Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1993


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1992-1993. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 125]

H.F.A. van der Lubbe O.F.M.
17 oktober 1911 - 27 oktober 1991

Wie in de jaren zestig Nederlandse taal- en letterkunde ging studeren, kreeg al voor het kandidaatsexamen te maken met Woordvolgorde in het Nederlands van H.F.A. van der Lubbe. Ik herinner mij nog goed, dat dr. L. Koelmans het de eerstejaars te Utrecht in 1966 van harte aanbeval. ‘Een indrukwekkend boek’, noemde hij het. Nieuwsgierig geworden heb ik het gekocht - toen al lag de derde druk in de boekhandel - en ik moest Koelmans toegeven: een indrukwekkend boek was het zeker. Stap voor stap, zich afzettend tegen illustere voorgangers, met name tegen A.W. de Groot, voert Van der Lubbe de lezer naar een nieuwe indeling van woordgroepen in het Nederlands en wel zo overtuigend, dat de lezer zich verbijsterd afvraagt: wat is hier nog tegen in te brengen?

Wie was de auteur van dit alom geprezen werk? Op die vraag kregen wij studenten nauwelijks antwoord. Zo zichtbaar als toentertijd Paardekooper, Schultink, Uhlenbeck en Van den Toorn waren - ik noem slechts enkele leidende taalkundigen uit die tijd - zo onzichtbaar bleef de taalkundige Van der Lubbe. Hij was niet aan een universiteit verbonden en publikaties van zijn hand verschenen er in de jaren na zijn Woordvolgorde ook niet meer. De een meende dat hij zich geheel in het kloosterleven had teruggetrokken, de ander beweerde dat hij gekozen had voor het katholieke onderwijs, maar waar? Hoe het precies zat, leek niemand in het universitaire wereldje te weten.

 

Hendricus Franciscus Alphonsus van der Lubbe werd geboren te Den Haag op 17 oktober 1911 als zoon van B.J.F. van der Lubbe (1881-1963) en G.J. Honselaar (1882-1948). Hij was het vierde kind. Na hem zouden nog zeven kinderen geboren worden.

Van der Lubbe bezocht de lagere school van de broeders aan het Westeinde. Toen hij veertien was, ging hij naar het gymnasium te Venray. Zeven jaar later, op 7 september 1932, trad hij in in de orde der Franciscanen te Slenaken. Op 19 maart 1939, zevenentwintig jaar oud, werd hij te Weert tot priester gewijd.

Hoewel Van der Lubbes hart meer uitging naar pastoraal werk, kreeg hij van zijn orde de opdracht Nederlands te gaan studeren. Hij begon deze studie in Leiden, waar hij ook Oudnoors studeerde bij prof. dr. J. de Vries,

[p. 126]

maar de oorlogsomstandigheden dwongen hem na twee jaar uit te wijken naar Utrecht. Zijn kandidaatsexamen legde hij af op 4 december 1942, zijn doctoraal op 3 november 1945. Als leraar Nederlands werkte hij achtereenvolgens in Venray (tot 1947) en in Rotterdam aan het St.-Franciscuscollege (tot 1958). Van 1958 tot 1961 was hij rector van het missiecollege te Katwijk. In augustus 1961 werd hij benoemd tot directeur van de St.-Martinus-h.b.s. te Bolsward, die na invoering van de Mammoetwet omgedoopt werd tot ‘Jan Brugmancollege’.

De school had voor hij als directeur aantrad enigszins geleden onder een minder gelukkig beleid. Onder Van der Lubbes leiding hervonden de docenten hun enthousiasme; de school bloeide weer op. Als pater-directeur, later als pater-rector, was Van der Lubbe volkomen op zijn plaats. Hij wàs er altijd, niet nadrukkelijk, maar hij wàs er. Bij zijn pensionering in 1976 kreeg hij van zijn school een reis naar Israël aangeboden, die hij in 1977 gemaakt heeft. Daarna heeft hij nog vele reizen ondernomen.

Van der Lubbe was een sportief man: hij zwom graag en was een verwoed zeiler. Hij nam het roer graag over als hij dacht dat de situatie daarom vroeg. Zo zeker als hij zich achter het roer voelde, zo onzeker was hij achter het stuur. Autorijden ging hem niet goed af.

Op vrijdag 23 mei 1958 promoveerde Van der Lubbe bij prof. dr. C.B. van Haeringen op het proefschrift Woordvolgorde in het Nederlands, zoals gezegd jarenlang een absolute ‘must’ voor elke neerlandicus. Het is een typisch voorbeeld van structuralistische taalkunde. Van der Lubbe gebruikt een uitgebreid corpus om tot een classificatie van Nederlandse woordgroepen te komen. Het werk richt zich vooral tegen de Structurele syntaxis van A.W. de Groot, die tot 1962 hoogleraar Algemene Taalwetenschap te Utrecht was. Met name diens classificatie van woordgroepen in het Nederlands onderwierp Van der Lubbe aan een kritische bespreking. Opposities als ‘endocentrisch’ en ‘exocentrisch’, ‘predicerend’ en ‘niet-predicerend’ vormen de basis van Van der Lubbes indeling; begrippen die ook nu nog, zij het in een geheel ander kader, vele taalkundigen bezighouden.

Het werk was een eclatant succes, wat moge blijken uit het feit dat het in 1978 voor de vierde maal gedrukt werd. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft geen enkel ander Nederlandstalig taalkundig proefschrift in de afgelopen decennia een dergelijk onthaal gekregen.

Was de naam ‘Van der Lubbe’ bij iedere taalkundige bekend, wie hij was wisten maar weinigen. De oorzaak daarvan is, dat Van der Lubbe altijd het katholiek middelbaar onderwijs trouw is gebleven. In 1963 heeft

[p. 127]

prof. dr. J. Wils hem wel proberen te verleiden tot een medewerkerschap bij de vakgroep Algemene Taalwetenschap aan de k.u. te Nijmegen. Daarover hebben zij gesproken in de stationsrestauratie te Zwolle (de afstand Bolsward-Nijmegen werd gedeeld). Tot overeenstemming lijken zij niet te zijn gekomen; Van der Lubbe heeft in ieder geval nooit de overstap naar het universitaire onderwijs gemaakt.

 

Na zijn pensionering kreeg Van der Lubbe weer de tijd om zich aan de taalkunde te wijden. Hij bezocht jaarlijks de Taalkunde-in-Nederlanddagen, de tin-dagen, van de Algemene Vereniging voor Taalwetenschap, waar ik hem persoonlijk leerde kennen. Ook heeft hij nog verschillende belangrijke artikelen gepubliceerd, waaruit aan de ene kant bleek, dat hij de chomskyaanse taalkunde goed bestudeerd had, maar waaruit anderzijds duidelijk werd, dat hij ook deze vorm van taalbeschrijving met een zeer kritische blik volgde. Zijn doofheid, waar hij erg onder leed, maakte aan deze hernieuwde wetenschappelijke activiteiten een einde.

Van der Lubbe had een scherpe pen, iets wat men eigenlijk niet van hem zou verwachten als men hem persoonlijk kende. Direct na de verdediging van mijn proefschrift Appositionele constructies in het Nederlands (1977) kreeg ik van hem een uitvoerige brief met zijn reactie. Ik had mij in licht kritische zin uitgelaten over zijn begrip ‘predicering’ en hij wenste die kritiek wel even te weerleggen, iets wat hij in 1978 bij de vierde druk van zijn dissertatie nog eens uitvoerig over gedaan heeft (p. 367-368). Ook op verscheidene van mijn latere publikaties heeft Van der Lubbe uitvoerig gereageerd: zijn ‘Over echte en schijnbaar partitieve woordgroepen’ en ‘De structuur van de zgn. absolute met-constructie’ zijn kritische besprekingen van onder meer mijn ‘De interne structuur van partitieve constructies’ (Spektator 10) en ‘Over de zgn. absolute met-constructie’ (De Nieuwe Taalgids 76). Op grond van deze reacties had ik mij een beeld gevormd van een wat norsige man bij wie men niet gauw goed kon doen. Toen ik hem persoonlijk leerde kennen, bleek hij echter de hartelijkheid zelve. We hebben sindsdien veel - vooral telefonisch - over taalkundige onderwerpen gesproken, waarbij Van der Lubbe niet zelden een tijdstip koos waarop menigeen zich al te ruste had gelegd.

Op 19 maart 1989 vierde hij, omringd door familie en confraters, de vijftigste verjaardag van zijn priesterschap.

[p. 128]

Van der Lubbe is op 27 oktober 1991 te Rotterdam overleden en op 31 oktober 1991 te Katwijk aan den Rijn begraven. Met hem is een buitengewoon scherpzinnig taalkundige en begenadigd docent heengegaan, die ondanks zijn wetenschappelijk succes, het grootste deel van zijn leven in dienst gesteld heeft van het katholiek voortgezet onderwijs. We zullen zijn hartelijkheid en oprechtheid missen.

 

maarten klein

 

Voor hun hulp bij het maken van dit levensbericht wil ik graag B.A. van der Lubbe te Den Haag, drs. K.A. Duran te 't Harde, en pater Andela van het provincialaat te Utrecht bedanken.

Voornaamste publikaties

Woordvolgorde in het Nederlands. Een synchrone structurele beschouwing. Diss. Utrecht, Assen 1958. Vierde druk, Assen 1978.
‘De waarden van de vrijwillige armoede’, in De Nieuwe Taalgids 73 (1980), p. 234-238).
‘Over echte en schijnbaar partitieve woordgroepen’, in Spektator 11 (1981), p. 367-378.
‘Een subjekts-genitief (lvm) bestaat niet,’ in De Nieuwe Taalgids 74 (1981), p. 532-536).
‘Het blijft spoken in de linguïstiek’, in Forum der Letteren 24 (1983), p. 81-93.
‘Structuur en interpretatie van de zgn. om-zinnen’, in Glot 8 (1985), p. 105-115.
‘De structuur van de zgn. absolute met-constructie’, in De Nieuwe Taalgids 78 (1985), p. 6-17.