Al op jonge leeftijd interesseerde Frikkie Snijman zich voor de geschiedenis van de Nederlandse taal en literatuur en voor de relatie tussen zijn moedertaal, het Afrikaans, en het Nederlands. Vanuit deze fundamentele behoefte aan taalkundige kennis ontwikkelde hij zich tot een der belangrijkste lexikografen van Zuid-Afrika.
Frikkie Snijman groeide op op de boerderij van zijn ouders die de naam Prutkraal droeg. Zijn geboortedorp Rietbron ligt in het uitgestrekte en droge Kaapse binnenland, de Grote Karoo. Vanaf 1934 studeerde Snijman aan het Rhodes-Universiteitscollege in Grahamstown. Behalve door de scheikunde raakte hij geboeid door de studie van de Nederlandse cultuur en bestudeerde hij onder leiding van prof. Dingemans een groot aantal onderwerpen, van Middelnederlands tot en met de poëzie van na 1880. Speciale aandacht schonk hij aan het Nederlandse drama van de zeventiende eeuw, waarbij Vondel in het middelpunt stond. In hetzelfde jaar waarin Snijman de overstap naar de Universiteit van Stellenbosch maakte, vertrok hij voor verdere studie naar Utrecht. Op 12 januari 1939 kwam hij in Nederland aan. De keuze van Utrecht als universiteitsstad was ingegeven door de grote naam die prof. C.G.N. de Vooys in Zuid-Afrika bezat. Tevens volgde Snijman colleges Afrikaanse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam bij Elizabeth Conradie. De Vooys stelde Snijman geenszins teleur, net zo min als de Utrechtse kunsthistoricus Vogelsang. Het was ook De Vooys die de begaafde Zuid-Afrikaanse student na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 het advies gaf om zijn studie in het neutrale Nederland af te maken en niet voortijdig naar Zuid-Afrika terug te keren. Het gevolg hiervan was dat Snijman door de bezetting van Nederland noodgedwongen in Nederland moest blijven en pas na de bevrijding naar Zuid-Afrika kon terugkeren.
In materiële zin kon Snijman de oorlogsjaren doorstaan dankzij de genereuze hulp van de Nederlands-Zuid-Afrikaanse-Vereniging in Amsterdam, die zich het lot van alle gestrande Zuid-Afrikaanse studenten aantrok. In 1942 deed Snijman doctoraalexamen. Kort daarna werd de universiteit van Utrecht door de bezetter gesloten. Tot 1945 beleefde Snijman uiterst dramatische jaren doordat het oorlogsgebeuren, zoals de slag om Arnhem, zich in zijn directe nabijheid afspeelde. Hij gebruikte deze
jaren door zich intensief te verdiepen in de Europese cultuurgeschiedenis. Hij las onder meer het werk van Huizinga, Spengler en Toynbee en maakte zich de actuele discussies over de doelen en methoden van literatuurwetenschappelijk onderzoek eigen.
F.J. Snijmans brede geesteswetenschappelijke oriëntatie wierp vruchten af voor het werk aan zijn proefschrift over de betekenis van de stilistiek voor de letterkundige analyse. Bij dit onderzoek werd Snijman op deskundige wijze begeleid door zijn promotor De Vooys. Tevens waren de contacten met de Nederlandse deskundige bij uitstek op het gebied van het stijlonderzoek, W. Kramer, voor hem van grote waarde. Zeer kort na de bevrijding, op 19 oktober 1945, promoveerde Snijman in Utrecht onder C.G.N. de Vooys op een proefschrift over het thema Literêre styl met die oog op stylondersoek (Assen: Van Gorcum en Comp., 1945). De stellingen bij het proefschrift vormden een krachtig pleidooi voor de betekenis van het stijlonderzoek als wezenlijk onderdeel van de literatuurwetenschap. In twee stellingen wordt ook de band tussen Nederland en Zuid-Afrika aangesproken. Een daarvan luidt: ‘Gesien die verwantskap tussen Nederlands en Afrikaans, lyk dit nie onwenslik dat na 'n eenheidsgrondslag gestreef word by die oplos van die spellingvraagstuk nie.’
Snijmans dissertatie kenmerkte zich door een omvattende kennis van de toenmalige discussies op geesteswetenschappelijk gebied. Doordat hij in zijn boek op vragen rond het scheppen van literaire teksten, op problemen met betrekking tot de afbakening der literaire genres inging en tevens de verhouding tussen stijlonderzoek en literatuurgeschiedschrijving behandelde, kreeg zijn boek het karakter van een inleiding in de literatuurwetenschap. Hoewel Snijman duidelijk blijk gaf van zijn inzicht in de waarde van nauwkeurig onderzoek van het taalgebruik in het kader van stijlonderzoek, stelden de analyses van twee Afrikaanstalige teksten aan het slot van zijn boek enigszins teleur.
Met zijn als geheel niettemin indrukwekkende proefschrift had Snijman zijn wetenschappelijk kunnen bewezen. Een academische loopbaan in Zuid-Afrika leek daarom vanzelfsprekend te zijn. Op 3 februari 1946 zag Frikkie Snijman zijn ouders na jaren weer voor het eerst terug op het station van Beaufort-Wes. Aan het begin van 1947 kreeg hij de gelegenheid om een collega van de Universiteit van Stellenbosch tijdens diens studieverlof te vervangen. In Stellenbosch nam zijn leven vervolgens een belangrijke wending. De nieuwe hoofdredacteur van Die Afrikaanse Woordeboek, dr. P.C. Schonees, bood hem het redactielidmaatschap hier-
van aan. Dat Snijman een aanstelling voor onbepaalde tijd bij het Woordeboek kreeg, bewijst van hoe groot belang zijn inbreng werd geacht. Wegens zijn natuurwetenschappelijke achtergrond was hij aanvankelijk vooral verantwoordelijk voor de definitie van vaktechnische woorden. Op 23 mei 1951 verscheen deel Een van Die Afrikaanse Woordeboek. Behalve uit zijn lexicografische werk bleek ook uit publicaties van zijn hand over andere aspecten van de taal dat Snijman vanuit het Afrikaans èn het Nederlands dacht. Bij vragen met betrekking tot de spelling en de stijlanalyse van het Afrikaans haalde hij het Nederlands er steeds opnieuw ter vergelijking bij. De intensieve contacten met Nederland, die Snijman met grote zorg onderhield, hebben tot deze vruchtbare wisselwerking veel bijgedragen. De relatie met Nederland werd substantieel verstevigd door Snijmans huwelijk op 2 april 1955 in Hilversum met de Nederlandse predikantsdochter Toos van Maanen. Na enkele maanden van afwezigheid uit Zuid-Afrika nam Snijman in juni 1955 zijn werk weer op bij het Woordeboek waar hij spoedig assistent-hoofdredacteur werd. Vanaf 1 juli 1962 werd hij aangesteld als hoofdredacteur van het nu kortheidshalve WAT genoemde Woordeboek van die Afrikaanse Taal, in de plaats van P.C. Schoonees, die met pensioen ging. Het werden drukke jaren voor de nieuwe hoofdredacteur. Hij moest voltooide manuscripten beoordelen en drukproeven lezen, dat wil zeggen, nauwe contacten onderhouden met de redactieleden zowel als met de drukker. Ter oriëntatie van nieuwe redacteuren stelde Snijman een geschrift op over de geschiedenis van het Woordeboek en van de lexicografie van Zuid-Afrika: Die Afrikaanse Woordeboek teen sy agtergrond (ongepubliceerd). Later groeide daaruit het boekje U woorde, u woordeboek: Wetenswaardighede omtrent Die Afrikaanse Woordeboek. Deel VI van het WAT werd in 1976, acht jaar na deel V, gepubliceerd. Dit deel omvat de letters kla-kol. In februari 1980 bereikte Snijman de pensioengerechtigde leeftijd. Het grote werk aan het WAT was op het moment van zijn pensionering nog verre van voltooid. In maart 1994 verscheen deel IX van het WAT, omvattende de letter L. Deze gebeurtenis heeft Snijman nog mee mogen maken. De belangrijkste reden voor de langzame vordering vanuit alfabetisch oogpunt van het lexicografische werk lag in de geweldige toename van het materiaal dat verwerkt moest worden. De kritiek op de omvang en dientengevolge op het tempo waarin het WAT tot stand kwam, richtte zich op datgene wat men als het encyclopedische karakter van het woordenboek beschouwde. Snijman verdedigde zich op overtuigende wijze tegen deze kritiek, onder meer in een bijdrage voor
het onder redactie van P.G.J. van Sterkenburg in 1977 verschenen boek Lexicologie. Een bundel opstellen voor F. de Tollenaere ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag door vrienden en vakgenoten. De vereiste precisie met betrekking tot vaktermen vergde veel tijd. De informatie vanuit het veld groeide onstuimig. Bovendien had het redactiebureau van het WAT dikwijls met personeelswisseling te kampen.
Al in een vroeg stadium van zijn werkzaamheden aan het WAT onderzocht Snijman de mogelijkheden om de techniek, in het bijzonder de computer (Afrikaans: ‘rekenaar’) bij het lexicografische werk te betrekken. Vooral tijdens de periode na zijn afscheid zou de redactie van dergelijke initiatieven profiteren. Niet alleen uit deze open houding tegenover technologische ontwikkelingen bleek Snijmans creatieve receptiviteit. Hij aarzelde niet om zich op voor hem nieuwe terreinen te wagen. Tijdens zijn Utrechtse studietijd trok hij er op zaterdag op uit om met potlood schetsen te maken van wat hem in het Utrechtse landschap opviel en bekoorde. Gedurende de jaren 1943 en 1944 volgde Snijman cursussen in de kunst van het edelsmeden en boetseren bij de bekende Arnhemse edelsmeden Frans Zwollo en diens zoon Paul. Ook voor de bouwkunst had hij grote belangstelling, zoals een van de stellingen bij het proefschrift al duidelijk maakte. In Zuid-Afrika was het gevolg van deze belangstelling dat Snijman lid werd van de Stigting Simon van der Stel en van de Stellenbosse Heemkring. In 1969 werd hij lid van de zogenaamde ‘Vensterkommissie’ van de Nederduits-Gereformeerde Moederkerk in Stellenbosch die de installatie van glas-in-lood-ramen in deze kerk moest voorbereiden. De genoemde activiteiten waren het directe gevolg van een zeer brede en diepgewortelde geesteswetenschappelijke oriëntatie die Snijman zich tijdens zijn Europese jaren en daarna had toegeëigend. Hierdoor bezat hij het vermogen om wetenschappelijke studies in een wijsgerig perspectief te plaatsen en met de grote lijnen van het wetenschapstheoretische denken in verband te brengen. Zijn kennis van het werk van grote denkers op het gebied van cultuur- en literatuurwetenschap, zoals Erich Auerbach, Robert Petsch, Hermann Pongs en Karl Viëtor stelde hem in staat om een helder standpunt in te nemen tegenover de inzichten op stilistisch gebied van de Amsterdamse school van Hellinga en Scholtz. Uit zijn proefschrift en uit latere geschriften blijkt dat Snijman de Duitse wetenschappelijke literatuur vanuit de bronnen kende, een verschijnsel dat in het Zuid-Afrika van nu helaas een zeldzaamheid is geworden. De postuum verschenen bundel Die leksikograaf as ekse-
Op uitnodiging van het Nederlandse ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen bracht F.J. Snijman samen met zijn vrouw in 1964 een bezoek aan Nederland. Dit bezoek vond plaats onder de paraplu van het cultureel akkoord tussen Nederland en de Republiek Zuid-Afrika. Voor Snijman moet deze reis een ware triomftocht zijn geweest. Hij bezocht diverse universiteiten en werd overal gastvrij ontvangen, onder meer in het hem vertrouwde Utrecht, in Groningen en Nijmegen. In Nijmegen lichtte prof. A.A. Weijnen Snijman in over het grote project Woordenboek van de Brabantse dialecten. In Leiden bezocht hij behalve het Afrika-Studiecentrum de redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal en maakte hij kennis met dr. C. Kruyskamp, dr. F. de Tollenaere en dr. N. Bakker. Verder gaf Snijman colleges aan het Suid-Afrikaanse Instituut in Amsterdam en aan de Rijksuniversiteit Leiden. Op 16 oktober 1964 bezocht Snijman de vergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waarvan hij sedert augustus 1964 lid was. Tijdens het door de Nederlands-Zuid-Afrikaanse Vereniging georganiseerde congres over de relaties tussen Zuid-Afrika en Nederland op 14 november in Amsterdam was Snijman een prominent spreker. Hij pleitte sterk voor intensieve culturele uitwisseling, voor nauwe contacten met betrekking tot de terminologie voor verschijnselen op technologisch gebied en benadrukte de functie van ‘venster op Afrika’, die Zuid-Afrika voor de Lage Landen kon vervullen, zoals omgekeerd Nederland Zuid-Afrika uitzicht op Europa verschafte. Dit waren geen obligate frasen. Snijman met zijn grote kennis van zaken wist waarover hij sprak. Tijdens de jaren na dit bezoek
aan Nederland vond er een duidelijke reductie plaats van de officiële contacten van Nederland met Zuid-Afrika. Met zijn deskundigheid en zijn vriendelijkheid had Snijman zulke stevige persoonlijke contacten met vakgenoten en vrienden in Nederland en Vlaanderen weten op te bouwen dat de communicatie tussen vooral Stellenbosch en Leiden niet stagneerde. Beide zijden profiteerden van dit contact. Dat thans weer sprake is van intensieve samenwerking op officieel niveau en dat een begin is gemaakt met het werk aan een woordenboek Nederlands-Afrikaans/Afrikaans-Nederlands is mede te danken aan het belangrijke werk dat door F.J. Snijman tijdens de jaren zestig en zeventig is verricht.
hans ester
Een gedetailleerde levensschets alsmede een overzicht van de voornaamste publicaties van F.J. Snijman zijn te vinden in: F.J. Snijman, Die leksikograaf as eksegeet. Opstelle en lesings. Onder redactie van J.C.M. du Plessis. Stellenbosch: Buro van die WAT (= Afrilex-Reeks 5A), 1995. De levensschets in dit boek is van de hand van J.C.M. du Plessis en W. Gericke.