|
|
|
| |
| | | |
| | | | | |
Nanno Gerhard Addens
Bellingwolde 15 oktober 1892 - Groningen 14 augustus 1971
Wanneer wij de kwartierstaat van Nanno Gerhard Addens nagaan, door hem zelf gemaakt, dan zien we, dat al zijn voorouders, die daarop, vierenzestig in getal, voorkomen, in Oost-Groningen zijn geboren en gestorven. In de rechte mannelijke lijn hebben ze zelfs allen in Bellingwolde gewoond. Verder valt op, dat de landbouw onder de beroepen van zijn voorouders verreweg overheerst.
Van een telg uit een dergelijk honkvast geslacht kunnen we geen zwerflust of een avontuurlijk leven verwachten. Nanno Addens heeft dan ook zijn gehele leven, behalve de laatste jaren, te Bellingwolde gewoond. Geen wonder is het evenmin, dat Groningen en de landbouw zijn maatschappelijk leven hebben bepaald.
‘En de wetenschap?’ zal men misschien vragen.
Zo juist heb ik gewezen op de agrarische beroepen van zijn voorouders. We treffen echter onder hen ook een predikant aan, ds. Jacobus Borgesius, ook al in Bellingwolde geboren en getogen. Maar dat was zijn betovergrootvader en dus wel wat ver weg om op terug te gaan. En zeker heeft hij van hem geen theologische aanleg geërfd, want de godsdienst heeft geen grote rol gespeeld in zijn leven, evenmin als de romantiek, hoewel onder het nageslacht van een van zijn Westerwoldse voorouders Louis Couperus voorkomt. Romans las Addens namelijk niet. Hoe het werkelijk was en geweest was, interesseerde hem genoeg. Ook liet zijn werkzaam leven hem daarvoor weinig tijd.
Nanno Gerhard Addens werd op 15 oktober 1892 te Bellingwolde geboren. Hij was het enige kind van de landbouwer Harm Addens en Harmke Boelmans.
Zijn opleiding verschilde niet van die van zovele andere jongens uit de Groninger boerenstand. Hij ging naar de lagere en de daarop aansluitende ‘Fransche school’ te Bellingwolde en bezocht vervolgens twee jaren de hbs te Winschoten en één jaar de rhbs te Veendam, om tenslotte zijn vakopleiding te volgen aan de rijkslandbouwwinterschool te Groningen, waar hij in 1911 zijn einddiploma haalde.
Men kan zich afvragen, waarom hij, met zijn wetenschappelijke aanleg, in plaats van naar de boerderij van zijn ouders terug te keren, geen studie aan een universiteit of hogeschool heeft gekozen. Daartoe was hij zeker
| | | |
in staat. Verschillende factoren kunnen bij het bepalen van zijn keuze een rol hebben gespeeld.
In de eerste plaats was zijn gezondheid op dat moment niet optimaal, zodat zijn geneesheer een leven in de buitenlucht voor hem beter achtte - later zou hij zich volkomen herstellen en zijn hele leven een goede gezondheid genieten.
In de tweede plaats kon zijn vader, die toen reeds ziekelijk was, hem zeer goed op de boerderij gebruiken.
En in de derde plaats zal hij, met zijn sterk gevoel voor traditie, het vanzelfsprekend hebben gevonden, dat hij, als enige zoon, het bedrijf van zijn vader, dat al honderd jaar in familiebezit was, zou voortzetten. Dat dit een opoffering voor hem geweest is, is niet waarschijnlijk. Zijn drang naar verdere ontwikkeling bevredigde hij vooreerst door gedurende enige winters de cursorische voordrachten vanwege de Vereniging voor Hoger Landbouwonderwijs te Groningen te volgen.
Na de dood van zijn vader in 1918 nam Addens het ouderlijk bedrijf voor eigen rekening in exploitatie. Zes jaar later, in 1924, trad hij in het huwelijk met Hilje Aafiena Jager, evenals hij zelf uit een agrarisch Gronings geslacht. Eén zoon werd uit dit huwelijk geboren.
Dat Addens met hart en ziel boer geweest is, kan men niet zeggen. Wel zorgde hij ervoor dat zijn bedrijf goed liep - met zijn grote zin voor orde en netheid zou hij ook niet anders gekund hebben -, maar hij verdiepte zich liever in zijn studeerkamer in de problemen van de landbouwkunde en in de geschiedenis van de landbouw dan dat hij eigenhandig meewerkte op het land. Toen hem in 1945 bewust werd dat de landbouw voor een nieuw tijdperk stond, terwijl bovendien duidelijk was dat zijn enige zoon een universitaire opleiding verkoos en hem dus niet zou opvolgen op de boerderij, verpachtte hij deze. Wèl bleef hij in Bellingwolde wonen tot op hoge leeftijd. Op den duur werd hem het veelvuldig reizen naar het wetenschappelijke centrum Groningen te bezwaarlijk. In 1965 verhuisde hij naar deze stad, waar hij op 14 augustus 1971 overleed.
Zoals gezegd, bracht Addens op zijn boerderij zijn tijd liever door in de studeerkamer dan op het land. Dat wil weer niet zeggen, dat hij een kamergeleerde was. Het maatschappelijk leven had zijn volle aandacht en gaarne nam hij daaraan met woord en daad deel. Zijn organisatietalent en zijn deskundigheid trokken spoedig de aandacht en weldra werd hij gevraagd voor allerlei functies, vaak op een leidinggevende of invloedrijke plaats, als voorzitter of secretaris. Het zou te ver voeren om in het kader
| | | |
van dit levensbericht van de Maatschappij een volledig overzicht te geven van de tientallen maatschappelijke functies die Addens heeft bekleed. Er is daarom volstaan met een keuze.
Zijn eerste bestuursfunctie was het voorzitterschap van de rederijkersbond Oldambt en Westerwolde in de jaren 1917-1920. Een ‘Hollander’ zal misschien niet verwachten, dat de rederijkerij het eerst een beroep op hem zou doen. Maar begrijpelijk wordt het, wanneer men weet, dat op het platteland van Groningen de rederijkerskamers, vroeger nog meer dan nu, de ontmoetingscentra op het gebied van cultuur en ontspanning zijn van de gegoede boerenstand. Dat de keuze op Addens viel, zal overigens meer het gevolg zijn geweest van zijn geschiktheid om leiding te geven en van zijn kennis, dan van zijn bedrevenheid in toneelspel of in andere schone kunsten.
Begrijpelijk zonder meer is, dat hij in 1918 bestuurslid werd en in 1921-1923 voorzitter was van de Vereniging van Oud-leerlingen der Rijksland-bouwwinterschool te Groningen. In deze kring zal men zijn bovengenoemde kwaliteiten goed gekend hebben. In een vergadering van deze vereniging hield hij in 1921 zijn eerste lezing, althans de eerste die gepubliceerd is, over Het dienstbaar maken van de gegevens der private boekhouding betreffende het landbouwbedrijf aan het algemeen belang. De publikatie vond plaats in het Tijdschrift van de Algemene Bond van Verenigingen van Oud-leerlingen van Inrichtingen voor Landbouwonderwijs. Tevoren, in 1919, had hij reeds in dit tijdschrift een artikel geschreven Kennis is macht. In hetzelfde jaar was hij secretaris geworden van de Commissie van redactie van dit tijdschrift. Uit deze artikelen blijken reeds zijn grote belezenheid - drieëntwintig literatuuropgaven op het terrein van de ‘landwirtschaft’ in het tweede artikel - en zijn vermogen om de resultaten ervan op heldere wijze te gebruiken voor zijn eigen betoog. Maar ook reeds geeft hij blijk van kennis van de economie in het algemeen (Van Gijn, Vissering) als grondslag voor de landbouwkunde en van de geschiedenis van de landbouw (landbouwcrisis 1877-1895 als leerzaam voorbeeld).
Snel volgen nu ook verschillende andere bestuursposten.
In de eerste plaats moet gewezen worden op de Groninger Maatschappij van Landbouw. Van 1921 tot 1962 heeft hij deze vereniging gediend als lid van het hoofdbestuur, het dagelijks bestuur of als adviserend lid. Het Groninger Landbouwblad wordt nu het voornaamste orgaan waarin hij gaat publiceren.
Een ogenblik zag het er naar uit, dat zijn leven een andere wending zou
| | | |
nemen. Hem werd namelijk als landbouwexpert door de Vrijheidsbond een kandidatuur aangeboden voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Addens bleek evenwel op dat moment nog te jong te zijn en zo werd dr. Bierema de kandidaat. Hij behield wel zijn politieke belangstelling, maar toch is hij nimmer lid van de gemeenteraad of de provinciale staten geworden.
Toen men in 1929 bij de Groninger Maatschappij van Landbouw in verband met het naderende jubileum van het honderdjarig bestaan in 1937, ging denken aan een gedenkboek, lag het voor de hand, dat men het eerst dacht aan Addens als auteur. Deze aanvaardde de uitnodiging en het spreekt vanzelf, dat hij op tijd klaar kwam, want Addens was een volhardend en betrouwbaar man: hij zette door wat hij begonnen was en voerde uit wat hij beloofd had.
Tot dan had hij zich, althans in zijn publikaties, in hoofdzaak bezig gehouden met de vraagstukken van de huidige landbouw. In dit gedenkboek van zeshonderd bladzijden toonde hij zich voor het eerst een belangrijk landbouwhistoricus. In methodische opzet, grondigheid van bronnenstudie en verantwoording daarvan in kritische zin deed hij in niets onder voor, ja zelfs overtrof hij menig historicus van professie. Terecht ontving hij dan ook de koninklijke onderscheiding van ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1966 werd hij bevorderd tot Officier. Zijn boek over de geschiedenis van de Maatschappij zou hij in 1950 nog aanvullen met een studie over haar beroemde Vraagpunten, die een beeld geven van hetgeen de boerenstand van 1852 tot 1941 bezighield.
Als historicus was hij nu ‘erkend’. Functies in verenigingen en commissies op het terrein van de geschiedenis volgden: hij werd lid van de Provinciale Groningse Archeologische Commissie (1937-1965), lid van de Commissie [...] voor de geschiedenis van de landbouw (1937-1939), lid en voorzitter van de Groninger Heerdencommissie (1938-1964), lid van het bestuur, later voorzitter van de Studiekring voor de geschiedenis van de landbouw (1939-1957), enz. Door de Studiekring werd hij in 1958 tot erelid benoemd.
Een ander blijk van waardering en erkenning, waarmee hij zeer ingenomen was, was zijn benoeming in 1947 tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Zelden miste hij een vergadering van de Noordelijke afdeling.
Als een bijzondere onderscheiding mogen we ook wel zien zijn benoeming in 1945 tot lid van het Tribunaal voor het arrondissement Gronin- | | | | gen. Het was een bewijs van het aanzien dat hij genoot ook buiten de kring van de landbouwgemeenschap. Nu werd een beroep gedaan op zijn gevoel voor rechtvaardigheid en onpartijdigheid in het algemeen, maar toch ook op zijn juridisch inzicht.
Vóór de oorlog, in 1939/'40, was hij reeds Provinciaal Regeringscommissaris geweest voor de oorlogsvluchtelingen in de provincie Groningen. Eveneens dus een vertrouwenspost buiten het gebied van de landbouw. Afwijkend van zijn gewone levenspatroon lijkt ook, dat hij tijdens de oorlog betrokken is geweest bij het plan tot oprichting van Elseviers Weekblad.
Zijn juridische kennis was het weer, die hem geschikt maakte voor het voorzitterschap van een commissie uit de Groninger Maatschappij van Landbouw in zake de wetgeving betreffende landeigendom en pacht (1948-1957).
Na de verpachting van zijn boerderij in 1945 heeft hij zijn tijd geheel en al kunnen geven aan studie en verenigingsleven.
Voor de studie van de landbouwkunde achtte hij een instituut in verbinding met de universiteit in Groningen van groot belang. Daar zouden een vakbibliotheek kunnen worden gevormd, onderzoekingen worden verricht en gegevens verzameld. Zo werd hij in 1949 een van de oprichters van het Nederlands Agronomisch Historisch Instituut te Groningen. Hoe dierbaar dit instituut hem ook was, het heeft hem niet belet ook de vestiging van een centrum voor agrarische geschiedenis te Wageningen te bevorderen.
In 1949 aanvaardde hij het secretariaat van het waterschap Westerwolde. Het was geen volledige dagtaak, zodat hij daarnaast zijn vele bestuursposten kon blijven vervullen.
Voor ons is zijn voornaamste verdienste als secretaris zijn initiatief en zijn succesvolle strijd voor de aankoop door het waterschap, in 1955, van de oude burcht te Wedde. Deze bleef aldus behouden en werd, na restauratie, bestemd tot bestuurszetel van het waterschap. Aan hem is ook te danken, dat er een geschiedenis van het Huis te Wedde tot stand kwam, geschreven door J.G.N. Renaud en mejuffrouw E. van Dijk.
Als secretaris van het waterschap ging Addens zich verdiepen in de geschiedenis van een belangrijk onderdeel daarvan, hetgeen in 1963 zijn boekje over het Tien Karspelen Zijlvest opleverde.
Zoals hij als secretaris van Westerwolde zich inspande voor het totstandkomen van een geschiedenis van het Huis te Wedde, zo heeft hij als
| | | |
voorzitter van de Heerdencommissie en het Centraal Bureau zijn best gedaan voor de uitgave van de Historische Atlas van de provincie Groningen van de hand van de heer B.W. Siemens. Zijn gezag was een waarborg voor de kwaliteit en opende de beurzen van de subsidiërende instanties.
Vele blijken van waardering had hij reeds ontvangen, maar het grote moment in zijn wetenschappelijk leven kwam op 13 november 1967, toen hem door de Senaat der Landbouwhogeschool te Wageningen het doctoraat in de landbouwkunde honoris causa werd verleend. Bij de uitreiking van de doctorsbul op 9 maart 1968 zijn zijn verdiensten uitvoerig in het licht gesteld. Ik moge hier volstaan met te wijzen op het artikel van de directeur van het Agronomisch Historisch Instituut te Groningen, dr. L.S. Meihuizen, in het Groninger Landbouwblad van 15 maart 1968.
Vatten wij tenslotte zijn leven samen, dan worden wij getroffen door zijn maatschappelijke belangstelling en zijn studiezin. Daarnaast door de geweldige werkkracht en het organisatietalent die het hem mogelijk maakten deze eigenschappen productief te maken in verenigingsleven en geschriften. Dat hij tot belangrijke posten werd geroepen en werk leverde van hoge kwaliteit, dankte hij niet alleen aan zijn goed verstand, maar ook aan zijn betrouwbaarheid, stiptheid en doorzettingsvermogen. Verder bezat hij tact om met mensen om te gaan en een grote overtuigingskracht om zijn ideeën door te zetten.
Hij was een bekwaam historicus. Hij fantaseerde niet, maar vormde zijn conclusies alleen uit betrouwbare bronnen, die hij ook als zodanig wist te herkennen. De gegevens die hij vond, wist hij methodisch te verwerken tot een goedsluitend betoog. Zijn stijl was eenvoudig en duidelijk, zijn woordkeus weloverwogen. Wat hij afleverde, was tot in de puntjes verzorgd.
Wanneer we naar het begin van dit artikel teruggaan, kunnen we constateren, dat Addens meer dan de gemiddelde Groninger naar buiten trad en gemakkelijker de pen voerde, maar in deze uitingen was hij een typische Groninger, een voorbeeld van de bekende Groninger degelijkheid. Al zingt het Grunneger volkslaid van deze degelijkheid, niet iedere Groninger is er altijd even gelukkig mee. Maar in de woordenboeken van de Nederlandse taal staan achter het woord ‘degelijk’ alleen gunstige verklaringen vermeld. En daarop willen we het houden.
w.j. formsma
| | | |
| |
Voornaamste geschriften
Afzonderlijke publicaties
Groninger Maatschappij van Landbouw. Gedenkboek 1837-1937. Groningen 1937.
De ‘vraagpunten’ der Groninger Maatschappij van Landbouw 1852-1941. Wageningen 1950 (Agronomisch-Historische Bijdragen 3).
Fonds ten behoeve van den Landbouw in de provincie Groningen 1878-1953. Groningen 1954.
De Vereeniging voor Hooger Landbouwonderwijs te Groningen. Historisch overzicht naar aanleiding van haar vijftig jarig bestaan. Groningen 1960.
Het Tien Karspelen Zijlvest tot zijn reglementering. Bijdragen tot de kennis van de provincie Groningen en omgelegen streken. Groningen 1963.
De Studiekring voor de Geschiedenis van de Landbouw 1939-1964. Wageningen 1965.
| |
Artikelen
Kennis is macht in Tijdschrift van de Algemene Bond van Verenigingen van Oud-leerlingen van Inrichtingen van Landbouwonderwijs 1, nr.6, 1919.
Het dienstbaar maken van de gegevens der private boekhouding betreffende het landbouwbedrijf aan het algemeen belang in Tijdschrift van de Algemene Bond van Verenigingen van Oudleerlingen van Inrichtingen van Landbouwonderwijs 2, nr.10, 1921.
Over de bewegingen in het peil der lonen in Groninger Landbouwblad 2, nr.35, 1921.
De betekenis van de landbouw voor de samenleving in Groninger Landbouwblad 3, nr.32-34, 1922.
Het dienstbaar maken van gegevens uit particuliere boekhoudingen aan het algemeen belang in Mededelingen en Berichten der Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw over 1922.
Over de wisseling in de arbeidsbehoefte van de landbouw in Groninger Landbouwblad 4, nr.24-25, 1923.
Het Landschap Westerwolde in Groninger Landbouwblad 4, nr.42, 1923.
J. Sijpkens, Bijdrage tot de geschiedenis van de waterstaatstoestanden van Westerwolde (1924) in Groninger Landbouwblad 5, nr.30, 1924 (Boekbespreking).
Wisselwerkingen in de cultuur op lichte gronden in Groninger Landbouwblad 7, nr.17, 1925.
Bedrijfsinrichting: Weidebouw en rundveeteelt in Groninger Landbouwblad 8, nr.42, 1927.
Een nieuwe Suikerconventie? in Groninger Landbouwblad 8, 48, 1927.
Arbeid en loon in de landbouw in Groninger Landbouwblad 9, nr.3, 4, 7, 10, 13, 16, 19, 23, 26, 30, 34, 38, 42, 45, 47, 1927-1928. (Ook als overdruk gebundeld in 1928).
Kan de suikerbietenteelt in ons land [...] lonend blijven [...]? in Verslag van het tachtigste Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres 1928.
Beschouwingen over de rentabiliteit der suikerbietenteelt in Economisch-Statistische Berichten 13, nr.673, 1928.
Iets over rationele suikerbietenteelt in Tijdschrift der Algemene Technische Vereniging van Beetwortelsuikerfabrikanten en Raffinadeurs, 1928-1929, nr.5.
De landbouwcrisis als element der algemene economische depressie in Gronings landbouwblad 12, nr.49 en 52; 13, nr.3, 9, 11, 1931-1932.
Johann Heinrich von Thünen, 1783-24 juni 1933 in Groninger Landbouwblad 14, nr.43, 1933.
Jan Berends Westerdijk †. 14 januari 1860-7 februari 1934 in Groninger Landbouwblad
| | | |
15, nr.25, 1934; in Handelingen van de Groninger Maatschappij van Landbouw 1933-1934 en in Groningsche Volksalmanak 1936.
De oprichting van het ‘Genootschap ter bevordering der Nijverheid’ 28 maart 1837 in Groninger Landbouwblad 18, nr.30, 1937.
Dr. E.W. Hofstee, Het Oldambt. Een sociografie. Diss. G.U. Amsterdam 1936-1937 in Groninger Landbouwblad 18, nr.50, 1937 (Boekbespreking).
Iets over de Groninger maatschappij van Landbouw in Groningen. Propaganda-uitgave voor de provincie Groningen, onder redactie van Anno Teenstra, 1938.
De Groninger landbouw in de tegenwoordige omstandigheden in Groninger Dag 1940.
De ‘Afdeling’ Leens 1841-11 januari-1941 in Groninger Landbouwblad 22, nr.19, 1941.
Prof. dr. G. Minderhoud, Landbouw-coöperatie in Nederland in Groninger Landbouwblad 22, nr.23, 1941 (Boekbespreking).
Dr. C.C.J.W. Hijszeler, Boerenvoortvaring in de oude Landschap. Diss. R.U. Groningen 1939-'40 in Landbouwkundig Tijdschrift 53, nr.650, 1941 (Boekbespreking).
Vereeniging ter bevordering van Landbouw en Nijverheid te Leens. Gedenkboek 1841-1941 in Landbouwkundig Tijdschrift 53, nr.650, 1941 (Boekbespreking).
De betekenis van de provincie Groningen als agrarisch gewest in Groningen en Drenthe in den Opgang, 1943.
Dr. J.G. Oortwijn Botjes in het landbouwverenigingsleven in Mededelingen van de Nederlandsche Algemeene Keuringsdienst voor Landbouwzaden en Aardappelpootgoed 2, nr.8, 1946.
Prof. dr. Z.W. Sneller e.a., Geschiedenis van den Nederlandschen Landbouw 1795-1940 (1943) in Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 1946.
R.P. Dojes † in Groninger Landbouwblad 25, nr.17, 1947.
Redevoeringen H.D. Louwes 1930-1941, verzameld en ingeleid door N.G. Addens, 1947.
Dr. J.G. Oortwijn Botjes, 1878-24 augustus 1948 in Groninger Landbouwblad 26, nr.33, 1948.
Hervorming van de Groningse landbouw in Met het Volk voor het Land, 1948.
Cultuurhistorische bijdragen uit de kringen van de Groninger landbouw in Groninger Landbouwblad 27, nr.22 en 23, 1949.
E.H. Ebels, 1889-20 juni 1949 in Groninger Landbouwblad 27, nr.24, 1949.
Dr. J.M.G. van der Poel, Heren en Boeren. Diss. R.U. Groningen 1949-'50 in Agronomisch Historische Bijdragen 2, 1949 en in Groninger Landbouwblad 28, nr.5, 1950.
Dr. S.E.B. Bierema †. 12 november 1884-14 februari 1950 in Groninger Landbouwblad 28, nr.8, 1950.
Een eeuw drainage in Groningen in Groningsche Volksalmanak 1952.
Jurjen Roelofs Ezn. †. 19 december 1875-9 oktober 1952 in Groninger Landbouwblad 30, nr.41, 1952.
De Maatschappij van Landbouw in de provincie Groningen 1853-1878 in Jubileumuitgave van de Landbouwcourant voor de Veenkoloniën, 1954.
Oost-Friesland en Groningen in Groninger Landbouwblad 34, nr.28, 1956.
N.H. Mulder veertig jaar werkzaam bij de Algemene Gewestelijke Landbouworganisatie in Groningen in Groninger Landbouwblad 34, nr.31, 1956.
G.E. Schuiringa † in Groninger Landbouwblad 36, nr.16, 1958.
| | | |
Prof. dr. G. Minderhoud l.i., 1889-26 januari 1959 in Groninger Landbouwblad 37, nr.4, 1959.
H.D. Louwes †. 15 augustus 1893-8 october 1960 in Groninger Landbouwblad 38, nr.41, 1960.
In memoriam H.D. Louwes in Groningse Volksalmanak 1961.
De Algemene Koninklijke Landbouwvereeniging 1856-1863 in Ceres en Clio, zeven variaties op het thema landbouwgeschiedenis. Agronomisch-Historische Bijdragen 6, 1964.
De Groninger Heerdencommissie 1938-1963 in Groninger Landbouwblad 42, nr.4, 1964.
In memoriam dr. J.G. Oortwijn Botjes in Groninger Landbouwblad 42, nr.36. 1964.
|
|
|