Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1996


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1995-1996. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1997  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 115]

Anna Maria Geertruida Schmidt
(Annie M.G. Schmidt)
Kapelle 20 mei 1911 - Amsterdam 21 mei 1995

Mevrouw Schmidt en Willem Kloos hebben het gezien toen wij nog niet eens van haar bestaan wisten..., dat er talent stak in dat meisje van veertien. Zonder dat ze het wist, stuurde haar moeder de dichter enkele versjes van haar dochter en op briefpapier van De Nieuwe Gids kreeg zij het volgende antwoord, gedateerd 27 april 1926:

 

‘Hooggeachte Mevrouw,

Nu ik de verzen van uw kind goed ken, eerst las mijn vrouw ze mij voor, en zooeven keek ik ze nog eens door, voor mijzelf alleen, behoef ik u gelukkig volstrekt niet de hoop te ontnemen, dat zij waarachtigen aanleg heeft. Uit den vlot-levendigen en harmonischen, ja hier en daar zelfs muzikalen rhytmus laat zich afleiden dat er wezenlijk diep in haar, zoals men 't noemt, iets zingt [...].’

 

De innerlijk zingende dochter bleek een laatbloeister. Ondanks de aanmoedigende woorden van de grote Tachtiger heeft het meer dan dertig jaar geduurd alvorens het enorme en veelzijdige talent dat Annie M.G. Schmidt was, in volle kracht losbarstte. In een niet aflatende stroom poëzie en proza voor kinderen zowel als voor volwassenen zou zij, vernieuwend en volstrekt eigen, de Nederlandse literatuur en het Nederlandse theater verrijken. Ze werd misschien wel de geliefdste schrijver van ons land. Haar bekendheid en populariteit bij jong en oud, in brede kring, was zo groot dat de dood in 1995 van ‘de echte koningin van Nederland’, zoals ze in een verslag van de Nacht van de Poëzie eens in een ochtendblad werd genoemd, als een nationaal verlies werd ondervonden.

 

Anna Maria Geertruida Schmidt werd in 1911 in Kapelle, Zuid-Beveland, geboren als dochter van de Nederlands-hervormde dominee J.D. Schmidt en G.M. Schmidt-Bouhuijs. Ze was de derde Anna M.G. Tussen haar en haar acht jaar oudere broer Wim zijn twee zusjes met dezelfde voornamen geweest, die zeer jong zijn gestorven.

Zus, zoals zij tot ver in haar volwassenheid werd genoemd, was een wat eenzaam kind, dat geen Zeeuws sprak maar stads en niet in klederdracht,

[p. 116]

maar stads gekleed ging. De dorpskinderen vonden haar een beetje raar. ‘Anna van de domini’ werd ze genoemd. Ze was een leeskind, dat troost in boeken vond. Net als haar ouders, die ook veel lazen en daardoor in hun denken en opvattingen een grote ontwikkeling doormaakten. Dominee Schmidt, aanvankelijk zeer streng in de leer, had alle denkers, filosofen en belangrijke schrijvers gelezen, van wie Darwin een van zijn favorieten werd. Volgens zijn dochter is hij door diens evolutietheorieën langzaam van zijn geloof afgevallen. ‘Ik ben benieuwd’, heeft hij tegen haar gezegd, ‘of ze in jouw tijd de ‘missing link’ zullen vinden.’

Annie ging naar de openbare lagere school in Kapelle en later naar de hbs-a in Goes. Ondanks een twee voor Nederlands op een van haar eerste rapporten, kwam ze door het eindexamen. Korte tijd studeerde ze notariaat (in navolging van haar broer Wim, die notaris werd) en leerde steno en typen zoals dat toen gebruikelijk was voor meisjes die niet goed wisten wat ze zouden gaan doen. Ze was negentien, toen ze in 1930 als au pair in de huishouding ging werken bij de drie gezusters Levetzow in Hannover, die er prat op gingen dat een jongedame uit hun voorgeslacht de laatste geliefde van de oude Goethe was geweest. In het heden waren enkele familieleden nationaal-socialistisch ‘angehaucht’, maar de jonge onschuldige ‘Holländerin’ zag daar in 1930 nog geen kwaad in.

 

De liefde voor het boek won. Ze werd bibliothecaresse. Volgde de opleiding in Schiedam en Middelburg, werkte in de Openbare Leeszaal in Vlaardingen en in de kinderleeszaal in Amsterdam. In 1928, ze was zeventien, hadden er in Ons Eigen Tijdschrift van de firma C.J. van Houten & Zn. al drie kinderversjes van haar gestaan, getiteld ‘De spin’, ‘Klein Jantje’ en ‘December’, ondertekend door Zus Schmidt. Tien jaar later, in 1938, debuteerde ze ‘officieel’ in het christelijk letterkundig tijdschrift Opwaartsche Wegen met twee verzen, waarvan het bekendste verwijst naar Willem Kloos, wiens beroemde eerste dichtregel ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’ bij haar een heel ander vervolg kreeg met:

 
maar in de bibliotheek een volontair
 
die hunk'rend op een baantje zit te wachten
 
en boeken uitleent... met een zeker air

Volontair, dat betekende in de crisisjaren dertig werken zonder betaald te worden. In 1941 kreeg ze een aanstelling tot directrice van de Openbare

[p. 117]

Bibliotheek in Vlissingen, waar ze vijf jaar bleef, tot haar in 1946 door redactrice Mia van Meurs gevraagd werd hoofd Documentatie bij Het Parool te worden. Annie had tijdens haar opleiding in Schiedam bij Mia's ouders op kamers gewoond. Ze kenden elkaar ook doordat Annie wel eens had meegewerkt aan De Blaasbalg, een uitgave onder redactie van mr. G.J. van Heuven Goedhart (hoofdredacteur van het naoorlogse Parool) van de antifascistische stichting ‘Weest op uw hoede’. Daarin schreef ze, bijna zestig jaar geleden, onder meer een kinderversje (‘een héél lelijk kinderversje’, zou ze er later van zeggen), waarvan hieronder het eerste en het laatste couplet:

Als Mussert eens won...
 
‘Zeg, ze hebben me verboden
 
verder met je om te gaan,
 
want je bent een Jood, en Joden
 
hebben al het kwaad gedaan.
 
[...]
 
Ik mag niet meer met je spelen
 
en je vriendje niet meer zijn
 
maar ik kan het niet begrijpen,
 
ben ik daarvoor nog te klein?’

De terugkomst in Amsterdam uit het kapotgeschoten en door overstroming dichtgeslibde Vlissingen ondervond zij als een regelrecht wonder, de aanstelling bij de krant als een eer. Het Parool-milieu, waar dichters als Han G. Hoekstra en Eric van der Steen (mr. D. Zijlstra), politiek redacteur Sal Tas, aankomend schrijver Gerard Kornelis van het Reve (nu Gerard Reve) en toneelrecensent Simon Carmiggelt rondliepen, vervulde haar met diep ontzag. Zelf was ze een onopvallend iemand. Een stille, verlegen, wazige, ja wat muizige vrouw: juffrouw Schmidt van Documentatie.

Haar ontdekking kwam in het voorjaar van 1947. Voor een feestavondje van de Parool-redactie hadden enkele redacteuren wat teksten geschreven en een kort programmaatje in elkaar gezet, dat ze zelf opvoerden. Ook Annie speelde mee. Ze had enkele bijdragen geleverd, liedjes, waar-

[p. 118]

van ze bij een paar zelfs muziek had gemaakt, zoals ‘Haar vaders koetsier’ (‘O, welk een gemier / zij mint haar vaders koetsier’). Het was een geweldig succes.

Het enthousiaste groepje had er zo'n plezier in, dat men besloot bij elkaar te blijven en zo ontstond het journalistencabaret ‘De Inktvis’, dat op 30 mei 1947 in Americain in Amsterdam naar buiten trad met het eerste van zijn programma's voor een zaal vol familie, vrienden en collegae van andere kranten. Met nog meer teksten en muziek van Annie Schmidt. Acht nummers droegen haar naam. Het optreden werd in de pers hogelijk geprezen. Uitgever De Bezige Bij ontfermde zich over de groep en optredens door het hele land volgden, altijd met eclatant succes. Toch zou het nog tot 1950 duren voor De Groene Amsterdammer, naar aanleiding van het derde (en laatste) Inktvis-programma ‘Extra Editie’, schreef: ‘Het ziet er naar uit dat Annie M.G. Schmidt bezig is een schrijfster voor het cabaret te worden van werkelijke allure.’

Dat vonden de cabaretiers Wim Kan en Wim Sonneveld ook, want zij kochten voor hun eigen gezelschap verscheidene teksten van De Inktvis, het amateurcabaret dat het begin van Annie Schmidts carrière als theaterschrijfster was, en gaven haar menige opdracht voor het schrijven van nieuwe teksten.

Parool-redactrice Wim Hora Adema vroeg haar om bijdragen voor de kinder- en later de vrouwenrubriek van de krant. In Het Parool van 24 december 1946 stond haar eerste naoorlogse kindergedicht, een kerstvers. Van die datum af schreef zij jarenlang in deze krant honderden kinderverzen (geïllustreerd door Wim Bijmoer) en verhaaltjes en werkte ze mee aan de pagina ‘Voor de vrouw, maar voor haar niet alleen...’ met gedichten en prozacolumns onder de titel ‘Impressies van een simpele ziel’.

In 1950 verscheen haar eerste bundel kinderverzen, Het fluitketeltje, met plaatjes van Wim Bijmoer bij De Arbeiderspers, alsmede een bundeling ‘light verse’, getiteld En wat dan nog? Een jaar later kwamen de ‘Impressies van een simpele ziel’ in boekvorm uit, bij Querido. Alle drie boeken werden ogenblikkelijk bestsellers.

In die tijd begon ze in Het Parool met verhaaltjes over de kleutertjes Jip en Jan-ne-ke, die in 1953 als boekje verschenen (er zouden nog zeven bundels volgen) en het is nu al de derde generatie kleine Nederlandertjes die wordt voorgelezen over de avonturen van deze buurkindertjes. ‘Jip en Jan-ne-ke’ is een fenomeen, dat de schrijfster in haar latere jaren soms met enig schuldgevoel vervulde. Ze schreef de stukjes namelijk in die be-

[p. 119]

ginjaren midden op de redactie met alle herrie daarvan om zich heen, moeiteloos, zonder enige spanning, in een kwartiertje. En juist die boekjes bereikten astronomische oplagen, die geen enkel boek in ons taalgebied ooit heeft bereikt (of het moet de bijbel zijn). Om een idee te geven: in de herfst van 1996 (drieënveertig jaar na het eerste bundeltje) waren er van de Jip en Jan-ne-ke- pockets 3.150.000 exemplaren verkocht, niet meegerekend het Grote Jip en Jan-ne-ke-boek, waarvan er op dat tijdstip 551.000 waren omgezet. Altijd met de plaatjes van Fiep Westendorp, die van het eerste uur af een van Schmidts ‘lijf-tekenaars’ is geweest.

Vrijwel alles wat er van Annie M.G. Schmidt verscheen, vloog de winkel uit. Zo ook haar kinderboeken, die zij tussen 1953 en 1980 schreef: Abeltje (1953), De A van Abeltje (1955), Wiplala (1957), Wiplala weer (1962), Heksen en zo (1964), Minoes (1970), Pluk van de Petteflet (1971) en Otje (1980). Ze werden verslonden en worden nog steeds verslonden door een nieuwe generatie lezertjes. ‘Pluk’ en ‘Otje’ hadden, vóór de uitgave in boekvorm, als wekelijks feuilleton in het blad Margriet gestaan, met illustraties van Westendorp. In 1970 durfde uitgever De Arbeiderspers een uitgave met deze tekeningen in kleur niet aan, omdat het boek wellicht te duur zou worden voor het publiek, maar Reinold Kuipers, inmiddels uitgever van Querido, en Tine van Buul, mede-uitgever, besloten het boek te gaan maken en begonnen met een voor die tijd ongehoord grote oplage, namelijk 30.000 exemplaren. Het boek werd een groot succes. Nóg een indrukwekkend cijfer: van Pluk waren herfst 1995 645.000 exemplaren verkocht. Van 1971 af kwamen alle boeken van Schmidt, ook de herdrukken van oudere uitgaven, bij Querido.

Inmiddels hadden zich in het privé-leven van de schrijfster grote veranderingen voorgedaan. Eind jaren veertig leerde zij haar man kennen, de chemicus dr. Dick van Duijn, die een researchlaboratorium in Rotterdam had. Hun zoon Flip van Duijn werd in 1952 geboren en twee jaar later verhuisde het gezin naar een eigen huis in Berkel en Rodenrijs. In 1972, toen zoon Flip in Londen ging studeren, vestigde het echtpaar zich in hun huis in Zuid-Frankrijk, in de bergen boven Nice. Daar liet de schrijfster op het terrassenrijke terrein, een eindje van het huis af, een kamergroot gebouwtje zetten, haar ‘schrijfhuisje’. Jaren achtereen toog ze daarheen, en bij voorkeur in de zeer vroege ochtend, om te werken.

 

Het geboortejaar van Flip (‘Ben jij Jip?’ hebben ze hem als kind veel gevraagd. ‘Nee, ik ben Flip’, zei hij dan maar) werd het geboortejaar van

[p. 120]

een van de populairste radioseries ooit. In Holland staat een huis, ofte wel De familie Doorsnee, een hoorspel dat zes jaar heeft gelopen in tweewekelijkse afleveringen onder regie van Wim Ibo en met muziek van Cor Lemaire. Men bleef ervoor thuis. De straten waren uitgestorven tijdens het halfuurtje Doorsnee. Zakenmannen met avondvergaderingen eisten dat er eerst naar de radio werd geluisterd alvorens ook maar iets zakelijks te berde te brengen. Het ganse Nederlandse volk leefde mee met de avonturen van het gezin van kantoorboekhandelaar Theo (Cees Laseur), zijn laconieke vrouw Mien (Sophie Stein), hun kinderen Liesbeth (Lia Dorana) en Rob (Kees Brusse) en niet te vergeten hun dienstmeisje Sjaan (Hetty Blok). Toen deze laatste een baby verwachtte van haar Willem (‘Met Willem naar de fillem’), gespeeld door Jo Vischer jr., werden de gebreide sokjes, mutsjes en jasjes bij postzakken tegelijk bij de vara bezorgd.

Het fabelachtige succes van Annie M.G. Schmidt bleef bij het bedrijfsleven niet lang onopgemerkt. Ongetwijfeld buitengewoon goed betaald, heeft zij voor vele bekende merkartikelen menig beeldschoon kinderboekje (altijd geïllustreerd door Fiep Westendorp) gemaakt. Ze gingen vrijwel nooit over het product zelf, het werd er nimmer in genoemd, maar er kan worden aangenomen dat het grammofoonplaatje met de schattige mini-musical Ibbeltje een verhoogde omzet van Venz-hagelslag heeft veroorzaakt en dat Floddertje de naam van Nutricia geen kwaad heeft gedaan, integendeel.

Ten behoeve van het lagere-schoolonderwijs maakte zij in de jaren zeventig een serie van acht boekjes, verenigd onder de titel Waaidorp en geillustreerd door Mance Post, over het leven van kinderen in moderne uitbreidingswijken zoals die in die tijd aan de lopende band werden neergezet. Ze vond dat moeilijk, ‘want’, zei ze, ‘het moest reëel zijn en dat ligt me niet erg, mijn boeken spelen ook wel in deze tijd met een flatgebouw in Pluk en Otje die met haar vader in een auto rondreist, het is wel de moderne werkelijkheid, maar alles is betoverd.’

 

In 1951 was de televisie van start gegaan. Voor dit nieuwe medium schreef zij, ook weer in opdracht van de vara, de muzikale komedie in afleveringen Pension Hommeles (1957-1959), met muziek van Cor Lemaire. Negen jaar later kwam Ja zuster, nee zuster (‘Niet met de deur'n slaan!’), dat voor kinderen bedoeld was, maar ook bij volwassenen ongelooflijk populair werd. In de eerste plaats omdat het zo leuk was en de muziek van Harry Bannink zo in het gehoor lag, maar ook doordat - behalve de vaste acteurs

[p. 121]

als Hetty Blok en Leen Jongewaard - de beste artiesten er graag een keer als gast in meespeelden. Bovendien hadden in de jaren zestig al veel grotere groepen televisie dan in de tijd van Hommeles en konden dus veel meer mensen kennisnemen van deze nieuwe vorm van amusement. Later in de jaren zeventig volgde nog de serie Pleisterkade 17 en nog later, in 1989, Beppie.

Intussen was er wéér een nieuw medium in haar leven gekomen: de musical. In de inleiding tot het boek ‘O ja...’ Herinneringen aan zes Schmidt/Bannink musicals (Weesp 1983), waarin zij op onnavolgbaar humoristische wijze beschrijft ‘hoe een musical ontstaat’, vertelt ze hoe de haar nog onbekende impressario John de Crane haar begin jaren zestig telefonisch vroeg een Amerikaanse musical te vertalen. Hij wilde die uitbrengen met Conny Stuart in de hoofdrol (Stuart was de ster in het cabaretgezelschap van Wim Sonneveld, voor wie Annie al menige prachtige tekst had geschreven). Bits antwoordde zij dat zij niets wenste te vertalen zolang ze zelf nog goede ideeën had; ‘dag meneer Kramer’, zei ze ook nog. Maar hij liet niet af en vroeg haar dan zelf, samen met Harry Bannink, een musical te schrijven, die hij zou produceren. Noch zij, noch Bannink wist precies wat het inhield, een musical. ‘In elk geval’, zei Harry Bannink, ‘is het een toneelstuk met muziek, dans en liedjes, zoiets als Doorsnee of Hommeles, maar dan avondvullend. We beginnen gewoon.’

Ze begonnen gewoon. Het eerste resultaat was Heerlijk duurt het langst (1965), dat 534 voorstellingen beleefde met Conny Stuart, Leen Jongewaard, André van den Heuvel en Winnifred Bosboom in de hoofdrollen. In deze eerste musical zaten meteen al vier knallers van liedjes, zoals ‘Kom Kees, het is maar tijdelijk’ (‘'t zal wel weer overgaan’), het hilarische ‘Zeur niet’ (‘Ga naar het postkantoor en spuug door het loket / krijg een hartaanval of ga desnoods naar bed / met de kardinaal / doe dat allemaal / maar zeur niet / zeur niet / zeur niet’); het mooiste Nederlandse lied over het einde van een relatie, ‘'t Is over’, en het onvolprezen ‘Op een mooie Pinksterdag’, waarin de liefde van een vader voor zijn kleine dochter wordt bezongen - een lied dat reeds bij het leven van de schrijfster een ‘evergreen’ was geworden.

Er volgden nog zes musicals. En nu naar bed (1971) met Stuart als de boze fee (‘Ik hoef maar even zó te doen...’) en Mary Dresselhuys als de goede fee. Daaruit is onder meer het prachtige duet ‘Vluchten kan niet meer’, dat inmiddels ook klassiek geworden is. In 1973 volgde Wat een planeet, vier jaar later kwam Foxtrot (met Willem Nijholt, Trudy Labij, Gerrie

[p. 122]

van der Klei en Georgette Hagedoorn), waarin toen nog zeer gevoelige onderwerpen als abortus - het liedje ‘Over tijd’ - en homoseksualiteit - de song ‘Romeo en Julius’ - aan de orde werden gesteld. In 1981 volgde Madam, wederom met Stuart als ‘leading lady’, evenals in de thriller-musical De dader heeft het gedaan (1983), en weer enkele jaren later de zevende en laatste, Ping Ping, met Leen Jongewaard in de hoofdrol, die minder succes oogstte dan de zes voorafgaande producties, die allemaal drie- tot vierhonderd opvoeringen haalden.

 

Annie Schmidt hield van het theater en ze vond het heerlijk ervoor te schrijven. De intensieve samenwerking met acteurs, musici, regisseurs, dansers en decorontwerpers fascineerde en stimuleerde haar buitengemeen. Het liefst schreef ze voor artiesten wier talent en techniek ze goed kende, zodat ze rekening kon houden met hun speciale mogelijkheden.

Dat was zeker ook het geval bij haar vier toneelstukken, blijspelen, waarvan het eerste En ik dan? ‘op’ Mary Dresselhuys is geschreven en dat in 1968 in vrije productie, geregisseerd door Berend Boudewijn, in première ging. (Het werd in 1991 heropgevoerd met Henny Orri in de hoofdrol.) Tussen al het eigen werk door vertaalde Annie Schmidt ook nog enkele succesvolle stukken van Neil Simon, zoals Sex à la meunière en de Sunshine boys (1971 en 1975). In 1979, elf jaar na haar eerste stuk, kwam haar geestige maar ook schrijnende blijspel Er valt een traan op de tompoes met Nell Koppen in de rol van de vrouw wier echtgenoot (gespeeld door Wim Kouwenhoven) een einde aan zijn leven wil maken. Ook dit stuk beleefde een reprise (in 1988), ditmaal met Henny Orri en Allard van der Scheer. Beide stukken werden door een nieuw publiek met groot enthousiasme ontvangen.

In opdracht van Toneelgroep Amsterdam schreef ze haar derde stuk Los zand, dat 1 november 1989 in première ging, en haar vierde en laatste toneelstuk, We hebben samen een paard, in 1992 uitgebracht in vrije productie. Deze stukken werden door het publiek wel redelijk goed ontvangen, maar zijn naar mijn mening zwakker dan de eerste twee.

 

Annie M.G. Schmidt was er ineens in die late jaren veertig, schijnbaar uit het niets. Ze begon te schrijven en hield dat bijna een halve eeuw vol. Ze produceerde poëzie en proza in een ongehoorde kwantiteit en van een ongehoorde kwaliteit. Het is niet overdreven te stellen dat ze een revolutie in onze kinderliteratuur heeft teweeggebracht, die zij bevrijdde van

[p. 123]

een soms nogal moraliserende toon. Ze werd de moeder van het naoorlogse cabaret, schiep - samen met Harry Bannink - de Nederlandse musical en had een enorme invloed op nieuwe generaties schrijvers in al deze genres.

Haar taalgebruik was uniek. Ze ontdeed het Nederlands van een naar plechtigheid en deftigheid neigende schrijftaal, want ze schreef in een opluchtend ‘gewoon’ Nederlands, bijna in spreektaal. Ze voegde er, behalve een ongebreidelde fantasie, een grote dosis speelsheid in ritme en rijm èn humor bij, elementen die tot dan toe niet bepaald tot de voornaamste karaktertrekken van de Nederlandse literatuur, en vooral de poëzie, hadden behoord. In een televisie-interview met Ischa Meijer vertelde ze eens dat ze zich, wat humor en ironie betreft, veel eerder verwant voelde aan Duitse dichters als Heinrich Heine en schrijvers als Kurt Tucholsky en Erich Kästner dan aan enige Nederlandse auteur.

 

Wat er van haar uitgebreide oeuvre zal ‘beklijven’ bij volgende generaties, wie zal het zeggen? De ruim dertig titels die nu van haar in de boekhandel verkrijgbaar zijn, worden tot op vandaag nog altijd zeer goed verkocht. Ik ben ervan overtuigd dat haar kinderliteratuur de tijden zal overleven. En vooral de kinderpoëzie. Kinderen van alle generaties zullen zich maar al te graag laten meenemen door de sprookjesachtige avonturen van haar prinsesjes, koningen, feeën, kabouters, opmerkelijke dieren en even opmerkelijke meneren en mevrouwen, die in wijdverspreide gemeentes van Nederland wonen, zoals dat Paard in Dedemsvaart of Hendrik Haan in Koog aan de Zaan, dan wel meneer de Snoo uit Hengelo of de dame in Goes met die zwaarmoedige poes... Haar is vaak gevraagd waarom ze nooit voor oudere kinderen, tieners bijvoorbeeld, heeft geschreven. Haar antwoord was: ‘Dat kan ik niet, doordat ik zelf een kind van acht gebleven ben, dat kind is nooit doodgegaan.’

Het heeft Annie M.G. Schmidt tijdens haar leven waarempel niet aan lof ontbroken. Ze heeft onvoorstelbaar veel lezersliefde en bijval ontvangen. Scholen zijn naar haar vernoemd, prijzen kregen haar naam, haar boeken zijn in wel twintig talen vertaald, van het Sranan Tonga tot Fins, Russisch, Japans, Ivriet en Chinees toe. Helaas nauwelijks in het Engels. Dat vond ze helemaal niet leuk. Had haar wieg in Amerika gestaan in plaats van in het Zeeuwse Kapelle, ze was wereldberoemd geworden. Ze is bedolven onder binnen- en buitenlandse prijzen:

1957Wiplala tot beste kinderboek uitgeroepen;

[p. 124]

1959Televisieprijs van het Prins Bernardfonds voor Pension Hommeles;
1964Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur voor haar gehele oeuvre;
1968Oostenrijkse staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur voor Wiplala;
1971Zilveren Griffel voor Minoes;
1972Zilveren Griffel voor Pluk van de Petteflet;
1974Edmond Hustinx-prijs voor haar gehele dramatische oeuvre;
1981Gouden Griffel voor Otje;
1981Cestoda-prijs voor het moeiteloos beoefenen van de Nederlandse taal in al haar genres;
1987Jubileumprijs van de Stichting Scheveningen Bad voor haar unieke bijdrage aan het Nederlandse cabaret;
1987Constantijn Huygens-prijs van de Jan Campert-Stichting voor haar gehele oeuvre;
1988Publieksprijs voor de meest geliefde dichter van Nederland;
1988Hans Christian Andersen-prijs voor haar gehele kinderliteratuur.

De Hans Christian Andersen-prijs, die wel de internationale ‘Nobelprijs’ voor kinderliteratuur wordt genoemd, werd haar in Oslo, in de aula van de universiteit, uitgereikt door de Zweedse schrijfster Astrid (Pippi Langkous) Lindgren, die Schmidts boeken in het Duits had gelezen en daar zo enthousiast over was geworden dat ze ervoor zorgde dat ze in het Zweeds werden vertaald. Annie Schmidts dankspeech was gegoten in de vorm van een brief aan Andersen, de sprookjesschrijver die zij hooglijk bewonderde en beminde. Ze besloot de brief met: ‘Lieve Hans, ik ben heel lang een lelijk jong eendje geweest en nou ben ik een lelijke oude zwaan, máár een zwaan!’

Misschien geven deze woorden iets weer van het gevoel dat de vroegere ‘juffrouw Schmidt van Documentatie’, die bescheiden, verlegen en onzeker was, nog jaren als gevierd schrijfster heeft gehad, namelijk dat ze niet echt meetelde bij de beoordelaars die bepalen of iets ‘Literatuur’ is of niet. Want op bovenstaande lijst van prijzen ontbreekt de meest prestigieuze van Nederland, de P.C. Hooft-prijs, die jaarlijks wordt toegekend, afwisselend voor proza, poëzie en essays. Ze heeft hem nooit gekregen, maar had hem zeker verdiend, al was het alleen maar voor haar kindergedichten. Ik ben bang dat er een zeker intellectueel snobisme achter heeft

[p. 125]

gezeten. Een schrijver die zó populair was bij grote groepen ‘gewone’ mensen, die zovelen amuseerde, zo'n auteur kán immers geen literatuur, wat dat dan ook wezen mag, voortbrengen?

 

Het echtpaar Van Duijn heeft een jaar of acht in Zuid-Frankrijk gewoond, maar ernstige ziekte van Annies man noopte tot terugkeer naar hun huis in Berkel en Rodenrijs. Daar overleed dr. Van Duijn in 1981, enkele dagen na de première van de musical Madam. Een jaar na de dood van haar man keerde de schrijfster terug in Armsterdam.

Niet lang daarna trof haar een nieuwe ramp. Ze kreeg een oogziekte, waardoor ze niet meer kon lezen. Schrijven ging de eerste jaren nog wel, doordat ze, mede dankzij de typelessen uit haar jeugd, ‘blind’ kon tikken op een schrijfmachine met grote letters en het geschrevene met behulp van een ingenieuze bril per kleine groepjes woorden kon teruglezen. De oogkwaal was progressief, zodat het haar steeds grotere inspanning kostte. Maar met ongelooflijke wilskracht en bewonderenswaardig doorzettingsvermogen bleef ze toch aan het werk. Zo ontstond in 1988 het libretto van de opera (in samenwerking met Flip van Duijn) De naam van de maan, voor volwassenen door kinderen gespeeld. Componist was Kees Olthuis. Een jaar later kwam haar derde toneelstuk Los zand, in 1990 schreef ze het kinderboekenweekgeschenk Jorrie en Snorrie en een jaar later haar vierde blijspel We hebben samen een paard.

In het jaar van haar vijfenzeventigste verjaardag (1986) verscheen de eerste grote verzamelbundel van haar werk: Tot hier toe. Gedichten en liedjes voor toneel, radio en televisie 1938-1983, samengesteld door Tine van Buul en Reinold Kuipers, in samenwerking met de schrijfster. Een jaar later kwam de grote verzamelbundel Ziezo. De 347 kinderversjes uit, eveneens samengesteld door Van Buul en Kuipers en geïllustreerd door Wim Bijmoer, Jenny Dalenoord, Carl Hollander, Jan Jutte, Mance Post, The Tjong Khing, Peter Vos en Fiep Westendorp. De schrijfster beleefde veel vreugde (en het publiek niet minder!) aan deze ordening van haar werk, dat zij door de samenstellers kreeg voorgelezen. Op deze wijze kwam ook de keuze uit haar prozastukken tot stand, ook met Van Buul en Kuipers, onder de titel Simpele zielen en nog wat (1989).

In haar laatste boek Wat ik nog weet (1991), een bundeling van autobiografisch gekleurde herinneringen, heet het laatste hoofdstuk ‘Mijn uitvaart’, waarin ze ‘het grote ophouden’, zoals ze de dood noemt, ook ‘een feestelijk gebeuren’ noemt. Ze herinnert zich daarin de begrafenis

[p. 126]

in Kapelle van een aardige oude meneer als een zeer sombere gebeurtenis in de motregen, met iedereen in het zwart, tot het paard voor de lijkwagen in een zwarte jurk aan toe. Ondanks alle naargeestigheid stond het voor het kind Annie vast, dat die lieve man (van wie ze wel eens een kaneelstok kreeg en die volwassen met haar praatte) niet naar de hel zou gaan. Sindsdien heeft ze een intense afkeer van zwarte begrafenissen gehad. ‘Dat de mijne helemaal in het roze zou moeten, ligt voor de hand’, schrijft ze.

Annie M.G. Schmidt stierf in de nacht volgend op haar vierentachtigste verjaardag. Ze werd op woensdag 24 mei 1995 op Zorgvlied aan de Amstel begraven. Het was een stralende dag. Haar zoon en zijn vrienden droegen de kist, die bedolven was onder de bloemen. De tocht naar de begraafplaats ging per boot. Alle aanwezigen droegen iets van roze, al was het maar een bloemcorsage. Zij rust op Zorgvlied onder een speels grafmonument met kleurige tegeltjes. Achter een glasplaat staat haar naam in dansende letters.

 

jeanne roos

Voornaamste geschriften

Uitgebreide bibliografische gegevens zijn opgenomen in onderstaande boeken:

Reinold Kuipers, Kijk, Annie M.G. Schmidt, de schrijfster in beeld. In samenwerking met het Nederlands Theater Instituut. Amsterdam 1984.
Jan Campert-prijzen 1987. 's-Gravenhage 1987.
Marcel Raadgeep (samenst.), Annie M.G. Schmidt uitgelicht. Delft 1995.
Murk Salverda en Erna Staal (met medewerking van Steven Stijsiger), Altijd acht gebleven. Over de kinderliteratuur van Annie M.G. Schmidt. Bi(bli)ografische aantekeningen 1911-1991. Amsterdam 1991.