Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1933


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1932-1933. E.J. Brill, Leiden 1933  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 68]

Levensbericht van Aart van der Leeuw
(geboren 23 Junie 1876 te Delft, overleden 17 April 1931 te Voorburg)

Het levensbericht van Aart van der Leeuw vraagt niet veel plaats, omdat hij een van die wereldvreemden was, wier wezen zich niet ontwikkelt in het merkwaardig avontuur en zich doet gelden in de heldhaftige daad, maar openbloeit in de stilte.

Een wereldvreemde, een wereldschuwe, is Aart van der Leeuw zijn gehele leven geweest. Zo begon zijn lijden reeds op de lagere school, waar hij met zijn gesloten karakter en dromerige aard niet werd begrepen door zijn ondernemender en wereldwijzer medeleerlingen en vaak het mikpunt was van hun plagerijen.

Toevlucht vond hij in het ouderlik huis, waar hij zijn stille leventje van droom en fantasie leefde met de dingen om hem heen, en de sprookjes, die zijn moeder hem vertelde in de geheime, weifelende avondschemer, hem een nieuwe werkelikheid openden.

Zijn moeder was hem de goede fee, wier beeld we met liefde getekend vinden in ‘Kinderland’, de dichterlijke verbeelding van zijn kindergeluk en -leed: ‘Wanneer zij vertelde, begonnen de bloemen te spreken, of luidden als het klokje dat Zondags uit de dorpen klinkt, de vogels droegen een zilveren twijg in den snavel en geleidden den zwerveling naar een zalig wonderoord. In de boomen leefde een wezen, gevleugelde kinderen dansten op de weiden in den maneschijn ... Nooit blonken de zomermiddagen dieper en gouder dan wanneer haar woord ze doorfonkelde, nooit zonk de avond reiner en rustiger, nooit glansde en warmde het haardvuur in zoo'n droomerigen, koesterenden gloed. De vroegste tijden maakte zij groen en levend als een woud waarin de winter wijkt.’

In de opstellen voor de lagere school, straks in die voor het Gymnasium en in de eerste letterkundige proeven in de ‘Vox Gymnasii’, onder pseudoniem ‘Leo’, uitte zich deze anders zo gesloten kinderziel in de stemmen en gestalten van zijn jonge verbeelding. Proeven, die toen reeds de aandacht trokken door hun frisheid en zuiverheid van uitdrukking. Uit die tijd dagtekenen ook enkele van zijn ‘Liederen en Balladen’, als ‘Wij stonden starend’ en ‘De Page’.

Overigens was ook zijn Gymnasium-tijd er geen van onverdeeld genoegen en succes. Van der Leeuw behoorde niet tot die voorbeeldige leerlingen, die zich gedwee schikken in het schoolgareel

[p. 69]

en met immer grage appetijt het onderwijs in de vele en velerlei vakken slikken en verwerken. Literatuur en geschiedenis hadden zijn liefde en hierin toonde hij vaak zijn geniale aanleg. Maar de lokkende natuur en de toen reeds dwingende Muze gaf hij te veel van zijn uren om nog voldoende zorg aan zijn schoolwerk te kunnen wijden. Het werd een lange weg naar de zesde klas, die hij eindelik slechts als toehoorder kon volgen. Dat het hem echter niet aan wilskracht ontbrak, bleek, toen de nood drong: na een jaar deed hij een uitstekend eind-examen als extraneus.

Zo toonde Van der Leeuw reeds in zijn jeugd die sterke onafhankelijke persoonlikheid, die zijn eigen wegen moest kunnen gaan ook in het verwerven van kennis. De studie der klassieken belaadde hem niet met een dode filologiese ballast, maar hij puurde er de geest, die geheel zijn later werk zou doordringen. Zo verwierf hij zich de rijke kennis, die al vroeg tot wijsheid rijpte. Innerlijk bezit, waarmee hij velen, vooral jongeren, die hem tekenend ‘Oom Aart’ noemden, tot steun zou zijn.

Moeilike financiële omstandigheden, door geldelike verliezen van zijn ouders, dwongen hem haast te maken met de gekozen studie in de rechten. Zijn lust tot schrijven onderdrukkend, studeerde hij snel af en promoveerde in 1902 op stellingen. In zijn studententijd te Amsterdam ontwikkelde zich zijn vriendschap met Arthur van Schendel, die hij hoog waardeerde en wiens invloed op zijn eerste prozawerk sterk merkbaar is, vooral in ‘St-Veit en andere vertellingen’.

Na afloop van zijn studie in de rechten werkte Van der Leeuw enige tijd op het Delftse archief. Hier gevoelde hij zich op zijn plaats, vooral omdat hij er zijn liefde voor geschiedkundige onderzoekingen kon botvieren.

De noodzaak echter om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien en de wens om te gaan trouwen, brachten hem er toe een betrekking aan te nemen als Chef de Bureau (afdeeling financiën) van een Maatschappij voor Levensverzekering te Dordrecht. Een werkkring, die hem allerminst paste. Hier werd hij zich zijn onmaatschappelikheid eerst ten volle bewust en groeide dat minderwaardigheidsgevoel, dat de donkere inslag blijft in al zijn later werk. Zijn zenuwgestel werd zwaar geschokt; daarbij veroorzaakte een gevatte kou de doofheid, die hem zijn gehele verdere leven gekweld heeft. Wat de naar de vrije natuur en naar schoonheid dorstende dichter geleden heeft in dat materialisties bedrijf en in het prozaïese kantoortje, gevoelen we enigszins bij het lezen van schetsen als ‘Schoonheid’ in ‘Vluchtige Begroetingen’ en van ‘De opdracht’, waarin de eigen herinnering de donkere toets zette.

Door een erfenis verbeterden zijn financiële omstandigheden, kon hij Dordrecht verlaten en zich geheel aan de literatuur gaan wijden. Hij vestigde zich te Voorburg, omdat hij terugverlangde naar de streek, rijk van zijn jeugdherinneringen.

Reeds tijdens zijn verblijf te Dordrecht had hij de schets ‘St.-Veit’ ingezonden bij ‘De Beweging’. Het had de schuchtere

[p. 70]

jongeman met z'n gering zelfvertrouwen en sterke zelfcritiek moeite gekost tot deze stap te komen, - ook later bléef die schroom iets in het licht te geven -, maar de waardeering en aanmoediging van Verwey gaf hem moed om verder te gaan.

In 1911 gaf hij zijn eerste bundeltje gedichten uit, ‘Liederen en Balladen’, in 1916 door ‘Herscheppingen’ gevolgd. Vooral de laatste zijn vol van zijn liefde voor de natuur. Ze zijn dan ook alle op wandelingen ontstaan. Van der Leeuw kon slechts dichten in de vrije natuur. Vandaar zijn beklemming in de steeds wijder zich uitzettende stad, die al zijn lievelingsplekjes vernielde en met z'n geraas de arkadiese rust verstoorde; benauwenis, die vooral in ‘De opdracht’ voelbaar is.

Van der Leeuw's vers kenmerkt zich door z'n fijne plastiek en lichte melodie. Het vers was hem, de muzikaal gevoelige, - hij speelde uitstekend viool -, allereerst muziek. Vandaar ook zijn liefde voor de romantici, in het biezonder voor de kinderlike Eichendorff. Andere Duitse romantici, die hem trokken, waren Novalis en Hölderlin; onder de Engelse Wordsworth.

Zijn zin voor het plastiese openbaarde zich in zijn liefde voor tekenen. Als in alle uiting eiste hij waarheid ook in de uitbeelding. Zo viel hem, toen hem eens een gedicht ter beoordeling werd gezonden, dadelik op, dat daar een vogel zingende werd genoemd in een jaargetijde, waarin die niet zingt. Zo iets kon Van der Leeuw niet overkomen: hij zong niet van, maar uit de dingen, leefde in de natuur, die hij werkelijk een stem gaf.

Een andere maal was zijn antwoord aan een dichter, die zijn oordeel over eigen verzen vroeg: ‘Ik zie niets. Begin eens met te laten zien, wat ge dicht.’

Overigens was hij mild in zijn critiek, die hij alleen gaf, als men hem er naar vroeg. Streng voor zichzelf, was hij zacht in zijn oordeel over anderen. Wàt zij ook deden, het was hem hetzelfde, als het maar met het gehele hart gedaan en zuiver was. Deze mildheid sproot voort uit zijn eerbied voor het leven, dat hij beschouwde als een gave en een opdracht, gegeven om er het hoogste van te maken wat in ons vermogen is.

Als een gave, die hij kinderlik genoot, d.i. met die onbevangenheid en eenvoud van ziel en zinnen, waarvoor ‘het aardse paradijs’ alleen toegankelik is. Want hij was een dier ‘gezegenden’, die ‘alle wonderen van dezen achtsten dag’ gaarne geven voor ‘Gods heilige zeven‘, waarin zij de ‘Opvluchten’ vieren naar de lusthoven van hun droom en verlangen. Van die opvluchten zingen zijn liederen, vandaar hun lichte toon.

 
Neen, mijn God schept duizend vormen,
 
Dat een mákker 't leed verklanke,
 
En een stem zij in de stormen,
 
Ik ben herder van het blanke,
 
En mijn woord klinkt warmst ten danke,

zo geeft hijzelf de grondtoon van zijn poëzie aan.

[p. 71]

Dit is niet de belijdenis van een die het leven gemakkelijk nam en het leed ontvluchtte. Het schijnbaar lichte geluk, dat uit zijn werken lacht, heeft hij met zijn leven betaald. Zijn levensblijheid is vrucht van levensstrijd. ‘Niet wegpraten, maar er doorheen, boven het leven uit’, was zijn leus; zichzelf overwinnen de opdracht van zijn leven. Vaak voerde hij luidop een gesprek met ‘de andere’, zijn ‘lager-ik’, die er onder moest om zijn droom tot werkelikheid te maken. Een strijd, verbeeld in de achttiendeëeuwse geschiedenis ‘Ik en mijn Speelman’ en nog treffender in ‘De kleine Rudolf’.

Waarheid en kinderlike eenvoud waren de grondtrekken van zijn karakter. Eerlik tegenover zichzelf, waardeerde hij alleen die critiek op zijn werk, die waar was. Vleierij en opkammerij doorzag hij onmiddellik en was hem niets waard, maar waar de geestelijke zin van zijn werk verstaan bleek, was hij gelukkig. ‘Hoe is het mogelik!’ kon hij verbaasd uitroepen, waar een goed oordeel hem werd toegezonden.

Zo is hij in onverpoosde, nederige strijd gegroeid tot een zuiver, goed mens, die zich in zijn geschriften gaf, zoals hij was.

Altijd vol plannen, gevoelde hij zijn taak nog niet afgedaan, toen hij, door een felle longontsteking aangegrepen, op het ziekbed werd geworpen, dat weldra zijn sterfbed zou worden.

‘Wat God doet is goed’ was het woord van zijn levenservaring geworden. Maar het viel hem niet gemakkelijk op zijn vijf en vijftigste jaar het leven reeds te moeten opgeven. Ondanks al z'n moeiten had hij het als schoon ervaren en lief gehad. Zo kwam hij eerst na zware strijd tot de rust en de blijmoedige overgave, die ook zijn sterven tekenden. Een zijner laatste heldere nachten zong hij enkele van zijn geliefde liederen. Er waren ogenblikken, dat hij straalde van geluk, omdat zich het oneindig vergezicht der schoonheid voor hem opende. Hij zag de onsterfelikheid naderen, waarvan hij zo vaak gezongen had:

 
't Liggen met gekruiste handen,
 
Roerloos, wijl in stille wijding
 
Sterren 't hoofdeneinde ombranden,
 
Blijkt slechts rust ter voorbereiding
 
 
 
Tot het feest, waarop Ontwaken,
 
Als de wachter van den toren,
 
Donker, dat ons bond, komt slaken
 
Met de tonen van zijn horen.
 
 
 
Hoor, voor de open hemelpoorten
 
Welk gezang, geklep van wieken;
 
's Werelds heuglijkste geboorte
 
Wordt gevierd: het uchtendkrieken.

Wageningen.

W. Kramer.

[p. 72]

Lijst van werken

1908.St-Veit, (in 1911 opnieuw uitgegeven in ‘St-Veit en andere vertellingen’.)
1911.Liederen en Balladen.
1914.Kinderland.
1916.Herscheppingen.
1921.De mythe van een jeugd.
1922.Opvluchten.
1923.De Gezegenden.
1925.Vluchtige begroetingen.
1927.Ik en mijn speelman.
1927.Het aardsche Paradijs.
1930.De opdracht.
1930.De kleine Rudolf.
1930.Het landpad (In: Twintig Noord- en Zuid-Nederlandsche Verhalen, verzameld door Constant van Wessem).
1932.Verspreid proza (Nagelaten werk).