De liberalen jubelden: van
Hall speelde in hun kaart. Van Akerlaken eindigde met dezen juichtoon:
‘Mijne heeren, ik zal eindigen. Aan het slot zijner rede heeft
de geachte afgevaardigde uit Amersfoort (de heer van Rappard) in figuurlijken
trant, naar ik meen, sprekende, op treurigen toon uitgeroepen: ‘o Sebastopol, o
Sebastopol’. Dit was een uitroep van weemoed, de klagt van den overwonnene na
zijne nederlaag, de stem der droefheid, de afscheidsgroet, waarmede de vriend
een hem dierbaren stervende verlaat. Ik begrijp die klagt in den mond van dien
geachten afgevaardigde en ik eerbiedig ze. Ook ik maak die woorden tot de
mijne. Ook ik zal mij in figuurlijken trant daarvan bedienen. Iedere
gelegenheid, die ons wordt aangeboden om de lasten der natie te verminderen,
noem ik eene weldaad voor onze medeburgers. Die weldaad moet gretig worden
aangegrepen en mag niet worden voorbijgezien. Deze gelegenheid doet zich bij de
afschaffing dezer belasting voor. Aan een lang geuiten wensch des volks wordt
voldaan. Het Sebastopol, dat aan de vervulling van dien wensch in den weg
stond, is opgeruimd en weggenomen. De vesting heeft zich overgegeven. Ik
verheug mij over deze gebeurtenis en daarom zeg ik dien geachten afgevaardigde
na, maar in een gansch anderen zin en op gansch anderen toon, niet als
weeklagt, maar als blijmare, niet als het gekrijt van den overwonnene, maar als
de triumfkreet van den overwinnaar: ‘Sebastopol! Sebastopol! wij hebben een
langen strijd met u gestreden; maar de eer der zege is ons verbleven, wij
hebben u verwonnen!’ ’ | | | |
Aldus van Akerlaken op 12 Juni 1855. De overgave van het werkelijke
Sebastopol had eerst op 8 September plaats! -
In een schrijven, gedagteekend 5 Mei 1860 nam van Akerlaken ontslag als
lid der Tweede Kamer. Hij wenschte zich geheel te wijden aan het door hem
aangenomen bezoldigd staatsambt.
In 1869 stelde hij zich opnieuw voor het lidmaatschap der Tweede Kamer
beschikbaar.
Bij de tweede ontbinding onder het eerste Ministerie Heemskerk in
Januari 1868 was de liberale partij met eene zeer kleine meerderheid uit den
strijd te voorschijn getreden. De toen verkozen afgevaardigde voor Hoorn, de
waardige Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, trad in 1869 af en wenschte niet herkozen
te worden. De liberale partij stelde er hoogen prijs op den zetel te Hoorn te
herwinnen. Zij begreep slechts dàn te zullen slagen, wanneer van Akerlaken haar
candidaat werd. Deze was daartoe niet ongenegen. In 1862 had hij reeds aan Mr.
G. de Vries geschreven, dat, mocht de rechtbank te Hoorn worden opgeheven, men
hem wellicht weer eens in de Kamer zou zien. De rechtbank bestond nog;
niettemin vermocht hij den aandrang zijner geestverwanten niet te
wederstaan.
Veel vond hij in de Kamer veranderd. In die negen jaren van 1860-1869,
welke aan zijne staatkundige loopbaan van 1850 tot 1892 ontbreken, waren
belangrijke maatregelen tot stand gekomen en hadden felle stormen gewoed. Ik
herinner slechts aan de wet op het middelbaar onderwijs; aan den kolonialen
strijd onder den Minister Fransen van de Putte; aan de financiëele maatregelen
van den Minister Betz; aan den val van dien Minister; aan den terugtred van den
Minister Thorbecke; aan de wederoptreding van Thorbecke in de Tweede
| | | | Kamer; aan het aftreden van het liberale bewind; aan het optreden
den van het eerste ministerie Heemskerk, de motie Keuchenius, de twee
Kamerontbindingen, die van 1866 en die van 1868. Er had tijdens en in verband
met die ontbindingen eene verschuiving der partijen plaats gehad. De Katholieke
partij had hare vriendschappelijke verhouding tot de liberale verbroken en was
bij de stembus gezamenlijk met de antirevolutionnaire en de conservatieve ten
strijde opgetrokken. De tijd was voorbij, waarin
van Akerlaken aan een lid der liberale partij
den steun van met een Borret gelijkgezinde leden zou hebben kunnen vragen voor
het behoud van de Hoornsche rechtbank.
De liberale partij behaalde bij de stembus van Juni 1869 eene
beslissende overwinning. Van Akerlaken's terugkomst in de Kamer was een
belangrijke aanwinst voor haar.
Hij zou op nieuw vijf jaren haar lid zijn. In dit tijdperk vallen de
adviezen over de rechterlijke organisatie, straks reeds genoemd.
Het debat over de daarop betrekkelijke wetten gaf hem meer dan eens
gelegenheid op te komen voor de eer, den ijver en de waardigheid van de
rechterlijke ambtenaren.
Bij de beraadslaging over de begrooting voor 1871 waarschuwde hij, op
grond der ondervinding te
Hoorn tijdens de Belgische onlusten opgedaan,
tegen de vereeniging van vrouwelijke en mannelijke gevangenen in één gebouw;
achtte hij het tarief voor deskundigen en getuigen, die de Justitie ter zijde
stonden, te hoog, het loon der gevangenbewaarders daarentegen te laag.
Vermelding verdient voorts het aandeel, dat van Akerlaken in die jaren
nam aan de beraadslagingen over het wets-ontwerp tot vaststelling van Hoofdstuk
VII C der Staatsbegrooting voor 1870 (Departement van Finantiën, | | | |
afdeeling Hervormde en andere Eerediensten, behalve die der
Roomsch-Katholijke). Men schreef 7 December 1869. De antirevolutionnaire partij
had groot bezwaar tegen de ondersteuning van staatswege ‘van het algemeen
collegie van toezigt’ op het beheer der goederen ‘van de Hervormde gemeenten,
van de provinciale collegiën van toezigt op de kerkelijke administratie, van de
provinciale kerkbesturen’ en stelde bij monde van den heer van Lynden van
Sandenburg voor, om de aangehaalde woorden uit het begrootingsartikel te
lichten. Van Akerlaken kwam tegen die wijziging in verzet. Hij stelde daarbij
in het licht, dat de Hervormde Kerk altijd eene afscheiding heeft gehuldigd
tusschen het geestelijk gezag en het financiëel beheer. Die afscheiding achtte
hij een heilzaam beginsel. Hij kon derhalve niet mede gaan met een amendement,
dat de strekking had om de som, voorgedragen voor het financiëel beheer, over
te dragen, gelijk hij het uitdrukte, aan den clerus. De geachte spreker uit
Hoorn hield zich gaarne met kerkelijke toestanden bezig; het hoofdstuk in zijn
boek over van Stralen, gewijd aan diens ‘werkzaamheden op kerkelijk gebied’
(1798-1802) is met ingenomenheid behandeld.
Behalve het behoud der rechtbank te Hoorn was er één onderwerp dat van
Akerlaken in het belang zijner vaderstad en zijner provincie bijzonder ter
harte ging: te weten de opneming van Hoorn in het spoorwegnet. Hij had het vast
geloof, dat de vervulling van zijn wensch slechts een vraagstuk van tijd was,
maar die tijd duurde hem veel te lang. Men leze het warm pleidooi van 27
November 1872. Daarin drong hij er bij de Regeering op aan om eindelijk ook die
streken te begunstigen, waaraan de wet van 1860 de weldaad van den spoorweg
onthouden had. De Kamer verzocht hij, dat | | | | haar bij het vernemen
van dien rechtmatigen wensch niet de vrees om het ‘financieele hart’ zou
slaan.
Toen in 1875 de wetgever aan Hoorn het vurig begeerde versnelde middel
van verkeer had verzekerd, had van Akerlaken den zetel in de Tweede tegen dien
in de Eerste Kamer verwisseld. Reeds den 12den Maart 1873,
had hij te kennen gegeven zich in de aanstaande Junimaand niet herkiesbaar te
stellen. Hij liet zich evenwel eerlang overhalen terug te komen van dit
besluit, en nam in Juni 1873 de herkiezing aan. Toch was hem de verkiezing tot
lid der Eerste Kamer door de Staten van Noordholland op 15 September van het
volgende jaar welkom; 42 stemmen had hij op zich vereenigd.
Vier maanden te voren, den 12den Mei, had hij tot
die leden der Staten-Generaal behoord, die de Koning bij gelegenheid van de
herdenking Zijner vijfentwintigjarige regeering benoemde tot ridder in de orde
van den Nederlandschen Leeuw.
Zijne ervaring als president der rechtbank kwam hem ook in de Eerste
Kamer te stade. Dit bleek onder anderen bij de behandeling van het wetsontwerp
betreffende de beëediging der vertalers. Hij keurde dit ontwerp af, van
oordeel, dat het al of niet verplichtend stellen van den eed niet terloops bij
een betrekkelijk onbelangrijke voordracht in beginsel behoorde te worden
beslist. De ondervinding had hem geleerd, dat de eed een middel is om den
getuige tot eene nauwgezette mededeeling der waarheid te brengen; een middel,
dat naar zijne overtuiging in het belang der rechtspraak behouden diende te
blijven. (3 Mei 1878)
5.
Het ontwerp werd evenwel goedgekeurd. Afgestemd werd daarentegen het
ontwerp tot wijziging van art. 19 der wet van 1854, dat eene wijziging der
straf op bedelarij bedoelde.
Van Akerlaken behoorde tot de voorstem- | | | | mers en kon zich, naar het schijnt, vereenigen met het aanprijzend
advies van Duymaer van Twist.
Den 29sten November 1880 bereikte het nieuwe
Strafwetboek de Eerste Kamer. Ter verzekering eener doelmatige behandeling
stelde de Kamer eene Aanvulling ad hoc op het Reglement van
Orde vast. Daarbij werd bepaald, dat de Voorzitter - destijds Jhr. Mr. F.J.J.
van Eysinga - de leden der Commissie van Rapporteurs zou aanwijzen. Het lag
voor de hand, dat hij van Akerlaken in de Commissie benoemde, die, onder het
Voorzitterschap van den naar menschelijk inzicht te vroeg bezweken Borsius, met
de heeren Vos de Wael en Thooft in de Commissie zitting nam. Bij de openbare
beraadslaging, die op 1 en 2 Maart 1881 plaats greep, ontwikkelde van Akerlaken
enkele bedenkingen tegen het strafstelsel. Ook drong hij
krachtig aan op de in uitzicht gestelde novelle, opdat daarin
landlooperij strafbaar zou worden gesteld. Ten slotte stemde
hij voor het nieuwe wetboek, dat eenparig aangenomen werd.
Met overtuiging had van Akerlaken zijne stem in 1857 gegeven aan van
Rappard's wet op het lager onderwijs. In 1878 schreef hij in zijn boek over van
Stralen, dat de beginselen van de wet van 1806 ‘ook in iedere latere wet zullen
behooren te worden gehandhaafd, wil Nederland op den naam van een
vrijheidlievend en vrijgevig volk blijven bogen.’ Hij stemde dan ook in 1878
voor de onderwijswet van den Minister Kappeyne. De vraag rijst intusschen of
van Akerlaken daarbij doordrongen was van een beginsel, dat hij ruim een jaar
te voren in zijnen boven geschetsten strijd tegen de rechterlijke wetten had
doen gelden: hij had zich tegen deze wetten gekant, ook omdat hij die
belastingschuldigen, die er niets dan schade van zouden hebben, de hoogere
kosten van het rechtswezen niet wilde doen | | | | dragen. Plaatste men
zich op dàt standpunt, dan was er wel iets te zeggen tegen de onderwijswet van
1878, door
van Akerlaken evenwel goedgekeurd.
Later is hij ten aanzien der regeling van het lager onderwijs van
inzicht veranderd, blijkens de stem uitgebracht over het ontwerp van 1889.
Maar toen deze herziening der wet op het lager onderwijs in behandeling
kwam, waren de denkbeelden en de verhoudingen der partijen gewijzigd. Zoowel de
zuchttot levensbehoud als een nobeler drijfveer, de zucht om rechtvaardig te
zijn, moest de liberale partij - voor zoover hare leden van het ontwerp geen
achteruitgang duchtten van het gehalte van het onderwijs en voor zoover zij
niet deelden in het grondwettelijk bezwaar op zijne, dat is op meesterlijke
wijze door een Kappeyne in de Eerste Kamer ontvouwd - nopen haren steun aan de
voordracht van den Minister Mackay te verleenen. Ook van Akerlaken onthield
zijn votum aan het ontwerp niet, maar hij heeft het niet toegelicht.
Op het stuk der financiën zijn de belangrijkste adviezen door van
Akerlaken in de Eerste Kamer uitgebracht die, waarin hij den vierden Juni 1878
de aanneming ontraadde der successiebelasting in de rechte lijn. De Minister
Gleichman, die haar voorstelde, is de wegbereider geweest van den Minister
Pierson. In 1892 ware de vermogensbelasting vermoedelijk niet tot stand
gekomen, wanneer de gegevens hadden ontbroken, door de heffing in de rechte
lijn eerst aan het licht gebracht. Deze laatste stuitte in de Eerste Kamer op
krachtigen tegenstand en werd na een belangrijk debat slechts met eene
meerderheid van drie stemmen (19 tegen 16) aangenomen. Dat het verzet hevig zou
zijn liet zich uit de schriftelijke gedachtenwisseling voorzien. Over den aard
der kamerverslagen in het | | | | algemeen wordt sedert jaar en dag
verschillend gedacht. Thorbecke zeide in het najaar van 1870 tot mij: ‘Zulk een
verslag is een assemblage van meeningen zonder eenheid’. ‘Een verslag is in
mijn oog altijd de wanhoop van een Minister’ riep de oud-Minister Blussé van
Oud-Alblas op 28 Juni 1882 troosteloos in de Tweede Kamer uit. Let wel:
altijd!... De Eerste Kamer wordt bezield door het streven die
wanhoop tot een minimum terug te brengen. Loopt eene wet gevaar, de Regeering
wordt doorgaans in het verslag gewaarschuwd, dat het bij de be raadslaging en
de stemming spannen zal. Zoo ook nu. Algemeen beaamde men de zienswijze van den
Minister Gleichman, dat de leening, die hij voorstelde, niet mocht worden
gesloten, zonder waarborg van rente en aflossing. Doch over het middel om
daartoe te geraken, de heffing in de rechte lijn, liepen de meeningen uiteen.
Bij de beraadslaging bleek aanstonds, dat de bedenkingen, in het verslag
ontwikkeld, in krachtige mate bestonden bij van Akerlaken, die als rapporteur
der eerste afdeeling het verslag geteekend had. Zijn bezwaar tegen het ontwerp
was overwegend, omdat het de teederste geheimen van het familieleven niet
eerbiedigde; omdat het op het onroerend goed onbillijk drukte; omdat het eene
belasting was op het kapitaal. Uit zijne repliek bleek, dat hij door hetgeen
van de regeeringstafel tegen zijn gevoelen was ingebracht, niet overtuigd was;
hij stemde tegen eene wet, die hij hatelijk en grievend achtte voor de
ingezetenen van den Staat. Deze denkbeelden strookten met die, welke hij reeds
ontwikkeld had in zijn advies van 9 Maart 1852, waarin hij het ontwerp
tot heffing eener belasting op de renten van kapitalen, niet
bestaande in onroerend goed, noch aangelegd tot eenigen tak van nijverheid
bestreed.
Even als alle door Noordholland ter Eerste Kamer af- | | | | gevaardigde leden (met uitzondering alleen van den heer Teding van
Berkhout) stemde hij tegen het op 28 Juli 1881 met 21 tegen 17 aangenomen
ontwerp tot aanleg van een kanaal ter verbinding van Amsterdam met de Merwede.
Hij had zijne stem in een bondig advies gemotiveerd.
In 1887, tijdens de Grondwetsherziening, mengde hij zich in de discussie
over de troonopvolging. Gaarne hulde brengende aan de geschiedkundige
bekwaamheden van zijn medelid uit Zeeland, Jhr. Mr. J. Röell, kon hij zich toch
niet in allen deele met diens opvattingen omtrent de bij de troonopvolging
betrokken vraagstukken vereenigen.
Bij de belangrijke stemming op 31 Januari 1890, waarbij de Eerste Kamer
het Tiende Hoofdstuk der Staatsbegrooting van 1890, voorgedragen door den
Minister van koloniën Keuchenius, verwierp, was
van Akerlaken zonder kennisgeving afwezig. Den
vorigen dag had hij de vergadering nog bijgewoond, maar in latere jaren
gebeurde het wel eens meer, dat, wanneer hem de vergaderingen langer duurden
dan hij berekend had, hij vóór haren afloop naar huis vertrok, waar hem
doorgaans vele andere bezigheden wachtten. De verwerping der begrooting had
plaats met 20 tegen 19 stemmen. Dat het zóó spannen zou, dit - het zij tot
verontschuldiging van zijne afwezigheid gezegd - was niet vooraf bekend.
Maar genoeg. Ik heb mij tot de aanwijzing van enkele punten moeten
bepalen. Wie verlangen mocht van Akerlaken's werkzaamheid als vertegenwoordiger
in haren vollen omvang te leeren kennen zij verwezen naar het Overzicht, dat aan deze Levensschets als Bijlage is toegevoegd. Daaruit blijkt, naar ik mij vlei, met een
oogopslag hoe veelzijdig, hoe belangrijk die werkzaamheid geweest is. Met name
in het eerste tijdperk van zijn lidmaatschap der Tweede | | | | Kamer nam
hij een betrekkelijk groot, doch nimmer een overmatig deel aan de openbare
beraadslaging. In de latere tijden zien wij hem wel eens zwijgen over
onderwerpen, waarover wij gaarne zijn oordeel vernomen hadden. Zwijgen, met
opzet. ‘Ik meen dat wij het belang van het vaderland meer behartigen door
krachtig te handelen en daden uit te voeren dan door hier lang en omslagtig te
spreken’. Zoo sprak hij 27 Februari 1874 in de Tweede Kamer. Reeds op 9 Maart
1852 had hij uitdrukkelijk verklaard geene argumenten te willen herhalen, die
anderen reeds in het midden hadden gebracht en den 7den Mei
1873 had hij zich in denzelfden zin uitgelaten. Dit zal dan ook de reden
geweest zijn, waarom hij in 1876 bij het debat over de wet tot regeling van het
hooger onderwijs zijne stem niet deed hooren, hoewel hij tot rapporteur over
haar was benoemd.
In de Eerste Kamer werd die stem gaandeweg al minder vernomen. Het zoo
even bedoelde advies over de troonopvolging in de zitting van 1886-1887 is het
laatste geweest, dat van Akerlaken heeft uitgebracht. In de vijf volgende
zittingen, die hij nog mocht bijwonen, heeft hij niet meer deelgenomen aan de
beraadslaging. Nog slechts eens voerde hij het woord. Het was op 5 December
1888 als rapporteur over een bij de Kamer ingekomen verzoek van den
griffier.
Dat evenwel over het geheel genomen zijn aandeel aan den arbeid der
Staten-Generaal niet gering is geweest, zal vooral duidelijk zijn aan hem, die
bedenkt, hoe veel een volksvertegenwoordiger kan doen; doen
niet slechts in den eigenlijken zin, maar ook in dien van doen
door laten; hoe veel hij kan verrichten wat niet naar buiten werkt. Bij
voorbeeld in de afdeelingen en in commissiën. In de afdeelingen was van
Akerlaken con amore werk- | | | | zaam. Zijne taak als
rapporteur vatte hij nauwgezet op. Omtrent hetgeen in zijne afdeeling over een
wetsontwerp was voorgevallen gaf hij altijd een zaakrijk, kort en helder
verslag. De arbeid van den griffier vond in hem een nauwkeurig en welwillend
beoordeelaar. Dikwijls benoemden hem zijne medeleden tot voorzitter den
afdeeling of tot rapporteur, want zij waardeerden zijne uitnemende qualiteiten
en hielden van hem. De Tweede Kamer gaf hem den eersten Juli 1871 een blijk van
achting en hulde door hem op de ‘nominatie van vijf personen’ ter vervulling
eener vacature in den Hoogen Raad te plaatsen.
Indien hij in de openbare vergadering sprak, dan was hetgeen hij zeide
de uiting eener overtuiging. Doorgaans de vrucht van studie, ondervinding en
nadenken. Maar het gebeurde ook wel, dat hij, aanvankelijk niet voornemens zich
in de gedachtenwisseling te mengen, door het advies van Regeering of ambtgenoot
tot spreken gedrongen werd. Ook als spreker steeds duidelijk en, zoover het
onderwerp het toeliet, beknopt, was hij bij zulk eene aanleiding en eveneens in
het wederwoord bijzonder kort, maar ook bijzonder vurig, niet altijd even
bedachtzaam, allerminst ‘bedaard’
6. Ja, hij kon korzelig en - wij
moeten het erkennen - ietwat driftig zijn. Dan uitte zich de aandrang van het
gemoed met onweerstaanbare kracht. Dan kon hij opstuiven, nu eens (12 Maart
1873) tegen eenen van Houten, destijds, zoo al niet de Benjamin, dan toch een
van de jongste leden der Tweede Kamer; dan (7 Mei van hetzelfde jaar) tegen
eenen van Nispen tot Sevenaer; nog in later tijd, in de Eerste Kamer, - het was
in de avondzitting van 23 Augustus 1886 - tegen haren Nestor, den grijzen Elout
van Soeterwoude, wien de heer Fransen van de Putte edelmoedig te hulp schoot
7. Maar men wist wel, dat hij | | | | het met de als
hamerslagen neervallende woorden op verre na zoo kwaad niet meende, als de
harde stem en de bijtende toon zouden hebben doen vermoeden. Op effect spreken
was hem onmogelijk: zijn rondborstig karakter kende geene berekening. Wil men
zijne spontane natuur uit een treffend voorbeeld leeren kennen, men leze het
advies, waarin hij den 27sten Februari 1874 opkwam tegen
eene motie van den heer Kappeyne. Daarbij werd schorsing van de beraadslaging
over de muntwet van den Minister van Delden voorgesteld. De beslissing over het
voorstel aan het oordeel der Kamer onderworpen is, gaf
van Akerlaken te kennen, moeilijk. Hij zelf
was na rijp beraad besloten vóór de wet te stemmen. Maar, voegde hij er bij,
verwerping verdient boven uitstel de voorkeur.
Om nog eenmaal eene vergelijking te maken tusschen den vader en den
zoon: in hen beiden spiegelt zich als het ware een stuk geschiedenis onzer
parlementaire redekunst af. Toen in het najaar van 1843 het gerucht liep, dat
Mr. P. van Akerlaken Minister van Finantiën worden zou, schreef Luzac aan van
Assen: ‘Men spreekt van van Hoorn van Burch en van
van Akerlaken. Beide deze HH. zijn gewis knap, doch of zij
den zwaren last van dit ministerie zouden kunnen torschen komt mij bedenkelijk
voor; beiden zijn goede sprekers van 't papier - op eigen krachten zag ik hen
bij de discussiën nimmer steunen, - en een minister moet in onze huishouding
vlug ter sprake zijn’
8. Sprekers van 't papier! Onder de vroegste adviezen van den zoon
zijn er, die eveneens den indruk geven, te zijn op schrift gebracht en
voorgelezen. Zeker is dit het geval geweest ten aanzien van het bovengenoemde
over de verplaatsing van het Instituut uit Medemblik: dat advies eindigt met
een ‘Ik heb gezegd!’ Maar meestal volgde hij het voorbeeld van den | | | | ‘bedaarden’ vader niet; doorgaans sprak hij uit het hoofd, zonder
behulp van eenige nota. Wat hij uitte was hetgeen de leekedichter bedoelt met
‘natuur en waarheid’. Den vorm liet hij over aan het oogenblik.
Afkeerig was hij van die lage politiek, die door den leugen met een
stuitend eufemisme ‘de hoogere’ genoemd wordt.
Hij is dan ook nimmer een heftig, verblind partijman geweest. Wèl sloot
hij zich bij Thorbecke aan en bewoog hij zich in de Thorbeckiaansche
gedachtenwereld met gemak. Ééne proeve. Van lieverlede ontstond eene eigene
terminologie der Thorbeckiaansche partij. Van Akerlaken had zich in haar
ingeleefd. In de levensschets van zijn vader noemt hij dezen ‘een der eminente
hoofden van het stelsel van behoud’. Dit schrijvende moet hem de qualificatie
‘het eminente hoofd’ voor den geest hebben gestaan, waarmede Thorbecke's
staatkundige vrienden den staatsman gedurende den bloeitijd van diens
heerschappij plachten aan te duiden; met dezelfde benaming derhalve, waarmede
in zijnen tijd niemand minder dan Prins Willem de Derde, het hoofd van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden, werd aangeduid.
Bij wijze van voorbeeld van de hulp, die van Akerlaken in belangrijke
oogenblikken aan Thorbecke wist te verleenen, noem ik de ondersteuning van
diens amendement, mede voorgesteld door Wintgens, ter Bruggen Hugenholtz,
Poortman en Heemskerk Bzn., op het ‘wetsontwerp houdende bekrachtiging van
eenige artikelen der verleende concessiën voor den aanleg en de exploitatie van
de Noorder- en Zuiderspoorwegen’- Van Akerlaken verklaarde zich 7 November 1859
bij de algemeene beraadslaging fel tegen dit ontwerp, ingediend door zijn
vriend den Minister van Finantiën van Bosse en diens | | | | ambtgenoot
van Binnenlandsche Zaken Tets van Goudriaan. Bij de prealabele vraag, of het
voorstel om de artikelen van het ontwerp der Regeering te laten voorafgaan door
twee artikelen, waarin de aan te leggen lijnen met name werden genoemd, de
grenzen van het recht van amendement te buiten ging, beantwoordde Dullert die
vraag bevestigend: de eenige keer, waarin zich een verschil van inzicht ten
aanzien van een gewichtig punt van staatsrecht tusschen dezen getrouwsten onder
de getrouwen en den meester openbaarde, die... de rede van zijn vriend
onbeantwoord liet. Zóó had destijds de spoorwegquaestie de bestaande
partijverbanden ontwricht!
Van Akerlaken nogtans koos bij die
gelegenheid, den 18den November, partij voor Thorbecke.
Niettemin is de plaats, die van Akerlaken onder de vrienden innam, doorgaans
zelfstandig- Men oordeele. Aan koloniale debatten bleef hij vreemd. Toch heeft
hij zich in 1854 gemengd in den gang der beraadslaging over de vaststelling van
het Regeerings-Reglement voor Nederlandsch-Indië. Hardnekkig en tot twee malen
toe verzette hij in de vergadering van 25 Juli er zich tegen, dat aan
Thorbecke verlof zou worden verleend om ten
derden male het woord te voeren. Den eersten keer wilde hij slechts
waarschuwen, maar den volgenden keer zoude hij de stemming over het gevraagde
verlof vragen. Hij hield woord. Een half uur later wenscht opnieuw een lid voor
den derden keer te spreken. Het is wederom Thorbecke. Van Akerlaken onderwindt
zich stemming te vragen. De Kamer wenschte zulk stout bestaan niet met succes
te kroonen. Met 38 tegen 17 stemmen verleende zij (het was de Kamer van 1853)
den staatsman het gevraagde verlof. Nog waren de kleine botsingen tusschen
Thorbecke en van Akerlaken niet ten einde. Na eenige dagen bleek bij
vernieuwing, dat van | | | | Akerlaken deze beraadslaging over het
Regeerings-reglement - want die was nog steeds aan de orde - te lang duurde.
Ter bekorting stelde hij voor om den volgenden dag om tien uur, dus een uur
vroeger dan gewoonlijk, te beginnen. Thorbecke opponeert. Hij is er voor om
kalm, zonder overhaasting te arbeiden aan een werk, ‘dat gestadige opgewektheid
vordert’. De Kamer was blijkens den uitslag der stemming wederom op Thorbecke's
hand. Het gebeurde ook, dat het geachte lid uit Hoorn amendementen in
overweging gaf op Thorbecke's ontwerpen. En wij zagen hem, den krachtens
inborst en opvoeding in woord en wandel verdraagzamen man, tegenover Thorbecke
op de bres, toen het Protestantsch karakter der Nederlandsche Natie werd
aangerand, waarvoor deze geen oog en geen hart had.
Het is van belang van Akerlaken zelven te hooren over de inmenging der
staatkunde in zaken, waarmede zij niets te maken heeft. Ik moet daartoe een
oogenblik verwijlen bij een incident, dat in de Tweede Kamer nog al indruk
maakte en zelfs een paar jaren later buiten de Kamer een nasleep had.
Den 20sten Mei 1870, bij de beraadslaging over het
wetsontwerp tot afschaffing der doodstraf had Jhr. Mr. de Brauw eene wijziging
voorgesteld om de doodstraf af te schaffen in al de gevallen, waarin zij door
de burgerlijke strafwet wordt bedreigd, behalve in die bedoeld in de artt. 86,
87, 296, 299 en 301 van het Strafwetboek. Onmiddellijk nadat de voorsteller
zijne wijziging had toegelicht stond van Akerlaken op om haar te bestrijden.
Eerst sprak hij over het aantal en den aard der gevallen, waarin de voorsteller
de doodstraf behouden wilde. Maar, zeide hij, er is nog iets dat bij de
beoordeeling in acht dient genomen. Dat iets was het
critiekste. In den regel behoorde hij tot hen, die wenschen, dat alle mogelijke
| | | | politiek bij de beoordeeling van dat wetsontwerp worde achterwege
gelaten, ‘maar wanneer politieke middelen worden aangevoerd of politieke
middelen worden aangewend aan den eenen kant, dan voorzeker is het ook voor de
andere zijde zaak om de politiek niet geheel en al buiten beschouwing te
laten’. Nu beweerde hij, dat aan dien eenen kant werkelijk politieke redenen
aangevoerd en politieke middelen aangewend waren. Hij kwam tot de slotsom, dat
de aanneming of verwerping was eene kabinetsvraag bij uitnemendheid en eindigde
met deze waarschuwing tegen de aanneming van het amendement:
‘Wat toch zal het gevolg zijn van die aanneming?
Een échec voor de Regering, zoo groot als immer eenige Regering kan
ondergaan; het gevolg zal zijn, dat niet alleen de Minister van Justitie moet
aftreden, maar het geheele Kabinet, want in dergelijke belangrijke sociale
quaestiën is het geheele Kabinet homogeen. Ik reken er daarom op dat de
voorstanders der afschaffing van de doodstraf, dat de geheele liberale rigting
als één man voor dit wetsontwerp zal stemmen; dat de Minister door die rigting,
op wier dankbaarheid hij door de indiening van dit wetsontwerp de meeste
aanspraak heeft, zal worden ondersteund; dat de liberale rigting zal zorgen,
dat de eer van dit wets-ontwerp tot stand te hebben gebragt haar niet worde
ontroofd, en dat eenmaal dit wetsontwerp wet geworden zijnde, als afkomstig van
de liberale rigting zal worden gekarakteriseerd’.
De Minister van Justitie van Lilaar liet deze beschouwingen ter zijde,
maar de heer Heemskerk Azn. constateerde, dat volgens het gevoelen van den
spreker uit Hoorn ‘men bij de stemming over dit gewigtig wetenschappelijk en
praktisch vraagstuk zijne stem naar de politieke rigting zal moeten regelen,
waaraan men is toegedaan’. Hij vroeg van Akerlaken, of deze eenigen last of
commissie had om dit namens de Regeering te zeggen? En of het de bedoeling was,
dat juist van conservatieve zijde de ondersteuning van het voorstel de Brauw
zoude komen uit zorg voor het leven van onschuldige menschen? | | | | Dan
hoopte hij, dat al zijne politieke vrienden en ook eenige liberale medeleden
vóór de amendementen zouden stemmen.
Van Akerlaken hernam, dat hij juist het tegendeel had gezegd, van
hetgeen de heer Heemskerk hem had laten zeggen. Hij had als zijn gevoelen te
kennen gegeven, dat het onderwerp behandeld moest worden, afgescheiden van elke
politieke beschouwing, maar had er bijgevoegd: ‘dat als van den kant der
voorstanders van de doodstraf politieke middelen werden aangewend, dan niet
alle politiek buiten beschouwing kon blijven. En zoo meende ik’, ging hij
voort, ‘dat juist in de amendementen van den heer de Brauw de politieke
quaestie, willens of onwillens, met of zonder doel, werd aangeraakt’.
Overigens toonde hij zich uitermate ontstemd over de vraag, of hij
namens de Regeering de politiek in het debat had gemengd? Hij liet zich daarbij
uit op eene wijze, die hem op eene berisping van den Voorzitter te staan
kwam.
De heer Heemskerk antwoordde, dat hij met de vraag, of
van Akerlaken, in commissie der Regeering de
politiek er bij had gehaald geene beleediging had bedoeld en zijne achting voor
hem volkomen ongedeerd ware gebleven, wanneer van Akerlaken geantwoord had op
verlangen van een of meer Ministers aldus te hebben gesproken. Daarop gaf de
Brauw te kennen, ‘de zaak te ernstig te vinden voor die ellendige
kleingeestigheden van die dagelijksche politiek waarvoor hij eene te groote
minachting had, dan dat hij er naar vragen zou, of ten gevolge van het lot van
dit ontwerp deze Minister of dit Ministerie aftreden zou of niet’.
Hoe over dit incident te oordeelen?
Van Akerlaken stelt herhaaldelijk op den voorgrond, dat de politiek
eigenlijk niet in het vraagstuk van de afschaffing der doodstraf dient gemengd;
doch dat zijne | | | | richting dit wel doen moet, waar de
tegenovergestelde richting dat het eerst heeft gedaan.
Maar in de rede, waarmede de Brauw zijn amendement toelichtte is geen
zweem van politiek te vinden. Was er iets achter de schermen voorgevallen? Ik
weet het niet, maar dit is zeker, dat de toon in van Akerlaken's tweede rede
aanmerkelijk lager was gestemd. Thans slechts de meening, dat in de
amendementen ‘de politieke quaestie willens of onwillens, met of zonder doel,
werd aangeraakt’.
Bij het publiek bleef de indruk, dat van Akerlaken op den 20sten Mei 1870 op onstaatkundige wijze de staatkunde in de
beraadslaging had ingevlochten.
Dit bleek bijkans drie jaren later in het
Weekblad van het Regt, waarin strijd
gevoerd werd tegen hen, die naar aanleiding eener gepleegde gruwelijke misdaad
op den maatregel van 1870 wilden terug komen.
In dat opstel betoogde de redacteur op zijne beurt, dat men de
staatkunde buiten deze zaak moest houden en keurde hij de houding in 1870 door
van Akerlaken aangenomen, af.
Deze vat vuur. In het Nommer van 3 Februari 1873, No. 3547 van genoemd Weekblad leest men onder de rubriek
‘Correspondentie’:
Mijnheer de Redacteur!
In uw weekblad van 27 dezer, No. 3544, pag. 4, lees
ik de navolgende mij betreffende periode:
Als dus van Akerlaken in de Tweede Kamer gezegd heeft,
dat de wet moest worden aangenomen, alleen omdat zij door eene liberale
Regering werd voorgesteld, wat wij gelooven willen, zonder het te
onderzoeken - dan noemen wij dit eenvoudig onzin.
Ofschoon niet gewoon noch genegen om, ter zake mijner openbare
handelingen, in polemiek te treden met eenig blad van welke kleur ook, zoo meen
ik evenwel deze aantijging niet geheel onbeantwoord te mogen laten voorbijgaan,
te meer, daar werkelijk het verwijt van onzin niet onverdiend
zoude zijn, bijaldien ik immer zoo iets had gezegd. - Gelukkig is dit evenwel
het geval niet en
| | | |
behoef ik mij het gedaan verwijt niet aan te
trekken, daar ik nooit zoodanige uitdrukking heb gebezigd, die mij alleen door
blinde en verregaande partij haat kan zijn toegedicht en welligt ondoordacht,
althans blijkens uwe verklaring, zonder onderzoek door u is overgenomen.
Wat ik toenmaals gezegd heb, staat te lezen in het Bijblad, jaargang 1869-1870, pag. 1486-1487. - Men kan daaruit
ontwaren, dat ik toenmaals de liberale rigting tegen de manoeuvres eener andere
partij heb gewaarschuwd en op de gevolgen eener mogelijke zegepraal van deze
partij heb gewezen, en dat ik juist het tegendeel heb gezegd van hetgeen mij
thans in den mond wordt gelegd: namelijk, dat ik toen heb verklaard juist te
behooren tot degenen, die wenschten, dat alle mogelijke politiek bij de
beoordeeling van dat wetsontwerp (afschaffing der doodstraf) werd achterwege
gelaten. - In hoeverre evenwel bij de behandeling van dit gewigtig wetsontwerp
de politiek in of buiten het spel is geweest, zal welligt ook hier, even als in
zoo vele andere zaken, die in de Kamer behandeld worden, het best aan de
eindstemming over de wet kunnen worden getoetst.
Ik verzoek u, M. de Red.! deze verklaring in een uwer eerstvolgende
nummers te willen opnemen, en vlei mij, dat ik voortaan van uwe beoordeeling
alléén op goed geloof af en zonder eenig behoorlijk onderzoek moge blijven
verschoond: een oordeel, waarop ik overigens, zooals gij kunt weten, grooten
prijs stel.
Met betuiging van hoogachting verblijf ik gaarne
Hoorn, 28 January 1872.
Uw Dw. Dienaar, D. van Akerlaken, Lid der Tweede
Kamer van de Staten-Generaal.
De redactie teekent hierbij aan:
(Wij vreezen, dat de geachte schrijver de bedoeling onzer
woorden niet juist gevat heeft. Gelooven of aannemen zonder te
onderzoeken, is niet synoniem met voor waar houden. Wat
wij hebben willen zeggen, is eenvoudig dit: wij laten de juistheid dezer
mededeeling in het midden, omdat, aangenomen dat zij juist zij, daarmede voor
of tegen de zaak zelve niets bewezen wordt; wij onderzoeken het niet, omdat het
ons niet schelen kan. - Dat geloof was alzoo geheel hypothetisch. Red.).
Zoowel vorm als inhoud van het briefje kenmerkt van Akerlaken geheel en
al. Aangerand, hetzij in of buiten de Kamer, slaat hij terug. Het ‘zooals gij
kunt weten’ was oprecht gemeend: Mr. A. de Pinto behoorde tot van Akerlaken's
oudere tijdgenooten te Leiden.
Wat de zaak zelve betreft, schijnt tweeërlei gevolgtrek- | | | | king gewettigd: deze, dat
van Akerlaken afkeerig was van de inmenging
der staatkunde in de politiek; en deze andere, dat zijne desbetreffende
verklaring op 20 Mei 1870 wel iets had van eene protestatio actui
contraria. Ook de stem over menig hoofdstuk der staatsbegrooting was met
dien afkeer moeilijk te rijmen. Voegen wij er echter bij, dat hij dikwijls ‘de
gelederen versterkte dergenen, die, wars van politiek spel en van partijlisten
in ernstige en objectieve beschouwing van de voorgelegde outwerpen hunnen
plicht zien en hunne kracht zoeken’
9; dat hij vooral in latere jaren
getrouw bleef aan het gulden woord, op 8 Juni 1883 door hem in de Eerste Kamer
gesproken, waarbij hij te kennen gaf, ‘dat het hem niet te doen was om de
personen, die in het Ministerie zitten, maar om de zaak’.
Over het algemeen voelde hij slechts zelden neiging om zich in eene
politieke gedachtenwisseling te mengen.
In ‘den tiendaagschen veldtocht’ - de lezer herinnert zich het
gidsartikel van prof. Buys over het debat betreffende de inkomstenbelasting van
den Minister Blussé - stelde hij met de heeren de Bruyn Kops, Viruly Verbrugge
en Cremers op 30 April 1872 eene motie voor tot verzending der amendementen
naar de afdeelingen. Deze motie, die eene politieke strekking had, werd met 40
tegen 37 stemmen verworpen. Daarmede was het lot van het ontwerp beslist. Nadat
alle amendementen op art. 1 waren verworpen werd het art. zelf met 51 tegen 27
stemmen afgestemd, waarop de intrekking van het ontwerp volgde. Dit gebeurde op
2 Mei 1872. Van Akerlaken was dien dag afwezig. Hij had bericht, ‘dat hij door
dringende bezigheden, die geen uitstel gedoogen’, verhinderd was ‘de zitting
bij te wonen’.
Den 12den Maart 1873 sprak hij met buitengewone
scherpte over een voorstel tot uitstel der behandeling van | | | | het
voorstel tot verlaging van den census, maar dergelijke politieke adviezen
behoorden tot de uitzonderingen.
In de zoo even bedoelde peroratie van 20 Mei 1870 verdient ééne
uitdrukking de bijzondere aandacht. Van Akerlaken komt op voor het belang, niet
der liberale partij, maar der liberale richting. Was de woordenkeus opzettelijk? Gaf hij door haar te
verstaan, dat hij wel aaneensluiting wilde van gelijkgezinden, maar geen
zoodanig partijverband, waarbij de zelfstandigheid te loor gaat en de vrije
werking van het geweten niet ongerept blijft?
Had de sterk behoudende richting van den vader reactie teweeg gebracht
bij den zoon, niettemin was een deel van des vaders geest in den zoon werkzaam.
Conservatieve neigingen vielen inderdaad in den liberalen Jonkheer Dirk niet te
miskennen. In 1850 verklaarde hij zich een voorstander van handelsvrijheid,
maar in bondgenootschap met Mr. H.J. Smit, een tegenstander van de opheffing
der bescherming, die de groote visscherij genoot. Dat hij de verplichting der
getuigen tot eedsaflegging gehandhaafd wilde zien; dat hij den geldelijken band
tusschen den Staat en de Kerkgenootschappen niet wilde losmaken; dat hij een
afkeer had tegen elke belastingheffing, die het geheim van het familieleven
dreigde te openbaren, - wij lieten het niet onopgemerkt. Met de door den
Minister Geertsema voorgestelde verlaging van den census verklaarde hij 12
Maart 1873 ‘niet te dweepen’ en niet dan noode stemde hij op 19 Juni van het
volgende jaar vóór art. 1 van het desbetreffende ontwerp: het zal hem niet
pijnlijk geweest zijn, dat het artikel verworpen en het ontwerp ingetrokken
werd. Vierkant was hij tegen de invoering van den algemeenen dienstplicht.
Beslist liet hij zich uit tegen de desbetreffende plannen van den Minister van
Oorlog van Limburg | | | | Stirum. De gedachte, dat zijn zoon soldaat zou
moeten worden, stuitte hem tegen de borst
10.
Zulk een conservatief was deze liberaal.
Maar aan leuzen en namen hechtte hij
ten slotte luttel. Nauwelijks in de Tweede Kamer gekomen noemde hij den 9den December 1850 het vermaarde ‘Wacht op mijne
daden’ een parool, dat het bewind niet van de
verplichting kon ontslaan ‘zich ten bestemden tijde te verantwoorden, en
wanneer het wachtuur verstreken is, zijne daden ter beoordeeling aan de natie
of die haar vertegenwoordigen bloot te leggen’. Denzelfden dag heette hij het
kabinet Thorbecke ‘een zoogenaamd Ministerie van
vooruitgang’. En twaalf jaren later rangschikte hij zijnen vader ‘onder de
toongevers van het zoogenaamd stelsel van behoud’
11.
| |
VII.
Behalve het academisch proefschrift heeft
van Akerlaken een tweetal werken nagelaten. In
1878 verscheen bij Martinus Nijhoff te 's Gravenhage:
Mr. Hendrik van Stralen. Aanteekeningen uit zijne nagelaten
geschriften, uitgegeven door Jhr. Mr. D. van Akerlaken, en elf
jaren later werden eenige geschriften uit zijn
Familie-Archief uitgegeven.
Beide werken hebben wij reeds meermalen aangehaald, maar beide verdienen
nader onze opzettelijke aandacht.
Na de opheffing der rechtbank te Hoorn vond haar voormalige president,
van een belangrijk deel zijner ambtelijke werkzaamheden ontslagen, tijd en
gelegenheid om zijne krachten te wijden aan geschiedkundige nasporingen. Wij
begrijpen, dat hij ‘van Stralen's levensgeschiedenis bijeenbracht en zich
daarvan eene studie vormde’. Van Akerlaken's moeder, Maria van Stralen, was de
dochter van Mr. Abraham van Stralen, ouderen broeder van Mr.
Hendrik van Stralen. Laatstgenoemde
| | | | was mitsdien van Akerlaken's oudoom van moederszijde. De naam van
den bloedverwant stond bij de familie in eere. De man was het waard om nader te
worden bekend gemaakt in ruimer kring, niet alleen wegens hetgeen hij voor het
vaderland in het algemeen, maar ook voor hetgeen hij voor Noordholland en in
het bijzonder voor het geliefde Hoorn verricht had en geweest was. Van
Stralen's huisarchief, dat een rijken schat van tot dusver onuitgegeven en
ongeraadpleegde bescheiden bevatte, stond van Akerlaken ten dienste. Is het te
verwonderen, dat hij deze taak koos en haar met toewijding volbracht?
Geboren den 20 October 1751 werd van Stralen reeds in 1774 in de
Regeering van Enkhuizen geroepen door de benoeming van Schepen en heeft hij tot
zijnen dood 6 November 1822 in eene reeks van betrekkingen het land in engeren
en ruimeren werkkring gediend. Hij werd achtereenvolgens raad in de vroedschap
aldaar en eerlang equipagemeester van het collegie der admiraliteit in
West-Friesland in het Noorder-kwartier te Enkhuizen en te Medemblik. In 1782
werd hij aangesteld tot adjunctraad en advocaat-fiscaal bij de admiraliteit in
West-Friesland. Na bedankt te hebben voor den post van advocaatfiscaal bij de
admiraliteit op de Maas en van raadpensionaris van Zeeland, is hij in de plaats
van Mr. Bernardus Blok benoemd tot Secretaris van het college van
Gecommitteerde Raden der Staten van Holland en West-Friesland in West-Friesland
en het Noorderkwartier. In die betrekking erlangde hij de bevoegdheid om de
vergaderingen der Staten van Holland en die der Staten-Generaal bij te wonen.
Eveneens volgde hij Blok op in diens betrekking van Commies der Financiën van
West-Friesland en het Noorder-kwartier. Hij werd vervolgens lid van
onderscheidene belangrijke staats-commissiën, | | | | onder anderen van
die betreffende de zaken der O.I. Compagnie. Ingenomen met den ouden
regeeringsvorm en aan het huis van Oranje gehecht, kon hij zich niet vereenigen
met de omwenteling van 1795 en verwijderde hij zich uit het ambtelijk leven.
Door Prins Willem V liet hij zich bewegen weder een ambt te bekleeden. Hij werd
in 1792 lid van het Gedeputeerd bestuur van Holland. Zijn voornaamste
bezigheden in het college betroffen Financiën en Waterstaat. In 1804 benoemde
hem het staatsbewind tot lid van den Aziatischen raad. Nadat Schimmelpenninck
tot raadpensionaris was verheven, werd
van Stralen secretaris van staat voor de
binnenlandsche zaken. Die afdeeling van het staatsbestuur omvatte destijds,
behalve het binnenlandsch bestuur in engeren zin, de zaken betreffende
waterstaat, eeredienst, justitie en politie, kunsten en wetenschappen. Onder
koning Lodewijk werd hij lid der vergadering van hunne hoogmogenden en
president eener commissie tot bezuiniging van alle uitgaven van het rijk bij
het vormen eener begrooting van 1809, alsmede ter herziening van de
ordonnantiën op de algemeene belastingen. Tijdens de inlijving in het
keizerrijk was hij wederom ambteloos. In het laatst van November 1813
aanvaardde hij den post van commissaris-generaal van binnenlandsche zaken, dien
hij in Mei van het volgende jaar om redenen van gezondheid moest nederleggen.
Nog werd hij in 1814 tot lid der Staten-Generaal en in 1815 tot lid der Eerste
Kamer benoemd.
Dit is niet meer dan een dor geraamte van 's mans werkkring
1. Doch het
gewicht van een persoon hangt niet af van de ambten, die hij bekleedt, maar van
hetgeen hij in die ambten gepraesteerd heeft. ‘De dagen der vernedering waren
niet van allen luister ontbloot’, | | | | zegt Groen van Prinsterer. Ten
bewijze dier stelling wijst hij onder anderen op ‘ambtenaren wier schranderheid
en ijver gunstiger uitkomst zouden verdiend hebben’ en noemt in dit verband
bestuurders als
Schimmelpenninck,
Mollerus,
Röell en ook van Stralen
2. Deze kwam met tal van mannen van
beteekenis gedurende een niet grootsch, maar belangrijk tijdperk onzer
geschiedenis, dat rijk aan afwisseling was, in aanraking. Behalve prins Willem
V en koning Willem I, koning Lodewijk en Napoleon noem ik Kinsbergen, van de
Spieghel,
Corver Hooft,
Canneman,
Gogel,
van der Goes,
Hinlopen,
van der Palm,
Ver Huell en vooral Schimmelpenninck. Het was
van Stralen, die dezen tot het aannemen van het ambt van Raadpensionaris bewoog
en op wiens voorstel, om ook dit nog te vermelden, A. van den Ende tot
Commissaris voor de zaken van het lager onderwijs benoemd werd. Behalve aan de
belangen van dat onderwijs heeft van Stralen zelf in zijne verschillende
landsbetrekkingen zich onder anderen met de zaken van de marine en van de
koloniën bemoeid, maar zich voor en na het meest met de financiën van den Staat
bezig gehouden. Is het vergund in het voorbijgaan door een voorbeeld aan te
toonen hoezeer ten aanzien der belastingheffing de inzichten in den loop der
tijden veranderen, dan herinner ik aan eene memorie in 1806 door van Stralen
aan koning Lodewijk ingediend, waarin hij als eene der onmisbare voorwaarden
van blijvende verbetering noemt, ‘dat de belastingen op de bezittingen en
inkomsten voor altijd zouden blijven afgeschaft’
3.
Van Stralen heeft zijn leven nuttig besteed,
zijne ambten met eere bekleed. En dit tot het einde. De laatste maanden zijner
ambtelijke loopbaan van November 1813 tot in April 1814 was een tijd van
buitengewone in- | | | | spanning, die voorziening vorderde op schier elk
gebied van het inwendig staatsbestuur. Bij al het andere kwam nog in December
1813 het uitbreken der veepest, die in overeenstemming met de bemoeiingen van
van Lynden van Sandenburg, de Beaufort en Wttewaal krachtig door van Stralen
bestreden werd.
Eindelijk worde niet onvermeld gelaten het kon. besluit van 26 Februari
1814,
Staatsblad No. 90,
houdende vernietiging der tegenwoordige organisatie van het Israëlitisch
Kerkbestuur en vaststelling van nadere bepalingen dienaangaande. Dat wegens den
inhoud en wegens de Considerans merkwaardige besluit, in waarheid een product
van Vrijheid en Orde, is het werk van van Stralen geweest.
Doch wij hebben niet verder over hem, maar over van Akerlaken's
levensbeschrijving van hem te spreken. Zij bezit wezenlijke verdiensten, maar
vertoont ook gebreken.
Van Akerlaken is in dit boek niet altijd een
meester in den stijl. Naast enkele goed geschrevene bladzijden, zoo als de
boven medegedeelde over zijne moeder, treft men onderscheidene andere aan, die
moeielijk zijn vrij te pleiten van zekere slordigheden. Reeds Mr. J.A. Sillem,
die het boek in
de Gids van Januari 1879 aankondigde,
heeft op dit gebrek gewezen en daarvan voorbeelden vermeld, die het onnoodig
schijnt te herhalen of aan te vullen
4.
Evenmin was van Akerlaken bedreven in de kunst van geschiedschrijven.
Legt men zijn boek over van Stralen naast een soortgelijk werk, waarop echter,
hoe verdienstelijk het zij, gegronde aanmerkingen zijn gemaakt, het werk van
G. Graaf Schimmelpenninck over diens vader,
den Raadpensionaris, van Stralen's tijdgenoot,
Rutger Jan Schimmelpenninck en eenige gebeurtenissen
van zijn tijd, dan valt de vergelijking niet ten voordeele van van
Akerlaken's arbeid uit. Deze heeft het boek | | | | over den
Raadpensionaris vlijtig geraadpleegd. Graaf Schimmelpenninck acht zijn werk
‘als 't ware bestemd om datgene, wat ons door Schimmelpenninck nagelaten of
nopens hem uit echte bronnen verzameld is, aaneen te strengelen’
5. Een
dergelijk doel stond van Akerlaken voor den geest. Hij beoogde ‘met de
mededeeling van van Stralen's politiek leven eene bijdrage te leveren over het
werkzaam bedrijf van een bekwaam, wellicht niet genoeg bekend en gewaardeerd,
vaderlandsch Staatsman en daaraan toe te voegen eenige nieuwe tot dusverre niet
of niet genoeg gekende bijzonderheden van de geschiedenis van zijn tijd’. Aldus
ontstond een boek, waarvan de deelen onevenredig zijn; dat uitgebreide
fragmenten uit van Stralen's aanteekeningen, breedvoerige instructies, brieven
en memoriën in extenso opneemt en die verschillende
bescheiden door losse opmerkingen ‘aaneenstrengelt’; een boek, waarop met
nadruk van toepassing is wat
Thorbecke aangaande het geschrift van Graaf
Schimmelpenninck opmerkte: ‘Schimmelpenninck wordt doorgaans alléén sprekende,
schrijvende of handelende, ingevoerd. Ééne figuur uit een tafereel, dat men als
historische ordonnantie wenscht te zien. Om het aandeel, dat Schimmelpenninck
had aan de gebeurtenissen van zijnen tijd, op te helderen, moet hij in
vollediger verband met het geheel zijn voorgesteld’. En voorts: ‘De deelen van
het samenstel, gelijk op eene schilderij van eertijds, toen de kunstenaar nog
geen verschiet uitdrukte, ziet men als op ééne lijn, het ééne niet wijken, noch
het andere vooruitkomen’. In één woord: mede van Akerlaken's boek geldt: ‘het
laat de verbeelding in volle rust’
6. Zelfs wie
niet door eenen Macaulay is verwend (wie herinnert zich niet het beeld, dat
Bakhuizen van den Brink van hem als | | | | historieschilder teekende?
7) mag de eischen aan het
historisch portret hooger stellen dan die, waaraan van Stralen's beeltenis
beantwoordt. Doch waartoe naar de buitenlandsche letterkunde verwezen? Het land
van
Robert Fruin, den Rembrandt onder onze
geschiedschrijvers, die, als vrucht van nog zoo veel dieper bronnenstudie dan
die van Macauly, op ongeëvenaarde wijze de mengeling van licht en schaduw, dat
wil zeggen de werkelijkheid, weet weer te geven, bezit
eveneens modellen ‘in 't vak der biographie’. Deze laatste uitdrukking is van
Mr. Sillem. Hij wijst op het leven van
S. Iperusz.
Wiselius door
Limburg Brouwer en dat van C. en D.J. van Lennep
door M.J. van Lennep
8. Wij mogen er bijvoegen het leven van Mr. Johan Valckenaer door den
heer Sillem zelven. Het had te meer op van Akerlaken's weg gelegen om te
trachten zulke werken te evenaren, omdat zij uitnemend geschikt waren om hem in
het tijdvak, waarin zijn held optrad en werkte, te doen inleven.
Had hij ook slechts het laatstgenoemde boek bestudeerd, zijn critische
blik zou in scherpte gewonnen hebben. Trouwens, het gebrek aan critisch talent
hangt samen met de andere, reeds opgewekte zwakke zijden van het boek.
Dit oordeel vereischt eenige toelichting.
Het werk eindigt met een Naschrift. Nadat de schrijver in het
voorafgaande alles had verhaald wat hij had mede te deelen en zich bepalende
tot eene getrouwe opgave van feiten slechts zelden een eigen oordeel, althans
over den man, wiens leven hij beschreef, had uitgesproken, wil het Naschrift
‘in een afzonderlijk stuk’ dit eigen oordeel ‘uitbrengen’. Het is hem daarbij
vooral te doen om bij het karakter van van Stralen en de zedelijke drijfveeren
zijner handelingen stil te staan. Geen grooter bewijs van onpartijdigheid meent
hij te kunnen geven, | | | | dan aan zijne beschouwingen ten grondslag te
leggen het hoogst ongunstig oordeel omtrent van Stralen door een zijner
tijdgenooten geveld. Hij bedoelt eene plaats in de ‘Vertraute
Briefe während eines Durchflugs durch einen Theil der Nördlichen Provinzen des
Königreichs der Niederlande’, von Eleutherophilos, welk
boek vertaald onder den titel van ‘
Herinneringen van den Baron Strick van Linschoten
bewerkt door een Staatsman’ in 1855 bij van Gorcum te Amsterdam is
uitgekomen. Het oordeel in dit boek over van Stralen geveld, luidt alles
behalve gunstig. Men moet echter, zegt van Akerlaken, onderscheiden. Hetgeen
Strick van Linschoten als zijn eigen
wetenschap mededeelt is in hoofdzaak juist, al slaat hij ook op enkele punten
de plank mis. Doch geheel anders is het gelegen met hetgeen hij, die van
Stralen niet persoonlijk kende, eenmaal omtrent hem van anderen vernam. En
juist op dat ééne bericht steunt deze ongunstige karakterschets, die de auteur
omtrent
van Stralen geeft: ‘Voor hen toch die boven
hem staan, is van Stralen nederig en kruipend, voor hen die met hem gelijk zijn
en voor zijne minderen, met onderscheid naar omstandigheden, nu eens vleiende,
dan weder ontzettend uit de hoogte. Wie hem durft te staan behoeft hem niet te
vreezen, want hij zal zich wel wachten om den zoodanige te nabij te komen.
Vlijtig gaat hij ter kerke, maar zijn godsdienstigheid is meer schijn dan
wezen. Zijn voorkomen, zijn houding, zijne gebaren, kortom zijn geheele wezen
zoude aan eenen Molière tot een voortreffelijk model van een Tartuffe kunnen
strekken, of van eenen Rubens tot dat van een Farizéer. Misschien zegt men niet
te veel van hem, als men hem houdt ad utrumque paratus.’
Een laag karakter derhalve. De juistheid der teekening wordt echter door
van Akerlaken met overtuiging ont- | | | | kend. Trek voor trek gaat hij na
en komt telkens tot de slotsom, dat de beweerde ondeugden niet bij van Stralen
worden aangetroffen of dat hetgeen hem als gebrek wordt toegerekend geen gebrek
is. Nederig en kruipend tegen hooggeplaatsten is van Stralen niet geweest. Dat
hij vlijtig ter kerke ging, wie zal het hem euvel duiden? Doch nu het
grievendst verwijt: 's mans godsdienstigheid was meer schijn dan wezen, hij was
de type van eenen Tartuffe, van eenen Farizéer. Vooral daartegen komt van
Akerlaken in verzet. Het geldt hier, meent hij, eene dier vragen des gewetens,
die niet liggen onder het bereik van eens anders oordeel, ten ware zij op
feiten steunen en door bewijzen zijn gestaafd. Strick levert zoodanig bewijs
niet, maar van Akerlaken acht zich gelukkig het bewijs van het tegendeel te
kunnen leveren. Zoodanig bewijs ziet hij in hetgeen van Stralen in zijn dagboek
aanteekende naar aanleiding van den dood van zijnen oudsten broeder M. Abraham
van Stralen, die 15 October 1793 overleed in de kracht der jaren en nalatende
eene zwangere weduwe met vijf onmondige kinderen en een zeer gering vermogen.
Want die aanteekening getuigt van een vast vertrouwen op God, die hem de
moeilijke taak om voortaan voor het gezin zijns broeders te zorgen, op de
schouders legt, maar hem tevens de kracht schenken zal om haar te volbrengen.
Werkelijk is van Stralen der weduwe tot man, den weezen tot vader geweest. Wie
zóó denkt en zóó handelt, is, meent van Akerlaken, geen huichelaar, geen
Tartuffe, geen Farizeër.
Vóór de zuiverheid van van Stralen's godsdienstige denkwijze pleit
hetgeen de hoogleeraar Tellegen daaromtrent schrijft in een opstel, naar
aanleiding van het boek van
van Akerlaken, aan
van Stralen gewijd
9. | | | | Hij brengt in herinnering
eenen brief, dien Van de Spiegel 19 Januari 1799 aan zijnen vriend van Stralen
schreef. Van de Spiegel wijst daarin op het ééne noodige, dat onder alle
omstandigheden des levens troost en kracht schenkt. Van de Spiegel weet, dat
van Stralen in die overtuiging deelt. Bij lezing van dien brief moet, zegt
Tellegen, van Stralen hebben uitgeroepen: ‘Gij hebt uit mijn hart gesproken’:
immers leze men slechts wat van Stralen na den dood zijns broeders in zijn
dagboek opteekende. En nu haalt Tellegen plaatsen uit die aanteekening aan,
waaruit hetzelfde geloovig vertrouwen spreekt, dat van de Spiegels schrijven
doorademde. De man, die dergelijke bespiegelingen in zijn dagboek - dus voor
zich zelf - ter neder schreef, zou, des gevraagd, ‘met van de Spiegel op
het ééne ding dat noodig is hebben gewezen ter verklaring der
gelatenheid, waarmede hij den tegenspoed droeg.’ Daarop eindigt Tellegen dit
gedeelte zijner aankondiging aldus: ‘Wat moeten de kinderen der negentiende
eeuw tot dit alles zeggen? Als de vrienden van van de Spiegel in het hem gedane
aanbod om Raadpensionaris van Holland te worden eene goddelijke roepstem meenen
te zien, hij zelf daarentegen zegt te vreezen, dat het voor hem een weg der
verzoeking zoude zijn, waren dit dan klanken en niets meer, of waren het
teekens van iets, dat in de ziel dier mannen in waarheid leefde? Ik voor mij
durf hierop geen antwoord geven. Ik durf niet uitmaken in hoever aan dergelijke
uitingen inderdaad werkelijke gewaarwordingen ten grondslag lagen, in hoever
zij een weergalm waren van geijkte phrases. Veel minder echter zoude ik mij
gerechtigd achten de mannen dier dagen om die reden van huichelarij te
beschuldigen; daarin te zien tartufferie’. Een zoo geacht auteur, aarzelende om
lichtvaardig tot de beschuldiging | | | | van huichelarij over te gaan,
was zeker een niet te versmaden bondgenoot voor van Akerlaken en zal door dezen
met voldoening als zoodanig zijn begroet.
Tellegen's zienswijze werd openbaar naar aanleiding
der verschijning van van Akerlaken's boek. Wat intusschen bevreemding wekt, is
dat van Akerlaken bij de samenstelling daarvan niet meer en
niet beter partij heeft getrokken van den bijstand van een anderen bondgenoot.
Ik bedoel den Raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck, die toch nog iets
anders geweest is dan hetgeen hij volgens eenen schrijver in
de Gids (van Mei 1895) was: ‘een deftig
man en een complimentmaker, die gaarne een wit voetje bij de autoriteiten dezer
wereld had’. ‘Mogt er nog iets noodig zijn’, dus schrijft van Akerlaken, ‘ter
zijner verdediging en tot uitwissching der smet die men heeft goedgevonden op
hem te werpen, dan zal daartoe wel voldoende zijn de getuigenis van
Schimmelpenninck, die hem van nabij en wel het beste kende’. Daarop volgt de
aanhaling van eenen brief door den Raadpensionaris gericht tot den zoon van
Hendrik van Stralen, Mr. J. Mossel van Stralen. Laatstgenoemde had namelijk een
levensschets van zijnen vader geschreven en die aan Rutger Jan toegezonden. De
Raadpensionaris, den auteur daarvoor dankende, noemt eenige ‘voorname
karaktertrekken’ van zijnen vriend op en daaronder ‘die rondborstigheid en
openhartigheid, welke hem, in alle gevallen, zijn gevoelen met vrijmoedigheid
deden uiten, en zelfs dikwerf zoo regtstreeks op den man af, en zoo geheel
zonder omwegen, dat hij daardoor wel eens misnoegen verwekte’. Een getuigenis
van gewicht. Het is ontleend aan de Aanspraak, waarmede de hoogleeraar
Siegenbeek den 30sten Juni
1823 de jaarlijksche vergadering onzer Maatschappij opende.
Van Akerlaken bepaalt zich tot die | | | |
ééne plaats uit Siegenbeek's rede en schijnt van de betrekkelijk uitvoerige
levensschets, die de redenaar aangaande van Stralen geeft, niet met de noodige
aandacht te hebben kennis genomen
10. Anders had hij voor zijn doel zeker herinnerd aan de
uitdrukking door koning Lodewijk van van Stralen gebezigd. ‘In den jare 1808’,
verhaalt Siegenbeek, ‘gelukte het van Stralen den waren toestand der
geldmiddelen ter kennisse van koning Lodewijk te brengen, bij de overgifte
eener, op bijzonderen last, vervaardigde financiëele Memorie, waarvan de
inhoud, gelijk meer andere uitvloeiselen van de hem eigene wijze van zien en
denken, genoemden vorst wel eens deed zeggen: c'est l'homme noir,
mais vrai’. Het had op van Akerlaken's weg gelegen die uitspraak te
vermelden. Evenzeer had hij, dunkt mij, moeten gewagen van hetgeen
Siegenbeek bericht aangaande van Stralens
godsdienstzin; aangaande diens belangstelling in de uitbreiding des
Christendoms aan de Kaap de Goede Hoop en in ‘de Indiën’, waarvoor van Stralen
in 1791 en 1792 werkzaam was; aangaande 's mans ijver en beleid van 1797 tot
1799 ‘tot instandhouding van het Hervormde Kerkgenootschap, welks belangen toen
gevaar van merkelijke afbreuk liepen’; aangaande ‘zijne ijverige deelneming aan
de ook in ons vaderland opgerichte Bijbelgenootschappen’. Van dit alles gewaagt
van Akerlaken niet, ofschoon het hem tot
verdediging van van Stralen van uitnemenden dienst had kunnen zijn. Nog had hij
er op kunnen wijzen, dat Siegenbeek in dezelfde rede Jona Willem te Water tegen
eene ‘wel eens tegen hem ingebrachte beschuldiging, gebrek namelijk van
oprechtheid’, met klem verdedigt. Hoe nu? Wanneer hetzelfde verwijt tegen van
Stralen vernomen was, zou de redenaar dan ook daartegen niet zijn
opgekomen? | | | |
Ernstiger is een ander bezwaar tegen van Akerlaken. Hij acht zich,
gelijk wij vernamen, verplicht bij de verdediging van zijn oudoom uitvoerig
stil te staan bij dat ééne getuigenis van
Strick van Linschoten, al berust diens meening
op ‘een oordeel, dat deze éénmaal van anderen vernam’.
Doch wie is deze Strick van Linschoten? Verdient hij vertrouwen?
Het antwoord, dat van Akerlaken op deze vragen geeft, bevredigt
niet.
Er zijn er, zegt van Akerlaken, die twijfelen, of de man, wiens naam
slechts op het titelblad der vertaling genoemd wordt,
werkelijk de schrijver was der Vertraute Briefe; doch anderen
vermelden hem als den werkelijken schrijver. In dit laatste gevoelen deelt van
Akerlaken, van oordeel, dat ‘zoolang het tegendeel niet wordt bebewezen of dat
auteurschap uitdrukkelijk wedersproken, er geen grond is voor eene
tegenovergestelde meening’. Hij beroept zich daarbij op het oordeel van
Vreede en
de Bosch Kemper. Hij had er Bakhuizen van den
Brink kunnen en moeten bijvoegen
11.
‘De vraag’, zoo lezen wij verder, ‘zou kunnen worden geopperd, van welk
gehalte was de beoordeelaar? maar eene beantwoording dier vraag is voor dit
betoog niet noodig’.
Voor dit betoog niet noodig? Maar dit betoog heeft de strekking om van
Stralen vrij te pleiten van allerlei slechte eigenschappen en het zou
onverschillig zijn wie de persoon is, die ze hem aanwrijft? Het ware
integendeel van overwegend belang geweest om het zedelijk gehalte van den
beschuldiger te onderzoeken. Zoodanig onderzoek hield weinig bezwaren in.
Bronnen had van Akerlaken bij de hand. Hij heeft ze ook geraadpleegd; hij
beroept zich nogmaals op de Bosch Kemper's
Staatkundige geschiedenis en | | | | Vreede's
Geschiedenis der diplomatie van de Bataafsche Republiek.
Maar het wil mij toeschijnen, dat hetgeen hij bij deze schrijvers gelezen had,
hem niet helder voor den geest stond, toen hij het aangehaalde schreef. De
Bosch Kemper verhaalt, dat Strick van Linschoten vroeger den democraat had
gespeeld en later Kemper en Fannius Scholten plebejers heette. Hij heet hem
‘den zeer woeligen diplomaat onder de democratische besturen’. Vreede stelt op
den voorgrond, dat men met Strick voorzichtig moet zijn. Het hinderde Strick,
dat hij onder het Uitvoerend Bewind ambteloos bleef. Maar de
eene helft van dat Bewind was dezen ‘heethoofd’ weinig genegen en met het
optreden van het Staatsbewind 18 Sept. 1801 verdwenen 's mans
uitzichten geheel en al. De Edelman-democraat, Dichter, Publicist,
Geschiedschrijver was voortaan uitgesloten van het staatsbedrijf. Zijne
meerderheid bewust, vierde hij zijne onvergenoegdheid en wrevel over die
miskenning bot op een toon, die van een zeer verduitschten geest getuigde. Wel
voegde Vreede hieraan toe, dat Strick de gehechtheid aan den geboortegrond
slechts schijnbaar aflegde en een open oog behield voor ‘de onvergankelijke
heldendaden van het voorgeslacht’ en ‘de deugden en onbaatzuchtige toewijding
aan het vaderland’ in ‘wakkere en vrijheidlievende Nederlanders huldigde, van
welke tijden of rigting het dan ook zijn mogt’, maar die bijvoeging kan toch
den indruk aangaande den begaafden, doch ‘ietwat excentrischen man’ - gelijk
hij hem elders noemt - niet wegnemen, dien het voorafgaande op ons maakt.
Was het dan juist bij de beoordeeling der waarde van Strick's getuigenis
omtrent van Stralen het karakter en de gemoedsstemming van den beoordeelaar
buiten rekening te laten? | | | |
Voor dit betoog niet noodig?
Van Akerlaken had zeker de onjuistheid van
zijne zienswijze erkend, wanneer hij kennis genomen had van het oordeel, dat
Bakhuizen van den Brink over Strick van
Linschoten geveld heeft.
Tot de personen, door dezen miskend, behoorde de Graaf Ver-Huell. Reeds
spoedig na de verschijning der
Herinneringen kwam Q.M.R. Ver-Huell, door
‘een heiligen pligt’ genoopt, tegen de voorstelling in verzet, die Strick van
zijnen oom had gegeven.
Q.M.R. Ver-Huell was de schrijver van
Het leven en karakter van Carel Hendrik, graaf
Ver-Huell. Een degelijk boek. Thorbecke vermeldde het met lof in
een opstel in
de Gids van Januari 1848 en nam dat op in
zijne
Historische Schetsen en Bakhuizen van den
Brink zegt er van, dat het ‘tot de meest gewigtige oorkonden over het duistere
tijdvak onzer geschiedenis van 1795-1813 zal blijven behooren’. Het kon Q.M.R.
Ver-Huell niet moeilijk vallen om aan te toonen welk een oppervlakkig geschrift
Strick van Linschoten in het licht gezonden en ‘bewerkt’ had. Hij doorloopt
daartoe slechts ‘Het leven en karakter’ van zijnen oom en
zond zijn beklag in aan de redactie van de
Algemeene Konst en Letterbode. Gaarne gaf
deze aan het opstel eene plaats in het nommer van 31 Maart 1855. Maar zij deed
meer. Zij het aan het ingezonden stuk een opstel voorafgaan, waarin zij haar
eigen oordeel over de
Herinneringen van den Baron Strick van
Linschoten uitspreekt. Het opstel is niet geteekend, maar wie ooit
een oog sloeg in de geschriften van Dr. R.C. Bakhuizen van den Brink kan niet
twijfelen of het is van zijne hand
12. Was Q.M.R. Ver-Huell ondanks zijne
verontwaardiging kalm gebleven, Bakhuizen grijpt ook ditmaal naar de
geeselroede, in de hanteering waarvan hij bij uitstek bedreven was. Het doel
der uitgave? ‘Eene speculatie, | | | | waarbij het vaderland op den
voorgrond staat en onkiesch eigenbelang de drijfveer is’. Deze ‘staatsman’,
zegt Bakhuizen verder, ‘is niets dan een uithangbord. Hij is onbedreven en
volstrekt niet op de hoogte. Hij heeft van hetgeen sedert 1818 in het binnen-
en buitenland over het tijdvak, dat hij behandelt, in het licht verscheen, geen
kennis genomen. Slechts een uittreksel van het boek van Graaf Schimmelpenninck
over het leven van den Raadpensionaris neemt hij op, maar de Documens historiques van Lodewijk Bonaparte, de Gedenkschriften
van Roëll, van Pyman, van Gogel, het leven van den maarschalk Ver-Huell, de
Bijdragen van van Hogendorp, dit alles is hem onbekend
gebleven’. Hiermede is met den ‘staatsman’ afgerekend. Daarna
wordt de baron onder handen genomen. Deze Eleutherophilos wordt geacht te zijn de stichtsche edelman Paulus
Hubert Adriaan Jan Strick van Linschoten. Een der onstuimigste democraten van
1795, tegelijk vol adeltrots. Hoog met de Jacobijnen ingenomen aapte ‘het
Centraaltje’ (dit was zijn bijnaam) van 1795 ook hun taal en uitdrukkingen na.
Als agent der Bataafsche Republiek aan verschillende hoven onderscheidde hij
zich meer door hevigheid dan door diplomatiek talent. Teleurgesteld in zijne
verwachtingen om het land als vast ambassadeur te vertegenwoordigen, hekelde
hij alles en allen. In 1817 was hij volslagen Duitscher geworden, droomende van
de inlijving der Nederlanden in het groote rijk en schimpende op de platheid
onzer weilanden en de gemeenheid onzer burgerklasse, schrijvende, sprekende,
denkende en zwetsende in het Duitsch en het kwalijk nemende, wanneer men hem
mof noemde. Eerst was hij fransche sansculotte, dan duitsche
hobereau, maar Nederlander was hij nimmer. Slechts op twee
punten bleef hij zich zelven gelijk: in zijn haat tegen Engeland en in
| | | | zijn ongodsdienstigheid. Geest en kundigheden zal niemand hem
ontzeggen, maar alles werd bedorven door verregaande hartstochtelijkheid. De
Vertraute Briefe moeten strekken om zijn wrok tegen zijne
tijdgenooten te koelen. Ontgelden moesten het zoowel zijne oude vijanden van
vóór 1795, die na den vrede van Amiens weder in dienst gekomen, sedert, zelfs
tijdens de inlijving hunne hooge betrekkingen hadden behouden, gelijk
Ver-Huell, Mollerus, D. van Hogendorp, van Stralen, als zijne vroegere
partijgenooten, die door alle omwentelingen heen eene hoogte hadden weten in te
nemen, onbereikbaar voor hem, gelijk
Appelius,
Daendels,
van Maanen,
van der Palm en anderen. Daarentegen ontkwamen
zij, die niet tot een dier beide kategoriën behoorden, zooals G.K. van
Hogendorp, Falck en Roëll aan zijnen toorn. Zijne beschouwingen over personen
en zaken zijn, zonder kritiek, ontleend aan de cancans van 1817. Toch is het te
vreezen, dat het boek lezers en debiet zal vinden, want de uitgave geschiedt
met het oog op een der meest afkeurenswaardige, maar tevens meest algemeene
fouten van den mensch: kwaadsprekendheid. Daarom is het goed dat Ver-Huell de
zaak van zijnen oom voldingend heeft bepleit. Ex uno disce
omnes.’
Zoo luidt het oordeel van
Bakhuizen over
Strick van Linschoten. Het is nog ongunstiger
dan dat van Vreede en de Bosch Kemper. Nogmaals zij gevraagd, of het wel juist
was gezien van van Akerlaken om het onderzoek naar het gehalte van van
Stralen's beoordeelaar ter zijde te laten?
Van Akerlaken meende intusschen, ook zonder op
het karakter van Strick te letten, van Stralen te kunnen vrijwaren tegen alles
wat tegen dezen door Strick was ingebracht. Zelfs tegen dat ernstige verwijt,
als zou van Stralen's ‘godsdienstigheid meer schijn dan wezen zijn’. Doch hoe
verbaast ons van Akerlaken aan het | | | | einde van het boek door de
plotselinge mededeeling: ‘Ook verzuimde van Stralen niet zijne handelingen in
zekeren vorm van nederigheid te hullen en het is wel mogelijk, zoo niet
onwaarschijnlijk, dat hij die handelingen met zeker godsdienstig waas
overtoog’. Hierdoor gaat de kracht van het voorafgaande verloren en de twijfel
vat post in het gemoed van den lezer, of Strick van Linschoten ten aanzien van
van Stralen's hoofdgebrek bij slot van rekening toch wel ten eenenmale ongelijk
had
13? Wij worden geneigd het
vóór van Stralen op te nemen tegen van Akerlaken en dezen te vragen: waar is
het bewijs?
De schaduwzijden van van Akerlaken's arbeid heb ik niet verbloemd, maar
toch aarzel ik niet zijn boek eene belangrijke bijdrage tot de kennis der
vaderlandsche geschiedenis te noemen. Niemand, die zich met het onderzoek der
historie van het laatste gedeelte der vorige en het begin dezer eeuw bezig
houdt, mag het ongelezen laten
14. Het bevat onderscheidene nieuwe bijzonderheden, en deelt enkele
te voren onbekende brieven en bescheiden mede
15. Zoo van van de
Spiegel; van prins Willem V; van Schimmelpenninck; van koning Lodewijk.
Wie van het boek zelf kennis neemt verzuime niet tevens de
beoordeelingen, die het uitlokte, met name de opstellen van Mr.
J.A. Sillem en van
Prof. Tellegen te raadplegen.
De heer Sillem wijst vooral op het gewicht van het medegedeelde omtrent
de engelsch-russische landing, de financiëele commissie van 1808
16 en het aandeel dat van Stralen aan de beweging van November 1813
gehad heeft
17. Ik zou er willen
bijvoegen de bladzijden gewijd aan de houding van het Groot Besogne, 28 Mei
1806 op het huis ten Bosch
18. Wie zou niet deelen in den wensch,
waarmede de heer Sillem eindigt, dat de mededeeling van Stukken en papieren uit
van Stralen's | | | | Huisarchief nog rijker, nog onbeschroomder ware
geschied?
Ook prof. Tellegen doet dergelijke vragen. Waarom niet meer over van
Stralen's jeugd medegedeeld? Het is opvallend, dat van Stralen vooraf Schepen
wordt, en eerst vijf jaren later, in 1779 doctor. Hoe kwam dit? Was de
ontwikkelingsgang van van Stralen voor die dagen gewoon? Waarom niet te Leiden,
maar te Harderwijk gepromoveerd? Toch niet, zou ik willen vragen, om de
laaghartige wijze, waarop men aldaar met de doctorale bul omsprong
19?
Van Akerlaken blijft het antwoord schuldig.
Tellegen heeft voor het overige zich zelven in die aankondiging
geteekend.
Besprekende en bestrijdende eene plaats uit
Groen van Prinsterer's
Handboek der Geschiedenis van het Vaderland raakt hij geanimeerd, zoo als
altijd, wanneer hij over Groen schrijft.
De karaktertrekken, die de staatsleer van den schranderen hoogleeraar
kenmerken, komen ook in dit opstel sprekend uit. Zoo het beginsel, ‘dat het
gezag van den een over den ander, de verplichting van gehoorzaamheid van den
een jegens den ander, alleen geregtvaardigd worden door de behoeften der
geregeerden.’ Niemand, dunkt hem, zal meer, althans tegenwoordig, tegen dat
beginsel eenig bezwaar inbrengen. Toch komt het mij niet ondenkbaar voor, dat
deze of gene de waarheid, welke in die stelling schuilt, eenzijdig en daardoor
onvolkomen vindt uitgedrukt. Hoe het zij, vooral zijn Tellegen's beschouwingen
over de herstelling der heerlijke rechten belangrijk. Zij betreffen de nooit in
werking getreden wet van 9 Juni 1806 en het besluit van den soevereinen vorst
van 26 Maart 1814, ten deele nog geldende. Van Akerlaken leert ons, dat aan van
Stralen het auteurschap | | | | van beide staatsstukken toekomt. Wat
prof. Tellegen over dit onderwerp zegt verdient overweging, al komt mij zijn
oordeel niet altijd billijk voor.
Kennelijk geen dieper smart voor hem, dan die hem treft, wanneer hij ‘de
zon der revolutie’ ziet ‘tanen’. Die ééne schilderachtige uitdrukking levert
het voldingend bewijs, dat de verdienstelijke geleerde, evenals zijn
geestverwant Thorbecke, meer dogmaticus dan historicus is. Nergens blijkt, en
dit is jammer, dat hij ook de gave bezit om de vlekken, die dit hemellichaam
vertoont, waar te nemen.
Van Akerlaken bezat die gave wèl.
Nog werd diens boek aangekondigd in het Handelsblad van 24, 26 en 28
November 1878
20. Die aankondiging is met lust en liefde
geschreven door van Akerlaken's voormaligen stadgenoot, alreede genoemd, den
hypotheekbewaarder A. van Eck. Zij bevat in hoofdzaak eene beredeneerde
inhoudsopgave, doorweven met uitweidingen over allerlei onderwerpen. Over het
geheel had het boek op van Eck een uitmuntenden indruk gemaakt. Slechts op
enkele punten deelt hij nogtans niet in de opvatting des schrijvers. Zoo meent
hij, dat van Akerlaken ten onrechte min of meer een blaam werpt op het karakter
van Pieter Paulus, die niet, gelijk van Eck uit van Akerlaken's uiting zou
opmaken, als een schelm is weggejaagd, maar wiens ontslag, zegt van Eck,
uitsluitend te wijten was aan het drijven der Oranjepartij. Van Stralen, dus
dunkt van Eck, zou het feit anders hebben vermeld.
Ter eere van Pieter Paulus doet van Eck uitkomen, dat hij rijk gehuwd,
zonder kinderen, vrij opulent heeft geleefd, evenwel geen schatten heeft
verzameld
21, hetgeen hij voor een staatsman, die in
een revolutionnairen tijd leefde, eene eer acht
22. -
Van Stralen weigerde onder keizer Napoleon een
ambt te bekleeden, maar nam | | | | een pensioen van 6000 francs van hem
aan. Van Eck ziet daarin niets onteerends, noch ook maar eenigszins
inconsequents: het was een billijk loon voor bewezen diensten, een loon van
luttel bedrag in vergelijking van andere diensten en in verhouding tot de
gewichtige betrekkingen, jaren achtereen met ijver en trouw bekleed. - Evenwel,
door het jaargeld aan te nemen bleef de fierheid tegenover ‘dien beroerder van
geheel Europa’ - aldus noemt van Stralen den genialen dwingeland - niet
ongerept. Van Akerlaken voelde dit en deed het uitkomen.
Een laatste punt. De houding van van Stralen in 1813 was schroomvallig.
Ook in dit opzicht vindt hij eenen verdediger in van Eck, wiens argumenten
echter niet afdoende schijnen
23.
Kon het van Akerlaken niet dan aangenaam zijn, dat van verschillende
zijden de aandacht op de uitgave van zijn boek over van Stralen werd gevestigd,
hij smaakte bovendien de voldoening, dat hij op grond dier uitgave werd
aanbevolen als lid onzer Maatschappij. Den 19den Juni 1879
werd hij als zoodanig benoemd.
Het tweede werk, door van Akerlaken uitgegeven, het Familie-archief, kan
ons korter bezig houden. Op het titelblad prijkt het familiewapen met de reeds
genoemde spreuk. De titel zelf luidt: ‘
Niet in den handel. Verzameling van eenige geschriften
vervat in het Familie-Archief van Jhr. Mr. D. van Akerlaken met
aanteekeningen bewerkt door Jhr. Mr. D. van Akerlaken, lid
van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en Mr. C.A. Chais van
Buren, in leven vice-president der arr.-rechtbank te Amsterdam. Te Haarlem
bij Johannes Enschedé en Zonen, 1889’. De uitgave is op zwaar hollandsch papier
in kwartijn gedrukt op eene wijze, die niet minder dan de boven vermelde
| | | | ‘Zeeweringen en Waterschappen van Noordholland’ den roem der
oudvaderlandsche firma handhaaft.
De ‘Geschriften’ bevatten voornamelijk genealogische aanteekeningen,
echter geen volledige genealogie. Toch bieden zij overvloedige bouwstof aan om
de geschiedenis van het geslacht in hoofdtrekken te leeren kennen.
De schrijfwijze van den geslachtsnaam was eerst
van Aeckerlaecken; daarna
van Akerlaecken; eindelijk sedert de vestiging
te Hoorn
van Akerlaken. De familie heette
oorspronkelijk Storm van Aeckerlaecken en is een tak van het geslacht Storm,
gesproten, naar men acht, uit de oude graven van Altena. Akerlaeck of
Akerlaecke was een Slot in Noordbrabant, dat den naam wellicht had ontleend aan
de Ockerlake, een riviertje of waterloop bij Zevenbergen
24.
Het boek wordt geopend met Barthout van Aeckerlaecken, geboren te
Dordrecht. Diens ouders Joan Storm van Aeckerlaecken en Maria van Alteren waren
gehuwd 14 Juni 1567. Barthout liet den familienaam Storm in onbruik geraken.
Uit zijn huwelijk met Elisabeth van Ghesel zijn zes kinderen geboren, vier
zoons en twee dochters. Die vierde zoon Adriaan, geboren te Dordrecht in 1597
was het hoofd van dien tak der familie, die zich eerst te Amsterdam, later te
Hoorn vestigde. Adriaan begaf zich met zijn oom Anthony van Ghesel, naar het
schijnt in 1629, metterwoon naar Amsterdam en dreef daar een uitgebreiden
handel. Zijn eenige zoon en oudste kind was Christoffel, te Amsterdam geboren
en aldaar 30 Oct. 1678 overleden. Hij bouwde te Amsterdam het huis Heerengracht
bij de Wolvenstraat 286, waarin thans de zaak van J. Zomerdijk Bussink
gevestigd is. De gevel bewaart het geslachtswapen. Zijn zoon Joan, geboren te
Amsterdam 25 Maart 1672 werd schepen der stad Hoorn in 1691 en bekleedde aldaar
eene reeks belangrijke betrekkingen. Hij | | | | overleed 17 Augustus
1712. Uit zijn huwelijk met Petronella Merens sproten elf kinderen. Het achtste
kind, de vierde dochter, Maria Eva, huwde 5 Sept. 1728 met Mr. Cornelis van
Foreest, Heer van Nijenburg, Schoorl en Camp, waardoor de van Akerlakens met
een ander beroemd geslacht vermaagschapt werden. Joan van Akerlaken's oudste
zoon Cornelis Christoffel, geboren 28 Januari 1694, eveneens in menigen
werkkring te Hoorn werkzaam, huwde Margaretha Avenhorn. Zes zonen werden uit
dit huwelijk geboren. Twee overleden jong. Van de vier overigen was de tweede
Mr. Pieter van Akerlaken geb. 17 November 1722, gehuwd 10 Mei 1750 met zijne
nicht Brigitta van Foreest. De tweede zoon, tevens het tweede kind, uit deze
verbintenis, Mr. Dirk van Akerlaken, geboren 13 Sept. 1753 was de grootvader
van onzen Dirk. De vader, Jonkheer Mr. Pieter van Akerlaken, werd geboren 12
Augustus 1792.
Zoo heeft het geslacht der van Akerlaken's eene lange reeks mannen van
beteekenis aan te wijzen, die het land in verschillende betrekkingen, maar die
vooral Hoorn en de omliggende landstreek hebben gediend. De oudste, van wien
het Archief gewaagt, Mr. Barthout van Akerlaken, Raad van Graaf Lodewijk van
Egmond en als zoodanig met Hugo de Groot in aanraking, wordt door Balen, in diens Beschrijvinge der stad Dordrecht, ‘een Groot
Navorsser der Aal-oudheyd (Antiquarius) en Genealogist der Geslachten van de
Hertogen van Gelre, der Graven van Zutphen en Egmond, mitsgaders der Hertogen
van Gulik, Cleve en Berge, alsmede der Princen van Orange, en Graven van Nassau
enz.’ genoemd.
Balen vermeldt van hem een
niet uitgegeven werk ‘
van het Recht der Graven van Egmond op het Hertogdom van
Gelderland’. De voornaamste uitkomsten zijner genealo- | | | | gische studiën zijn neêrgelegd in zijne
Genealogien der Hertogen van Gelre, een
werk, waarvan de tweede uitgave, te Nijmegen in 1655 verschenen, aan de zorg
zijner dochter
Maria Margareta te danken is. Deze ‘Juffrouw’
was eene verdienstelijke dichteres. Op het Rijksarchief zijn een aantal
gedichten aanwezig, die in het Familie-Archief zijn overgedrukt. Zij bezong
uitvoerig ‘Den Lof der Vrouwen’, en heeft zich vooral bekend gemaakt door een
Dichtbundel in 1654 mede te Nijmegen uitgekomen, onder den titel
Den Cleefschen Pegasus
25. Hulde wordt daarin
onder anderen toegebracht aan Prins Johan Maurits van Nassau, den Braziliaan.
Ook met andere vermaarde tijdgenooten, zooals met de Witt, stelde zich Maria
Margareta in betrekking. De Princes Louise Henriette vergeleek haar met ‘juffer
Schuurmans’.
Van Akerlaken verzuimt niet talrijke proeven ook
uit den Pegasus over te nemen. Had de dichteres in onze dagen
geleefd, wie weet of zij hiet voor het lidmaatschap onzer Maatschappij in
aanmerking ware gekomen. Verzen van anderen uit het Familie-Archief ontbreken
evenmin. Wij maken kennis met de dichtregelen, waarvan Mr. Barthout's
genealogiën worden verheerlijkt, gedeeltelijk in fraai Latijn, gedeeltelijk in
de moedertaal. Doorgaans wordt aan de mededeeling van den naam van den dichter
eenige aanteekening van biografischen aard toegevoegd. Andere dichtregelen
behandelen de verkiezing van
Mr. Cornelis Kristoffel van Akerlaken tot
voorzittend burgemeester der stad
Hoorn. Zij zijn gedagteekend 9 April 1747 en
gevloeid uit de pen van
N. Hinlopen, destijds Conrector der Latijnsche
scholen te Hoorn, een der oprichters van onze Maatschappij.
Vooral is van Akerlaken kwistig met de mededeeling van bruiloftsverzen, ter
gelegenheid van een groen of een zilveren echtfeest zijner voorvaders.
| | | | Dichterlijke waarde in deze verzen te zoeken ware onbillijk. Het
zijn gelegenheidsgedichten, waarvan de voordracht de bruiloftsgasten doorgaans
een aangenaam oogenblik zal hebben bezorgd. Geen dezer dichters heeft echter
den top van den Helicon bereikt. Uit een oogpunt van dictie en rythmus is van
deze soort naar mijne meening het beste gedicht dat van Mr.
J. Pan: ‘Ter echtverbindtenisse van den Heer Mr.
Pieter van Akerlaken en Mejonkvrouwe Maria van Stralen’ (23 Maart 1815)
26.
Doch waartoe meer? Van Akerlaken heeft het boek in ruimen kring
verspreid en het ook aan de bibliotheek onzer maatschappij geschonken, zoodat
ieder die wil het raadplegen kan.
Maar welk aandeel komt aan hem, welk aandeel komt aan Mr. C.A. Chais van
Buren, den zoon zijner eenige zuster Catharina Johanna, gehuwd met Mr. H.A.C.
Chais van Buren, in de uitgave van dit voor onze geschiedenis en onze
letterkunde belangrijke ‘book of reference’ toe? Eene stellige aanwijzing
daaromtrent heb ik nergens gevonden. Het komt mij voor, dat het grootste deel
van den arbeid door
van Akerlaken is verricht. De exemplaren, door
van Akerlaken ten geschenke aangeboden, bevatten een gedrukt blaadje, waarop:
‘Niet in den handel. Toegezonden namens Jhr. Mr. D. van Akerlaken’: de naam van
den heer van Buren wordt daarop niet vermeld. De levensschets, die ons helaas
ook reeds overleden medelid Mr. C.M.J. Willeumier in 1888 van den edelen
Chais van Buren gaf, bewaart over de uitgave
der ‘
Verzameling van eenige Geschriften’ het stilzwijgen. Hetgeen
van Akerlaken over zich en over zijnen vader schrijft, is kennelijk van hem
zelven. Het boek van van Stralen had hem reeds met historische en genealogische
studiën bezig gehouden en stond met de | | | | ‘Geschriften’ in genetisch
verband. Wij hooren verzekeren, dat een brief van Maria Margareta van
Akerlaecken aan de Witt, hier voor het eerst gedrukt, door dezen niet is
beantwoord. Als gronden voor dit gevoelen wordt opgegeven, ten eerste, dat het
antwoord niet wordt gevonden in de Witt's correspondentie, en ten andere omdat
de Witt gewoon was boven een beantwoorden brief aan te teekenen: ‘beantwoord
... den’, welke aanteekening op voormelden brief niet voorkomt. Die gronden
vormden den inhoud eener ‘mededeeling van Jhr. C.A. van Sypesteyn’; zonder
twijfel geschiedde die mededeeling aan van Akerlaken, zijn ambtgenoot of
oud-ambtgenoot in de Tweede Kamer
27. Zoo is
dan dit gedeelte ook van van Akerlaken's hand. De nasporingen in het
Rijksarchief, waarvan de ‘Verzameling’ blijk geeft, zullen ook door hem zijn
verricht. Van hem is evenzeer afkomstig al wat op 's-Gravenhage en Hoorn
betrekking heeft. Ten aanzien van Hoorn is de aanwijzing tastbaar. Hij verhaalt
dat Cornelis van Foreest bij gelegenheid van zijn huwelijk met Maria Eva van
Akerlaken ‘het thans door mij bewoonde huis op het Oost
bouwde’
28. Slechts hetgeen tot toelichting
strekt van het leven der van Akerlakens te Amsterdam is, naar ik vermoed,
onderzocht en opgesteld door Chais van Buren
29. Mogelijk heeft deze een critisch oog over
het geheel laten gaan, maar uit alles blijkt, dat van Akerlaken de eigenlijke
auteur is van het boek.
| |
VIII.
Het is voor hem een voorrecht geweest, dat hij het heeft mogen
voleinden. De avond des levens was daar. Doorgaans had hij eene goede
gezondheid genoten, maar de ouderdom kwam met gebreken. De gang werd moei- | | | | lijk.
Hij had af en toe last van duizeling. De huishoudelijke commissie der Eerste
Kamer had de vriendelijkheid ten gerieve van het geachte lid uit Noordholland
de leuning der trap, die tot de lokalen der Kamer toegang geeft, te
verplaatsen. In de laatste jaren moest hij niettemin bij het op- en nedergaan
der trap door zijn trouwen knecht worden gesteund. Op 30 November en 2 December
1891 verscheen hij nog in de vergadering. Hij was, gelijk zoo menigmaal,
voorzitter zijner sectie en nam in eene avondbijeenkomst der centrale afdeeling
levendig deel aan de beraadslaging over den gang der werkzaamheden. Hij sprak,
zoo als altijd, zonder bijgedachten, eerlijk uitkomende voor zijne meening ‘en
daarom verdroeg men van hem’ ook nu ‘die eigenaardige wijze van spreken, die
klem moest bijzetten aan zijn betoog’. Het was zijn laatste woord. Naar Hoorn
teruggekeerd werd hij ongesteld. Den 21sten December kwam
bij de Kamer bericht in, dat hij dientengevolge toen en ook de volgende
vergaderingen niet aanwezig kon zijn. De krachten verminderden snel. Hij
bezweek Maandag den 18den Januari 1892.
Op Vrijdag daaraanvolgende had de uitvaart plaats. De deelneming was
groot. De gemeenteraad, de bestuursleden van Drechterland, verscheidene
plaatselijke autoriteiten en tal van belangstellenden waren op het kerkhof
aanwezig. De woorden, zoo even aangehaald, zijn ontleend aan hetgeen de
burgemeester van Hoorn, de heer A.E. Zimmerman, bij de geopende groeve sprak.
Hij betreurde het verlies dat de raad, en vooral het dagelijksch bestuur in
dezen doode leed. Hij schetste hem als een kundig, rechtvaardig, onpartijdig
man, sieraad van stad en staat, als den laatsten, waardigen vertegenwoordiger
van een oud geslacht, die met ijver en | | | | trouw zijne verplichtingen
vervulde. Na hem voerde de Minister van koloniën, Mr. W.K. van Dedem, de
oudburgemeester van Hoorn, het woord. Hij teekende
van Akerlaken als een West-Fries bij
uitnemendheid; als een man, dien de vrijheidsgeest in het bloed zat; als een
voorstander van individueele vrijheid, aan wiens handen men evenwel gaarne het
gezag toevertrouwde, wetende, dat het bij hem veilig was; als iemand, wien het
was gegeven in verschillende betrekkingen eerbied en toegenegenheid af te
dwingen. De naam van zijn geslacht, zeide hij, is voor goed aan Hoorn
verbonden. Zoolang men belang zal blijven stellen in de geschiedenis, zal de
naam van van Akerlaken met eere genoemd worden.
Namens de familie dankte Mr. van Strijen voor de hulde aan de
nagedachtenis van den betreurden doode bewezen.
Een tweetal kransen werden op het graf gelegd.
Hiermede nam de droevige plechtigheid een einde
1.
Toen in den avond van 25 Januari de Eerste Kamer hare werkzaamheden
hervatte, zeide de heer van Naamen van Eemnes naar aanleiding van de bij de
vergadering ingekomen mededeeling van het overlijden:
‘Tot mijn leedwezen moet ik opnieuw
* getuigen, dat deze Kamer een gevoelig verlies heeft
geleden door het overlijden van Jhr. Mr. D. van Akerlaken, een harer oudste,
doch tevens trouwste leden. Zijne vastheid van beginselen, zijne
openhartigheid, zijn eerlijk karakter, deden hem de achting en de genegenheid
verwerven van iedereen die hem kende, terwijl zijne bekwaamheid, ijver en
werkkracht hem gedurende eene lange reeks van jaren een bij uitstek nuttig lid
der maatschappij deden zijn.
Moge de Almachtige de bedroefde weduwe en verdere betrekkingen zijn
onmisbaren troost schenken. Wij zullen zijne nagedachtenis steeds in eere
houden’.
In diepe stilte en met onverdeelde instemming hoorden | | | | de
leden de hulde, door den Voorzitter aan den overleden ambtgenoot gebracht,
aan.
Nog enkele feiten en trekken ter voltooiïng van zijn beeld.
Van Akerlaken's leven is in menig opzicht rijk in voorspoed geweest.
Hij heeft den zegen van een bloeiend familieleven genoten, bemind door
zijne eerste en tweede vrouw, door eigen en aangehuwde kinderen. Want de smart,
veroorzaakt door den vroegtijdigen dood zijner eerste gade, werd getemperd door
een gelukkigen tweeden echt. In het advies in de Eerste Kamer van 4 Juni 1878
uitweidende over de kracht en de intimiteit van den familieband tusschen ouders
en kinderen, spreekt hij uit ondervinding. Was het huis zijner ouders gastvrij
geweest, het zijne was het evenzeer. Hij beminde de gezelligheid. Met
opgewektheid placht hij deel te nemen aan de maaltijden van de polderbesturen,
alwaar naar oudvaderlandschen trant de beker rondging, en, te 's-Gravenhage,
aan de parlementaire gastmalen. De talenten, die hij had ontvangen, heeft hij
aangewend ten bate van het algemeen belang. Innig was hij aan zijne
geboorteplaats gehecht. Haar bloei in vroegere tijden, dien huizen en gevels
hem dagelijks voor den geest brachten
2, vervulde hem met de begeerte om zoo mogelijk naar de eischen des
tijds het verlorene te herwinnen. Dat hij in Hoorn en voor Hoorn op allerlei
wijze en in velerlei ambt kon arbeiden, was een voornaam bestanddeel van zijn
levensgeluk. Nogtans was hij niet
‘Exaltant (ce n'est pas ce que l'heure demande)
La petite patrie aux dépens de la grande’
3.
Werkzaam te zijn te Haarlem in het belang van Noordholland, zijne provincie, waarvan hij ieder dorp, schier iederen weg - men
denke aan zijne rede in de Tweede | | | | Kamer van 3 December 1856 over
‘de groote wegen’ - kende; te
's-Gravenhage in het belang van geheel het
vaderland, was hem eveneens een lust. Maar toch, ook te 's-Gravenhage bleef
Hoorn het middelpunt zijner gedachten. Te Hoorn
was hij van ouds te huis. Hier vertoefde hij het liefst, al ging hij ook, zoo
lang hij zich krachtig gevoelde en zich gemakkelijk bewoog, gaarne jaarlijks
een paar weken op reis. Hier kende hem iedereen. Hier genoot hij aller achting,
veler toegenegenheid. Door de eervolle traditie van zijn geslacht, door zijn
aanzienlijk vermogen, maar niet minder door zijne kunde en toewijding aan het
algemeen welzijn, was hier zijn invloed, het is ons overvloedig gebleken,
groot. Reeds in 1842 behoorde hij tot de honoratiores der
stad. Destijds, bij gelegenheid der komst van Koning Willem den Tweede binnen
Hoorn, was hij kommandant der Eerewacht en vereerde hem Z.M. een kostbaren
juweelen ring, voorzien van 's Koning's Naamcijfer en de Koninklijke Kroon. Die
invloed klom in den loop der jaren, naarmate zijn werkkring in omvang en
gewicht toenam.
Dat eene dergelijke positie in eene betrekkelijk kleine stad een
eigenaardig gevaar medebrengt voor de vorming van het karakter, wie, die het
niet inziet? De machthebbende staat bloot aan vleierij.
Van Akerlaken is, naar het schijnt, daarvoor
niet altijd onaandoenlijk geweest en van deze zwakke zijde van zijn karakter is
meermalen misbruik gemaakt. Doch alleen ten aanzien van betrekkelijk
ondergeschikte punten, want waar het zijne overtuiging gold,
was hij niet van zijn stuk te brengen. Van zijnen kant vleide hij niemand:
daartoe was hij te eerlijk en te oprecht. Hij droeg, gelijk men zegt, het hart
op de tong. Hij had nog ééne eigenschap, welke weinigen in die mate bezitten
als hij: nooit sprak hij | | | | van iemand kwaad, en werd er in zijne
tegenwoordigheid van iemand kwaad gesproken, dan vroeg hij het bewijs van
hetgeen beweerd werd. Zoo bleek de ridderlijkheid van zijn inborst. Zelf
fatsoenlijk, eischte hij die eigenschap ook in anderen. Onder fatsoen verstond hij alles wat eerlijk en rechtschapen is.
Het voorbeeld van beide ouders, wier verdraagzaamheid jegens de leden
van andere Kerkgenootschappen hij met ingenomenheid schetst, was voor hem niet
verloren gegaan.
Van hunne gehechtheid aan het Hervormd kerkgenootschap gaven hij en
zijne tweede echtgenoote in Januari 1883 blijk door een geschenk, bestaande uit
preekstoel en doopvont, aan de nieuwe Hervormde Kerk te Hoorn
4.
De aandacht verdient hetgeen hij omtrent het geloof van zijnen vader
zegt. Hij noemt dezen ‘een verlicht Christen’ en teekent onmiddellijk daarop
diens geloofsbelijdenis: ‘Hij stelde zich de Voorzienigheid voor als een God
van liefde, bij Wien, door tusschenkomst van Christus, genade was voor de
menschen. In dat geloof heeft hij geleefd en is hij gestorven’. Zou men uit
zulk eene omschrijving der belijdenis van zijnen vader niet mogen opmaken, dat
dezelfde geloofsovertuiging leefde op den bodem van zijn eigen hart?
| |
IX.
Van Akerlaken heeft aan Hoorn ten behoeve van het West-Friesch Museum
nagelaten:
| 1o. Zijne familiepapieren en
wapenborden; |
| 2o. een portret van Mr. P. van
Akerlaken; |
| 3o. een portret van zijn schoonvader Mr. F.
van Bredehoff de Vicq van Oosthuizen; |
| 4o. de som van duizend gulden tot
instandhouding van genoemd museum. |
Bij besluit van 18 October 1892 Nr. 12 besloot de raad van Hoorn dit
legaat onder dankbetuiging te aanvaarden. | | | |
Met diepen weemoed moet van Akerlaken die bepalingen hebben terneer
geschreven! Hij vermaakte deze zijne familie-documenten aan zijne vaderstad,
want immers was de zoon, aan wien hij ze zoo gaarne had nagelaten, ten grave
gedaald. De dood van dien zoon had hem eene wonde geslagen, dien de tijd niet
in staat is geweest te heelen. Nauwelijks twee weken vóór zijn heengaan sprak
hij met den burgemeester van Hoorn over het somber vooruitzicht, dat met hem
zijn naam in rechte linie zou uitsterven
1.
Door den dood van Jhr. Mr.
Dirk van Akerlaken verdween uit Noordholland
een aanzienlijk geslacht, dat aldaar gedurende twee eeuwen veel goeds
bevorderde en tot stand bracht.
De laatste vertegenwoordiger van dit geslacht, op het voetspoor van zijn
voorzaat ‘Navorsser der Aal-oudheyd’, had gezorgd, dat de daden zijner
voorouders aan de vergetelheid werden ontrukt.
Hij zelf had getoond doordrongen te zijn van het besef, dat de
afstamming van goeden huize verplichtingen oplegt.
Weinige dagen vóór van Akerlaken's overlijden - de heer Zimmerman
zinspeelde er op in zijne toespraak aan het graf - was van Akerlaken's zwager
de Vicq, de laatste mannelijke telg van een ander oud Hoornsch geslacht,
gestorven. Eveneens een verlies, dat diep werd gevoeld.
Al het aardsche gaat onherroepelijk voorbij. Wat zou het zijn, indien
wij niet wisten Wat en Wie blijft?
Rozendaal in Gelderland, 26 Augustus 1895.
O.W. Star Numan.
| | | |
| |
Bijlage
1. Overzicht van hetgeen Jhr. Mr. Dirk van Akerlaken als lid
der Staten-Generaal gesproken en verricht heeft.
I. Lidmaatschap. Lid der Tweede Kamer voor het
hoofdkiesdistrict Hoorn, van 8 October 1850 tot 8 Mei 1860. Ontslag genomen na
zijne benoeming tot president der arrondissements-rechtbank te Hoorn. Lid
der Tweede Kamer voor het hoofdkiesdistrict Hoorn, van 21 September 1869 tot 19
September 1874, ter vervanging van Jhr. Mr. de Bosch Kemper. Lid der
Eerste Kamer voor de provincie Noordholland, van 21 September 1874 tot 18
Januari 1892. |
| II. Adviezen en lidmaatschap van Commissiën van Rapporteurs en
van andere Commissiën. |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| 1850-1851 |
Begrooting arbeid gevangenen voor 1851, blz. 131, 134.
Staatsbegrooting voor 1851, 168, 343, 433, 456, 388. Verjaring van
straffen voor drukpersdelicten, 604. Tijdelijke wijziging wet van 1818 op
de uitoefening der groote visscherij, 652, 653. Gemeentewet, 737, 740,
741, 847, 883, 993, 1000, 1004, 1006. Bevordering en pensionering der
officieren bij de landmagt, 1086. Regeling der militaire pensioenen bij de
landmagt, 1103. |
Verjaring der straffen voor drukpersdelicten, blz. 541.
Prov. opcenten; - naturalisatiën, 596. Patentregt, 1059. |
Commissie Verzoekschriften. Brengt verslag uit: blz. 418, 538,
619, 657, 1055. Onderzoek van Regeeringsbescheiden, blz. 14, 1167. |
| | | |
| |
Conclusie van een verslag op een adres over de belastingwetten,
570. Inlichtingen wegens behandeling Wets-Ontwerp Regt van vereeniging en
vergadering, 1214. Voorstel van Hoëvell tot uitstel van die behandeling,
1168. Stelt voor: wijziging W.-O. gemeentewet, 737. bepaling der
beraadslaging begrooting Landsdrukkerij over 1851, 111. verdaging
beraadslaging over begrooting arbeid gevang. voor 1851, 112. |
|
|
| 1851-1852 |
Staatsbegrooting voor 1852, 194, 195, 243, 244, 287, 288,
403. Middelenwet 1852, 504, 505. Jagt en Visscherij, 610, 628, 663,
665. Heffing belasting op de renten enz., 841, 842. Wijziging wet op
het patent, 928. |
Begrooting arbeid gevangenen 1852, 81. Wijziging wet
patentregt, 94. Begrooting pensioenfonds 1852, 141. Bouwen enz. bij
vestingwerken; |
Onderzoek Regeeringsbescheiden, 568, 599, 713, 985, 1053. |
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| |
Verhooging hoofdstuk IV Staatsbegrooting 1852, 959, 960.
Zamenstelling der regterlijke magt enz., 1088, 1090. Prise en
considération voorstel de Fremery c.s. tot wijziging accijns geslagt, 786.
Voorstellen van leden: Schooneveld, betreffende W.-O. herziening
belastingstelsel, 52. van Eck, betreffende de Bijlagen van het Bijblad,
118, 119. Sloet tot Oldhuis, betreffende openbare behandeling W.-O.
Regterlijke organisatie, 944. Orde van werkzaamheden, 51, 54, 55.
Stelt voor: het op nieuw verzenden der W.-O. betreffende herziening
belastingstelsel naar de in der tijd daarvoor benoemde C.v.R., 51. houden
van avondzitting, 453. sluiten van beraadslaging, 542. wijziging
W.-O. Jagt en visscherij, 610, 663 (amend. 663, 665). |
aanvullingswet op de regterlijke magt; - bekrachtiging eener
dading, 1076. Ontheffingen in zake belastingen; - wijziging tarief eau des
carmes; - naturalisatiën, 1161. |
|
| 1852-1853 |
Staatsbegrooting voor 1853, 143, 160, 173, 272, 275, 282.
Regeling van de strafwetgevende magt der waterschapsbesturen, 430. |
Bouwen, enz. in den omtrek van vestingen, 42.
Staatsbegrooting voor 1853, 46. Bekrachtiging van provinciale belastingen,
167. Bekrachtiging eener provinciale belasting, 307. |
Onderzoek Regeeringsbescheiden, 81, 383. Stemopnemer,
165. |
| | | |
| |
|
Verleenen van pensioenen aan werklieden enz. bij inrichtingen
van 's Rijks zee- en landmagt, 383. Regeling fonds koopprijs domeinen,
dienst 1852, 455. |
|
| 1853 |
Adres van antwoord, 35, 37. Regeling toezigt op de
kerkgenootschappen, 234, 317, 334, 341, 345. Stelt voor: sluiten van
beraadslaging, 287. |
Bouwen en planten binnen zekeren afstand van vestingen,
58. |
Adres van antwoord, 15. Commissie gezonden naar den Koning,
12 (rapporteert, 13), 44. Stemopnemer, 12. |
| 1853-1854 |
Staatsbegrooting voor 1854, 165, 188, 189, 202, 203, 252,
406. Afschaffing tonnegeld en accijns geslagt, 553. Vordering van
inkwartiering, onderhoud enz. van het krijgsvolk, 575, 593. Vereeniging
der gemeenten Beets en Schardam, 684, 685. Pensioenen militaire leden van
het Militaire Geregtshof, 686. Pensioenen mindere beambten bij
etablissementen der zee- en landmagt, 764, 765, 771. Regeling van het
armbestuur, 817, 830, 852, 855, 859, 864, 928. Verandering in de
bestraffing van misdrijven, 1041, 1042. Verhooging hoofdstuk IV
Staatsbegr. 1854, 1054, 1055. Regeringsreglement voor Ned. Indië, 1172,
1207, 1210, 1243, 1387. Voorstel van Goltstein, 553. Interpellatie
Thorbecke, 1030, 1031. Orde van werkzaamheden, 1325. Stelt voor:
wijziging W.-O. pensioenen aan mindere beambten bij etablissementen der zee- en
landmagt, 771. |
Begrooting pensioenfonds 1854, 40. Naturalisatiën, 559.
Verhooging hoofdstuk X Staatsbegrooting 1854, 566. Verstrekkingen
Departement van Marine, 733. Verhooging hoofdst. VI Staatsbegrootingen
1853 en 1854, 901. Voorloopige indeeling der gronden van het
Haarlemmermeer, 1047. Raming van uitgaven der Kamer voor 1855,
1179. |
Onderzoek van Regeeringsbescheiden, 39, 556 (brengt verslag uit,
610), 1058. Commissie tot in- en uitgeleide des Konings, Vereenigde
Zitting van 19 Sept. 1853. |
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| |
Stelt voor: wijz. W,-O. regeling armbestuur, 850. houden van
avondzittingen, 207, 506. sluiten van beraadslaging, 761, 762. niet verleenen
van het woord voor de derde maal, 1207, 1210. vervroegen der zittingen,
1296. regeling der orde van werkzaamheden, 1325. |
|
|
| 1854-1855 |
Staatsbegrooting voor 1855, 163, 174, 185, 209, 210, 212, 250,
252, 253, 291, 359, 361, 376, 385, 391, 408, 434, 435. Regeling fonds
bakengelden, 606. Nadere bepaling der kosten van huizen van bewaring,
649. Regeling brievenposterij, 704. Voorzien in waterschapsbelangen,
724, 735, 754, 755, 756. Afschaffing accijns gemaal, 887. Hoofdst.
VIII der Staatsbegr. voor 1855, 968, 970. Aanvulling enz. der wet van 26 Jan.
1815, 1020, 1021. Regeling der voldoening kosten van overbrenging en
verzorging van bedelaars, 1029, 1033. Conclusie rapport op een
verzoekschrift, 799. Orde der werkzaamheden, 223, 464, 708, 715, 718.
Stelt voor: houden eener avondzitting, 380. |
Afschaffing tonnegeld zeeschepen, 34. Kosten der huizen van
bewaring; - indeeling van den Haarlemmermeerpolder, 35. Voorl. regeling
uitgaven Departement van Marine gedurende le halfjaar 1855, 447. Regeling
fonds bakengelden, 481. Voorloopige voorziening in sommige
waterschapsbelangen, 483. Vermiste personen bij scheepsrampen; indeeling
van het Haarlemmermeer, 667. |
Onderzoek Publicatie van den Gouv.-Gen. van Ned.-Indië, houdende
verbod van invoer van buskruit op Sumatra (brengt verslag uit, 622).
Stemopnemer, 9. |
| 1855-1856 |
Opmaking nominatie Voorzitterschap, 3. Staatsbegrooting voor
1856, 103, 132, 143, 150, 155, 177, 179, 183, 185, 243, 299. Verhooging
hoofdst. V Staatsbegr. 1855, 404. Droogdok te Willemsoord. 811. |
Voorstel van der Veen, houden eener enquête uitvoering concessie
landaanwinning van het Zwolsche Diep, 520. Herziening keistabel,
561. |
Onderzoek Regeeringsbeschieden, 7, 665. Commissie naar den
Koning, 221. Stemopnemer, 215. |
| | | |
| |
Conclusie rapport Regeeringsbescheiden 557, 559. Conslusie
rapport verzoekschriften, 321, 322. Voorstellen: Elout v. Soeterwoude,
385; - v. Hoëvell, 538, 587. Stelt voor: wijziging conclusie rapport
verzoekschriften, 559. Vraagt stemming over art. 12 hoofdstuk IV
Staatsbegrooting 1856, 137. |
Verjaring van coupons, 826. Afwijking wettelijke regels
voor plaatselijke belastingen, 839. |
|
| 1856-1857 |
Adres van antwoord, 29. Verhooging hoofdstuk V Staatsbegr.
1856, 63. Staatsbegrooting voor 1857, 236, 237, 312, 315, 472,
515, 516. Verhooging hoofdst. IV Staatsbegr. 1857, 482. Lager
onderwijs, 1028, 1038, 1177, 1179. Inkoop van Nat. Schuld, 1241, 1242,
1245, 1246, 1247. Voorstellen v. Hoëvell, 643; - Godefroi, 1219.
Interpellatie Hoynck van Papendrecht, 146. Stelt voor: wijziging W.-O.
Regeling lager Onderwijs, 1129. Inkoop Nat. Schuld, 1247. houden van
avondzitting, 479. |
Vijfjarige verjaring coupons Certificaten Nationale Schuld,
57. Splitsing gemeente de Zijpe en de Mijl, 59. Vermindering
zegelregt op Cert. N. Schuld, 60. Algemeene heffing plaatselijke belasting
op gedistilleerd; wijziging accijns binnen- en buitenlandsch gedistill.,
131. Aanmoediging invoer granen en andere levensmiddelen, 229.
Verhooging hoofdst. IV Staatsbegrooting 1857, 419. Voorstel Sloet tot
Oldhuis, tot verandering der tienden, 555. Opheffing van het bijzonder
Rijksfonds voor het kanaal van Voorne, 555. Vaststelling hoofdst. V
Staatsbegrooting 1857, 620. Afkoop van den Sondtol, 705. Verhooging
begrooting arbeid gevangenen 1857; id. hoofdst. V Staatsbegr. 1856, 951.
Verstrekkingen Depart. van Marine voor 1857, 952. Splitsing der gemeente
Bruinisse, 1185. |
Onderzoek Regeeringsbescheiden, 115, 615, 575 (brengt verslag
uit, 863). Commissie tot in- en uitgeleide des Konings, Vereenigde Zitting
van 15 September 1856. Stemopnemer, 11. |
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| 1857-1858 |
Staatsbegrooting voor 1858, 79, 82, 86, 99, 101, 103, 116.
Wijziging wet op het personeel, 326. Verhooging hoofdst. V Staatsbegr.
1858, 454, 456. Verhooging hoofdst. id. Staatsbegr. 1858, 491, 492.
Stelt voor: wijziging W.-O. Staatsbegrooting 1858, art. 28 hoofdstuk IV,
102. afschaffen accijns geslagt en amort. van schuld, 153,
321. |
Staatsbegrooting voor 1858, hoofdstukken III en IV, 31; hoofdstuk
IX B, 44. Amort. van Nat. Schuld, 59. Goedkeuring dading
domeinbestuur en gemeente Enkhuizen;-afstand van rijksgrond aan de gem. den
Helder, 235. Verkoop rijksgrond aan den Haarlemmermeerpolder, 285.
Voorstel Sloet tot aflossing der tienden, 285. Verhooging hoofdstuk V
Staatsbegrootingen 1857 en 1858, 475. |
Onderzoek van Regeeringsbescheiden, 6, 13, 425. |
| 1858-1859 |
Staatsbegrooting voor 1859, 173, 174, 190, 199, 215, 227, 303,
383. Verhooging hoofdst. VIII Staatsbegr. 1859, 905. Eindregeling van
de zaken der Maatschappij van Weldadigheid, 936. Zamenblijven van de
miliciens der ligtingen van 1856 en 1857, 1132. Voorstel Sloet tot Oldhuis
betreffende afkoopbaarstelling der tienden, 87, 132, 134, 137, 138. Vraag
of de Kamer de mededeelingen der Regeering in verband met de buitenlandsche
aangelegenheden in comité-generaal zal ontvangen, Aanh. 2. Voorstel tot
het ontvangen van mededeelingen betreffende defensie en leger-organisatie,
71. Voorstellen: Thorbecke, 99, 100; - v. Deinse, |
Wijziging hoofdstukken II en IX B Staatsbegrooting 1857, 28.
Huishoudelijke raming, 1071. |
Onderzoek van Regeeringsbescheiden, 14 (brengt verslag uit, 677),
488, 1149, 1150. Stemopnemer, 17. |
| | | |
| |
659; - Taets v. Amerongen, 1316, 1317. Stelt voor:
wijziging voorstel Sloet tot afkoopbaarstelling tienden, 95, 104, 132,
133. |
|
|
| 1859-1860 |
Concessiën aanleg en exploitatie Noorder- en Zuiderspoorweg,
76. Staatsbegrooting voor 1860, 381, 383, 482, 530, 552, 557. Vraag
of het voorstel der H.H. Thorbecke c.s. als eene wijziging op liet W.-O.
betreffende aanleg en exploitatie Noorder- en Zuiderspoorwegen is te beschouwen
en te behandelen, 245. |
Doorgraving van Holland op zijn smalst, 63. |
Redactie adres van antwoord, 8. Stemopnemer,
8. |
| Geeft kennis van zijne benoeming tot president der
arrondissements-regtbank te Hoorn en de aanneming dier betrekking, waardoor hij
heeft opgehouden lid der Kamer te zijn, 8 Mei 1860, 625. |
| Tot lid der Tweede Kamer voor het hoofdkiesdistrict
Hoorn toegelaten den 21 September 1869. |
| 1869-1870 |
Staatsbegrooting voor 1870, 328, 422, 458, 464, 504, 564, 676,
679. Verhooging hoofdstuk V Staatsbegr. 1870, 1301. Wijziging wet
regeling armbestuur, 332, 1343, 1360. Wijziging hoofdst. IV A Staatsbegr.
1870, 1401. Afschaffing der doodstraf, 1486, 1488. Bepalingen omtrent
den wijnaccijns, 1612. Wijziging Wetboek voor Burg. Regtsv., 1577.
Regeling veeartsenijkundig staatstoezigt en veeartsenijkundige politie, 1811,
1837, 1846. Motie van Wassenaer betr. het onderwijs, 666. |
Wijziging omschrijving 3e kanton van het 4e arrondissement der
provincie N.-Holland, 38. Vaststelling hoofdstuk III der Staatsbegr. voor
1870; alsvoren hoofdstuk IV A, 40. Wijziging hoofdstuk IV Staatsbegr.
1868; id. hoofdstuk V, hoofdst. VI, hoofdst. VIIB; 711. Toestemming
huwelijk Prinses Maria; - wijziging hoofdstuk V Staatsbegr. 1869, 711. |
|
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| 1869-1870 |
|
Wijziging Wetboek van Burg. Regtsv., 844. Wijziging wet
armbestuur, 848. Afschaffing der doodstraf, 870. Vestiging eener
nieuwe gemeente Anna Paulowna; - afstand van terreinen aan Maastricht en Bergen
op Zoom; - overdragt van wegen aan de gemeente Fort Bath, 1382. Wijziging
begrooting arbeid gevangenen voor 1869; - verhooging hoofdst. IV Staatsbegr.
1869, 1823. |
|
| 1870-1871 |
Definitieve vaststelling Staatsbegr. voor 1871, 676, 686, 688,
689. Voorstel v. Zinnicq Bergmann tot het mededeelen zijner
beschouwingen over een brief van den heer Roest van Limburg, 773, 774. |
Inkomstenbelasting, 54. Heffing vuur-, ton en bakengelden,
54. |
|
| 1871-1872 |
Staatsbegrooting voor 1872, 265. Spoorwegbegrooting voor
1872, 369, 373. Algemeene belasting op de inkomsten, 1063.
Concept-reglement van orde, 917, 946, 951, 956. Stelt voor: motie tot
verzending naar de afdeelingen van de amendementen op art. 1 der
inkomstenbelasting, 1165, 1167. |
Inkomstenbelasting, 175. Heffing vuur-, ton- en bakengelden,
177. Overeenkomst Amst. Kanaalmaatschappij, 1211. |
Redactie adres van antwoord, 12. |
| 1872-1873 |
Spoorwegbegrooting voor 1873, 530, 542. Staatsbegrooting
voor 1873, 694. |
Begrooting arbeid gevangenen voor 1873; - hoofdstukken I |
Commissie van in- en uitgeleide van den Koning, Vereenigde |
| | | |
| |
Regeling van werkzaamheden: aan de orde stellen van het W.-O.
tot herziening der kieswet, 1098, 1071
1. - hervatting behandeling wetsontwerp betreffende de
regterlijke inrigting, 1390, 1391, 1392. Nieuwe regterlijke inrigting,
1160, 1250, 1518, 1519, 1613, 1614, 1615, 1620, 1626. Tractaat met
België, 1430. Aanleg van Staatsspoorwegen, 1475, 1486. Stelt voor:
wijziging W.-O. nieuwe regterlijke inrigting 1620. |
en II Staatsbegrooting 1873, 68. Hoofdstukken VII A, X,
wet op de middelen, voor 1873, 70. Overbrenging van enkele bevoegdheden
der arrondissements-regtbanken bij de Kantonregters, 986. |
Zitting van 16 Sept. 1872. Stemopnemer, 4. |
| 1873-1874 |
Staatsbegrooting voor 1874, 342, 416, 658.
Spoorwegbegrooting voor 1874, 500. Motie Kappeyne tot uitstel der
beraadslaging over het muntwezen, 896. |
Voorstel v. Zuylen v. Nijevelt, wederinvoering Reglement van Orde
van 1852, 67. Ind. begrooting voor 1874, 80. Surinaamsche begrooting
voor 1874; - wijziging begrooting Curaçao voor 1872, 287. Verslag
armbestuur 1871, 877. |
|
| Tot lid der Eerste Kamer voor de provincie Noord-Holland
toegelaten den 21 September 1874. |
| 1874-1875 |
Staatsbegrooting voor 1875, 111, 115, 158, 78. |
Verkoop van grond onder Werkendam; - onteigening van grond in
Horssen; - naturalisatiën; - afstand van grond aan Sas van Gent; - ruiling van
grond met Amsterdam; - onteigening van grond te Maastricht; - verkoop van grond
van het Kroondomein;-geldleening voor immigratie ten laste Suriname; - verkoop
van |
Verzoekschriften, 8, brengt verslag uit, 105. Onderzoek
geloofsbrieven, 13. |
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| |
|
grond te Zwollerkerspel; - kwijtschelding van vorderingen; -
onteigening in den polder Koegors c.a.; - begrooting arbeid gevangenen 1875,
17, 18. Begrooting Vestingstelsel 1875; - Verhooging hoofdst. VIII
Staatsbegrooting 1875; - onteigening voor uitbreiding station Boxtel; -
verkoop van grond onder Driel; - verlenging termijn aanslag
beetwortelsuikerfabriekanten wegens suikeraccijns; - wijziging wet loodsdienst
zeeschepen; - wijziging wet wijnaccijns, 195, 196. |
|
| 1875-1876 |
Staatsbegrooting voor 1876, 173. Vestingbegrooting en def.
vaststelling van hoofdstuk VIII Staatsbegrooting 1876, 310. |
Regeling Hooger Onderwijs; - naturalisatiën, 223.
Naturalisatiën; - verlenging wijzigingswet heffing der in- en uitgaande regten
en accijnsen; - onteigening voor vergrooting locaal Tweede Kamer; - wijziging
Surinaamsche begrooting 1876; - nadere bepalingen bier- en azijnaccijns,
285. |
Stemopnemer, 5. Onderzoek geloofsbrieven, 209. |
| 1876-1877 |
Arrondissements regtbank en kantongeregten, 294, |
Regterlijke wetten, 218. |
Adres van rouwbeklag, 381. |
| | | |
| |
314, 324, 328. Militaire pensioenen landmagt,
355. Verhooging hoofdstuk IV Staatsbegr. 1877, 363. |
|
|
| 1877-1878 |
Beëedigde vertalers, 127. Regt van successie in regte linie,
185, 201. Orde van werkzaamheden, 17. |
Verkoop van grond aan Medemblik; - afstand van grond aan de
provincie Groningen; - verkoop van grond aan Maastricht; - alsvoren te Venlo; -
alsvoren aan Coevorden; - vergoeding collegiën van zetters schatting gebouwde
en ongebouwde eigendommen; - verkoop van grond aan Zutphen; - wijziging
hoofdstuk VII A en hoofdstuk VII B Staatsbegrooting 1876; - idem hoofdstuk VII
B Staatsbegrooting 1877; - tijdelijke voorziening Nederl. muntwezen; - dading
over grond en water in den Schengepolder; - overdragt bediening veer te
Ravestein en van den eigendom der daarbij behoorende onroerende goederen aan
Ravestein; - begr. Pensioenfonds 1878, 19. Wijziging begrooting Curaçao
1876; - begrooting Domeinfonds 1878; - bepaling nieuwen termijn voltooiing
Noordzeekanaal en uitstel terugbetaling van aan de Amsterdamsche
Kanaalmaatschappij ter leen verstrekte gelden, 65. |
Redactie en aanbieding adres van antwoord, 9, 12. |
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| |
|
Geldleening ten laste van den Staat; - regt van successie en
van overgang bij overlijden in de regte linie, 163. Herziening wet lager
onderwijs, 223. |
|
| 1878-1879 |
Verhooging hoofdstuk V Staatsbegrooting 1878, 181, 182. |
|
Commissie tot in- en uitgeleide van den Koning, Vereenigde
Zitting van 16 Sept. 1878. Onderzoek geloofsbrieven, 4. |
| 1879-1880 |
Staatsbegrooting voor 1880, 123. Verhooging hoofdstuk VI
Staatbegrooting 1880, 185, 186. Wijziging Hoog Militair Geregtshof, 188,
191. Stelt voor betr. orde van werkzaamheden, 29. |
Wijziging Crimineel Wetboek krijgsvolk te lande; - wijziging
Reglement krijgstucht alsvoren; - idem te water; - wijziging wet bepalingen
huishouding en tucht op de koopvaardijschepen; - bevordering aanvoer van vrije
arbeiders in Suriname, 17. Bepaling nieuwen termijn voltooiing
Noordzeekanaal enz.; - dading met Amsterdam omtrent saldo voormalige weeskamer
aldaar en omtrent uitkeering bijdragen door die gemeente voor aanleg en
voltooiing Noordzeekanaal; - liquidatie Wees- en Momboirkamers, 17.
Vaststelling hoofdstukken III, |
Commissie tot voorlichting in zake missive van den heer Pické,
houdende mededeeling zijner benoeming tot Burgemeester van Middelburg, 76.
Onderzoek van geloofsbrieven, 165. |
| | | |
| |
|
IV, VI, VIII, X en XI Staatsbegrooting 1880; -
Vestingbegrooting 1880; - begrooting Suriname en Curaçao 1880, 79.
Instelling postspaarbank; - bepalingen op handels- en fabrieksmerken; -
herziening wet van 1818 (Staatsblad No. 12); - bescherming
nuttige diersoorten; - nadere bepalingen suikeraccijns; - afstand van grond aan
's Gravenhage, 209. Verhooging hoofdstuk V Staatsbegrooting 1880; -
kanalenaanleg in Groningen, Overijsel en Drenthe, verbetering binnenlandsche
waterstaat en scheepvaartkanalen in Friesland; - aanleg kanaal
Coevorden-Nieuw-Amsterdam; - onteigening voor verbetering Norgervaart; -
uitstel aan Maatschappij Zeeland voor bouwen hôtel te Vlissingen; - onteigening
voor Spoorweg Zwaluwe-den Bosch; - verhooging enz. hoofdstuk II
Staatsbegrooting 1880; - aanvulling hoofdstuk III alsvoren; - wijziging
hoofdst. III Staatsbegrooting 1879; - naturalisatiën, 236. |
|
| 1880-1881 |
Strafwetboek. Eerste boek, 291. Derde Boek, 303, 305. |
Strafwetboek, 76. |
|
| | | |
| Zittingjaar. |
ADVIEZEN. |
Rapporteur over wetsontwerpen. |
Lid van andere Commissiën dan die van
Rapporteurs. |
| |
Credieten boven de Ind. begrooting voor 1879, 387.
Verhooging hoofdst. IX, Staatsbegr. 1880, 413. Kanaal Amsterdam-Merwede,
429. Orde van werkzaamheden, 388. |
|
|
| 1881-1882 |
Staatsbegrooting voor 1882, 138. Spoorwegbegrooting voor
1882, 183. |
|
|
| 1882-1883 |
Geldleening ten laste van den Staat, 252. Regeling sloten
Staatsrekeningen, 289. Subsidie locaalspoorwegmaatschappij Apeldoorn,
290. |
Hoofdstukken VI, VIII, IX Staatsbegrooting 1883; - begrooting
Staatsspoorwegen 1883; - begrooting Suriname en Curaçao 1883, 115. |
|
| 1883-1884 |
Staatsbegrooting voor 1884, 142. Spoorwegbegrooting voor
1884, 220. Def. vaststelling van hoofdstuk X Staatsbegrooting 1884,
354. Stelt voor: houden van comité-generaal, 338, 339. |
Hoofdstukken IV, VI, VIII, IX Staatsbegrooting 1884; -
Vestingbegrooting 1884; - Spoorwegbegrooting 1884, 119. |
Onderzoek geloofsbrieven, 17, 339. |
| 1884 |
Orde van werkzaamheden, 10. |
|
|
| 1884-1885 |
Verhooging zegelrecht op effecten, 282, 286. Conclusie
rapport adres gepensioneerd kapitein van Vooren, 23. |
|
|
| 1885-1886 |
Wetsvoorstel Reekers, 59. |
|
|
| 1886 |
Nadere wijziging wet betreffende zamenstelling
arrondissements-regtbanken, enz., 27, 29. Voorstel Elout van Soeterwoude
tot het interpelleeren van den Minister van Koloniën, 12, 13, 14. |
|
|
| | | |
| 1886-1887 |
Afwijking gemeentewet omtrent plaatselijke belastingen, 80, 83,
84, 88. In overweging nemen verandering Grondwet, hoofdstuk II, le
afdeeling, 410, 416. |
|
|
| 1887-1888 |
|
|
|
| 1888 |
|
|
|
| 1888-1889 |
|
|
Commissie betreffende een verzoek van den Griffier. Brengt
verslag uit, 12. |
| 1889-1890 |
|
|
|
| 1890-1891 |
|
|
|
| 1891-1892 |
|
|
|
Ontvangst van kennisgeving van het overlijden van den heer Jhr. Mr. D.
van Akerlaken op 18 Januari 1892 (Vergadering van 25 Januari 1892).
|
1Over de verhouding tusschen Mr. G. de Vries
Azn. en Mr. P. van Akerlaken schrijft de zoon dd. 9 October 1862 aan Mr. de
Vries: ‘Mijn vader achtte u hoog. Hij waardeerde uwe bekwaamheden, prees uwe
werkzaamheid, meermalen uwe gematigdheid, zoodat hij mij wel eens te kennen gaf
het liefst met u te doen te hebben, ofschoon hij wist, dat gij met hem in
staatkundige overtuiging verschildet’.
2Zoowel Jhr. Mr. Laman Trip als Mr. Booy
betreuren, dat Mr. A. Looyen niet meer in leven is. Gedurende den tijd, waarin
deze te Hoorn eerst als substituut-officier en daarna als Officier van Justitie
aan het parket bij de rechtbank werkzaam was (tot officier werd hij bevorderd
bij kon. besluit van 24 December 1866 n o 70 - bij kon.
besluit van 6 Februari 1875 n o. 37 werd hij benoemd tot
procureur-generaal in Suriname) ging hij veel met van Akerlaken om en beiden
waren bijzonder met elkander bevriend. De ambtenaar van het Openbaar Ministerie
had veel en velerlei omtrent den President kunnen mededeelen.
1Verzameling van eenige geschriften vervat in het
Familie-Archief van Jhr. Mr. D. van Akerlaken. In Afdeeling
VII nader te bespreken. (Voortaan kortheidshalve aangeduid door Familie-Archief.) Zie bl. 123 en 124. ‘Uit dat huwelijk
negen kinderen, waarvan nog slechts twee gehuwde dochters in leven’. Te weten:
Jonkvrouwe Maria Jacoba van Akerlaken, echtgenoote van Mr. Cornelis Quiryn van
Stryen en Jonkvrouwe Catharina Johanna van Akerlaken gehuwd met Jan Arnold
Eduard Musquetier, Ingenieur van den Waterstaat, eerste klasse. Van de
zeven andere kinderen, onder wie een paar zonen, zijn de meeste jong gestorven.
Een zoon, Jonkheer Dirk Christiaan Joan van Akerlaken, geboren te Hoorn 25
Sept. 1847, studeerde te Utrecht, maar voleindigde zijne studiën niet. Hij werd
burgemeester van Beets en Oudendijk. In hoop op genezing naar het Zuiden
vertrokken overleed hij 24 Januari 1877 aan longtering te Menton in Frankrijk.
Hij was ongehuwd.
1Familie-Archief bl. 148 en bl. 134-137.
2In de voorrede der dissertatie verklaart hij vijf
jaren geleden het vaderlijk huis te hebben verlaten ‘ut in alma hacce
Lugduno-Batava Academia maiorum exemplo, studio
jurisprudentiae operam navarem’ De maiores hadden ten deele
te Leiden, ten deele, zooals b.v. van Akerlaken's vader, te Utrecht gestudeerd.
Zie Familie-Archief bl. 83, 110, 139.
3Wil men nog ééne proeve? In den jaargang 1839
leest men in voce: Nieuwe wetgeving:
‘Setzet immer voraus, dass der Mensch im Ganzen das Rechte Will; im Einzelnen
nur rechnet mir niemals darauf’. Schiller.
4Woorden ontleend aan een opstel van prof.
R. Fruin in den Nederl. Spectator van 23 Februari 1861,
waarin Thorbecke als geschiedkundige geteekend en als zoodanig vergeleken wordt
met Bakhuizen van den Brink. - Thorbecke's verdiensten, ook ten aanzien van de
beoefening der geschiedenis zijn van blijvenden aard. Toch was hij meer
dogmaticus, dan historicus. Dit blijkt uit schier alles wat hij schreef en
sprak. Ik wijs exempli gratia op zijne opvatting van het
monarchale regeeringsstelsel. (Zie daarover Mr. W.H. de
Beaufort, Dertig jaren uit onze geschiedenis, 1863-1893, in de Gids van Sept. 1895.) De invloed der dogmatiek op de
beschouwing der historie was niet altijd gelukkig. Stuitend voor het
vaderlandsch hart waren zijne uitlatingen over ‘ Nederlandsche
beginselen’ en over de Fransche overheersching. (Zie de Bosch
Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830. Vijfde deel, 1882, bl. 21-23
der Letterkundige Aanteekeningen.) Wie verbeteren wil verbittere
niet!
5Thorbecke. Een woord van hulde in de koninklijke
Akademie van wetenschappen (Letterkundige Afdeeling) gesproken door haar
algemeenen Voorzitter Mr. C.W. Opzoomer. Amsterdam, I.H.
Gebhard & Co. 1872. Bl. 8. - Thorbecke, Parlementaire
redevoeringen. Het deel in 1870 verschenen, bl. 197, 199.
6De Bosch Kemper, t.a.p. bl.
57.
7De Bosch Kemper, bl. 55 en 57;
Letterk. Aanteekeningen. bl. 18.
8Bl. 277. Over dit boek in Afdeeling VII
meer.
9De Catalogus Candidatorum, qui gradum adepti sunt
ab a. 1813 ad a. 1850 meldt: 1838. Rectore Magnifico Petro
Hoffmanno Peerlkamp. ‘d. 10 o Maji. Didericus van
Akerlaken, Hoorna-Westfrisius, publice defensa Dissertatione Juridica de Pactis
Licitis et Illicitis in codice civili obviis, Juris Romani et Hodierni Doctor,
cum laude, dictus est a Cl. Thorbecke’. (Welwillend medegedeeld door prof.
Mr. H. van der Hoeven.)
Het in onbruik geraken van het Latijn is het
product geweest van onderscheidene verklaarbare factoren. Ik
heb in den tekst slechts op eenen factor gezinspeeld:
de gemakzucht.
1Den achtsten Augustus 1870. Zie Mr. Hendrik van
Stralen door Jhr. Mr. D. van Akerlaken bl. 293/294. Wij
spreken hier niet over het verband, waarin de auteur het voorbeeld zijner
moeder aanhaalt en het doel dat hij met die aanhaling beoogt: het mag
betwijfeld worden of dàt doel door de aanhaling van dìt voorbeeld bereikt werd.
Men zie daarover Mr. Sillem, in de aankondiging van Mr. v.
Akerlaken's boek in de Gids van Januari 1879. Het was mij te
doen om de mededeeling van de levensschets zelve. Deze had verdiend te worden
herdrukt in het Familie-Archief.
2Zij, die in onze kunstgeschiedenis belang stellen,
mogen vernemen hetgeen volgt: ‘Er bestaat van hem geen photographisch portret.
Wij hebben een groot in olieverf, een kleiner in crayon. Mogt men daarvan een
afdruk in lithographie of photographie willen doen maken, ik zal er u een
exemplaar van toezenden’. Over het groote portret zie Afdeeling
IX.
1Zie Rechtsgeleerd Magazijn, twaalfde jaargang,
aflevering 1/2, 1893 waar bl. 151 de aandacht gevestigd wordt op de
Discours, gehouden door de Belgische Procureurs-Generaal in
de audiences solennelles de rentrée op 1 Oct. 1892, afgedrukt
in La Belgique judiciaire N os. 80, 81/82,
83 en 90/91. Bij het hof van cassatie werd ditmaal het woord gevoerd door den
Eersten Advocaat-Generaal, den Heer Mélot, die sprak over
les lenteurs de l'administration de la justice civile. - Over
die Discours zie ook het opstel van prof. Faure: Naar
aanleiding van een ‘Discours de rentrée’ T.a.p. bl. 68 en vlg.
2Men leze over de uitvoering gegeven aan art. 5
der Addit. artikelen van de Grondwet van 1848: Het Nederlandsche Procesrecht
door Mr. R. van Boneval Faure, hoogleeraar te Leiden, 1 e deel, Derde herziene druk, Leiden, E.J. Brill, 1893, bl. 52
en vlgd.
3Is de wet van 20 Juli 1895, Staatsblad N o. 133, tot wijziging der wetten van 9 April
1877 (Staatsblad n o. 76 en n o. 79)
ten gevolge van de uitbreiding der gemeente Rotterdam en regeling
van de gevolgen daarvan, het begin eener reactie?
4Aan overname van niet-ingrijpende wijzigingen geen gebrek. Maar was dan het
overgenomen amendement van de Commissie van Rapporteurs, in de vergadering van
2 Maart verdedigd door haren Voorzitter, den heer Geertsema niet ingrijpend? (Het had de strekking om de verbetering van de
bezoldiging der rechterlijke macht ook dàn te verzekeren, wanneer de
voorgestelde rechterlijke indeeling niet tot stand komen mocht.) De gave van
omgang met de Tweede Kamer, den Minister van Justitie in hooge mate eigen,
openbaarde zich wellicht nimmer zóó treffend, dan op het oogenblik, waarop hij
dat amendement overnam, maar ... zonder de
toelichting!
5Mr. Hendrik van Stralen, bl. 56. De wonde ware
ongetwijfeld op nieuw opengereten, wanneer hij nog had kunnen kennis nemen van
dit bericht in de Haarlemsche Courant van 20 September 1893:
‘Te Ramales bij Santander heeft de sluiting van de Rechtbank aldaar (in verband
met de nieuwe judicieele hervormingen) tot manifestatiën aanleiding gegeven.
Men legde boomstammen over den weg om het vervoer van het archief te beletten;
de winkels werden gesloten en de leden des Gemeenteraads legden hun ambt
neder’.
1Familie-Archief, bl. 140-142.
2Zie het na te melden opstel in het Handelsblad
van 24 November 1878. De meeste der volgende bijzonderheden heeft Mr. van
Stryen mij medegedeeld.
3De Zeeweringen en Waterschappen van Noordholland,
door Mr. G. de Vries Azn. - 2 de uitgave
bewerkt door Jhr. Mr. J.W.M. Schorer, Commissaris der
Koningin in de provincie Noordholland, 1894. Gedrukt te Haarlem bij Johannes
Enschedé en Zonen. Bl. 532. En over het algemeen bl. 428 en vlgd. - T.a. van
een deel van Zuidholland is van belang het werk van den Directeur der
Rijksnormaallessen in Numansdorp, P.M.H. Welker, waarvan de
titel (verkort) luidt: Vier eeuwen regeering en arbeid ten platten lande in
Holland. - Geschiedenis van de Ambachtsheerlijkheid, de polders en de dorpen
van Cromstryen. Nijmegen, H.C.A. Thieme, 1892.
1Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper,
Geschiedenis van Nederland na 1830, Deel IV en V. Passim. Cff. ook de
Letterkundige Aanteekeningen.
2Het verschijnsel dreigt chronisch te worden. In
Juli 1895 is Endegeest overgedragen aan de gemeente van het
Bataafsch Atheen, die aldaar een krankzinnigengesticht vestigen zal
1. Endegeest, het landgoed, waar Toledo tijdens het beleg van Leiden zijn hoofdverblijf hield;
waar Cartesius op het Cogito ergo sum zijn stelsel bouwde;
waar Luzac zijn ‘Hollands Rijkdom’ schreef. De zaak ligt er
nu eenmaal toe en daarom is het te hopen, dat het verblijf op het fraaie
landgoed aan de ongelukkige lijders ten zegen moge strekken en dat het gesticht
dienstbaar worde gemaakt aan het academisch onderwijs in de
psychiatrie.
1Het Staatsblad No. 161 bevat het Kon. Besluit van den 16den
September 1895, waarbij aan het bestuur der gemeente Leiden
vergunning wordt verleend op het landgoed ‘Endegeest’, gemeente Oegstgeest, een gesticht voor krankzinnigen op te
richten.
3Ik heb de gelegenheid gehad op van Akerlaken's
advies de aandacht te vestigen in eene ‘Bijdrage tot reorganisatie van het
Bestuur der Hervormde Kerk’ in de Protestantsche Bijdragen, Rotterdam, M. Wijt
en Zonen, 1870.
4Woorden van Mr. W.H. de
Beaufort, t.a.p. Verg. J. Bosscha, Kroon en Ministers,
Amsterdam 1863, bl. 69. De Koning oordeelde, dat de Ministers ‘den smaad zijn
volk en zijn Huis aangedaan, hadden kunnen voorkomen zonder de regten zijner
Roomsch-Katholieke onderdanen te krenken’.
5Het is hier de plaats niet om het vraagstuk van
den eed te bespreken, dat Prof. Faure in Januari 1895 in de
Eerste Kamer aan de orde gesteld heeft. Zijne adviezen gaven den heer
H.M.J. Wattel aanleiding tot het schrijven van: De oplossing
der eedsquaestie. Goes, 1895. Belangrijk zijn de debatten over het vraagstuk
gehouden in de Nationale Vergadering. Een goed overzicht daarvan bij Mr.
C.L. Vitringa, Staatkundige geschiedenis der Bataafsche
Republiek. Arnhem, bij Is. A. Nijhoff, 1860, III, 321.
6Mr. W.L.F.C. van Rappard noemde den vader
‘bedaard’. Zie de Bosch Kemper, t.a.p. IV, Lett. Aant. bl.
79: ‘Gij bedaard en ik zenuwachtig’.
7Over de noodzakelijkheid om bij het aanvaarden
eener interpellatie het onderwerp vooraf en gros op te geven,
zie v. Akerlaken 1 Juni 1854 in de Tweede en 23 Aug. 1886 in de Eerste
Kamer.
8T.a.p. Lett. Aant. bl. 124. Brief van 12 October.
- De bedoelde discussie met den Heer van Houten had plaats 12 Maart 1873. Aan
de orde was de vraag, of het ontwerp tot herziening der kieswet, waarover het
Eindverslag was uitgebracht, aan de orde zou worden gesteld, of dat gebruik zou
worden gemaakt van de bereidvaardigheid der Regeering om alsnog vooraf over het
ontwerp in overleg te treden. Naar aanleiding eener rede van den heer van
Houten vroeg van Akerlaken het woord over een persoonlijk feit. Het incident
nam na het wederwoord van den heer van Houten een bevredigend einde. - De
tegenwoordige Minister van Binnenlandsche Zaken had overigens, in zijne eerste
rede, over het kiesrecht o.a. dit gezegd: ‘Ik ken de Kamer genoeg om te weten,
dat eene wet naar mijne inzichten nog niet te verwachten is.
De steen is aan het rollen, maar hij is nog niet op de plaats waar ik het
liefst zou hebben dat hij bleef liggen’. Sedert de openbaarmaking van het bij
kon. boodschap van 21 Juni 1895 ingediende wetsontwerp is die plaats
bekend.
9Woorden van den aftredenden Rector Magnificus der
Leidsche Universiteit Mr. S.J. Fockema Andreae op 18 Sept.
1894, naar aanleiding der verkiezing van zijn ambtgenoot Mr. H.L. Drucker tot
lid der Tweede Kamer. - ‘ Politiek spel’: ‘... Daarbij komen
er in de politiek dikwijls speculatiën bij even als in het beursspel’. Mr. A.
van Naamen van Eemnes in de Tweede Kamer 18 Juni 1874 bij de behandeling der
kieswet van den Minister Geertsema.
10Mededeeling van Mr. I.T. Boelens.
11De levensschets van den vader in het
Familie-Archief is ‘geschreven September 1862 korte dagen na zijns vaders dood
door D. van Akerlaken’.
1De zes hoofdstukken dragen ten opschrift: I.
Van Stralen's ambtsleven onder de republiek der Vereenigde Nederlanden,
1775-1795; II. Van Stralen tijdens de Engelsch-Russische landing in het
jaar 1799; III. De werkzaamheden van van Stralen op kerkelijk gebied
1798-1802; IV. Het ambtelijk leven van van Stralen onder de Bataafsche
republiek tot aan het koninkrijk Holland, 1802-1806; V. Van Stralen's
werkzaamheid onder het koninkrijk Holland en het Fransche keizerrijk,
1806-1813; VI. Medewerking van van Stralen aan de herleving van Nederlands
zelfstandigheid. - Zijn aandeel in de regering. - Zijn dood. - Met van
Akerlaken's boek vergelijke men de bladzijden aan van Stralen gewijd door
M. Siegenbeek in de Handelingen van de jaarlijksche
vergadering der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde te Leyden, gehouden
den 30 sten Juny 1823, bl. 35-47. Het artikel over van
Stralen in het Biographisch Woordenboek van van der Aa,
voortgezet door van Harderwijk en Schotel, 17 de deel, 2 de stuk, Haarlem 1874, bevat niets dan een uittreksel uit de
rede van Siegenbeek. Deze had zijne mededeelingen van van Stralen's zoon Mr. J.
Mossel van Stralen, die uit de Aanteekeningen zijns vaders
putte. Uit de uitdrukking ‘blijkens zijne aanteekeningen’ op bl. 40 valt niet
op te maken, dat Siegenbeek zelf ze geraadpleegd heeft.
2Groen van Prinsterer, Handboek
der Geschiedenis van het Vaderland, § 925. De eerste druk verscheen van
1841-1845 in afleveringen. De herdruk van 1852 is
onveranderd. De derde uitgave is, zegt de schrijver in de
voorrede, eene ‘omwerking’ (Dec. 1871). De uitdrukking ‘ staatslieden’ in de aangehaalde woorden is daarin ‘omgewerkt’ in
‘ ambtenaren’.
3bl. 211. - Over de toenmalige opvatting van het
nut en de beteekenis van eene volksstemming, van een plébiscite, zie men bl.
192, 196, 201. Verg. Thorbecke, Historische Schetsen bl. 147 en
149.
4T.a.p. bl. 100. Mr. Sillem wijst ook op de vele
drukfouten, die het werk ontsieren. De door hem opgenoemde zijn niet vermeld in
de Errata, die op een los blad aan het werk zijn toegevoegd.
En nog is de reeks niet uitgeput. Het staat bij Mr. S. ‘nog niet vast, of
slechte correctie bij het uitgeven van een boek wel eene verzachtende
omstandigheid is’.
5Rutger Jan Schimmelpenninck, en eenige
gebeurtenissen van zijnen tijd, beschreven door zijnen zoon G.
Graaf Schimmelpenninck, Minister van Staat, lid van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal enz. Twee deelen. Met portret en facsimile, te 's Gravenhage en
Amsterdam, bij de Gebroeders van Cleef, 1845. Deel I, bl. 20.
6Thorbecke in de aankondiging van
het boek, Hist. Schetsen, uitgave van 1860, bl. 121 en 131.
7In het vierde deel der Studien en Schetsen over
vaderlandsche geschiedenis en letteren.
8In de Gids, t.a.p. bl.
100.
9In den Nederlandschen Spectator
van 24 Mei, 7 en 21 Juni 1879.
10Van Akerlaken meldt bl. 297 dat de brief door S.
aan van Stralen's zoon gericht was ‘in antwoord op diens mededeeling van het
overlijden zijns vaders’. Volgens Siegenbeek werd hij geschreven ‘op de
mededeeling der door hem vervaardigde levensschets van zijnen vader’. - Van
Akerlaken haalt bl. 49 en 50 der Aanspraak aan; dit moet zijn: 46 en 47. De
punctuatie in den brief is bij van Akerlaken onnauwkeurig uit Siegenbeek
overgenomen.
11Zie ook ten aanzien van hetgeen volgt: Mr.
G.W. Vreede, Inleiding tot eene geschiedenis der
Nederlandsche Diplomatie. Tijdperk der Bataafsche republiek. Tweede deel.
Utrecht 1864. bl. 179 en 180. Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper,
Staatkundige Geschiedenis I bl. 390. Prof. R. Fruin spreekt
in de Gids van Januari 1868 van den schrijver der ‘Vertraute
Briefe’, maar noemt zijnen naam niet. Toch heb ik reden om te meenen, dat ook
hij Strick van Linschoten voor den auteur houdt. De heer Fruin haalt hem wel
als autoriteit aan en vermeldt onder voorbehoud diens oordeel
over G.K. van Hogendorp, doch ten aanzien van een punt, waaromtrent het
geslacht, dat Gijsbert Karel in 1813 aan het werk had gezien, eenstemmig dacht.
- Mr. C.L. Vitringa, Staatkundige Geschiedenis der Bataafsche
Republiek, Tweede gedeelte, bl. 221 en 222 houdt Strick niet voor den auteur en
ziet, zoo als van Akerlaken herinnert, in de plaatsing van diens naam voor de
Hollandsche vertaling van het werk ‘eene boekverkoopersspeculatie om
hetzelve aan den man te brengen’. Vitringa schijnt echter het opstel van
Bakhuizen niet te hebben gekend, geeft voor zijn eigen gevoelen geen enkelen
grond aan en zegt slechts: ‘de geheele inhoud toont, dunkt mij, dat dit werk
niet van hem wezen kan’. Hij ziet in Strick maar ééne fout: ‘Onder het
keizerrijk weigerde hij eenige eerepost van den Franschen Lodewijk aan te nemen
en liet zich liever tot kamerheer van den koning van Pruissen benoemen, alsof
aan het hof van dien Vorst eene vrijere lucht was in te ademen’.
12Het vierde deel der Studien en Schetsen over
vaderlandsche geschiedenis en letteren, door R.C. Bakhuizen van
den Brink, 's Gravenhage, Martínus Nijhoff 1877, bevat bl. 445 en vlgd.
eene Lijst van B.v.d.B.'s geschriften. De opgave is ‘zoo volledig mogelijk’. De
Heer Vosmaer wees aan wat de Konst- en Letterbode en de
Nederlandsche Spectator van B. hadden opgenomen. Het opstel over Strick komt
daarin niet voor. Daardoor wordt mijne overtuiging, dat dit van Bakhuizen's hand is, niet geschokt. Het zou mij veeleer
wenschelijk toeschijnen, dat een geoefend oog nogmaals de bedoelde
Tijdschriften doorzocht met het doel om na te gaan, of daarin niet nog meer
ongeteekende bijdragen van Bakhuizen te vinden zijn, die aan
Vosmaer's aandacht zijn ontsnapt. Wil men een inwendig
bewijs, dat Bakhuizen de schrijver is der inleiding op de bijdrage van H.M.R.
Ver Huell, men vergelijke den toon, waarop de ongenoemde auteur de
duitschgezindheid van Strick schetst met de wijze, waarop Bakhuizen zich over
Duitschland en de Duitschers pleegt uit te laten. Zie b.v. in ditzelfde Vierde
Deel bl. 392 en 393.
13Terecht zegt Mr. I.A. Sillem
t.a.p. in de Gids: ‘Strick van Linschoten's oordeel is
ontegenzeggelijk vinniger uitgedrukt, maar komt, dunkt mij, vrij wel op
hetzelfde neer als dat van Jhr. van Akerlaken’.
14Het boek schijnt onbekend gebleven aan den
schrijver van La Révolution Française en Hollande. La
République Batave. Paris. Librairie Hachette et Cie. 1894. De doorzichtige
anoniemiteit wordt opgeheven in de vertaling, waarvan de titel luidt:
L. Legrand, buitengewoon gezant en gevolmachtigd Minister van
Frankrijk, te 's Gravenhage. Geschiedenis der Bataafsche Republiek. Verzameld
en met aanteekeningen vermeerderd door H. Pyttersen Fz., lid
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Met eene voorrede van Mr. W.H. de Beaufort, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Arnhem, P. Gouda Quint. 1895. Men zie de aankondigingen in den Nederl. Spectator van 18 Augustus 1894, Nr. 33 door I. Mendels en in de Gids van Mei 1895 door
W.G.C. Bijvanck. De in den tekst aangehaalde woorden van den
heer Bijvanck over R.J. Schimmelpenninck zijn aan deze aankondiging ontleend.
De heer Le Grand zegt van prof. Vreede's
Inleiding tot eene geschiedenis der nederlandsche diplomatie o.a.: ‘Il lui a
manqué surtout de pouvoir compléter ses recherches dans nos collections
françaises de documents’. Heeft hij zelf de Nederlandsche bronnen voldoende
gekend?
15Men treft in de medegedeelde bescheiden
uitdrukkingen aan, die voor de kennis van het gebruik van sommige woorden en
uitdrukkingen omstreeks eene eeuw geleden niet zonder belang zijn. Ik teekende
aan: ‘overtuiging aangegroeid’. 158. - ‘genoegens
aangekweekt’. 183. - ‘men weet hier zeer onze situatie, maar
men kreunt er zich weinig aan’. 163. - ‘Mij
is gebleken dat deze zelfde schoolwet in verschillende opzichten aanloopt tegen de verschillende bepalingen op het stuk der
Regering’. 173. - ‘ afgescheidenheid van mijne kinderen’. 75.
- ‘en zoo allerzichtbaarst de ... ruine van het land na zich
moest slepen’. 163. - ‘ Ambtshonger’ 275. - ‘landerijen
onbeslagen en gehavend gelegen’ 266. - ‘eene generale
ontvlugting aan alles wat verstand heeft’ 163. - ‘Reis en
teerkosten en verschotten’ 175.
16De brief van koning Lodewijk aan de financieele
Commissie van 1808 geeft volgens Mr. Sillem beter inzicht in het karakter en de
geestesgaven des Konings dan eenig ander stuk hem bekend. T.a.p. bl.
110.
17Bl. 277 wordt het volgende verhaald. De
Souvereine Vorst bevond zich in den aanvang van zijn bestuur eens onder eene
groote woelende volksmenigte. Hij deed van eenige onrust blijken. Van Stralen,
lang van gestalte, naast hem staande, tikte den Vorst op den schouder en zeide:
‘Verontrust u niet. Laat het maar aan ons over, wij zullen er wel voor zorgen’.
De Vorst zou daardoor ontstemd zijn geweest en om die reden van Stralen niet
tot Minister hebben benoemd, maar hem in de Staten-Generaal hebben verplaatst.
De hoogleeraar Tydeman had dit aan de studenten verteld. De anecdote is echter
niet nieuw. Men vindt haar reeds bij Mr. J. van Lennep, de
voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland, vijfde druk, de laatste door
den schrijver zelven herzien, IV de afd. bl. 249. De
aanleiding is volgens van Lennep anders en de woorden, door van Stralen
gesproken, luiden ook anders. Dat dezen die woorden eene ministerieele
portefeuille hebben gekost zegt van Lennep evenmin.
18Bl. 200 en vlgd. Cf. Thorbecke, Histor. Schetsen. bl. 128 en 129. Van Stralen's
houding was in overeenstemming met Thorbecke's denkbeeld: ‘Wat viel er te doen,
dan voor dwang te wijken, zoodat men, alle medewerking weigerende, geen zweem
van regt aan de overmacht leende?’
19De vraag komt voor in den Nederl.
Spectator t.a.p. bl. 198. De heer van Eck haalt een
rijmpje aan:
Harderwijk is een groote stad van negotie.
Men verkoopt er bokking en bullen van promotie.
20N os. 15066; 15068; 15070.
Telkens in het Bijvoegsel.
21Van Eck voegt er bij, dat hij
nog familie was van P. Paulus; en, zegt hij, diens erfgenamen hadden althans
nooit iets van schatten gemerkt.
22De mededeeling omtrent het pensioen wordt aldus
ingeleid: ‘Evenwel gebiedt de onpartijdigheid te vermelden’ enz. Bl. 245, waar
de ontmoeting met Napoleon wordt verhaald. Verg. Mr. Sillem t.a.p. bl. 113, die
betreurt, dat v.A. den lezer ‘geheel in het duister laat omtrent de aanleiding
tot de aanneming van dat pensioen’.
23Afdoende daarentegen is hetgeen Mr. Sillem
t.a. pl. bl. 113 over die schroomvalligheid zegt.
24Bl. 11, waar als bronnen worden opgegeven
Rietstap, wapenboek van den Nederlandschen adel en
Vorsterman van Oyen, Heraldieke bibliotheek. Het wapen der
familie (in hoofdzaak dat van Storm): de twee zalmen, werd reeds in 1450
gevoerd. Bij de verheffing tot den adelstand kwamen de schildhouders en de in
den tekst (V de afdeeling) genoemde, uit Cicero (Epist. ad Atticum LXII, Ep. 28 § 2) overgenomen
wapenspreuk er bij.
25Van Akerlaken verwijst t.a. van Maria Margaretha
naar Schotel's Letter- en Oudheidkundige Avondstonden 1842 en
vermeldt, dat hetgeen zij over haar bevatten door S. is aangevuld in de Konst
en Letterbode van 1843. Cf. Nyhoff's Bibliographisch
overzicht, wetenschap, letteren en kunst in Nederland voornamelijk in de 19 e eeuw. Deel I. Taal en Letteren, 1895. Dit overzicht verwijst
t.a. van Maria Marg. v.A. alleen naar de Avondstonden maar
laat die aanvulling onvermeld.
26Het is te betreuren, dat even als het boek over
van Stralen, ook deze ‘Verzameling van eenige Geschriften’ een nauwkeurigen
bladwijzer, eenen Index nominum et rerum, mist. Eveneens, dat
in de ‘Geschriften’ niet op plastische wijze de stamboom der van Akerlakens
wordt voorgesteld.
27Bl. 19, 20 en 79. In de Tweede Kamer waren jaren
achtereen twee personen, die zich met de studie van de Witt bezig hielden; de
griffier Mr. D. Veegens, - men denke aan diens Historische
Studiën - en Jhr. C.A. van Sypesteyn, die zich vooral in
bijzonderheden aangaande de Witt's huiselijk leven verdiepte.
28‘De wapens der beide familien staan aan het hoofd
van den gevel’. Bl. 107, te weten: van het huis op het Oort door van Akerlaken
bewoond. Dit behoort thans in eigendom aan den heer M. de Jong, lid van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal.
29Terwijl de genealogische aanteekeningen elders
meestal uitvoeriger zijn wordt op bl. 125 bij zijne zuster en diens echtgenoot
uitsluitend vermeld: ‘Uit dit huwelijk kinderen’ en wordt Mr. C.A. Chais van
Buren's naam niet genoemd.
1De dagbladen te Hoorn verschijnende zijn niet in
gebreke gebleven van Akerlaken te eeren. Zie het In Memoriam
in de Hoornsche Courant van 20 Januari 1892. Een waardeerend
woord, onder bijvoeging evenwel, dat ‘vele van van Akerlaken's opvattingen’
niet zijn die des schrijvers. Niet minder waardeerend is het doodsbericht in
West-Friesland, Nieuwe Hoornsche Courant van denzelfden
datum. De begrafenis wordt uitvoerig beschreven in de Hoornsche
Courant van 24 Januari en in de West-Friesland van 23
Januari 1892. Het gesprokene is in den tekst verkort medegedeeld. Hetgeen de
Hoornsche Courant van 20 en 24 Januari voor mijn doel bevatte
heb ik niet dan in afschrift onder het oog gekregen. De gelukkige eigenaar van
de bewuste nummers wenschte ze niet buiten de stad af te staan, uit vrees, dat
ze verloren zouden gaan. Eigenaardig blijk der gehechtheid aan van
Akerlaken's nagedachtenis!
*De Kamer had kort te voren den waardigen M.H.
Insinger verloren.
2Men zie de fijne teekening van Hoorn in het
opstel Waar begonnen de Hagepreeken? van Dr. F.
Pijper; Feuilleton der Nieuwe Rott. Courant van 14 Juli 1894, Tweede Blad
B.
3Jean Aicard, Poèmes de
Provence. Paris 1878. Bl. 1.
4Haarlemsche Courant van 23 Januari 1883, 2 de uitgave.
1De Heer Zimmerman vermeldde dit feit in zijne
toespraak aan het graf. Zie West-Friesland van 24 Januari
1892.
1Op mijne aanwijzing is dit Overzicht bewerkt door de even vaardige als dienstvaardige pen
van den heer W.F. Pfeiffer, hoofdcommies ter griffie van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal, bijgestaan, ook dit vermeld ik dankbaar, door den heer A.H.W.
Jacobse, adjunct-commies terzelfder griffie. Van de meerjarige
alphabetische Registers op de Handelingen der Staten-Generaal
(te beginnen met de zitting 1876/77 komt de bijvoeging ‘ Bijblad tot de Nederlandsche Staatscourant’ niet meer voor) zijn
verschenen: 1847-1853; 1853-1863; 1863-1873; 1873-1880; 1881-1890. Voorts zijn
op de Handelingen van ieder zittingjaar afzonderlijke Registers gemaakt,
ingericht op dezelfde wijze als de meerjarige. Volgens mededeeling van de
griffie der Tweede Kamer is het Register over 1847-1853 samengesteld door
de stenografen, die in 1857 of daaromtrent aan de
stenographische inrichting verbonden waren. In de Voorrede voor dat Register
zegt wijlen de heer J.F. Noordziek, dat het is bearbeid met medewerking der
heeren Keller, Bool, van Embden, van Lier, Lastdrager en Boudewijnse. De
latere Registers, bericht de bedoelde griffie, zijn bewerkt door den heer
Boudewijnse. De Registers van 1847-1853 en 1853-1863 bevatten eene
rubriek, die in de volgende niet meer voorkomt. Die rubriek houdt in eene
opgave van het lidmaatschap van afdeelingen, van commissiën van rapporteurs,
van commissiën tot onderzoek van Regeerings-bescheiden, van die tot in- en
uitgeleide des Konings en dergelijke. Om het uitwendige beeld van van
Akerlaken's parlementair leven volkomen te maken moest derhalve te beginnen met
het zittingjaar 1869-1870 het afzonderlijk Register van elk jaar worden
geraadpleegd.
1Niet in het Register van 1863-1873
vermeld.
|
|