Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1996


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1995-1996. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1997  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 110]

Gabriël Stephanus Nienaber
Distrik Fauresmith 12 november 1903 - Pretoria 10 december 1994

In een kostelijke bijdrage tot het mede onder zijn redactie gepubliceerde boek Die Nienabers van Erfdraai (1987) vertelt Gawie Nienaber over zijn jeugd in de Oranje-Vrystaat. Op de boerderij die naast die van zijn ouders lag, woonde een gezin van inheems-Afrikaanse origine, in het Zuidafrikaans ‘Koranders’ genaamd. De ontmoeting met de leden van dit gezin was tegelijk een ontmoeting met een onbekende, authentiek Afrikaanse taal: ‘Ons het lekker gespeel, kan ek goed onthou, maar wat al die jare bly vassteek het, was die lae matjieshut waarin almal saam gewoon en geslaap het, en die geklap [de klik-klanken] van hulle taal, op die beste as twee vir mekaar kwaad word en die stemme saam met die emosies klim. Met my het hulle Afrikaans gepraat, onder mekaar meestal hulle klappertaal. Maar kinders leer 'n taal maklik aan: ek kon tel en het 'n paar skelwoorde en affekterme somaar so opgetel [...]. So het ek bewus geword van 'n inlandse taal wat die Koranna ook hier in die Vrystaat van vroeër gepraat het, 'n taal met sy drag van konsonante wat deur insuiging of vassuiging van lug op een of ander van vier plekke gevorm word en wat by verbreking van die vassuiging ontplof. Later het ek geleer dat die Korannas se taal 'n dialek van Hottentots was. Op universiteit het ek gehoor dat Afrikaans en Suid-Afrikaanse Engels baie woorde uit Hottentots gekry het, soos vir plante en diere, vir plekke en plase. My belangstelling is gewek.’

De door Nienaber genoemde universiteit was het destijdse Grey Universiteits Kollege (g.u.k.) in Bloemfontein. Grote invloed oefende hier de hoogleraar en schrijver D.F. Malherbe op hem uit door diens strijdvaardige houding tegenover het gebruik van het Zuidafrikaans. Reeds als student speelde Gawie Nienaber een vooraanstaande rol op cultureel gebied. In zijn Bloemfonteinse tijd was hij landelijk voorzitter van de ‘Afrikaanse Studentebond’. Nadat hij D.F. Malherbe in 1925 als docent had vervangen en vervolgens enige jaren op school had lesgegeven, kreeg hij in 1928 een aanstelling als docent in Afrikaans, Nederlands en Duits aan de Universiteit van Natal in Pietermaritzburg. In 1932 vertrokken Gawie Nienaber en zijn vrouw Marmion naar Gent waar hij in 1933 promoveerde op een proefschrift met de titel Oor die Afrikaanse taal: 'n bydrae oor sy ontwikkeling na aanleiding van enige versterkingswyses (Amsterdam 1934). De studietijd in Gent betekende tevens de confrontatie met de taalstrijd

[p. 111]

die toen in Vlaanderen in volle gang was en had verder de kennismaking met Cyriel Verschaeve, Stijn Streuvels en Gaston Burssens tot gevolg. Terug in Zuid-Afrika werd Nienaber eerst ‘senior lektor’ en daarna, in 1947, hoogleraar-directeur van het instituut Afrikaans/Nederlands. Deze functie vervulde Nienaber tot zijn emeritaat. Tot zijn studenten behoorde onder andere Dirk Opperman, die zich later tot een der belangrijkste dichters in het Zuidafrikaans zou ontwikkelen.

 

Binnen het culturele leven van de toenmalige provincie Natal [thans: Kwazulu-Natal] speelde G.S. Nienaber een buitengewoon belangrijke rol. Als hoofd van de jeugdbeweging, de ‘Voortrekkers’ en als lid van het hoofdbestuur van de ‘Saamwerk-Unie van Natalse Verenigings’ was hij een vurig pleitbezorger van de Afrikaanse (dat wil zeggen de Afrikaner) taal en cultuur. Hij was redacteur van Die Saamwerk en had een wekelijkse rubriek in Die Natalse Afrikaner. Als secretaris-penningmeester van het ‘Komitee van Voortsettingsonderwys’ hielp hij tijdens de jaren van economische teruggang in Zuid-Afrika honderden Afrikaanstalige werknemers van de Zuid-Afrikaanse spoorwegen aan een betere schoolopleiding en daarmee aan een vaste betrekking binnen deze staatsonderneming. Zeer talrijk zijn de functies die Nienaber elders binnen de wereld van onderwijs en cultuur vervulde, bijvoorbeeld ten behoeve van het ‘Voortrekkermuseum’, van het ‘Natalse Museum’, de Natalse afdeling van het ‘Historiese Genootskap van Suid-Afrika’, het ‘Genootschap Nederland-Zuid-Afrika’ en van de ‘Van Riebeeck-Stigting’. Deze onbaatzuchtige inzet voor de gemeenschap ging gepaard met een grote, kwalitatief hoogstaande wetenschappelijke productiviteit. Voor zijn werk werden hem eredoctoraten van de universiteiten van Natal, de Oranje-Vrystaat, Durban-Westville en Pretoria verleend. Nienaber publiceerde niet alleen zelf veel, hij stimuleerde ook anderen tot publicatie van hun onderzoeksresultaten door middel van de oprichting van het ‘University Publication Committee’. Deze instelling zorgde onder meer voor de uitgave van het Nama-woordenboek. Tegen de achtergrond van zijn vele activiteiten ten behoeve van vooral de Afrikaanstalige bewoners van Natal betekende de verhuizing van Nienaber naar Pretoria in 1976 een groot verlies voor de genoemde provincie. Nienaber had de uitnodiging van de ‘Raad vir Geesteswetenskaplike Navorsing’ in Pretoria aangenomen om een grondige studie te verrichten naar de plaatsnamen van de Zuid-Afrikaanse Khoikhoin-volkeren. Het resultaat mocht er zijn. Het omvatte drie impo-

[p. 112]

sante delen: Toponymica Hottentotica (1977-1980). Sinds 1970 was hij weduwnaar. In 1976 trouwde hij opnieuw, verloor zes jaar later zijn tweede vrouw Eileen en trouwde in 1983 met zijn derde ‘lewensmaat’ Eva-Maria.

Het bewustzijn van de eigen taal, het Afrikaans, en het verlangen naar openbare erkenning van die taal hebben leven en werk van G.S. Nienaber in zeer sterke mate bepaald. In zijn bijdrage tot Die Nienabers van Erfdraai schrijft hij daarover: ‘Waar ek grootgeword het, was prakties net een omgangstaal, en dit was Afrikaans. Hy was die taal van ons hart, maar ons was nie trots op hom nie. Hy was ongeëerd en, as jy die Bybel lees of 'n lied sing, dan weet jy hy is net verkeerde Hollands, al weet jy jy praat hom reg en spreek hom suiwer uit.’ In deze situatie bracht de genoemde D.F. Malherbe voor de jonge student Nienaber uitkomst: ‘Malherbe wat ook buitekant die lesingsaal oorredend gestry het vir Afrikaans, vir ons taalregte, het ons, het vir my, aan die brand gesteek. By hom word die lelike eendjie van die sprokie 'n lieflike swaan. Ek het ryk geword, ek het immers my eie taal, ek het vir die eerste keer die gelyke gevoel van die Engelsman en die Hollander en die Griek. Maar daar was meer: ek het meteens van 'n roeping bewus geword. Ek gaan Afrikaans verdien deur vir hom te werk, en as ek sy eer hooghou, dan hou ek ook my volk en my nasie se eer hoog.’

Nienaber gaf al tijdens zijn studiejaren op een eigen, creatieve wijze vorm aan wat hij als zijn roeping beschouwde. Hij verdiepte zich in de geschiedenis van de emancipatie van het Afrikaans en verzamelde de documenten van die geschiedenis om die vervolgens te publiceren en te behoeden voor de vergetelheid. Ik noem enkele van deze publicaties: Die Afrikaanse Beweging. Deel I: Geskiedkundige oorsig (1931), Honderd jaar Hollands in Natal (1933), Gedenkalbum van die Natalse Nederduits-Gereformeerde kerk (1938), Afrikaanse letterkundige kritiek (1941), Die Afrikaanse geskrifte van Samuel Zwaartman (1942), Afrikaanse woorde in Xhosa (1948), Oor Afrikaans, Deel I en Deel II (1949, resp. 1953), Taalkundige belangstelling in Afrikaans tot 1900 (1950), Twee taalstryders: Pannevis en Preller met hulle pleidooie vir Afrikaans (1967), Louis Henri Meurant: 'n vroeë Afrikaanse joernalis (1968), Die Nienabers van Suidelike Afrika (1990, samengesteld door G.S. Nienaber en E.M. Nienaber). Uit het genoemde boek Honderd jaar Hollands in Natal blijkt zeer duidelijk dat de taalverhoudingen waarmee Nienaber in Natal te maken kreeg, zijn betrokkenheid bij de strijd voor de emancipatie van het Zuidafrikaans hebben versterkt: ‘Uit die voorgaande het dit geblyk hoe baie in 'n kort tyd gewen is, as van die zeropunt getel word, maar

[p. 113]

hoe min die ‘baie’ werklik is as van die ideale punt gereken word. So algemeen is die miskenning van die Afrikaanse taal in die stede en in die dorpe dat die indruk wat die vreemdeling kry seker altyd is dat daar geen Afrikaners in Natal woon nie.’ Nienabers bestudering van de ontstaansgeschiedenis van het Afrikaans stond aanvankelijk in het teken van de Europese verworteling van deze taal. In Die Afrikaanse Beweging gaat de auteur van de - door dialectonderzoek in Nederland gesteunde - vooronderstelling uit dat het Afrikaans zijn bestaan in de eerste plaats te danken heeft aan de Nederlandse dialecten van de zeventiende eeuw die met de Verenigde Oostindische Compagnie naar Kaap de Goede Hoop kwamen. In latere jaren begon Nienaber een steeds grotere belangstelling te krijgen voor de varianten van het Afrikaans die wat hun historische ontwikkeling betreft zowel naar Afrika als Europa verwijzen. Belangrijke publicaties zijn in dit verband: Hottentots (1963) en Khoekhoense stamname (1989; wegens de pejoratieve betekenis is Hottentots vervangen door de neutrale aanduiding Khoekhoe). Kort voor zijn overlijden publiceerde Nienaber een bijdrage in de aan de Johannesburgse taalkundige Edith Raidt opgedragen bundel Nuwe perspektiewe op die geskiedenis van Afrikaans (1994) met de titel ‘Die ontstaan van Khoekhoe-Afrikaans’, waarin hij de ontwikkeling van het Afrikaans aan de Kaap als volgt samenvat: ‘In die koloniale tydperk, van 1652 af, begin dus 'n fase in die geskiedenis van dít wat tot 'n sisteem aan die ontwikkel is, Khoekhoe-Afrikaans. Anders gesê, uit die risoom Nederlands wat in 1652 na die Kaap oorgeplant is, groei twee uitspruitsels, spoedig gevolg deur 'n derde. Hulle is: Burger-Afrikaans, Khoekhoe-Afrikaans, en as derde Slamaaier-Afrikaans [Maleis-Afrikaans]. Dit is van ongeveer 1750-1800 af die drie belangrikste variasies, van en naas Standaardnederlands. En dan kom, in 1795, 200 jaar gelede, die eerste aanduidings van 'n totaal nuwe risoom, Engels.’

Evenals zijn jongere broer P.J. Nienaber, met wie hij samen meerdere literaire bloemlezingen en taalkundige publicaties verzorgde, was G.S. Nienaber een man met veel gevoel voor humor, die een stilistisch gezien rijk Afrikaans schreef. Zijn oudere publicaties spreken daardoor nog altijd aan, ook al is de thematiek duidelijk gebonden aan een voorbije fase in de cultuurgeschiedenis van Zuid-Afrika. Wanneer hij zich niet tot een der belangrijkste taalkundigen van Zuid-Afrika had ontwikkeld, zou Nienaber wellicht een interessante schrijver zijn geworden. Uit zijn bundel Die Kalfie en ander verhale (1937) en andere geschriften blijkt in ieder geval dat hij ook in deze richting actief is geweest.

[p. 114]

Het zelfportret dat G.S. Nienaber in Die Nienabers van Erfdraai schetst, begint met een hoofdstukje, getiteld ‘Ek en die Onsienlike’. Hierin getuigt hij op een geestige en overtuigende manier van zijn diepe geloof in de leidende tegenwoordigheid van God in zijn leven. Zijn aanvankelijke wens om predikant te worden kon hij op grond van zijn financiële omstandigheden niet verwezenlijken. Van 1928 tot 1976 mocht hij evenwel iedere maand als lekenprediker voorgaan in de Congregational Kerk in Pietermaritzburg, waarvan de leden uit zogenaamde ‘Kleurlingen’ bestonden. Aan de nieuwe vertaling van de bijbel in het Afrikaans droeg Nienaber zijn steentje bij door delen van het Nieuwe Testament uit het Grieks te vertalen. Tijdens zijn leven zijn G.S. Nienaber vele eerbewijzen ten deel gevallen, onder meer van de kant van de ‘Suid-Afrikaanse Akademie vir Kuns’.

Op negentigjarige leeftijd publiceerde G.S. Nienaber het artikel ‘Kareedouw en Karriebier’ in het tijdschrift Nomina Africana (vol. 7, nr. 1/2, april-november 1993). De redactie drukte bij het artikel een profiel van de auteur af. De laatste alinea geeft precies weer hoe groot de waardering in Zuid-Afrika voor G.S. Nienaber is: ‘Professor Nienaber het waardevolle voorstudies gedoen oor Khoekhoense persoonsname en dit is die moeilikste van die opdragte oor Khoekhoense naamgewing. Die baanbrekerswerk wat hy gedoen het, sal onmiskenbaar wees vir latere navorsers op hierdie gebied. Hy het metodes en tegnieke ontwikkel om naamkundige probleme op te los en almal wat hom leer ken het, het nader gekom aan 'n groot gees met ryk ervaring en lewenswysheid en het self ryker geword by die ondervinding. Hy sal altyd as een van die grootstes onder die naamkundiges en taalkundiges getel word.’

 

hans ester

Voornaamste geschriften

Een beknopte bibliografie van G.S. Nienaber werd gepubliceerd door het ‘Nasionale Afrikaanse Letterkundige Museum en Navorsingssentrum’ te Bloemfontein, Vrystaat, zonder auteursnaam, zonder jaartal. Zie verder: A.J. Sinclair (red.), G.S. Nienaber. 'n Huldeblyk. Kaapstad 1983.