terug  begin  verder
[p. 51]

't Is altijd dag met mij...
Poezie in het licht van P.C. Hooft
Rede door Kees Fens

Als de waardering voor de oudere literatuur in ons land nog een accentuering behoeft, dan is dat afdoende gebeurd met de keuze van deze plaats van samenkomst: de kerk waar Hooft en Vondel begraven liggen, tot de jongste dag, naar het geloof van beiden en de zekerheid van bijna alle Nederlandse lezers. Nu Hooft in zijn laatste rustplaats een renaissance beleeft, mag misschien even vanachter de pilaar van het zuiderdwarspand van deze kerk de stem van Vondel klinken. In zijn Inwydinge van het Stadhuis schrijft hij over de Nieuwe Kerk onder meer:

 
Wie Amiëns bezoeckt, dat hy zijne oogen sla
 
Op 't grootste kerckgesticht, die rechte wederga
 
van Eggaerts arrebeit, en lette of ons pylaeren,
 
Gewelf en kooren min den bouwlust openbaeren
 
in Hollants Graeflijckheit, dan in het Konings Rijck
 
Den Grave in majesteit en maght al t'ongelijck.

De oorsprong als bevestiging van de kwaliteit van het eigene - ook Vondel is niet vrij van de typisch Nederlandse comparatistische wedijver die in de cultuur van de zeventiende eeuw zo sterk aanwezig is. Van de kathedraal van Amiens werd de eerste bouwfase afgesloten omstreeks 1270; vier jaar later zal de negenjarige Dante zijn eerste alles beslissende ontmoeting hebben met Beatrice. De stichtingsbrief van deze kerk dateert van 15 november 1408; Petrarca is dan al ruim dertig jaar dood. Vondel schrijft de geciteerde regels in 1655, ruim drie kwart eeuw na de ‘Alteratie’ en de ontlediging van deze roomse kerk als vervolg op wat in minder tolerante tijden alsnog een protestantse kraakactie genoemd zou worden. In 1645 was de kerk door brand ernstig beschadigd, ze werd weer vrij snel hersteld. Maar de verwijzing naar Amiens blijft; we zijn bijeen in een laat-gothische kruisbasiliek van Franse middeleeuwse oorsprong, maar door ons als typisch Hollands ervaren, na een geschiedenis van bijna zes eeuwen. En die ervaring danken wij aan het licht, dat zeker na de laatste restauratie alle vrijheid heeft gekregen het gebouw in bezit te nemen. De kerk werd herkend, want ‘eigen’ bevonden. En op dat licht, dat eigen licht, zijn sinds de heropening nog geen jaar geleden meer mensen afgekomen dan in deze eeuw

[p. 52]

de werken van P.C. Hooft hebben gelezen. En toch is Hooft de grootste licht-dichter uit ons verleden en de eerste uit onze literatuurgeschiedenis die op gehoor-afstand spreekt van de moderne lezer: hij is de eerste moderne dichter. Maar ook zijn poëzie heeft haar verleden en draagt de vele tekens daarvan mee en dat verleden reikt niet minder ver terug dan dat van deze kerk: het Florence van 1274.

De ‘volledige uitgave’ van Gedichten van P.C. Hooft, verzorgd door Leendertz en herzien door Stoett - verschenen in 1899 en de meest recente - opent met een vertaling door Hooft van een sonnet van Petrarca; Wt Petrarca nae de doot van Madonna noemde hij het. De laatste regel van het vers luidt ‘Wel salich was het óóch dat haer int leven sach.’ Deze regel uit het begin van een dichterschap had ook de afsluiting ervan kunnen zijn, zeker gezien Hoofts gebruik van de verleden tijd. Dat het vers, zeker wat het eerste deel betreft, bijna letterlijk een nieuwtestamentische verwoording heeft, is niet toevallig. Hooft's lyriek is er een van zien en gezien worden en vaak is het laatste voorwaarde voor het eerste: gezien worden is: in het licht en daarmee tot leven komen. En tot zien. Het gezicht wordt gekregen door de ogen van de ander, de geliefde, die honderden keren ‘licht’ en ‘zon’ genoemd wordt. In een titelloos gedicht, dat vrij vroeg gedateerd moet worden, spreekt Hooft de Slaep aldus aan:

 
Als ghij haer oogen luickt, blijft voor mij niet t'aenschouwe
 
Waerom dan luickt ghij niet mijn oogen tegelijk?
 
En wil sij eeuwelijck mijn haer gesicht onthouwen
 
Mij waer niet lievers dan u eeuwich duister rijck.

Hoe het Petraca verging op die Goede Vrijdag van 6 april 1327 toen hij in de kerk van de heilige Clara - een zo lichtende naam, het is haast te mooi om toevallig te zijn - in Avignon Laura voor het eerst zag, heeft hij zelf beschreven in een sonnet, waarvan ik hier het octaaf citeer in de onlangs gepubliceerde vertaling van Frans van Dooren:

 
De dag waarop de zon uit mededogen
 
met Hem die haar geschapen had ontkleurde,
 
werd ik, o liefste, ofschoon ik niets bespeurde,
 
gevangen door de schoonheid van jouw ogen.
 
 
 
Omdat jouw blikken in mijn richting vlogen
 
juist op een dag dat heel de wereld treurde
 
en rouwde om wat eens Gods zoon gebeurde,
 
werd ik verrast en weerloos meegezogen.
[p. 53]

Het perspectief waarin het gebeuren geplaatst is, is even schitterend als veelzeggend: de zon wordt verduisterd op dat moment van godsverduistering - dat het hier om meer gaat dan een historische verwijzing, maar dat het ook een uiting van een persoonlijke beleving betreft, meen ik te moeten aannemen - wordt hij gevangene van het licht van de ogen van de vrouw. En over die ogen en het nieuwe licht zal Petrarca niet uitgedicht raken. ‘Liefde op het eerste gezicht’ - de taal bewaart nog een laatste zwakke echo van een hele cultuur. Hooft moet al heel vroeg Petrarca in de ogen hebben gezien en hebben herkend. En hij bracht in zijn poëzie diens licht - en dat is het onvermoeibare licht van het zuiden - naar Holland. Het licht uit deze ruimte - hij zou het herkend hebben, want licht is onveranderlijk, maar het speelt in zijn lyriek nauwelijks een rol. Daarin is het licht kunstlicht. Misschien is het gewaagd te zeggen dat in zijn poëzie het omgekeerde gebeurde van wat in deze kerk plaats had: hier een laat-gothisch gebouw, dochter van een Franse moeder, maar vol van ons eigen licht en daardoor vertrouwd; in Hooft's lyriek is er het licht van elders, maar de taal herkennen wij als die van ons: de moedertaal, die voor het eerst en voorlopig voor het laatst tot alles in staat blijkt, die een lichtheid kan hebben als tot Gorter en Leopold niet meer mogelijk bleek. Wie Hooft ongelezen laat, sluit niet alleen zijn ogen voor het licht in zijn lyriek, maar ook voor wat hem het meest eigen is, zijn taal, die juist in het licht van de poëzie flonkert, om een aan Hooft vertrouwd woord te gebruiken.

Met het licht bracht Hooft uit het zuiden een hele beeldenwereld mee, waarvan de oorspronkelijke verwijzingen soms in zijn poëzie nog aanwijsbaar zijn en die hij gebruikte op een wijze die men misschien het beste als geseculariseerd kan omschrijven. En ook daarin is hij modern. In een vrij onbekend sonnet uit 1606 voert Hooft de blindgeboren jongen uit het evangelie op. In literatuur en beeldende kunst levert deze jongen een der oudste beelden van de blinde die komt tot het licht van het geloof: ‘Wanneer, door 's werelts licht, de blindtgebooren jongen | Gesicht vercreech,’ zo begint het. En ‘'s werelts licht’ is uiteraard Christus. Volgt een beschrijving van wat hij allemaal voor het eerst ziet, welke opsomming afsluit met de regel ‘Maar de sienlijcken God de schoone Sonne meest.’ Vernuftig is het zeker: ‘zien’ betekent vooral: de bron van het licht gaan zien. In het sextet betrekt de dichter de situatie van de jongen op zichzelf in zijn verhouding tot de geliefde, hij komt daarmee niet alleen op vertrouwd terrein, maar het sextet maakt ook het octaaf dubbelzinnig: het vertelt met andere woorden hetzelfde verhaal uit het sextet ook nog en misschien wel vooral.

[p. 54]

De oorspronkelijke betekenis schuift weg; de ‘sienlijcken God de schoone Sonne,’ is geen verwijzing meer naar de onzienlijke, het tijdelijke niet naar de eeuwige, het hemellichaam is er een van binnen Hooft's heelal. Hij gebruikt de oude beelden, maar vertijdelijkt ze. Het uitspansel is zijn grens. Misschien ligt de breuk al bij Petrarca: ook bij hem alle oude beelden, maar gebruikt ter vereeuwiging van de vrouw. Dante's eerste ontmoeting met Beatrice leidde hem tenslotte, mede onder haar leiding, tot in het eeuwig licht, daarmee de oorsprong vindend van het licht van haar ogen hier op aarde, goddelijk licht waarin voor degene die er in kijkt alles en ook hij zelf zichtbaar wordt en een vermoeden van het goddelijke wordt gegeven, zoals de ziel, in de ogen te zien, de goddelijke wijsheid hier op aarde zichtbaar maakt. Van deze schitterende constructie van tijd en eeuwigheid waarin de vrouw centraal staat en waarvoor licht en ogen alle beelden leveren, zijn de overblijfselen nog aan te wijzen in de poëzie van Hooft, zoals in dit gebouw de sporen van Amiens, als kerk ook een tot in de hemel reikende constructie, zijn te vinden. Hooft is als dichter ook hierin modern: hij werkt en leeft met flarden van een overgeleverde cultuur die hij in een nieuw verband tracht te voegen en daarmee nieuwe betekenis tracht te geven. Misschien heeft dat hem wel het meest vervreemd van Vondel: die legde, op onvergelijkelijke wijze overigens, de omgekeerde weg af, met in alle opzichten als hoogtepunt zijn opstijging tot in het grondeloze licht in Lucifer, waar God ‘der zonnen zon’ heet.

In alle schakeringen is het licht bij Hooft aanwezig, lieflijk, en ook verzengend en hij kan niet nalaten sommige woorden met een tweede, en dat is vaak een licht-betekenis te laden. Hoezeer het licht literair licht is, kan wel hieruit blijken dat de lezer eigen Nederlandse gewaarwordingen zelden herkent. Zeldzaam is een fragment als dit:

 
Voor 't droevighe gemoedt gesmoort in hooploos leidt
 
Is niet soo soet het licht; als na bedompte weken,
 
De Triomphante Zon comt door de wolcken breecken,
 
En praelt alleen in 't veldt 't welck hij met gloor bespreit;

De zon - hij staat bij Hooft in de twee perioden dat zijn liefde bloeit, voortdurend hoog en fel aan de hemel. Liefde, beter nog de geliefde, brengt licht. De oude beelden voor de zon als heerser zijn veelvuldig aanwezig: ‘Vonckende God’ heet de zon, ‘de Vorst des Lichts’ in een van de allermooiste sonnetten en in een sang, die misschien als een zonnehymne omschreven kan worden, wordt de zon in de eerste strofe aldus aangesproken:

[p. 55]
 
Sichtbaere Godt, te praelen
 
In wiens aenschijn Natuir haer siele sette
 
Vol eindelose straelen
 
Van vrolijck licht en levendmaeckende hette,
 
Die 't al verquickt,
 
Die 't al beschickt
 
Wat leeft oft hellept leven:
 
Dies u met reden
 
Den crans der wetettheden
 
Wert gegeven.

Dat de geliefde, die de zon is, soms met gelijke ‘imperialistische’ titels wordt aangesproken, is onvermijdelijk: ‘Vochdesse der gemoeden’ heet zij, en ‘Vochdesse van mijn siel’ in een der allermooiste en vernuftigste gedichten ook. ‘Vochdesse van mijn siel, wtmuntend hooch cieraedt’; dat kan nauwelijks anders dan op de vrouw als zon slaan. En hij prijst die ‘Vochdesse’ met de fraaiste fragmenten uit zijn repertoire; maar de lof wordt ingeleid met ‘doch’ - ik citeer één veelzeggende strofe:

 
Doch lichaems schoonheit mij mijn ruste niet en róóft;
 
Al flonckert 't gouden hayr soo swaddrich om uw hóóft;
 
Al vlamt uw hel aenschijn van blanck en blosend licht;
 
Al straeldy Min en Eer, in het schricken van 't gesicht;

Hij noemt alles waarmee hij haar en anderen heeft vereerd en in de tweede periode van zijn leven weer een ander zal vereren - want Leonore Hellemans wekt met haar ogen opnieuw de ziel van de dichter - maar laat dan tenslotte al het licht in de schaduw van wijze goedheid en geestigheid in taal, want die hebben hem tenslotte overwonnen. Dat deze overwinningsstrofe niet de sterkste van het vers is, mag enige twijfel wekken aan de schaduwpositie van al het andere waarvoor hij minder oog zou hebben, al heeft hij alles intussen uitvoerig bezongen.

Misschien heeft Hooft zijn uitspansel, met één Zon, die alle andere sterren in het donker houdt, het volmaakst verbeeld in dat licht- en liefdesonnet ‘Wanneer de Vorst des lichts slaet aan de gulden tóómen’, hoogtepunt uit de hele Nederlandse poëzie, met die indrukwekkende slotregels:

 
Al eveneens, wanneer uw geest de mijne roert,
 
Wordt jck gewaer dat ghij in 't haylich aenschijn voert
 
Voor mij den dach, Mijn Son, de nacht voor d'andre vrouwen
[p. 56]

Waarbij ‘Mijn Son’ in de prachtige dubbelsituatie verkeert van bijstelling en vocatief te zijn.

Wanneer Hooft aan het einde van zijn dichterschap gekomen tenslotte de Prinsesse van Oranje het woord geeft en tot dichteres maakt, leent hij haar zijn mooiste en voor hem meestzeggende taal en beelden in de aanhef en laat hij haar daarin haar liefde uitspreken. Hij schenkt haar zijn lichtbeelden: ‘Schoon Prinsenoogh gewoon te flonkren | met zuyver hemelvlam’ - u heeft het zojuist gehoord.

Dit gedicht kan een vermoeden geven van de avondgedichten die Hooft had kunnen schrijven en waarin de reflectie aan de poëzie die dimensie had kunnen geven die haar nu ontbreekt. Het begin van onze moderne poëzie is ook een begin gebleven. ’'t Is altijd dag met mij’, zegt Hooft als ‘Bosman’ vermomd tot de ‘Haeghenaar’ genoemde Huygens in wat een Harderskout heet. ‘Haeghenaar’ heeft hem zo juist goedenacht gewenst. Hoofd voegt aan zijn slotopmerking toe ‘Totdat mijn vlam versmacht.’ Zijn poëzie wijst de juistheid van zijn uitspraak uit. Licht en liefde of licht en verliefdheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, verbeeld in de beeldresten van de middeleeuwse wereld of in de nieuwe beelden van de herontdekte antieke wereld. Hooft is een jong dichter gebleven, bij wie het begin van zijn liefde samengaat met het begin van zijn poëzie. maar ook van de Nederlandse poëzie, die dan ook klinkt, nog altijd, alsof ze net ontstaan is. Een nieuwe taal, of als nieuw te ontdekken door de huidige lezers die zelfs in deze kerk vergeten dat ook lezen een altijd doorgaand proces van restaureren is.

terug  begin  verder