Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1900


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1899-1900. E.J. Brill, Leiden 1900  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 11]

Levensbericht van Robert Fruin.

De eerste Juni van het jaar 1860 was een merkwaardige dag voor de Nederlandsche wetenschap. Robert Fruin aanvaardde zijn ambt als hoogleeraar in de vaderlandsche geschiedenis aan de Leidsche hoogeschool. Dat was een feit van beteekenis, om de zaak zoowel als om den persoon. Voor het eerst werd de geschiedenis des vaderlands in Nederland erkend als eene wetenschap, die een eigen leerstoel waard was. Eene erkenning, die laat was gekomen en nog geruimen tijd, eigenlijk nog steeds, alleen tot Leiden is beperkt gebleven. Maar meer nog dan deze overwinning van de eischen der wetenschap trok het de aandacht, dat thans als hoogleeraar een man optrad, die zoowel door Groen van Prinsterer als door Bakhuizen van den Brink als evenknie werd erkend. Hij had nog maar weinige geschriften in het licht gegeven over de wetenschap, waarin voor het eerst hem een leerstoel werd opengesteld, maar die geschriften, hoewel niet groot van omvang, hadden reeds het bewijs geleverd, dat thans een meester de plaats kwam innemen die hem toekwam.

Het zou hier de plaats zijn om te spreken van Fruin's leven en ontwikkeling tot aan den tijd, dat hij zijn

[p. 12]

hoogleeraarsambt aanvaardde. Maar dat is kort geleden door mijn vriend, ambtgenoot en medediscipel Blok, in het Levensbericht, dat hij in de Koninklijke Academie van Wetenschappen heeft voorgedragen en dat sedert ook afzonderlijk is verkrijgbaar gesteld, op zulk eene wijze gedaan, dat ik meen mij te mogen vergenoegen met daarheen te verwijzen. Ik beperk mij daarom hier tot de aanvulling van de schets, die daar is geleverd, in de eerste plaats door meer dan Blok kon doen te spreken over Fruin's geschriften; in de tweede, door mijne persoonlijke herinneringen uit de bijna zes en dertig jaren, dat ik onzen vereerden leermeester heb mogen kennen. Doch om dat naar behooren te kunnen doen kan ik natuurlijk niet nalaten enkele feiten, die reeds breeder door Blok zijn besproken, hier eerst zoo kort mogelijk in herinnering te brengen.

Robert Jacobus Fruin werd den 14den November 1823 te Rotterdam geboren, en werd, na het Erasmiaansch gymnasium te hebben bezocht, in het jaar 1842 student aan de Leidsche hoogeschool. Zijn aanleg voerde hem van zelf tot de studie der geschiedenis en, zooals daar toen haast van zelf sprak, tot dat gedeelte der historische wetenschap, dat daar het meest beoefend werd, de geschiedenis der oudheid. Merkwaardig alleen is het, dat hij zich terstond wendde tot dat onderdeel, 't welk zoo goed als uitsluitend door bronnenstudie kon en moest worden beoefend: de Aegyptologie. Dat is de reden geweest, waarom hij vijf jaren later, 18 December 1847, promoveerde tot doctor in de letteren op eene dissertatie over den Aegyptischen geschiedschrijver Manetho, een boekje, dat, naar den toenmaligen stand dier wetenschap gerekend, veel voortreffelijks moet hebben gehad. Maar toen hij het schreef, had hij zijn hart reeds afgetrokken

[p. 13]

van eene studie, welke in die jaren nog maar zoo weinig zekere resultaten beloofde, en wendde hij zich tot de geschiedenis van Griekenland en Italië, niet onwaarschijnlijk ook onder den invloed, dien zijn oudere vriend Opzoomer in dien tijd op hem heeft uitgeoefend.

In de twee jaren, die hij na zijn promotie ambteloos doorbracht (want hij had het voorrecht niet gedwongen te zijn terstond eene betrekking te zoeken) heeft hij zich dan ook voornamelijk met dat deel der geschiedenis bezig gehouden. Evenwel lang niet uitsluitend, want Fruin had toen zijne woonplaats te Utrecht gevestigd en nam daar levendig deel aan het opgewekte leven van dien veelbewogen tijd. Hij studeerde veel in algemeene geschiedenis, staatsrecht, staathuishoudkunde en wijsbegeerte, en legde zoo den grondslag voor die omvangrijke algemeene kennis, welke hem heeft gemaakt tot een man van zeldzame algemeene ontwikkeling. Maar hoe goed hem ook het leven te Utrecht beviel, hij begreep het noodzakelijke van eene vaste betrekking en liet zich daarom in 1850 aanstellen tot praeceptor aan het gymnasium te Leiden, belast met het onderwijs in de geschiedenis.

Kenschetsend is het dat hij den post, dien Matthias de Vries voor het Groninger hoogleeraarsambt had verwisseld, slechts voor de helft wilde aanvaarden en alleen de geschiedenis als leervak verkoos, al kostte hem dat eene vrij aanzienlijke geldelijke opoffering. Het onderwijs in de Nederlandsche taal, dat er aan verbonden was geweest, weigerde hij op zich te nemen. Daar werd toen zijn vriend, de latere rijksarchivaris Van den Bergh mede belast.

Evenwel was het leven van den jongen docent, die thans te Leiden in eene wetenschappelijke omgeving

[p. 14]

kwam, zooals hij zich geen betere kon wenschen, volstrekt niet geheel gewijd aan de wetenschap of het onderwijs. Integendeel, wat hem toen het meest aantrok was de politiek. Hij nam levendig deel aan den strijd der liberalen, wier beginselen hij met hart en ziel was en bleef toegedaan, en toen de Aprilbeweging het geheele land in beroering had gebracht, heeft Fruin de eerste geschriften uitgegeven, welke zijn naam ook buiten de wetenschappelijke kringen bekend maakten, de beide brochures over of liever tegen het anti-revolutionnaire staatsrecht van Groen van Prinsterer.

Maar nu raak ik eene zijde van Fruins leven aan, waarmede Blok zich in het bijzonder heeft bezig gehouden. Laat ik dus alleen maar zeggen, dat Fruin, hoewel hij zich weldra uit den strijd terugtrok, toch nimmer er tegen heeft opgezien om er zich opnieuw in te mengen, zoodra hij meende dat hij daarmede iets goeds kon doen. Want geen eerzucht was het die hem daarbij dreef, maar alleen plichtgevoel, ik durf zeggen vaderlandsliefde. En die vaderlandsliefde vatte hij ruim op. Alles wat Nederlandsch was lag hem na aan het hart. Vandaar dat hij zooveel heeft gedaan voor de stamgenooten in Zuid-Afrika.

Fruin was nog niet lang leeraar, toen hij aan het programma van het Leidsche gymnasium, volgens de goede, daar lang in zwang gebleven gewoonte, een opstel toevoegde. Dit stuk, Over de goden, die in Griekenland en Italië gelijkelijk vereerd werden, leverde evenals zijne tot nog toe onuitgegevene, te Utrecht gehoudene voordracht over den tijd der sophisten, het bewijs van zijne diepe studie van de oudheid. Maar de laatste bewees tevens, dat hij die niet meer om haar zelve bestudeerde, maar om haar te kunnen vergelijken met latere toestanden. Want aan het Leidsche gymnasium had hij

[p. 15]

zijn eigenlijk gebied gevonden. Hij moest daar ook de geschiedenis van het vaderland onderwijzen, en om dat goed te doen moest hij de bronnen dier geschiedenis bestudeeren. De historische litteratuur achtte hij geheel onvoldoende, zelfs over het best gekende tijdperk, dat van den strijd met Spanje.

De weg tot het doel, dat hij zich stelde, was niet alleen reeds gewezen, maar ook al bereid. In Nederland, behalve door Groen van Prinsterer (en in zekeren zin door de Jonge), voornamelijk door Bakhuizen van den Brink. Den laatsten kende hij reeds persoonlijk, hij deelde voor 't meerendeel diens opvattingen en hij achtte diens werken, nevens die van Ranke, de beste modellen van historiographie. Tusschen beiden onstond eene persoonlijke vriendschap, welke niets heeft kunnen storen, hoe uiteenloopend beider karakter ook was. De nagedachtenis van Bakhuizen is door Fruin steeds als eene heilige herinnering bewaard. Hij kon nimmer kwaad van hem hooren.

Met een anderen medewerker op hetzelfde gebied, met Van Vloten, bleef de vriendschap minder ongestoord, hoewel hij diens verdiensten steeds is blijven waardeeren. Wie beiden heeft gekend zal zich dat wel kunnen begrijpen. Van den derden, toen zeker bekendsten der Nederlandsche historici in die dagen, Groen van Prinsterer, scheidde hem de politiek. Van persoonlijk verkeer met dezen kon voor Fruin geen sprake zijn, al eerbiedigde hij ook Groens beginselen veel meer dan in zijne brochures was uitgekomen. Ook later bleven beiden zelfs op historisch terrein elkander behandelen als de aanvoerders van vijandelijke legers, die altijd de hoffelijkheid jegens elkander in acht nemen. Vergis ik mij niet, dan voelde zich Fruin altoos eenigszins minder op zijn gemak als hij over Groens historischen arbeid sprak. Hij vermeed het steeds kritiek

[p. 16]

uit te oefenen over de gebreken, die dezen eigen waren en die hem zeker niet verborgen konden blijven.

Evenals alle Nederlandsche geschiedvorschers van dien tijd, in Zuid- zoowel als in Noord-Nederland, voelde zich Fruin bovenal aangetrokken door den tijd van den strijd met Spanje. Maar toen hij besloot om zelf over dit deel onzer geschiedenis te gaan schrijven, was het niet het tijdperk, dat tot nog toe meer dan eenig ander behandeld was, dat hij zich uitkoos, al had hij ook daarover nog veel te zeggen wat nieuw was, maar een deel van het tweede tijdperk, van dat van Maurits en van Oldenbarnevelt. Hij kon daar geheel zelfstandig arbeiden, zonder acht te slaan op wat anderen reeds gedaan hadden. Dat verleent aan zijn eerste werk over vaderlandsche geschiedenis (ik behoef wel niet te zeggen dat ik van Tien jaren uit den Tachtigjarigen oorlog spreek) een eigenaardig karakter. Hij behoefde hier geen kritiek te oefenen op de meeningen van anderen en hij behoefde tot geen bijzonderheden af te dalen om zijne eigene meening te staven. Daarom misschien maakt het meer dan zijne meeste werken den indruk van een harmonisch geheel. Het is geheel af; dit tijdperk onzer geschiedenis is daarin voor goed in vaste vormen gegoten. Er kunnen nieuwe bijzonderheden over worden ontdekt, maar de groote lijnen zijn door Fruin eens en voor al getrokken; men gevoelt dat de gebeurtenissen zoo en niet anders hebben plaats gehad. Het is geen groot boek en het omvat slechts een klein tijdvak onzer geschiedenis, maar het is toch zonder twijfel het beste geschiedwerk, dat ooit hier te lande is geschreven. Niet alleen geeft het eene in alle opzichten volledige, vertrouwbare en onpartijdige voorstelling van de gebeurtenissen van het belangrijke tijdperk onzer geschiedenis, waarin de Republiek der Vereenigde Nederlanden werd

[p. 17]

gevestigd, maar daarbij eene voorstelling veen de toestanden, waarbij geen enkele zijde van het volksleven is vergeten. En dat alles is ingekleed in een vorm, zoo uitmuntend passend bij den inhoud, dat ieder lezer door het kalme, zonder eenigen ophef geschreven verhaal wordt geboeid en het moeilijk valt, als het eenmaal ter hand is genomen, het boek ter zijde te leggen.

Van zelf rijst hier de vraag: waarom heeft Fruin ons niet meer dergelijke boeken geschonken? Misschien wel, omdat hij in later tijd zich nooit weder zóó onverdeeld aan de studie van één tijdperk heeft gewijd als hij in die jaren gedaan heeft. Uit de lijst, welke, door onzen Petit samengesteld, achter Blok's levensbericht is gedrukt, blijkt dat Fruin in de drie jaren, die op zijn eersten strijd met Groen van Prinsterer volgden, geen enkel geschrift heeft uitgegeven. Zijn onderwijs kan van hem niet veel voorbereiding geëischt hebben en kostte hem waarschijnlijk niet veel meer tijd, dan die besteed moest worden aan de lesuren. De politiek had hij laten varen; hij vergenoegde zich, schreef hij zelf in die jaren, haar belangstellend gade te slaan. Zoo kon hij zich bijna geheel aan zijne studie wijden.

Een andere reden is misschien dat Tien jaren uit den Tachtigjarigen oorlog geheel uit eigen beweging is geschreven. Want (het klinkt bijna vreemd van een man die zooveel geschreven heeft) Fruin miste volkomen le désir de se voir imprimé, de behoefte om de uitkomsten zijner studie aan het publiek mede te deelen, ja, ik geloof haast, dat hij het genot niet kende van het scheppen van een groot wetenschappelijk kunstwerk. Hij was van nature veeleer een geschiedvorscher dan een geschiedschrijver. Hij was dat zich zelf wel bewust en heeft meermalen erkend, dat, als hij alles had bijeengezocht

[p. 18]

wat over eenig onderwerp, dat hij wilde bestudeeren, te vinden was, en als hij die stof had vergeleken en gerangschikt, en daarmede alles wat hij verder wist of gedacht had in verband had gebracht, en zoo was gekomen tot een hem zelven voldoende voorstelling en tot een eindoordeel over de feiten, dat dan dat onderwerp voor hem de aantrekkelijkheid placht te verliezen en hij niets liever deed dan al zijne aanteekeningen, netjes in een dossier vereenigd, weg te bergen en ..... een ander onderzoek te beginnen. Hij moest meestal door een of ander feit van buiten worden aangedreven om te gaan schrijven. Meestal door het verschijnen van een boek of opstel over een onderwerp, waarover hij zelf iets te zeggen had; een enkele maal ook door een verzoek. Maar dat was eene zeldzaamheid. Uitgevers placht hij bijna altijd af te wijzen.

Eindelijk was er nog eene reden, die hem belette boeken te schrijven. Hij was allerminst spoedig voldaan over zich zelven; hij achtte zijn kennis over een onderwerp onvoldoende en gebrekkig, zoolang zij niet volledig was. En omtrent vele punten, ook in de geschiedenis van ons eigen land, gelukte het hem niet eene in zijn oog volledige kennis te verkrijgen, en als dat niet het geval was, wilde hij er ook niet over schrijven. Vandaar dat hij steeds volstandig is blijven weigeren eene geschiedenis van Nederland te schrijven, ja dat hij zelfs zijne jaren lang voortgezette studie over het tijdperk van Johan de Witt, waarvoor hij een verbazenden arbeid had verricht en een werkelijk ontzaglijke hoeveelheid bouwstof had bijeen gebracht, alleen dienstbaar heeft gemaakt aan zijne academische lessen en gebruikt voor kleine geschriften over ondergeschikte punten, maar het boek, dat hij zich eenmaal had voorgenomen er over te schrijven, zelfs niet is begonnen. Hoe ouder hij werd, hoe minder geneigd

[p. 19]

hij werd boeken te schrijven. Het heeft werkelijk moeite gekost hem te bewegen zijn Dusseldorp af te maken. En toch zag hij ook toen tegen geen arbeid op. Getuige de door den dood afgebroken uitgave van Philippus à Leidis.

Kort na het verschijnen van het tweede gedeelte der Tien Jaren schreef Fruin zijn eerste Gidsartikel, zijn eerste essay zou ik willen zeggen, over Hugo de Groot en Maria van Reigersbergh, dat vooral merkwaardig is door het psychologisch inzicht dat er uit spreekt. En ruim een jaar later werd Nederland verrast door die merkwaardige studie, Het Voorspel van den Tachtigjarigen oorlog, die bewees hoeveel nieuws een man als hij te zeggen had, over een onderwerp, waar reeds zooveel voortreffelijke historici over hadden gehandeld, dat men kon meenen, dat het uitgeput was.

Ook dat geschrift kwam door eene aanleiding van buiten tot stand. Motley's Rise of the Dutch Republic was verschenen, en Fruin had het gelezen en bewonderd, maar was er niet door bevredigd geworden. Hij achtte het plicht daarover te zeggen wat hij op het hart had. Juist, om den opgang dien het boek maakte, meende hij te moeten spreken. Maar hij kleedde zijn oordeel in een vorm, die zijn opstel tot eene blijvende aanwinst voor de kennis onzer geschiedenis heeft gemaakt. Hij vatte alles wat hij in Motley's voorstelling van het eerste tijdperk van den opstand onvolledig of minder juist vond samen in een overzicht der gebeurtenissen, waaruit hij, zonder schade voor eenheid of verband, alles wegliet, wat reeds door Motley of anderen, met name door Van Vloten en Van Deventer, goed en duidelijk was medegedeeld. Welk een arbeid hij daarvoor verricht heeft, is eerst thans aan het licht gekomen bij de bewerking van het stuk voor de uitgave zijner verzamelde geschriften.

[p. 20]

Eerst door die in De Gids bijna geheel weggelaten noten leert men wat Fruin verstond onder het kennen van een onderwerp. Tegelijkertijd gaf hij eene proef, wat hij den plicht van den geschiedschrijver achtte. Niet alleen wat er gebeurd was, maar ook hoe en waarom het gebeurd was, moest deze verklaren. Hij moet de beweegredenen nagaan van de handelingen der menschen en de omstandigheden in het oog houden, waaronder die handelingen geschieden. Dat hadden, meende hij Motley en de meesten die over dit tijdperk geschreven hadden, niet gedaan, en als zij het al beproefd hadden, had hun daartoe de noodige kennis zoowel als de noodige onpartijdigheid ontbroken. Daarom beproefde hij het te doen, en er zijn zeker niet velen, die zeggen zullen, dat hij er niet in geslaagd is, aan de door hem aan de geschiedschrijvers gestelde eischen ten volle te voldoen. Doch hij slaagde alleen daarom, omdat hij reeds toen, na nog maar tien jaar op dit gebied gewerkt te hebben, beschikte over eene kennis van de bronnen, die werkelijk buitengemeen was en hem den geheelen tijd en alle daarin handelende menschen zoo klaar voor oogen deed staan, dat hij zich bij het schrijven geheel kon losmaken van de voorstellingen en denkbeelden van den tijd dien hij zelf doorleefde. En dat wist hij te doen, zonder ooit zijne eigene sympathie te verloochenen. Het geheele stuk is als een commentaar op de theorie, die hij weldra zou ontvouwen in zijne Onpartijdigheid van den geschiedschrijver, zijne bekende rede bij het aanvaarden van het professoraat in de vaderlandsche geschiedenis.

Met deze beide borgen, de Tien Jaren en het Voorspel, waren Fruin's aanspraken op dat professoraat zóó verzekerd, dat er kwalijk sprake kon wezen van mededinging, zoodra de vraag rees om het te bezetten. Toen

[p. 21]

er vroeger sprake van was geweest dat professoraat in te stellen, had de naam van Bakhuizen van den Brink op veler lippen gezweefd, thans was een man opgetreden, die het onnoodig maakte dezen te onttrekken aan den werkkring waar hij zoo uitnemend werkzaam was. Vandaar dat, toen, dank zij vooral Matthias de Vries, de regeering er toe overging om een afzonderlijken leerstoel voor de vaderlandsche geschiedenis open te stellen aan de Leidsche hoogeschool, Fruin als van zelf voor de vervulling werd aangewezen.

De rede, waarmede hij op den 1sten Juli 1860 het nieuwe ambt aanvaardde, bevatte in zeker opzicht zijne wetenschappelijke geloofsbelijdenis, de uiteenzetting der beginselen, die hem hadden geleid, toen hij de Tien Jaren en het Voorspel schreef. Fruin erkent, dat het bereiken van absolute onpartijdigheid even onmogelijk is als het leeren kennen van de absolute waarheid. Maar, zegt hij, naarmate de geschiedschrijver door scherper waarneming de waarheid naderbij komt, zal hij ook in staat zijn onpartijdiger te oordeelen. Hij zal dan het karakter leeren doorgronden der menschen, wier handelingen het onderwerp zijner studie zijn, en uit dat karakter die handelingen verklaren. Met andere woorden, de geschiedschrijver moet zich weten te stellen op de verschillende standpunten, welke de verschillende menschen innemen. Daarom stelt Fruin hem de dramatische dichters, die ook ieder persoon moeten laten handelen en spreken, zooals met zijn karakter overeenkomt, ten voorbeeld, bovenal Shakespeare, die daarin het hoogste heeft bereikt wat nog aanschouwd is. En ten bewijze, dat eene dergelijke behandeling der geschiedenis, welke aan ieder mensch, die een onderwerp van de studie des geschiedschrijvers is, recht laat wedervaren, niet leidt tot onverschilligheid en den ge-

[p. 22]

schiedschrijver niet dwingt tot verloochening zijner eigen beginselen en sympathiën, wijst hij op Ranke, die, hoewel zelf een man van zeer sterke overtuigingen, welke hij allerminst placht te verbergen, er toch in geslaagd is om de meest uiteenloopende richtingen op elk gebied, de meest uiteenloopende karakters te begrijpen en te waardeeren, zonder dat zijne geschriften ooit op zijne lezers een verslappenden invloed hebben uitgeoefend. Integendeel, zegt Fruin, zij boezemen eerbied in voor het goede en groote, in welken vorm het zich ook vertoont, en stemmen tevens tot de erkenning van het gebrekkige in ons eigen gelooven en handelen en tot eene billijker waardeering van hetgeen onze tegenpartij voor waarheid houdt en als plicht betracht. Om die reden is het ook volstrekt niet noodig om hier te lande, zooals vroeger de gewoonte was, het behandelen, op den katheder of in geschrifte, van sommige tijdperken of gebeurtenissen te vermijden, om niet den een of ander te kwetsen. Want, zegt Fruin, ‘de ware onpartijdigheid zoekt aan alle partijen recht te doen, niet aan alle te behagen’.

Het tegenwoordig geslacht is, dank zij Fruin, zou ik haast durven zeggen, zoozeer aan deze opvatting gewend, dat de ontvouwing daarvan ons bijna overbodig voorkomt. Maar in 1860 was dat nog geenszins het geval. Zelfs van Bakhuizen van den Brink kan, dunkt mij, niet gezegd worden, dat hij haar altijd in zijne geschriften heeft betracht. Vandaar dat Fruin's intreêrede in de Nederlandsche historiographie als het programma eener nieuwe richting kan gelden.

Vier en dertig jaar lang heeft Fruin, getrouw aan de toen ontvouwde beginselen, op den leerstoel der vaderlandsche geschiedenis aan de Leidsche hoogeschool der Nederlandsche studeerende jongelingschap tot gids mogen

[p. 23]

verstrekken. Hij werd weldra meer, een gids van het geheele Nederlandsche volk. Met vreugde en voldoening vatte hij de hem opgedragen taak aan en is hij haar blijven vervullen tot de wet hem dwong tot aftreden. Hij was toen eerst, dunkt mij, op de plaats die hem paste, want zich hem voor te stellen als een onderwijzer van schoolknapen, valt, hem althans, die hem niet als zoodanig heeft werkzaam gezien, moeilijk. Wel heeft hij, naar de getuigenis van velen die zijn onderwijs hebben genoten, die taak goed vervuld, maar ik kan mij niet verhelen, dat hij als gymnasiaal docent aan een Pegasus in het juk doet denken. Te eerder zou ik dat meenen, omdat hem sommige eigenschappen ontbraken, welke een goed onderwijzer noodig heeft. Dat kwam zelfs uit in zijn academisch onderwijs. Wie geen belangstelling in het onderwerp had, wie zijn college alleen bijwoonde, omdat hij het moest, werd niet door hem geboeid. Daartoe was zijne voordracht allerminst geschikt. Kalm en rustig, maar zonder ophouden, vloeiden de altijd goed afgeronde volzinnen van zijne lippen, altijd goed in logisch en methodisch verband, maar voorgedragen zonder stemverheffing of modulatie, zonder levendigheid, ik zou haast zeggen zonder leven. Daarenboven sprak hij niet luid en vrij snel, al was 't ook zonder overhaasting. Wie hem wilde volgen moest verbazend goed opletten, moest geen oogenblik zich laten afleiden. Vandaar dat het eene kunst was goed op te teekenen wat hij zeide.

Dat gold vooral van zijn college over de geschiedenis van Nederland; bij dat over de staats- en rechtsinstellingen, die hier tot aan 1795 hadden bestaan, werden de hoofdzaken samengevat in korte paragraphen, welke hij letterlijk placht te dicteeren, waaraan dan telkens het wetenschappelijk betoog, de toelichting, werd toegevoegd,

[p. 24]

die dan natuurlijk gemakkelijker te volgen was. Die methode paste hij op het eerste college niet toe, ik zou niet weten te zeggen waarom. Misschien zou het college aantrekkelijker zijn geweest, als hij die ook daar gevolgd had.

Met dat al sprak hij geenszins voor ledige banken. Want de stof was zoo uitermate belangwekkend en de wijze van behandeling zoo bijzonder helder en duidelijk, dat toehoorders, die eenmaal de moeilijkheden, die ik zoo even aanduidde, hadden weten te overwinnen, zijne lessen dikwijls niet bijwoonden, zoolang zij moesten, maar zoolang zij konden. Velen hunner, die geen heel duidelijke voorstelling van onze geschiedenis naar de academie hadden medegebracht, was 't alsof hun de schellen van de oogen vielen.

Op zijne colleges beperkte Fruin zich uitsluitend tot onderwerpen, welke hij volkomen meester was. Vandaar dat hij nimmer de geschiedenis of de instellingen vóór den Bourgondischen tijd tot een hoofdonderwerp zijner colleges heeft gemaakt en ze slechts besprak, voor zoover als noodig was voor het begrijpen van wat onder en na die heerschappij gebeurde. En evenzeer vermeed hij den tijd na 1795. De kennis van dezen achtte hij nog niet rijp genoeg, de gebeurtenissen nog te kort geleden, om er zoo over te handelen, als in zijn oog op een college noodig was. En wat de Middeleeuwen betreft, hij geloofde niet dat men daar ooit tot eene volledige kennis, zooals hij die eischte, zou kunnen komen. Hij heeft aan dat tijdvak ontzaglijk veel arbeid besteed, maar, beweerde hij, verder dan tot fragmentarische kennis gelukte 't hem niet te komen. Ik herinner mij hoe hij verklaarde, dat hij alle krachten had ingespannen om den tijd van Floris V te begrijpen, maar dat hij dat had moeten opgeven,

[p. 25]

omdat hij, met de bronnen, die er hem voor ten dienste stonden (en wij mogen wel aannemen dat dat alle bekende en bereikbare waren), niet had kunnen geraken tot eene vaste, op goede gronden rustende voorstelling. En met vroeger tijden was 't nog erger gesteld. Hij troostte zich met de door hem steeds volgehouden opvatting, dat er vóór de Bourgondische heerschappij eigenlijk van geen Nederlandsche geschiedenis sprake kan wezen, omdat er toen nog geen Nederland bestond. Hij beweerde, dat het voldoende was, wanneer men zich kon voorstellen hoe de toestanden waren in de dagen van Philips den Goede en Karel den Stoute, om van daar uit voort te gaan. Wat van den vroegeren tijd bekend was, behoefde men slechts in monographiën te behandelen.

Dat stemde trouwens overeen met zijne denkbeelden over den stand onzer Nederlandsche geschiedschrijving, waarin, naar zijne meening, aan goede monographieën vooreerst meer behoefte was dan aan groote, samenvattende overzichten. De laatste konden zijns inziens eerst met goed gevolg geschreven worden, wanneer door monographieën daartoe de weg was bereid. Of daar zijn eigen aanleg, zijne eigene voorliefde niet veel deel aan had, zou ik niet durven beslissen, waarschijnlijk is het mij altijd voorgekomen.

Zoo beperkt tot den tijd der Republiek en dien welke daaraan onmiddellijk voorafging, vormden Fruin's colleges een gesloten, goed afgerond geheel, dat hij in een aantal jaren, de geschiedenis in vijf of zes, de staatsinstellingen in drie of vier, placht te doorloopen. Met de uiterste zorg vulde hij zijne aanteekeningen daarvoor met alles aan, wat er nieuws werd gevonden over elk onderdeel. Hij verzuimde nimmer vooraf na te gaan wat hij stond te behandelen, de oude en nieuwe citaten te vergelijken en de aanteeke-

[p. 26]

ningen, waar 't noodig was, te wijzigen. Daardoor liep hij nimmer gevaar van af te dwalen, of iets weg te laten wat niet gemist mocht worden. De bibliographie nam natuurlijk geen geringe plaats in. Zijne hoorders kregen eene betrekkelijk volledige kennis van al de meer belangrijke geschriften, waarin iets over een door hem behandeld onderwerp was te vinden.

Eigenlijke privaatcolleges heeft Fruin evenmin gegeven als hij pogingen deed om hier het stelsel van historische seminariën in te voeren. Maar ieder student, die belang stelde in de historische wetenschap, kon zeker zijn van bij hem eene vriendelijke ontvangst te vinden. In dikwijls zeer langdurige gesprekken opende hij hem dan de schatkamers zijner wetenschap. Niet het minst de juristen die een historisch onderwerp voor hunne dissertatie bestudeerden, zooals er in die dagen veel waren, hebben zoodoende oneindig veel van hem genoten. Vooral omdat die gesprekken een zeldzaam opwekkenden invloed hadden; wie van hem ging kon zeker zijn, dat hij nieuwe denkbeelden, soms ook nieuwe plannen mede naar huis bracht.

Op die wijze heeft Fruin zijn academisch onderwijs dienstbaar gemaakt voor velen, want er waren er niet weinigen, die de dictaten, welke op zijne colleges door trouwe bezoekers waren gemaakt, later als handboeken voor allerlei doeleinden gebruikt hebben.

Vier en dertig jaar heeft hij zoo zijn academisch werk gedaan, op zijne wijze, zonder te vragen, hoe anderen deden, met name hoe het in het buitenland, in Duitschland vooral, werd gedaan, maar ook zonder te vergen dat anderen zijne wijze zouden navolgen. Dien eisch stelde hij trouwens nimmer; hij liet zijnen leerlingen volle vrijheid; nooit drong hij bv. iemand een onderwerp voor eene dissertatie op. En evenmin duidde hij het

[p. 27]

zijnen leerlingen euvel, die op den duur geen vrede hadden met de korte monographieën, waar hij de voorkeur aan schonk, en boeken schreven. Hij moedigde dat niet aan, maar hij ried het nimmer af, tenzij hij reden had om aan te nemen, dat eene taak werd beproefd, die te machtig was voor de krachten van hem die het ondernemen wilde. Maar op één punt was hij, ik zou haast zeggen onverbiddelijk. Wie een werk ondernam, moest dat z.i. doen, omdat hij er zich toe gedrongen gevoelde, nimmer omdat een uitgever het had voorgesteld en hem een betrekkelijk hoog honorarium had geboden. Voor geld schrijven stond hem tegen. 't Is waar, dat hij zelf het nimmer noodig had.

Behalve voor zijne leerlingen heeft Fruin ook voor eene groote schaar van anderen die zich met geschiedenis bezig hielden als gids en raadsman gediend. Hij werd als 't ware de leider der geschiedkundige studiën in ons land. Zelfs aanhangers van richtingen, die rechtstreeks tegen de zijne overstonden, plachten hem te raadplegen, en bij hem geen minder goede ontvangst te vinden dan anderen. Dat heeft hem evenzeer als zijne wetenschappelijke onpartijdigheid de algemeene achting verschaft, die zoo duidelijk aan den dag kwam, toen hij in 1885 zijn vijfentwintig-jarig professoraat herdacht. Bijna met verwondering vervulde hem de algemeene deelneming, die hij toen ondervond in allerlei kringen. Hij was niet dan met moeite er toe gekomen om dien dag feestelijk te herdenken. Maar toen hij bemerkte hoevelen er waren, die toen uiting gaven aan hunne vereering voor hem, toen hij ontdekte hoezeer hij werd gewaardeerd, toen deed het hem goed dat hij het gedaan had. Het feest van 1 Juni 1885 heeft hem, die nog gebukt ging onder de zware verliezen, welke hij in de laatste jaren had ge-

[p. 28]

leden, weder opgericht, hem gesterkt en als met nieuwen levensmoed vervuld. Maar ijdel heeft het hem niet gemaakt, evenmin als de eerbewijzen en het huldebetoon, die hij later, vooral bij zijn aftreden, mocht ontvangen.

Dat aftreden viel hem zwaar, want hij voelde zijne krachten nog onverzwakt. De ouderdom was hem onmerkbaar genaderd, en zelfs toen hij gevoelde dat zijne physieke krachten afnamen, bleef hij even geschikt voor zijn arbeid als schrijver en vorscher, dien hij even rustig voortzette als voorheen. Vijf jaren mocht hij dat doen. Toen kwam het einde, bijna plotseling, na een ziekbed van slechts veertien dagen, op den 29sten Januari 1899. Hij was vijf en zeventig jaar oud geworden, maar slechts enkele werken uit zijn laatste jaren dragen blijken van geschreven te zijn door een oud man, zoo min als een zijner eerste opstellen den stempel draagt van geschreven te zijn door iemand, die aan het begin van zijn loopbaan stond. Het Voorspel zou niet veel anders zijn geweest, als het uit zijn laatsten tijd dateerde, zijn Merula niet, als het vóór de aanvaarding van het professoraat was opgesteld.

Van zijne werkzaamheid als geschiedschrijver een eenigszins voldoend overzicht te geven zou zooveel tijd vereischen, dat daarvan hier geen sprake kan zijn. Slechts over enkele zijner grootere geschriften kan ik hier handelen; sommige liggen te veel buiten mijn arbeidsveld, dan dat ik het zou wagen er over te spreken. Een aantal bv. was gewijd aan een tak der historische wetenschap, die gewoonlijk eene geheel bijzondere studie vereischt, als 't ware een geheelen mensch noodig heeft, de oude rechtsgeschiedenis. Die studie, tot welke hij als van zelf was gekomen, en zonder welke de kennis der Middeleeuwen zoo goed als allen grondslag mist, had hem altijd aan-

[p. 29]

getrokken. Zij paste zoo goed bij zijne neiging om zich van elk historisch verschijnsel rekenschap te geven en vooral de oorzaak uit te vorschen, zich een toestand uit het verleden duidelijk voor oogen te stellen. Zij paste ook zoo goed bij zijne voorliefde voor kritisch onderzoek van bronnen, eene voorliefde, die hem ook tot bibliograaf maakte, reeds van den aanvang zijner werkzaamheid op het gebied onzer geschiedenis. En zoo was het ook met meer vakken, die voor de geschiedenis hulpwetenschappen zijn, met de geschiedenis van de taal bv. Er zijn geschriften van hem, die eerder van een jurist, een philoloog of een bibliograaf afkomstig schijnen dan van een geschiedschrijver. Soms schijnt de omvang van het onderzoek, ook bij zuiver historische onderzoekingen, kwalijk in verhouding te staan tot de zaak, waaraan het besteed is. Dat bewijst, dunkt mij, dat hij een dergelijken arbeid ondernam om den arbeid zelven, niet om het belang, dat die arbeid voor de wetenschap had. Stiet hij op een vraagstuk, dat niet wel oplosbaar scheen, dan rustte hij niet, eer hij het opgelost had, of althans zoo nabij de oplossing gekomen was, als men met de voorhanden gegevens kon komen. En dan was het voor hem in zekeren zin hetzelfde, welk onderwerp het onderzoek gold. Die voorliefde was ook een der vele redenen, die hem altijd weder tot nieuwe onderzoekingen voerden, maar hem verhinderden, ernstig te denken aan het in grootere werken samenvatten van zijne uitkomsten. Voor het generaliseeren achtte hij, ik merkte het reeds op, bij de geschiedenis van Nederland den tijd nog niet gekomen, hij deed het alleen op zijne colleges, waar hij uitsluitend de vruchten van zijn arbeid had mede te deelen, en ik geloof haast dat hij het daar alleen deed omdat hij het doen moest, niet omdat hij er behagen in schepte.

[p. 30]

Niet lang nadat Fruin zijn professoraat had aanvaard, was Motley's History of the United Netherlands, de voortzetting van diens eerste werk, begonnen te verschijnen. Fruin vond er aanleiding in om het tijdperk van Leicester op dezelfde wijze te behandelen als het eerste tijdperk van den strijd met Spanje. Reeds in 1862 bracht De Gids de uitkomsten zijner studie onder de oogen van het Nederlandsche publiek, onder den weinig zeggenden titel Motley's Geschiedenis der Vereenigde Nederlanden. Het geschrift is in vele opzichten een tegenhanger van het Voorspel, maar er is dit eene onderscheid bij, dat Fruin hier zoo goed als geen rekening had te houden met wat anderen hadden geschreven. Want de tijd van Leicester is betrekkelijk zeer weinig behandeld en was eerst door de Leicester-romans van Mevrouw Bosboom-Toussaint in eenigszins wijder kring bekend geworden. Fruin heeft aan den historischen zin van onze beroemde schrijfster eene alleszins verdiende hulde gebracht. Hij achtte het een merkwaardig feit, dat, bij alle vrijheid, die zich de romanschrijfster mocht veroorloven, toch de tijd zelf, en de motieven der handelende personen beter tot hun recht kwamen in haar werk dan in dat van den beroemden geschiedschrijver, die nimmer een helder begrip heeft weten te verkrijgen van de samenstelling en werking onzer instellingen.

In de eerste jaren van zijn professoraat heeft Fruin natuurlijk veel moeten werken voor zijne colleges. Waarschijnlijk is het daaruit te verklaren, dat uit die jaren weinig grootere geschriften van hem te vermelden zijn. Hij schreef toen wel een aantal boekbeoordeelingen en kleinere, enkele punten ophelderende geschriften, sommige van groote waarde, niettegenstaande hunnen geringen omvang, maar geen, die ik hier, waar ik noodzakelijk

[p. 31]

eene keuze moet doen, behoef te vermelden. Alleen voor één meen ik eene uitzondering te moeten maken, voor zijne voordracht in de Koninklijke Academie van Wetenschappen, die hem reeds vóór zijn professoraat onder hare leden had opgenomen, Over Philips van Leiden en zijn werk De cura reipublicae et sorte principantis. Vooral, omdat die voordracht het bewijs leverde, hoe diep hij reeds toen was doorgedrongen in de kennis onzer Middeleeuwen.

Het onderwerp was een dat hem bijzonder moest aantrekken. Want het was nieuw en het was moeilijk; er waren zeker maar zeer weinigen, die er eenigszins nader mede bekend waren, en het vereischte eene groote scherpzinnigheid, het stelde zijn talent van uitvorschen op eene zware proef. De ware meening van den schrijver kon toch alleen reeds door de taal, waarin deze schreef, het veertiende-eeuwsche Latijn, en nog meer door de gebrekkigheid van de vroegere uitgaven, zeer dikwijls zoo goed als raadselachtig heeten. Dat waren bezwaren, die Fruin niet minder aantrokken dan de nieuwheid van het onderwerp. Het geheele stuk draagt dan ook het kenmerk van met groote voorliefde bewerkt te zijn. Het was de eerste vrucht van Fruin's studie op het gebied der Nederlandsche, of liever der Hollandsche Middeleeuwen. Want, 't is weder merkwaardig kenschetsend voor Fruin's neiging om bij alle veelzijdigheid zich te concentreeren, hij heeft voor de Middeleeuwen bijna uitsluitend werk gemaakt van de geschiedenis en van de toestanden en instellingen van Holland en Zeeland; de andere gewesten bestudeerde hij betrekkelijk weinig, slechts in zoover als noodig was voor zijne academische lessen of ter vergelijking met Holland.

Hetgeen het opstel over Philippus à Leidis zoo bijzonder belangrijk maakt is, dat daarin in korte trekken de denkbeelden van die Nederlandsche legisten worden aangeduid,

[p. 32]

die de begrippen hadden overgenomen van de Fransche dienaren van Philips den Schoone en diens opvolgers, de begrippen van het Romeinsche recht en van de absolute monarchie als den natuurlijken staatsvorm, en die toepasten op de Nederlandsche toestanden. 't Was de leer, die, onder de Bourgondiers verder uitgewerkt en toegepast, eindelijk hare bekroning vond in het regeeringsstelsel van Karel V in de dagen van Maria van Hongarije. Geen wonder, dat Fruin voortdurend belang bleef stellen in het boek, welks inhoud hij eigenlijk voor het eerst had bekend gemaakt, en er altoos over dacht, het opnieuw uit te geven en dan op eene wijze, die het bruikbaar maakte voor iedereen, die zich met de studie van Middeleeuwsche rechts- en staatsgeschiedenis bezig hield.

Eerst in de laatste jaren van zijn leven heeft hij aan dat plan uitvoering kunnen geven. De Vereeniging tot uitgave van vaderlandsche rechtsbronnen maakte dat mogelijk, en hij vond in Dr. Molhuysen een in de palaeographie ervaren medewerker. Zijn plan was, het boek van eene inleiding en noten te voorzien, niet alleen ter verklaring van den tekst, maar ook tot toelichting van de feiten. Hoeveel nut een dergelijke arbeid zou opgeleverd hebben behoeft kwalijk gezegd te worden; men behoeft zich slechts al de kleinere en grootere artikelen te herinneren, welke Fruin over Middeleeuwsche instellingen en geschiedenis heeft in het licht gegeven, om dat te beseffen. Maar het plan kwam te laat; Fruin heeft slechts het begin der uitvoering mogen beleven.

De kennis van de laatste Middeleeuwen, van den tijd van den aanvang der Oostenrijksche heerschappij, heeft zelden hier in Nederland zulk eene uitbreiding ondervonden als toen Fruin eenige jaren na het verschijnen van zijn opstel over Philippus à Leidis, in 1866 de

[p. 33]

Informacie van 1514 uitgaf, dat onschatbare monument, dat ons beter dan iets anders bekend maakt met den toestand van Holland vlak vóór het begin der Hervorming. Het was het rapport der commissie van enquête, die ter wille der nieuwe verdeeling der verponding in die jaren een onderzoek instelde naar den toestand van het gewest. Alleen reeds een stuk, dat de uitgave overwaard was, maar dat nog meer werd door de inleiding en de aanvullingen, welke Fruin er aan toevoegde. Tien jaren later bewerkte hij op gelijke wijze het rapport over de enquête, welke twintig jaar te voren met hetzelfde doel gehouden was, een werk dat te belangrijker was, omdat nu eene vergelijking tusschen de tijden van Philips den Schoone en Karel den Vijfde mogelijk werd, welke merkwaardige uitkomsten voor de kennis onzer geschiedenis opleverde. Beide malen werd dit werk gedaan in opdracht van onze Maatschappij, die door Fruin's toedoen hoe langer hoe meer werkzaam werd om haren volledigen titel gestand te doen, om niet alleen eene maatschappij van Nederlandsche taal- en letterkunde, maar ook van Nederlandsche geschiedenis en oudheidkunde te wezen.

Fruin was, behoef ik het te zeggen, met de geschiedenis onzer taal- en letterkunde vertrouwd als weinigen; dat had hij al getoond in zijn Tien Jaren en dat bleef hij toonen, niet alleen in allerlei opmerkingen, in allerlei opstellen verstrooid, maar ook in tal van zelfstandige artikelen. Voor hem waren beide vakken even onontbeerlijke hulpwetenschappen voor de geschiedenis als de oudheidkunde, of liever, als omgekeerd deze laatste en de geschiedenis het waren voor de taal- en letterkunde. Fruin's studieveld was het geheele verleden van het Nederlandsche volk, maar evenzeer als hij zich in het bijzonder bezighield met enkele tijdperken uit dat ver-

[p. 34]

leden en als hij enkele deelen van het volk of liever van het land meer in het bijzonder tot zijn onderwerp koos, zoo waren het ook enkele zijden van het volksleven, en wel in de eerste plaats het staatsleven, die hij bij voorkeur bestudeerde. Daartoe voelde hij zich bij uitnemendheid geroepen, zonder de overige zijden daarom minder te achten. Onze Maatschappij, die de studie, zoo niet van alle, dan toch van een groot aantal van de vele zijden van het volksleven binnen haren werkkring trekt, was daarom juist de vereeniging, die hij wenschte en die hij noodig oordeelde. Niet, dat hij hare werkzaamheid en inrichting volmaakt achtte, maar toch wel in zooverre, dat hij van oordeel was, dat met goeden wil en toewijding en vrijzinnige opvatting veel goeds door haar tot stand kon komen. Met gebrekkige instellingen konden menschen van goeden wil en gezond verstand groote dingen volbrengen, dat was de les, welke hij uit de geschiedenis van ons land in de eerste plaats geleerd had, terwijl zelfs de voortreffelijkste instellingen geen goed deden, als de menschen ze niet wisten te gebruiken. Vandaar dat hij, vooral bij wetgeving, weinig ingenomen was met diep ingrijpende veranderingen, al ontkende hij niet, dat die zoo nu en dan, als de tijden tot rijpheid waren gekomen, niet mochten uitblijven. Zij kwamen dan, meende hij, als vanzelf. Veel meer goeds verwachtte hij altijd van eene milde, vrijgevige toepassing van de bestaande wetten, van een niet angstvallig letten op de letter. Dat was bovenal zijne opvatting van liberalisme; daarom stond het bij hem rechtstreeks tegenover doctrinarisme en radicalisme. En mij dunkt, wie hem goed gekend heeft, zal erkennen, dat hij die denkbeelden getrouw is gebleven tot aan het einde.

Hoe het zij, in onze Maatschappij, vooral zooals zij

[p. 35]

werkzaam was te Leiden, zag Fruin een zeer geschikt middel tot bevordering en verspreiding van studie en wetenschap. De maandvergaderingen werden niet alleen trouw door hem bijgewoond, maar hij placht daar gedurig mededeelingen te doen over onderwerpen, die hem het laatst bezig hadden gehouden, altijd voor zoover die belang konden inboezemen aan anderen dan vakgenooten, terwijl hij gewoon was aan de discussie ijverig deel te nemen, zoodra die onderwerpen betrof, waaromtrent hij eene eigen meening had of zich wilde vormen. En in onze Historische Commissie, waarvan hij jaren lang lid was, en haast even lang, ook zonder dat hij altijd den voorzitterstoel innam, de leider, en ik mag wel zeggen de ziel, gaf hij in bijna elke vergadering het een en ander ten beste, wat hij bij zijne laatste studiën had opgemerkt. Daar eerst kwam die verwonderlijk uitgebreide kennis van de historische letterkunde, in haren ruimsten zin, aan den dag, welke hem tot een zoo ongeëvenaard kenner der geschiedenis maakte. Die kennis hing nauw samen met zijne reeds vroeger door mij opgemerkte voorliefde voor bibliographie. Maar die voorliefde werd nooit eene hem overheerschende liefhebberij. Fruin hield wel veel van oude boeken, doch niet omdat zij oud, maar omdat zij om de een of andere reden belangrijk waren. Hij verzamelde wel, doch hij was geen verzamelaar. Hij was volstrekt niet tevreden met het bezit van een merkwaardig oud boek, hij moest er gebruik van kunnen maken; hij was er daarom veel meer op uit om dergelijke boeken in openbare bibliotheken te plaatsen, dan om ze zelf te hebben. Vóór alles wilde hij dat men zou weten wat er was. Vandaar dat hij zooveel belang stelde in het beschrijven en catalogiseeren van verzamelingen, vandaar dat hij zoo ijverig deel heeft genomen aan het

[p. 36]

samenstellen der repertoriën voor de vaderlandsche geschiedenis, welke onze Maatschappij, voor een goed deel onder zijne leiding, heeft uitgegeven.

Ik spreek hier niet over de vele andere diensten, die hij haar heeft bewezen, over zijne leiding harer werkzaamheden, als hij lid van het bestuur of voorzitter was. Ik herinner er ook niet aan, hoe hij haar bibliotheek verrijkt en haar kas in zijne uiterste wilsbeschikking bedacht heeft. Want dat zijn algemeen bekende dingen. Maar hier, waar ik als lid het leven van mijn medelid moet schetsen, kan ik niet nalaten uit te spreken, dat onze Maatschappij zeker weinige leden heeft bezeten, die zooveel voor en in haar gedaan hebben als Robert Fruin.

Thans keer ik terug tot Fruin's werkzaamheid als geschiedschrijver. Kort nadat de Informacie verschenen was, in 1867, werd hij betrokken in den strijd, waar bijna iedereen, die zich bezig houdt met de geschiedenis van Nederland in de zestiende eeuw, vanzelf in gemengd wordt, den strijd over den aard der beweging, waar de Republiek uit geboren werd. Want daaromtrent hebben de katholieke schrijvers eene zoo geheel eigenaardige opvatting en plegen zij die opvatting op zoo eigenaardige wijze te handhaven, dat geen andersdenkende daar voortdurend vrede mede kan hebben. Reeds in het Voorspel had Fruin soms tegen die opvatting en vooral tegen de wijze, waarop die verdedigd werd, verzet aangeteekend, even goed als Groen van Prinsterer en Bakhuizen van den Brink dat zoo nu en dan gedaan hadden. Maar toch was hetgeen hij gezegd had zoo dikwijls als eene verdediging van het goed recht der katholieke overheid tegenover de anti-katholieke beweging opgevat, dat hij door mannen als Van Vloten daarover niet onduidelijk was terecht gezet en hij zeker menigen protestant eenigermate ge-

[p. 37]

ërgerd had. En nog in 1865 had hij zijne onpartijdigheid getoond door in zijn Gidsartikel De Gorcumsche martelaren, den katholieken alle recht te laten wedervaren. In hetzelfde jaar echter was geschied, wat Fruin zelf zoo dikwijls hoogst wenschelijk had genoemd; tegenover het protestantsche en liberale werk van Motley hadden de katholieken een ander werk van hunne zijde gesteld: de Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten van Nuyens. Fruin begroette dat werk in een Gidsartikel met onmiskenbare ingenomenheid, doch hij kon niet achterwege houden dat er veel in stond wat hij niet alleen niet kon beamen, maar dat hij ook niet kon goedkeuren, al trachtte hij ook nog zoozeer zich in te denken in de positie van een katholiek historieschrijver. Tegen enkele voorstellingen kwam hij ernstig op, met name tegen de wijze waarop Prins Willem I werd beoordeeld.

Doch weldra gebeurden andere dingen. Met het volgende jaar, 1868, begon eene reeks van gedenkdagen, die het Nederlandsche volk als herinneringen aan de groote daden uit den strijd voor de onafhankelijkheid had te vieren. Die gedenkdagen golden den katholieken echter in de eerste plaats als herinneringen aan de zegepraal van de ketterij. En daarom protesteerden zij tegen het vieren er van. Een dier protesten, eene rede van den abbé Brouwers over de viering van den slag bij Heiligerlee, had eene kritiek van Groen van Prinsterer uitgelokt, die weder aanleiding gaf aan Nuyens om zich in den strijd te mengen. De toen door laatstgenoemden tegen Lodewijk van Nassau ingebrachte beschuldiging, als zou deze aan den beeldenstorm medeplichtig zijn geweest, deed Fruin de pen opvatten om in De Gids zijne Proeve van historische kritiek te schrijven, waarin hij krachtig optrad tegen de wijze, waarop de katholieke geschiedschrijvers hunne

[p. 38]

zaak bepleitten. Van toen af heeft hij dat herhaaldelijk gedaan, in verschillende grootere en kleinere opstellen. Nog in het laatst van zijn leven deed hem het proces van Angelus Merula eene lans breken (want dit was een strijd, die met alle hoffelijkheid gevoerd werd) met Prof. Hensen, terwijl hij even te voren op minder vriendelijke wijze met pastoor Klönne was slaags geweest naar aanleiding van Amsterdams overgang in 1578. 't Zou veel te veel plaats innemen, wanneer wij hier al de opstellen van grooter en kleiner omvang wilden bespreken, welke aan dat verschil van opvatting hun ontstaan te danken hebben. Maar zij nopen van zelf tot de beantwoording der vraag, waarom Fruin zich in een strijd wierp, die, bij de eigenaardige vechtwijze zijner meeste tegenstanders, onmogelijk (dat wist hij zelf het best) tot eene beslissing kon leiden.

Vergis ik mij niet, dan was het in de eerste plaats Fruin's wetenschappelijk geweten, dat hem aandreef. Hij kon geen vrede hebben met de wijze van argumenteeren, welke de katholieke schrijvers gewoonlijk toepasten. Hun standpunt eerbiedigde hij gaarne, en hij begreep volkomen, dat zij het met hun geweten niet konden overeenbrengen, zich door de redeneeringen van niet-katholieken te laten overtuigen. En wanneer zij uitsluitend op dit standpunt waren blijven staan, dan zou hij het nutteloos zoowel als noodeloos geacht hebben hen te bestrijden. Maar dit plachten zij, naar hij meende, niet te doen; zij deden altoos pogingen om degenen, wier handelingen zij veroordeelden, voor te stellen, niet alleen als ketters, maar ook als slechte, misdadige menschen, die niet alleen van het standpunt der Kerk, maar ook van dat der gewone moraal moesten veroordeeld worden. En om dat te kunnen doen, deden zij in zijn oog de waarheid en de weten-

[p. 39]

schap geweld aan. Ja nog erger, zij trachtten te bewijzen, dat de handelingen der verdedigers der Kerk niet alleen voor de gewone moraal veel minder veroordeelenswaardig waren dan die harer tegenstanders, maar ook veel meer aanspraak hadden op den eerbied en de bewondering van iedereen, katholieken of niet, terwijl die harer tegenstanders meestal indruischten tegen de algemeene menschelijke moraal en zelfs tegen die, welke dezen uitdrukkelijk heetten te verdedigen, dat bv. Alva veel meer de verdraagzaamheid betrachtte dan Willem I. Dat was het, dunkt mij, wat hem warm maakte en wat hem herhaaldelijk de pen als in de hand dwong. Dat is het zeker geweest, wat hem ook noopte in 1872 zijn bekend Gidsartikel te schrijven Galilei en de onfeilbare Kerk. Want daar is kenlijk niet het uiteenzetten van den loop van het bekende proces de hoofdzaak, de veroordeeling der wetenschap door de Kerk op een punt, waaromtrent de Kerk zelve later is gekomen tot eene volkomen erkenning van de waarheid van hetgeen zij eenmaal veroordeeld had, maar wel het bestrijden van de wijze, waarop katholieke schrijvers zoeken te bewijzen, dat het niet de onfeilbare Paus als hoofd der onfeilbare Kerk is geweest, die de veroordeeling had uitgesproken, maar eene feilbare congregatie van kardinalen. Die argumentatie achtte Fruin kenlijk dezelfde als die, welke hij voortdurend bij de katholieke schrijvers tegenkwam, en die hem zoozeer tegen de borst stuitte.

Zonder twijfel was het ook zijne warme vaderlandsliefde, die hem aandreef. Hij kon niet zwijgen, wanneer over de helden van het voorgeslacht geschreven werd op eene wijze, die in zijn oog lasterlijk was. Zijne wetenschappelijke overtuiging en zijne vaderlandsliefde drongen hem beide om aan het Nederlandsche volk de toedracht

[p. 40]

en den aard der gebeurtenissen voor te stellen, zooals zij z.i. gebleken waren uit het streng wetenschappelijk onderzoek, en om het de oogen te openen voor de wijze, waarop de katholieke schrijvers dikwijls met de uitkomsten van dat onderzoek plachten om te springen, ten einde te bewijzen, dat hunne meening de eenige juiste was. Hij meende daar te meer toe gerechtigd, ja geroepen te zijn, omdat hij het lijden der katholieken tijdens den opstand nimmer ontkend had, omdat hij steeds getoond had een open oog voor hun geloofsmoed en eerbied voor hunne geloofsovertuiging te hebben. En nog meer, omdat hij erkende, dat de behandeling, welke de katholieken sedert de zegepraal der Hervorming hier te lande hadden ondervonden, in vele opzichten onbillijk was. Maar hoezeer hij dit ook erkende, hij beweerde toch ook, dat de klachten over die behandeling veelal schromelijk overdreven en zeer dikwijls misplaatst waren, omdat bij die klachten geen rekening werd gehouden met de omstandigheden, en met de dingen welke er aanleiding toe gaven. Ook hier veroordeelde hij dat meten met twee maten, wat hij zijnen katholieken tegenstanders steeds als hunne groote fout voorhield. Wie eenigszins met Fruin's geschriften bekend is begrijpt dat ik hier het oog heb op zijn opstel De wederopluiking van het katholicisme, dat in 1894, naar aanleiding van Knuttel's boek over den toestand der katholieken tijdens de Republiek, in De Gids verscheen. Hij kon hier zijn standpunt van onpartijdigheid in den zin, als hij die opvatte, getrouw aan zijn, in zijne intreerede ontvouwd en in al zijne werken vastgehouden programma, des te beter en duidelijker blootleggen, omdat hij geen polemiek en in vele opzichten ook geen kritiek te voeren had, omdat hij slechts slotsommen behoefde te trekken uit de feiten, door hem of anderen aan het

[p. 41]

licht gebracht en door niemand weersproken. Hoewel niet alle katholieken vrede hadden met zijne slotsommen, gaf het stuk toch zoover ik weet, geen aanleiding tot polemiek.

Gelukkig was het lang niet altijd de drang om op te komen tegen de argumenten en de voorstelling van anderen, die Fruin aan het werk deed gaan, om over de geschiedenis der Republiek op allerlei punten licht te verspreiden. Dat strijden lag eigenlijk niet in zijne natuur; hij eerbiedigde veel te gaarne de begrippen van anderen, om dergelijke kritiek te voeren. Vandaar dat hij eigenlijk een hekel had aan recenseeren en dat ook op den duur gaarne van zich afschoof, zoodat latere beoordeelingen van zijne hand gewoonlijk historisch-kritische opstellen werden over het onderwerp, dat in het besproken boek behandeld was. Zoo heeft de uitgave van de correspondentie tusschen Prins Willem I en Wesenbeke door den heer van Someren den stoot gegeven tot eene reeks allerbelangrijkste opstellen over Prins Willem, waarvan echter slechts één in druk is verschenen en de beide andere, in meer of min afgewerkten toestand, in zijne nalatenschap gevonden zijn.

Dat hij er ooit aan gedacht zou hebben om de werkzaamheid van den man, dien hij, hoe ouder hij werd, des te meer leerde waardeenen als den vader des vaderlands, in eene geheele reeks opstellen te schetsen, acht ik onwaarschijnlijk. Maar hij wilde wel iets dergelijks doen ten opzichte van een der belangrijkste episodes uit die werkzaamheid, de voorbereiding tot de omwenteling van 1572, waarover hij geloofde in staat te zijn veel nieuws te kunnen mededeelen. Toen dan ook de bovengenoemde briefwisseling was uitgegeven, vond hij er niet alleen aanleiding toe om in een Gidsartikel de geschiedenis van het jaar 1570 te schetsen, maar ook om alle bouw-

[p. 42]

stoffen bijeen te brengen, die dienen konden voor daaraan aansluitende opstellen over de volgende jaren. Het eerste daarover, over het jaar 1571, had hij nagenoeg gereed; slechts een gedeelte had nog eene laatste omwerking noodig. Maar van dat over 1572 heeft hij slechts een klein gedeelte in een vorm gebracht, die leesbaar is; verder is slechts eene massa aanteekeningen over. Een gedeelte daarvan heeft gediend voor eene op de eerste algemeene vergadering van het Historisch Genootschap te Utrecht gehouden voordracht over Alva's winterveldtocht in 1572, waarvan het verslag, door hem zelven nagezien en goedgekeurd, eenigszins als zijn tekst kan gelden. Maar het meeste kan, helaas, niet in zijne Verspreide Geschriften worden opgenomen, omdat het in geen leesbaren vorm was gebracht. Dit is te meer te bejammeren, omdat hij over het leven en werken der Nederlandsche ballingen in die jaren veel had gewerkt en wij dus anders in het bezit zouden zijn gekomen van al de vruchten van zijn arbeid over dat tijdvak. Want wie zijn opstel, in het Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis van 1895, De Voorbereiding in de ballingschap van de Gereformeerde Kerk in Holland kent, begrijpt, hoeveel nieuws hij over dien tijd had mede te deelen.

Gelukkiger zijn wij ten opzichte eener andere episode uit die periode. Toen het gedenkfeest van het ontzet van Leiden genaderd was, had Fruin zich met twee andere leden der Historische Commissie onzer Maatschappij, Hooft van Iddekinge en Rammelman Elsevier, vereenigd tot het uitgeven van de oude verhalen over het beleg en ontzet. Aan die herdrukken heeft hij als inleiding eene studie over die geschriften toegevoegd, die, dunkt mij, als een model van historische bibliographie kan gelden.

[p. 43]

De arbeid, dien hij daaraan had besteed, had hem opgewekt om na te gaan hoe de geschiedenis van deze merkwaardige gebeurtenis, die al zoo dikwijls met onvoldoende kennis door anderen was beschreven, er uitzag, als die verhalen met de andere bronnen, waarover men thans beschikte, werden in verbinding gebracht. Daaraan heeft het boekje Het beleg en ontzet van Leiden zijn ontstaan te danken; het is nog in hetzelfde jaar verschenen en, om zoo te zeggen, het laatste woord der wetenschap over dit onderwerp. Altijd in zooverre als hetgeen uit later ontdekte bronnen geput wordt niet noopt tot wijziging van voorstelling. Hoezeer dat op allerlei ondergeschikte punten reeds het geval is, blijkt uit de menigte aanteekeningen, die Fruin in zijn handexemplaar maakte. Want niemand was minder dan hij geneigd om het onderzoek over eenig onderwerp gesloten te verklaren, zelfs al was dit onderwerp betrekkelijk van ondergeschikt belang, en al had hij het, om zoo te zeggen, van alle zijden bekeken, zooals bv. met het onderzoek omtrent Valdez en Magdalena Moons het geval was, dat als 't ware tot eene eerste aanvulling van de studie over het beleg diende. Dergelijke kleinigheden achtte hij, zooals ik boven al opmerkte, niet beneden zich, misschien ook wel voor een deel, omdat hij het noodig achtte ook het kleine en schijnbaar onbelangrijke goed te kennen, daar elke valsche voorstelling zoo licht tot andere valsche voorstellingen, tot verkeerd begrijpen van het verleden leidt.

De werkzaamheid van Prins Willem in de bange jaren tusschen het ontzet van Leiden en den door Requesens' dood en de groote muiterij der Spaansche soldaten mogelijk geworden omwenteling van 1576 is door Fruin geschetst in een der weinige opstellen, die hij als feestgave heeft

[p. 44]

geschreven en Prins Willem in onderhandeling met den vijand over vrede 1572-1576 getiteld is. Het is in 1873 verschenen in In Memoriam, Tafereelen uit Hollands Tachtigjarigen strijd. Vergeleken met andere schijnt dit stuk eenigszins mat en gerekt; men kan zien, dunkt mij, dat Fruin het niet uit innerlijken drang heeft geschreven, maar om den uitgever A.C. Kruseman genoegen te doen. Toch is er aan de uitnemende hoedanigheden van den Prins, als leider van den opstand, volle recht wedervaren, en een helder licht geworpen op den toestand van dien tijd.

Het latere leven van den Prins heeft hem nimmer tot dergelijke beschouwingen gevoerd, hoe goed hij dat ook kende. Alleen diens dood heeft hem meermalen de pen doen opvatten, niet alleen toen hij in 1884, bij de driehonderdjarige gedachtenisviering, een artikel schreef over de oude verhalen over den moord, die door Frederiks werden uitgegeven, maar ook op andere tijden, als hem bewijsstukken in handen kwamen omtrent de wijze, waarop de katholieken van dien tijd den moord opvatten. Of deze beperking in het handelen over het onderwerp, dat hem zoo bijzonder ter harte ging, haren oorsprong daarin had, dat hij zich gedurende langen tijd meer tot de zeventiende eeuw gewend had? Soms zou men het haast vermoeden. Want op dat veel minder ontgonnen veld heeft hij in die dagen buitengewoon veel gearbeid, vooral in de papieren van Johan de Witt, wiens onuitgegeven brieven hij grootendeels, in hun geheel of bij gedeelten, zelf had overgeschreven en overigens had geëxcerpeerd. Maar niet minder dan in de archivaliën was hij in de litteratuur over dat tijdvak te huis. Dat toonde hij nimmer beter, dan toen hij in 1879 voor onze Maatschappij Droste's Overblijfsel van geheugenis uitgaf, eene berijmde

[p. 45]

autobiographie van een voornaam Nederlander, wiens leven haast de geheele eeuw vulde. Want aan dat op zichzelf ongelooflijk vervelend boek wist hij een buitengemeen belang bij te zetten, door er een geheel deel aanteekeningen aan toe te voegen, waarin een schat van bijzonderheden vervat zijn over tal van gebeurtenissen en, bovenal, tal van personen uit dien tijd, die menig later schrijver misschien met dankbaarheid zal gebruiken.

Wat deel der zeventiende eeuw Fruin het best kende, zou ik niet durven beslissen. Letten wij alleen op hetgeen hij geschreven heeft, dan zou men zeggen, den tijd van Willem III. Maar er zijn bewijzen te over, dat hij evenveel, zoo niet meer werk had gemaakt van dien van Johan de Witt. Niet dat hij dezen zoo buitengemeen bewonderde. Hij stelde hem integendeel ver beneden Oldenbarnevelt, dien hij in zijn Tien Jaren den grondvester der Republiek heeft genoemd. Hoezeer hij dezen waardeerde is genoeg gebleken uit den strijd over het proces van den advocaat, dien hij in de Koninklijke Academie van Wetenschappen tegen Van den Bergh voerde, en ook uit tal van andere geschriften. Evenwel was hij er verre van af de staatkunde van den advocaat, met name in den tijd der godsdienstgeschillen, en daden als de Scherpe Resolutie onverdeeld goed te keuren of diens karakter te verheerlijken. Maar hij had grooten eerbied voor de kloekheid en het groot politiek talent, voor den ruimen en scherpen blik, waarmede Oldenbarnevelt steeds, vooral in de buitenlandsche betrekkingen, het juiste punt wist te kiezen. Ik herinner maar aan de wijze, waarop hij op zijn college aantoonde welk een onvergelijkelijken dienst de advocaat het land bewees, door de inlossing der pandsteden en het weren der Engelsche inmenging, en van hoe buitengemeene handigheid deze

[p. 46]

daarbij blijk gaf. Veel minder was Fruin over Hugo de Groot te spreken, wiens geschriften, niet minder dan zijn leven, dikwijls een onderwerp van zijne studie hebben uitgemaakt en wiens nieuw gevonden werk: De jure praedae, hij in een belangrijk Gidsartikel aan het publiek bekend maakte. Maar hij verheelde zich de gebreken niet van den grooten geleerde, die door zijne positie gedwongen was als staatsman op te treden en zich zelven zeker daarvoor hield. Evenmin trok Maurits hem aan, wiens eerste veldtochten hij met zooveel voorliefde geschilderd had in zijn Tien Jaren en aan wiens zegepraal bij Nieuwpoort hij een eigen opstel wijdde. Maar hem hinderde het, dat er uit dien tijd zoo weinig persoonlijke herinneringen bewaard waren. Vandaar dat hij zelfs een boek als de Annalen van Dusseldorp van zóóveel belang achtte, dat hij zelf de moeite nam om het uit te geven, of liever, om er dat van uit te geven, wat hij het uitgeven waardig achtte. Want hoe belangrijk hij ook vele mededeelingen van den schrijver vond, een nog grooter deel van diens werk kwam hem volstrekt onbeteekenend voor, vooreerst omdat het onvermijdelijk was dat in eene opteekening van alles wat er gebeurde, natuurlijk veel stond, wat reeds lang en ook reeds veel beter bekend was, maar ten tweede omdat zoomin de talenten als het karakter van den schijver hoog genoeg stonden om aan diens uitspraken en mededeelingen veel waarde te hechten. Zoodoende gelukte het hem om de uitgave te beperken binnen den omvang van een enkel, niet al te dik boekdeel, dat in 1894 de derde serie der Werken van het Historisch Genootschap opende.

Die wijze van uitgave was zoo ongewoon (men zou haar bij ieder ander willekeurig noemen), dat Fruin zich genoopt zag er reden van te geven in zijne breedvoerige

[p. 47]

inleiding, waar hij niet alleen het leven en den persoon van den schrijver als karakteristiek voor den tijd schetste, maar ook over zijn werk tal van kritische opmerkingen ten beste gaf, die bij het gebruik noodzaaklijk moeten worden in het oog gehouden, wil men dat gebruik dienstbaar maken aan de kennis der geschiedenis.

Heel weinig heeft Fruin over den tijd van Frederik Hendrik geschreven. Zijne colleges leveren bewijs genoeg, dat het niet was, omdat hij er niet zoozeer als in andere deelen der zeventiende eeuw in te huis was. Maar dat hij een tijd goed kende, was nog geen reden voor hem om er over te schrijven. Daartoe, ik zeide het reeds, was haast altijd eene aanleiding van buiten noodig, of het moest zijn, dat hij op een onderwerp stiet, dat zijns inziens tot nog toe zoo onvoldoende in 't licht gesteld was, dat hij zich verplicht gevoelde, zijne eigene voorstelling er van aan het publiek mede te deelen. Dat zou, wisten wij het niet van elders, reeds blijken uit hetgeen hij over den tijd van Willem II, Johan de Witt en Willem III in het licht gaf. De politiek van den eersten in 1650, vooral diens nauwe aansluiting aan Frankrijk maakte gedurig een punt van onderzoek voor hem uit, en heeft hem ook een paar malen aanleiding gegeven tot het schrijven van opstellen, waarin hij enkele bijzonderheden in een nieuw lieht stelde. Natuurlijk in zijne Bijdragen, waar hij, sedert hij de redactie had op zich genomen, gewoon was, alles te plaatsen, wat te speciaal scheen voor het publiek van De Gids; slechts zeer enkele malen week hij van die gewoonte af. Hoe groot belang dit aan de tweede en vooral de derde serie der Bijdragen verleent, 't is toch te bejammeren, want dit tijdschrift heeft nimmer een grooten kring van lezers gehad. Dat is de reden geweest, dat de zeer belangrijke verhandeling Het

[p. 48]

proces van Buat, die Fruin er in 1882 in uitgaf, niet meer algemeen bekend is geworden. En toch had deze dat wel verdiend, want de uitkomsten van Fruin stonden vrij wel rechtstreeks tegenover die, welke algemeen ingang hadden gevonden, een van die vele bewijzen, dat hij geheel onpartijdig stond tegenover de oude partijverhoudingen. Van een schrijver uit eene vroegere periode zou men zich kwalijk kunnen voorstellen, dat de verdediger van de houding van de Witt en de zijnen tegelijk Willem III zou vrijpleiten van schuld aan den op hem en zijn broeder gepleegden moord, zooals hij, niet met algemeene instemming, in 1867 in De Gids had gedaan. Mogelijk, zeker, is het, dat hij dat in de dagen, toen hij Buat's proces besprak, niet zoo gaarne gedaan zou hebben. Want juist toen had hij, in vereeniging met generaal Knoop, de verhandelingen laten herdrukken, die beiden over eene andere schuld van Willem III in de Koninklijke Academie hadden voorgedragen.

Dat is voor Fruin eene moeilijke episode geweest uit zijn wetenschappelijk leven. Knoop had in de Januarivergadering van 1877 de vraag behandeld, of Willem III bekend was met het sluiten van den vrede van Nijmegen tusschen de Staten en Frankrijk, toen hij den slag bij Saint Dénis leverde, en was tot de slotsom gekomen, dat dit wel het geval was geweest. Fruin had toen beloofd de zaak te zullen onderzoeken en was tot eene tegenovergestelde uitkomst gekomen, welker redenen hij in de volgende Maart-vergadering in den breede uiteenzette, nog eenmaal een overzicht gevende van al wat met deze vraag samenhing. Hij beriep zich vooral op het feit, dat wel is waar vele omstandigheden Willem konden doen besluiten, dat de vrede reeds geteekend kon wezen, maar dat hij daarvan geen zeker bericht had, terwijl een

[p. 49]

langer uitstellen van den slag allernadeeligste gevolgen had kunnen hebben, ingeval de vrede eens niet tot stand was gekomen. Hij meende dus te mogen aannemen dat Willem te verontschuldigen was, vooral omdat tegenover diens eigen verzekering aan Fagel, dat hij voor God kon getuigen van het teekenen van den vrede niet geweten te hebben, geen enkele beslissende getuigenis van eenig gezag overstaat. Knoop gaf zich toen wel niet geheel gewonnen, maar toch scheen het pleit vrijwel ten gunste van Willem beslecht. Maar wat niemand verwachtte, gebeurde. De journalen van den jongeren Huygens over de jaren 1673-78, die toen nog niet gedrukt waren, had Fruin in den loop van den zomer nagezien, en de daarin vervatte voorstelling van het gebeurde overtuigde hem dat hij gedwaald had, en dat Willem wel degelijk voldoende zekerheid had, dat de vrede gesloten was, zij het dan ook dat nog geene officieele mededeeling tot hem was gekomen. 's Prinsen plechtige verklaring kon dus alleen dan geen leugen heeten, als hij zich achter dat uitblijven van officieele tijding verschuilen wilde. Dit achtte Fruin eene handeling, een man als Willem III onwaardig, en hij rekende het daarom zijn plicht daarvan mededeeling te doen. Dat had in de volgende November-vergadering plaats. Het kostte Fruin veel. Niet omdat hij er tegen opzag te bekennen, dat per slot van rekening Knoop gelijk had gehad en hij niet, want het was zeer zeker een nieuw feit, wat hier tot revisie van het proces dwong, of liever het optreden van een nieuwen getuige, wiens kennis van het feit onwraakbaar was. Zijn wetenschappelijke naam kon dus geen schade lijden. Maar het deed hem immer leed, ‘dat de groote Willem van Oranje zich met zulk eene sophistische onderscheiding verdedigt, en dat hij het doet onder aanroepen van Gods heiligen

[p. 50]

naam.’ Voor Fruin heeft het verkrijgen van die overtuiging gelijkgestaan met het verlies van eene dierbare illusie. Hij ondervond het haast als een persoonlijk verlies, dat hij in den laatsten der Oranjevorsten uit den manstam van Willem I, niet meer dat eerlijke karakter kon bewonderen, dat hij hem tot nog toe had toegeschreven. Hij wilde dan ook nooit meer van de zaak hooren, en toen ik zelf nog eenmaal in een Gidsartikel de geschiedenis van den slag naging en daarbij mijne bezwaren tegen zijn oordeel uiteenzette (want zoomin als thans kon ik toen met hem op dit punt instemmen), zweeg hij daarover op eene wijze, welke mij bewees, dat hij er niet meer over spreken wilde.

Of het dit geweest is of over het geheel de betrekkelijk geringe aantrekkelijkheid van den persoon van Willem III, wat de oorzaak is van de koelheid van toon, die op te merken is in het uitgebreide Gidsartikel, dat hij jaren later aan Willem III en Engeland wijdde, durf ik niet beslissen. Zeker is dat opstel, van hoe groote kennis van de geschiedenis het ook getuigt, toch eenigszins droog, ja gerekt, meer dan de meeste zijner groote verhandelingen. Niemand zal over Willem III goed kunnen schrijven, zonder dat stuk te bestudeeren, het is zonder twijfel eene onwaardeerbare bijdrage voor onze geschiedenis, maar toch zal niemand het met dat genoegen lezen, dat de lectuur van het Voorspel of van eenig ander groot Gidsartikel van Fruin's hand verschaft. Aan het onderwerp lag het niet en ook niet aan het feit, dat Fruin niet geheel uit zich zelven tot het schrijven er van gekomen was; hij had vroeger reeds herhaaldelijk de betrekking tusschen Willem en zijne beide Engelsche ooms behandeld, zoodat hij eigenlijk slechts samenvatte en uitbreidde, met hulp van al wat er sedert over dat onderwerp was aan het

[p. 51]

licht gekomen, wat hij eertijds hier en daar had gezegd. Het opstel, dat een der meest uitgebreide is, die hij heeft geschreven, omvat bijna de geheele politieke geschiedenis van Willem III tot aan 1688 en is vooral van belang voor de kennis van het verband tusschen de buiten- en binnenlandsche zaken in de jaren 1676 tot 88. Slechts wie zoo goed als hij de roerselen der Amsterdamsche politiek van die dagen kende, kon van dien verwonderlijk gecompliceerden toestand een zoo duidelijk beeld geven. En toch zou men kunnen zeggen dat het stuk niet pakt.

Vreemd genoeg is het dat Fruin (ik merkte het al vroeger op) niet meer gebruik heeft gemaakt van al het materiaal, dat hij over de Witt had bijeengebracht. Op zijne colleges alleen placht hij van diens persoonlijkheid en werkzaamheid eene schets te geven, zooals alleen hij dat kon, die den raadpensionaris door en door kende, eene schets, die dezen teekende als het type van den Hollandschen staatsman uit de zeventiende eeuw, geen groot man, maar een oprecht vaderlander, van zeldzame verdiensten, die recht heeft op de dankbare vereering van het nageslacht. Hoe jammer, dat hij dat beeld niet op andere wijze voor ons volk heeft geschetst, dan in het Gidsartikel van 1888, Johan de Witt en zijn jongste geschiedschrijver, dat naar aanleiding van het bekende boek van Lefèvre Pontalis is geschreven. Want hoeveel belangrijks daar ook in staat, het is volstrekt niet een monumentaal stuk. Zulk eene schets van het beeld van de Witt zou, van Fruin's hand, eene hulde hebben kunnen zijn, aan dezen gebracht door het nageslacht, dat voor de twee grootste staatslieden der Republiek nimmer een gedenkteeken heeft opgericht, een verzuim, dat Fruin steeds met groote ergernis vervulde.

De achttiende eeuw kon Fruin niet aantrekken; het

[p. 52]

hinderde zijn vaderlandslievend gemoed over den achteruitgang van zijn volk te moeten spreken. Alleen over haar laatste jaren heeft hij enkele malen geschreven, eens over Van de Spiegel, onzen laatsten en niet onzen minsten raadspensionaris, naar aanleiding van Vreede's uitgaaf zijner nog nagelaten papieren, en een paar maal, als hij over Gijsbert Karel van Hogendorp handelde, wiens eigenaardige, ook typisch Hollandsche persoonlijkheid hem veel belang inboezemde. Misschien ook wel eenigszins omdat Hogendorp een Rotterdammer was, want Fruin had zijne geboortestad zeer lief en heeft veel voor hare geschiedenis gedaan, vooral voor die van haren oorsprong. Getuige een aantal opstellen in de Rotterdamsche Historiebladen en dergelijke aan de locale geschiedenis der stad gewijde uitgaven. Het was niet alleen wetenschappelijke belangstelling, die hem daartoe dreef; als men ze leest, is 't alsof men de onderzoekingen leest van iemand, die zijne familiegeschiedenis behandelt. Dien indruk ontvangt men niet van zijn voortreffelijk opstel over de stad zijner inwoning, het algemeen bekende, in 1873 verschenen Gidsartikel, Eene Hollandsche Stad in de Middeneeuwen. Dat kwam omdat Leiden hier slechts als type werd beschouwd. Maar juist daarom is het voor velen als eene openbaring van het Middeleeuwsch leven geweest. Trouwens, 't zou moeilijk zijn een stuk te vinden, zelfs onder de zijne, dat zooveel nieuws in zoo aantrekkelijken vorm geeft. Maar zoo ben ik van Hogendorp afgedwaald.

Gijsbert Karel staat als 't ware tusschen twee tijden in. Hij is de man van het ancien régime en tevens de man, die Nederland tot een eenheidsstaat heeft helpen maken. Geen wonder dat Fruin, toen de eerste deelen der, helaas zeer onvolledige, Brieven en Gedenkschriften

[p. 53]

verschenen waren, daarin aanleiding vond om deze zeer merkwaardige figuur aan het publiek nader voor te stellen, en zoowel zijne zeer belangwekkende jongelingsjaren als zijn tot nog toe nog zoo weinig bekend aandeel aan de tegenomwenteling van 1787 in Gidsartikelen toe te lichten. En een jaar later, in 1868, zag hij zich genoopt zijne voorstelling van Hogendorp's houding in 1813 tegenover die van Jorissen te stellen, en dat in het volgend jaar nogmaals te herhalen, bij de beoordeeling van Jorissen's nieuw geschrift over Van Hogendorp en Van Limburg Stirum. Waarschijnlijk zou Fruin in later jaren zich niet zoo scherp uitgelaten hebben tegenover een zoo licht geraakt man als tegen wien hij nu polemiek voerde; want hij vond niets onaangenamer dan wanneer uit een verschil in wetenschappelijke opvatting een persoonlijke strijd ontstond, en Jorissen nam nu eenmaal elke tegenspraak als eene persoonlijke beleediging op en heeft jaren lang tegen Fruin getoornd en dien toorn uitgestrekt tot de geheele Leidsche hoogeschool. Fruin was daarover eenigszins verbaasd, hij begreep het niet, maar het deed hem leed, want hij waardeerde Jorissen zeer en bewerkte bij de benoeming van een opvolger van Dozy, dat het eerst aan hem de leerstoel werd aangeboden. Maar 't moet erkend worden, dat Fruin's kritiek niet altoos van scherpte was vrij te pleiten.

Verder dan 1813 heeft Fruin wel zijne studie over onze geschiedenis uitgestrekt, maar noch op den katheder, noch in geschrifte daarover gehandeld. Hij achtte het eerste tijdvak van het Koninkrijk der Nederlanden niet alleen te dicht achter ons liggende, maar ook te weinig openliggend voor den onderzoeker om dat te doen. Hij bejammerde het, maar hij troostte zich met de gedachte, dat er nog zoo verbazend veel te doen was voor de vroegere tijdvakken.

[p. 54]

Dat laatste werd hoe langer hoe meer, naarmate ook tot zijne groote vreugde, soms ook onder zijne medewerking, het archiefwezen hier te lande meer en meer eene wetenschappelijke regeling kreeg. Hij had de archieven meest gebruikt in den ouden tijd, toen zij over 't algemeen nog zeer weinig volledig en even onvoldoende geregeld als bekend waren. In twee verzamelingen had hij zelf veel gewerkt, in het Rijksarchief, dat hij had zien groeien onder de leiding van Bakhuizen, en in het gemeente-archief van Leiden, dat toen even stiefmoederlijk werd behandeld als de meeste dergelijke instellingen. Hij stelde uit den aard der zaak veel belang in alles wat het archiefwezen betrof; maar hij wierp zich niet op als deskundige, en zijn invloed wendde hij slechts zoo nu en dan bij benoemingen aan. Toch heeft zijn onderwijs veel vrucht ook voor het archiefwezen afgeworpen. Wel is waar zijn maar betrekkelijk weinigen van wie dat genoten hadden aan archieven geplaatst geworden, maar zeer velen onder de archivarissen, ook die op andere wijs opgeleid waren, hadden zich met hem in betrekking gesteld en daardoor zijn invloed ondervonden. 't Was hem eene groote voldoening, dat onder de krachtige leiding, welke in later tijd de zorg voor het archiefwezen tot eene werkelijke regeeringszaak maakte, er zooveel werd gedaan om aan den chaotischen toestand en de verwaarloozing een einde te maken, die op dit gebied zoo lang hadden geheerscht. Hij erkende dankbaar, dat het daardoor eerst mogelijk werd grondige studie te maken van allerlei zijden van het volksleven, welke in vroeger tijd, bij gebrek aan bescheiden, door de historische studie verwaarloosd waren. Hij zelf heeft het veld der sociale geschiedenis slechts zoo nu en dan betreden, methodisch er op te arbeiden heeft hij nimmer beproefd; op zijne colleges bleef hij zich bijna

[p. 55]

uitsluitend met staatsgeschiedenis bezig gehouden, want, hoewel hem, zooals ik al opmerkte, de rechtsgeschiedenis groot belang inboezemde, hij beschouwde die volstrekt niet als zijn vak en handelde er slechts over, waar het enkele punten betrof, die hij persoonlijk had bestudeerd, genoeg echter om de hulde te verdienen van het doctoraat honoris causa in de juridische faculteit, dat de Utrechtsche senaat hem opdroeg. En slechts in enkele kleine stukjes heeft hij over wat men noemt cultuurgeschiedenis gehandeld. Alleen wanneer men met hem sprak over het leven der voorvaderen, kwam aan den dag, hoeveel hij daarvan wist, vooral ten gevolge van zijne buitengewone kennis van de letterkunde. Die was hem al zeer te stade gekomen, toen hij in de Tien jaren ook over het volksleven van dien tijd nieuw licht verspreidde. Doch men behoeft niet alleen opstellen als Eene Hollandsche stad in de Middeleeuwen of de vele kleinere artikelen over het oude recht en de oude instellingen te lezen, om te bemerken hoe diep hij in de kennis van het leven der vaderen was doorgedrongen. Men neme slechts zijne merkwaardige opstellen over de uitvinding der boekdrukkunst ter hand; dan eerst ziet men recht hoe goed Fruin onze Middeleeuwen kende. Trouwens ook om andere redenen zijn die, en vooral het bekende Mainz of Haarlem, dat in 1888 in De Gids verscheen, te rangschikken onder het beste wat hij geschreven heeft. Hij koos er niet uitdrukkelijk partij, maar hij toonde aan hoe zwak de argumenten waren, die de aanhangers van Haarlem aanvoerden, en stak er soms op eene wijze den draak mede, die zelfs zijne slachtoffers niet kwalijk konden nemen. Daarenboven zijn die artikelen in vele opzichten modellen van historische kritiek, geschreven met groote belangstelling, maar zonder eenigen hartstocht of vooringenomenheid. Fruin was

[p. 56]

van oordeel, dat de boekdrukkunst in de vijftiende eeuw uitgevonden moest worden, omdat er toen zoo dringend behoefte aan was, en dat het haast een toeval kon genoemd worden, dat de uitvinding in de eene stad geschiedde en niet in eene andere, want op allerlei plaatsen werd er toen over gedacht en werden proeven genomen, waarvan noodzakelijk ééne het eerst slagen moest. De eer van de eerste vinding stelde hij daarom ook niet hoog, en hij kon er zich volstrekt niet warm over maken.

Die opstellen over de boekdrukkunst lagen in zekeren zin buiten den kring zijner gewone onderwerpen. Maar hij stelde als boekenvriend, ik geloof dat boekenliefhebber hier niet passend zou zijn, groot belang, niet in het vraagstuk, wie de eerste uitvinder was van de kunst om ze door den druk te vermenigvuldigen, maar wel in alles wat met de geschiedenis van het gedrukte boek samenhing en daarom ook in de geheele geschiedenis van het ontstaan van die kunst, waarin alleen een kenner van den tijd der uitvinding te huis kon raken. En hoe ouder hij werd, hoe dieper hij doordrong in de kennis van het verleden. Dat was het vooral (ik meen het niet nadrukkelijk genoeg te kunnen zeggen) wat hem geen kleinigheid klein deed achten, hij voegde haar als een enkel steentje in, in het gebouw, dat hij voor zich optrok. Zoo kon hij al zijne aandacht wijden aan genealogische onderzoekingen, vooral omdat hij daardoor niet alleen allerlei mededeelingen kon toetsen aan vaststaande feiten, maar ook omdat hij zich zoo een beeld kon vormen van den samenhang der vroegere maatschappij. Maar daarom eischte hij ook van de beoefenaars van deze en dergelijke hulpwetenschappen veel hoogere wetenschappelijkheid dan waarmede zij niet zelden te werk gingen, en bovenal een betoomen van hunne fantasie, die, zooals hij bij Coster

[p. 57]

had aangetoond, hen zoo dikwijls tot het maken van volstrekt ongegronde gevolgtrekkingen verleidde.

Al dergelijk werk echter kostte oneindig veel tijd, en maakte 't hem hoe langer hoe meer onmogelijk om grootere werken op te zetten, ook al hadden geene andere redenen daartoe medegewerkt. Bij allerlei gelegenheden bleef hij vruchten van dien onophoudelijken arbeid ten beste geven. Vooral in de vergaderingen van de Historische Commissie onzer Maatschappij, aan wier verslagen zoo menige mededeeling van hem toegevoegd is, verder in zijne Bijdragen, en, als het onuitgegeven stukken van niet te grooten omvang betrof, in de Kroniek en later in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Maar in zijne dossiers is nog eene ongeloofelijke menigte aanteekeningen aanwezig, die over allerlei onderwerpen loopen, welke hij in het oog hield, maar eerst, als hij er iets nieuws of belangrijks over te zeggen zou hebben, bijeen dacht te voegen en tot een artikeltje te verwerken. Want hij schreef niets of het moest nieuw en belangrijk zijn, iets toevoegen aan de kennis van het verleden.

Zooals ik reeds gezegd heb, 't is ondoenlijk hier eene schets te geven van zijn geheelen arbeid. Maar nog ééne soort geschriften wil ik hier toch niet onvermeld laten, die, waarin hij een plicht van piëteit vervulde. Fruin was niet geschikt om als lofredenaar op te treden. Daartoe was hij te veel een verstandsmensch. Maar er waren enkele personen, die hij zóó had gekend, dat hij meende aan hunne nagedachtenis verschuldigd te zijn, hun beeld voor het nageslacht te schetsen. Hij heeft dat niet dikwijls gedaan, maar als hij het deed, deed hij het voortreffelijk. Want dan sprak zijn hart, dat zoo warm gevoelde voor wien hij lief had en wien hij eerbiedigde. Eens heeft hij iets dergelijks gedaan voor een levende, voor

[p. 58]

een man, dien hij niet persoonlijk kende, maar dien hij vereerde als den grootmeester in hun beider wetenschap, Leopold von Ranke. Het is de hulde, door den eersten geschiedvorscher en geschiedschrijver van Nederland gebracht aan den eersten geschiedvorscher en geschiedschrijver van de negentiende eeuw. Een paar malen heeft hij dat zelfde gedaan voor oude vrienden, die dikwijls verkeerd beoordeeld werden, voor Bakhuizen van den Brink en voor Cobet. Dat hij het zijn plicht rekende, het beeld van den man te schetsen, dien hij vereerde als den merkwaardigsten en geniaalsten onder de Nederlandsche historici en dien hij lief had gehad en bewonderd, niettegenstaande al zijne gebreken, is niet meer dan natuurlijk. Dat hij het deed, twintig jaren nadat zijn vriend gestorven was, baart geen verwondering. Zooals hij zelf in den aanvang van zijn stuk zegt (in De Gids van 1886), de herinnering aan zulk een man groeit naar mate zij langer duurt. Eerst toen hij zoo lang dood was, kon het geheele beeld den vriend voor den geest staan, die vroeger als 't ware slechts enkele trekken duidelijk had kunnen onderscheiden. Daarentegen kan het op den eersten aanblik eenigszins vreemd schijnen, dat hij het was, die de inleiding schreef van de Brieven van Cobet uit Parijs en Italië. En toch is het een uitnemend stuk, een dat ieder bevredigen zal, die wil weten hoe Cobet was en hoe hij zoo geworden was. Ook hier trad Fruin geenszins als lofredenaar op, want hij kende de vele eigenaardigheden van Cobet volkomen en hij verheelde ze niet. Maar hij toonde aan hoe die eigenaardigheden, die bij een ander gebreken zouden geweest zijn, juist gediend hebben om Cobet te maken tot wat hij was. Een fijnen trek kan ik niet nalaten op te merken. Onder de eigenaardigheden, die bij Cobet het meest hinderden,

[p. 59]

was zonder twijfel zijn uiterst geringe dunk van de philologische wetenschap in het buitenland. In zijne brieven geeft hij aan die gevoelens lucht op eene wijze, die versteld doet staan, vooral bij een man, zoo jong als hij toen was. Welk een verwatenheid! zou men willen uitroepen, als men, met Fruin, het woord pedanterie niet toepasselijk op een man als Cobet vond. Och neen, zegt Fruin, 't was juist omdat Cobet zijne eigen geleerdheid niet hoog stelde, dat hij zich telkens en telkens weder verbaasde, als hij bemerkte, dat die zoo torenhoog uitstak boven die van de meeste buitenlanders. En 't was, meent hij, dezelfde reden, die maakte dat Cobet die verbazing niet kon binnen houden. Deze toch vond het zoo vanzelf sprekend, dat men door studie zoo ver kon komen als hij zelf gekomen was, dat hij iedereen voor dom hield, die dat niet had kunnen doen. Geen verwatenheid dus, geen pedanterie, maar naïveteit en eenvoud spreken er uit die uitbarstingen van ergernis. Wie Cobet goed gekend heeft, zal van de waarheid dier opmerking overtuigd wezen. Toch geloof ik niet, dat iemand haar ooit te voren heeft gemaakt. Dat Fruin dat doen kon, dat bewijst niet alleen, dat hij Cobet door en door kende, maar bovenal dat hij zijne nagedachtenis lief had.

Maar over Fruin's verhouding tot oudere en jongere vrienden is 't hier, dunkt mij, niet de plaats te spreken. Hoeveel hij over had voor zijne vrienden en verwanten, hoe hij vooral geen moeite spaarde, als 't er op aankwam een dienst te bewijzen, en hoe kiesch hij dat wist te doen, dat weten allen, die hem goed gekend hebben, evenzeer als zij weten hoe hij dat gaarne deed op zijne eigene wijze. Dat was, dunkt mij, het natuurlijk gevolg van zijn ongehuwd leven, dat hij zoo geheel zijn eigen weg ging en niet spoedig zijne opvattingen prijs gaf, ook

[p. 60]

al bemerkte hij dat die geen instemming vonden. Dat maakte hem niet altoos gemakkelijk in den omgang. Maar wie hem goed kende, liet zich daardoor niet van hem vervreemden. Want die wist hoe goed zijn hart was en hoe goed zijne bedoeling. Daarenboven, hij was in de latere jaren meestal veel ouder dan de meeste menschen, die geregeld met hem in aanraking kwamen. Van jongs af had hij vooral met ouderen omgegaan, en dat maakte zijn ouden dag eenzaam. Want zijne vrienden waren hem meest allen voorgegaan in het graf en konden niet door jongeren vervangen worden. 't Was kwalijk van hem te vergen, dat hij om het oordeel en de denkbeelden van hen, tegen wie hij niet geleerd had op te zien, die integendeel, tegen hem opzagen, zooveel gaf, als om die van hen met wie hij jong was geweest. Toch heeft dat hem niet vervuld met eenige bitterheid tegenover den nieuwen tijd. Hij was veel te veel doordrongen van de groote waarheid, welke de geschiedenis leert, dat alles op aarde voorbijgaande is, dat alles verkeert in een staat van voortdurend worden. Hij zelf heeft dat uitgesproken in zijne merkwaardige rectorale rede van 8 Februari 1878, Over de plaats die de geschiedenis in den kring der wetenschappen inneemt. De roeping der historie, zegt hij daar, ‘kan geene andere zijn dan de wording der hedendaagsche toestanden en begrippen op staatkundig en maatschappelijk gebied, van de vroegste tijden af aan, te onderzoeken en te beschrijven’. Welnu, die wording, dat wist hij beter dan iemand, omdat hij zelf haar als onderwerp van zijne studie had gekozen, hield niet in eens op, maar bleef voortgaan, en iedereen die oud werd moest daardoor van zelf geraken in andere tijden, met andere begrippen dan die waarin hij was opgegroeid. Daarom had hij er vrede mede en deed hij zijn best om

[p. 61]

mede te leven met zijn tijd, al was hij te zeer gewoon geworden aan vroegere toestanden en begrippen, om dat volkomen te kunnen doen. Als hij maar zag dat het jongere geslacht ijverig werkte, zij 't dan ook niet geheel naar zijn voorschrift (trouwens, hij had nimmer bedoeld er een te geven), dan zag hij reden van groote tevredenheid. Vandaar dat hij in zijne Afscheidsrede, waarmede hij op den 34sten verjaardag van zijne intrede, op den 1sten Juni 1894, het hoogleeraarsambt neerlegde, wel begint met een weemoedig Tempus abire mihi est uit te spreken, maar dat hij verklaarde heen te kunnen gaan, in het volle vertrouwen, dat zijn werk zou worden voortgezet. Uit het overzicht, dat hij toen gaf van de vorderingen, die hier te lande gemaakt waren gedurende den tijd dat hij het hoogleeraarsambt had bekleed, spreekt allerminst ijdelheid, maar wel zelfvoldoening, dat hij niet te vergeefs had gearbeid. Hij beroemde er zich toen op, dat hij niet had gesticht wat men eene school noemde, dat er wel velen waren, die zich zijne leerlingen noemden, maar dat geen van die allen zijn stempel droeg, integendeel dat zij allen zich zelven waren.

Met die afscheidsrede kan ik, dunkt mij, dit overzicht van zijne werkzaamheid besluiten. Het is een zeer onvolledig overzicht geweest, waarin slechts een zeer klein gedeelte van zijn arbeid is herdacht. Maar het is uitgebreid genoeg voor mijn doel, de voornaamste vruchten van Fruin's wetenschappelijken arbeid te herdenken en te karakteriseeren, in het verband met zijne studie en wetenschappelijke ontwikkeling. Zoomin als over zijn persoon is het, mijns bedunkens, thans reeds de tijd er meer over te zeggen. Daarom leg ik hier de pen neder, met weemoed denkende aan den meester, jegens wien zijn oudste leerling hier een plicht vervuld heeft, die niet

[p. 62]

altijd gemakkelijk was, maar tevens met datzelfde gevoel, dat mij zoo dikwijls vervulde, als ik, na een lang gesprek, zijne studeerkamer verliet, het gevoel van opgewekten levensmoed en nieuwen werklust. Want waarlijk, wanneer men een overzicht heeft moeten geven van dien ontzaglijken arbeid, welke door hem gedurende eene halve eeuw is verricht, dan gevoelt men, dat zijne leerlingen hem niet beter kunnen eeren dan door, ieder op zijne wijs, voort te zetten, wat hij is begonnen. Dan zullen zij bewijzen dat Robert Fruin niet staat aan het einde van eene periode der historische wetenschap in Nederland, maar dat met zijn optreden een nieuw leven in die wetenschap is begonnen.

 

Leiden, April 1900.

P.L. Muller.