|
|
|
| |
| | | |
Norbert de Paepe
Ninove 21 mei 1930 - Bonheiden 26 maart 1996*
We stonden samen in de lift van de Leuvense letterenfaculteit, de professor en ik. Hij keek me aan en zei: ‘Volgend academiejaar krijg ik een assistent, en ik heb daarvoor aan jou gedacht.’ Het belletje ging, achterwaarts uitstappend zei hij nog: ‘We spreken elkaar wel.’ Toen schoven de deuren dicht.
Telkens ik aan Norbert (‘Bert’) de Paepe denk, komt deze korte scène van juni 1976 me weer voor de geest. Begrijpelijk, want deze mededeling - een gesprek kun je het immers amper noemen - was voor mij het begin van een loopbaan in de medioneerlandistiek, tevens de onverwachte vervulling van een lang gekoesterde hartenwens. Maar tegelijk illustreert deze scène de complexe mengeling van vaderlijke genegenheid en laconieke afstandelijkheid die hij in de contacten met zijn leerlingen (medewerkers en studenten) aan den dag legde.
Die afstandelijkheid liet hij maar varen wanneer hij met zeer goede vrienden samen was, of... met kinderen, zoals een Nederlands hoogleraar ooit merkte die zijn geleerde gast tussen zijn kroost op de vloer van de woonkamer aantrof, midden in een zeer gesmaakte yoga-demonstratie. Ongetwijfeld had zijn gereserveerdheid met zijn bedeesde karakter te maken, maar evenzeer was het een bewuste levenshouding. In het voorwoord van de doctoraten en licentiaatsverhandelingen die onder zijn leiding tot stand kwamen, lieten zijn leerlingen zelden na hun promotor te bedanken voor de ‘vrijheid’ die hij hun gegeven had. Men mag hier enige milde ironie vermoeden, want De Paepe was zeker niet een van die overijverige begeleiders die met de rode balpen in de aanslag steeds nieuwe versies uitvlooien. Maar uit eigen ervaring weet ik dat men die topos ook letterlijk moet nemen. Toen ik na lang aarzelen, maar zeer tot zijn tevredenheid, besloten had om over ‘zijn’ onderwerp, Hadewijchs Strofische Gedichten, te promoveren, was zijn eerste reactie dat ik mijn conclusies in volle vrijheid moest opschrijven, ook als ze met zijn eigen proefschrift in tegenspraak waren. En toen ik vele jaren later zelf, als jong hoogleraar, met de overdreven ijver van de beginner de dissertatie van een talentrijke oud-studente van hem wat al te krampachtig in de goede richting (‘mijn’ richting) wou sturen, luidde zijn advies kort en afgemeten: ‘Láát-háár-dóen’, met een klemtoon op ieder woord. Het vervolg wees uit dat hij gelijk had.
| | | |
Door anderen ruimte te geven, schonk hij hun wat hijzelf het meest miste. Want dit moet hij vaak hebben gedacht: dat keuzes die anderen hem hadden doen maken, hem hadden belet om van zijn grote menselijke en intellectuele kwaliteiten de volle maat te geven.
Norbert de Paepe werd op 21 mei 1930 in het Oost-Vlaamse stadje Ninove geboren als oudste van een gezin met vier kinderen. Zijn vader was inspecteur bij een verzekeringsmaatschappij. Hij was een belezen en Vlaamsvoelend man, literair actief als toneelschrijver en een belangrijke figuur in het Ninoofse culturele leven. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek en heeft zijn grote liefde voor het boek aan al zijn kinderen doorgegeven. Norberts moeder was afkomstig uit een welstellend landbouwersgezin. Als kind kwam hij graag op het bedrijf van zijn grootvader. Hij hielp er werken op het veld en zorgen voor de dieren. Hij werd er ook - een verrassing wellicht voor wie hem later wat stijfjes door de gangen van het faculteitsgebouw zag schrijden - een onverschrokken ruiter, die een paard met of zonder zadel moeiteloos de baas kon. De liefde voor de natuur heeft hem nooit verlaten. Toen het duidelijk werd dat zijn toekomst in Leuven lag, liet hij in het nabijgelegen Winksele een huis bouwen, waarvan het brede raam in de woonkamer een prachtig uitzicht bood op de uitgestrekte velden en weiden die hem scheidden van de drukte en het lawaai van de donkere stad aan de horizon. En ook toen hij later verhuisde, koos hij telkens voor het groen van de bosrijke gemeenten Keerbergen en Tremelo.
Aan zijn arcadische kindertijd kwam een einde toen hij in 1944 de Grieks-Latijnse humaniora, die hij in het Sint-Aloysiuscollege van zijn geboortestad had aangevat, als intern van het Sint-Lievenscollege te Gent moest voortzetten. Hij was een briljant leerling. Tenminste, voor die vakken die zijn belangstelling hadden: literatuur, kunst en geschiedenis. De exacte vakken bevielen hem minder. Het minst nog algebra, voor welk vak hij er zich tevreden mee stelde telkens in het laatste trimester een hopeloze situatie met onwaarschijnlijk hoge cijfers recht te zetten.
Het werd hem in die tijd duidelijk dat zijn ouders wensten dat hij priester werd. In een interview dat werd afgenomen naar aanleiding van zijn emeritaat zei hij daarover: ‘Ik had weinig keus: je ontgoochelt je ouders niet graag. Noem het geen dwang maar drang van mijn ouders.’ Op 18 december 1954 werd hij tot priester gewijd.
Het bovenstaande citaat zou de indruk kunnen wekken dat hij met te- | | | | genzin priester werd, maar niets is minder waar. Want ook zelf voelde hij zich tot het priesterschap aangetrokken. Norbert de Paepe was een diep religieus én, ondanks zijn schuchterheid, zeer sociaal voelend man, die pas echt zichzelf werd in de menselijke contacten die het apostolaat, in Winksele en vooral in de Blauwputparochie van Kessel-Lo, met zich meebracht. Daar trad hij op als voorganger bij misvieringen, als predikant, als begeleider van een bijbelkring (het ‘Schriftuurke’) en ook als koorleider, want muzikaal was hij zeer begaafd: hij beschikte over een opmerkelijke (‘fluwelen’) baritonstem en was een goed pianist. Maar het priesterschap hield ook in dat hij zijn vrijheid moest prijsgeven en zijn leven diende te conformeren aan de regels en de structuren van de kerk. Naarmate hij ouder werd, kreeg hij het daar steeds moeilijker mee.
In het seminarie had hij gehoopt dat men hem naar het kerkelijk muziekinstituut Lemmens te Mechelen zou sturen, maar in augustus 1954 kreeg hij een briefje waarin stond dat de bisschop had beslist dat hij te Leuven Germaanse filologie zou studeren. ‘Gelukkig las ik graag en dat hielp wel om Germaanse door te komen’, vertelde hij later over deze periode, maar dat was toch iets te bescheiden uitgedrukt. Met zijn licentiaatsverhandeling De religieuze beleving in Hadewijchs Strofische Gedichten wist hij zijn promotor, professor E. Rombauts, immers zozeer te boeien, dat deze hem voorstelde om over hetzelfde onderwerp te doctoreren. De bisschop had echter andere plannen en uiteindelijk kwam het tot een compromis: de kersverse licentiaat moest drie dagen per week lesgeven in een humaniora in Ronse en de overige dagen aan zijn doctoraat werken in Leuven. ‘Dat was een hele moeilijke periode. Ik had stapels huiswerk in Ronse, waar ik van maandag tot en met woensdag voor de klas stond, en reed woensdagavond naar Leuven om daar drie dagen in de bibliotheek te gaan zitten. [...] Het was fysiek erg uitputtend.’ Toch promoveerde hij al op 16 juni 1962 met de grootste onderscheiding tot doctor in de Germaanse filologie met een proefschrift over Hadewijch. Strofische Gedichten. Een studie van de minne in het kader der 12e en 13e eeuwse mystiek en profane minnelyriek. Voor dit werk werd hem in 1964 door de Leuvense Universiteit de O.K. de Laeyprijs toegekend en één jaar later werd het door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde met goud bekroond.
Deze studie over de minne in Hadewijchs Strofische Gedichten, die in 1967 door het laatstgenoemde genootschap werd uitgegeven, vormt zonder enige twijfel het hoogtepunt van De Paepes wetenschappelijke oeuvre.
| | | |
De nieuwe doctor was de eerste die het waagde de visie van de grote Hadewijch-specialist Jozef van Mierlo op een centraal punt, de interpretatie van de ‘minne’, in twijfel te trekken. Volgens De Paepe was minne in de Strofische Gedichten niet ‘de goddelijke Liefde’, of ‘God’, of ‘Christus’, zoals Van Mierlo gemeend had, maar ‘de tot gepersonifieerde ‘gestalte’ geworden minne-emotie’ (p. 259). Tot die conclusie kwam hij via een breed opgezette analyse van de twee tradities van waaruit Hadewijchs Strofische Gedichten begrepen moeten worden - de twaalfde-eeuwse cisterciënzerspiritualiteit en de hoofse minnelyriek -, maar vooral door een aandachtige en fijngevoelige analyse van de teksten zelf in wat hij hun ‘vormgewildheid’ noemde: ‘het bewuste of ook intuïtieve gebruik van themata, motieven, beelden, begrippen, als dragers van het ideeëngoed dat in de gedichten tot artistieke, poëtische uitdrukking is gekomen.’1 In een tijd dat de studie van Middelnederlandse letterkunde zich toch vooral beperkte tot filologie in de (al te) strikte zin van het woord (hoofdzakelijk woordverklaring dus), was hij een van de weinigen die middeleeuwse teksten lazen als ‘literatuur’, even zorgvuldig interpreterend als waren het gedichten van Guido Gezelle of van Karel van de Woestijne. ‘Wat staat daar, en waarom staat dat daar?’ placht hij zijn studenten later steeds opnieuw te vragen.
Die aandacht voor de concrete verschijningsvorm van de tekst mag nu vanzelfsprekend lijken, maar toen werkte ze echt bevrijdend. Vooral waar het de mystieke literatuur betrof, betekende ze een afrekening met de benadering waarbij mystieke teksten vanuit een ‘tijdeloos’ theologisch model werden bestudeerd. Terecht schreef de Hadewijch-kenner Albert Brounts dat de grote verdienste van De Paepes studie was: ‘de eerste te zijn die ons H[adewijch] van binnen uit leert begrijpen’ (Brounts' cursivering).2 En in het ‘Woord vooraf’ van zijn grote studie over Hadewijchs beeldspraak vertolkt Joris Reynaert de mening van een hele generatie Hadewijch-vorsers, wanneer hij stelt dat De Paepes ‘mooie boek over Hadewijch met het ontstaan van [zijn] studie meer te maken heeft dan uit de enkele nuchtere verwijzingen verderop [zal] blijken’.3 Met zijn boek heeft De Paepe de beklemde stilte doorbroken waarin het polemische geweld van Van Mierlo en de spitstheologie van Reypens de studie van onze mystieke letterkunde hadden gebracht, en heeft hij het terrein definitief opengelegd voor het literatuurwetenschappelijk onderzoek.
Maar ook voor hemzelf gingen de poorten van het wetenschappelijk onderzoek nu definitief open. In 1961 was hij al assistent van professor Rombauts geworden, en na zijn succesrijke promotie werd hij als navorser
| | | |
bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (nfwo) aangesteld. In die hoedanigheid ontwikkelde hij een verbluffende wetenschappelijke activiteit, waarbij hij de traditionele begrenzingen van de neerlandistiek moeiteloos overschreed. Naast een aantal opmerkelijke artikelen over de troubadourslyriek en over het beruchte twaalfde-eeuwse traktaat De arte honeste amandi van de raadselachtige Andreas Capellanus, schreef hij in die jaren ook uitvoerige recensies over belangrijke edities en studies uit de germanistiek en romanistiek. Die openheid voor de literatuur en de literatuurstudie buiten onze grenzen was in zijn ogen een conditio sine qua non om ook de Middelnederlandse letterkunde recht te doen. Het was voor hem een evidentie dat ‘de studie van de middeleeuwse literatuur comparatistisch moet zijn wijl de middeleeuwse dichters waarachtig ‘europees’ dachten en - ik acht het niet gewaagd het zo uit te drukken - zelfs ‘comparatistisch’.’4 En bij een andere gelegenheid wees hij erop ‘dat mediaevistiek noch louter filologisch, noch louter historisch, noch uitsluitend theologisch of filosofisch, noch alleen maar motiefstudie of metabletica kan zijn, maar dat alles gelijktijdig is en moet zijn [...] zoniet ter plaatse blijft trappelen’. Met nadruk pleitte hij dan ook voor ‘een nauwe samenwerking van specialisten in de onderscheiden domeinen want het is uitgesloten dat iemand de verschillende facetten van de middeleeuwse denkwereld zo grondig zou kennen, dat hij zich ongehinderd van het ene naar het andere zou kunnen begeven’.5 Nu, drie decennia later, is zo'n interdisciplinaire ‘mediëvistiek’ een vanzelfsprekendheid geworden, maar in de jaren zestig waren oproepen als deze nog uitermate schaars en was de dagelijkse praktijk vaak nog ver van dit ideaal verwijderd.
De Paepes vertrouwdheid met de internationale vakliteratuur maakte van hem een deskundig en dus streng recensent, wiens woord wel eens tot wederwoord aanleiding gaf. De mooiste vrucht van zijn recensiewerk in die jaren is ongetwijfeld het uitvoerige besprekingsartikel dat hij wijdde aan het belangrijke, in 1963 verschenen proefschrift van W.P. Gerritsen over Die Wrake van Ragisel.6 In een uiterst fijnzinnige interpretatie van het Franse voorbeeld van deze Arturroman, de Vengeance Raguidel, bewees hij dat hij de inzichten van de grote romanisten Reto R. Bezzola en Jean Frappier perfect had geassimileerd. Hij toonde aan hoe weinig de dichter van een Arturroman uit de school van Chrétien de Troyes zich aan onze twintigste-eeuwse verhaallogica gelegen liet liggen, en dat men de betekenis, de sen van zo'n roman maar op het spoor kon komen, wanneer men er rekening mee hield dat de middeleeuwse auteur de geestelijke ontwikke- | | | | ling van zijn hoofdpersonage - letterlijk - zichtbaar maakte aan de hand van de avonturen die deze beleefde. En in de vergelijkende analyse van de dertiende-eeuwse Wrake-fragmenten die hij daarop deed aansluiten, kwam hij tot vaststellingen die in veel opzichten vooruit lijken te lopen op de conclusies die Gerritsens leerling Frits van Oostrom in 1981 met betrekking tot de bewerkingstechniek in een andere Vlaamse Arturroman, de Lantsloot vander Haghedochte, zou formuleren.7
In 1969 stond De Paepe voor de keuze tussen een vaste aanstelling als onderzoeker bij het nfwo of een leeropdracht aan de universiteit. Omdat hij graag lesgaf, koos hij voor het laatste en meteen werd hij tot buitengewoon docent aan de Katholieke Universiteit Leuven, aan de Afdeling Kortrijk van dezelfde instelling en aan de Université Catholique de Louvain aangesteld. Het jaar daarop werd hij ook nog docent aan de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius te Brussel, zodat hij zijn tijd tussen vier verschillende instellingen diende te verdelen. Ondanks die zware leeropdracht hield hij in 1970 op het Gentse Veldeke-colloquium een belangwekkende lezing over de minnelyriek van de Limburgse dichter. Hij toonde aan dat deze de Romaanse liedmode allerminst passief had nagevolgd, maar zich integendeel meermaals door middel van ironische pointes van de al te ongeloofwaardige hoofse-minneconventies had gedistantieerd. Pas heel onlangs heeft deze vernieuwende visie, die vérstrekkende implicaties heeft voor de geschiedenis van de vroege Minnesang, in de germanistiek eindelijk de aandacht gekregen die ze verdient, zodat men mag stellen dat Norbert de Paepe met zijn lezing het Veldeke-onderzoek zeker een kwarteeuw vooruit was.8
In hetzelfde jaar publiceerde De Paepe in de reeks ‘Literaire Verkenningen’ van Martien de Jong onder de mooie titel Ik zag nooit zo roden mond nog een fraaie inleiding tot de Middelnederlandse hoofse minnelyriek. Maar daarna is zijn wetenschappelijke productiviteit sterk afgenomen. Ongetwijfeld zat zijn zware leeropdracht - in 1973 was hij ondertussen gewoon hoogleraar en opvolger van E. Rombauts geworden - daar voor veel tussen, maar ook toen die geleidelijk werd afgebouwd, bleef het aantal studies van zijn hand - over de Ferguut, Hadewijch, Maerlant... - vrij beperkt. Het is duidelijk dat hij aan het begin van de jaren zeventig in een diepe crisis was geraakt. Wellicht had hij het gevoel dat hij zijn leven te veel naar de wensen van anderen, en te weinig naar die van hemzelf had ingericht. ‘Als ik opnieuw kon beginnen, zou ik het helemaal anders aanpakken’, zei hij met onverwachte openhartigheid in het interview dat bij
| | | |
zijn emeritaat in de Leuvense Campuskrant verscheen. En ongetwijfeld was er ook de eenzaamheid van de priester. Toen hij in 1975 de vrouw ontmoette bij wie hij voor zijn verdere leven liefde en steun zou vinden, ervoer hij nog scherper dat alles anders had kunnen zijn.
In die situatie kon het wetenschappelijk onderzoek hem niet langer voldoening geven. Van een protagonist werd hij meer en meer een toeschouwer, die het academische bedrijf kritisch en ironisch, relativerend maar niet onwelwillend gadesloeg. Niet voor niets noemde hij zijn laatste huis, weggedoken in het groen van Tremelo, ‘Die Haghedochte’. Het hol van Reynaert dus: de vos die, het liefst van op een veilige afstand, de schone schijn doorziet.
De publicaties die De Paepe in die latere jaren het licht deed zien, waren dan ook minder voor zijn vakgenoten bestemd dan voor het grote publiek. Door middel van edities en fraai uitgegeven bloemlezingen probeerde hij ‘de geïnteresseerde leek’ voor de middeleeuwse literatuur te winnen, in het bijzonder dan voor het werk van Hadewijch (uiteraard!) en voor het laatmiddeleeuwse lied. Terwijl de literair-historici zich meer en meer als historici gingen profileren, hun aandacht van tekst naar context verlegden en vragen naar de literaire waarde als irrelevant terzijde schoven, koos hij - tegendraads - voor die literatuur uit het verleden, die haar betekenis voor de huidige lezer ontleent aan het feit dat ze gevoelens en ervaringen vertolkt die weliswaar anders, maar toch zeer herkenbaar zijn. Dat hij hiermee trouw bleef aan de inspiratie waarmee hij destijds zijn loopbaan als neerlandicus was begonnen, blijkt uit de allereerste zin uit zijn allereerste publicatie:
‘Alleen de waarachtig grote literatuur draagt die bijna mysterieuze kracht in zich ons blijvend tot lezen en luisteren te dwingen, ons blijvend te boeien en te ontroeren, ons dank zij het getuigenis van echte diepe menselijkheid, ruimer en rijker te maken.’9
Literatuur als getuigenis van diepe menselijkheid. Geen levenswijsheid, maar spiegel van het leven en op die wijze toch: vitae magistra. Het citaat verraadt duidelijk de invloed die de Leuvense hoogleraar (en priester!) Albert Westerlinck op hem als op zovele Leuvense germanisten uitgeoefend heeft.
Aan deze visie is De Paepe altijd trouw gebleven. Wellicht verklaart dit ook waarom zijn colleges bij de studenten zo geliefd waren, ook in de jaren na 1968, toen historische vakken weinig in trek waren, want de maatschappij moest hervormd! De Paepe behandelde uitsluitend teksten die
| | | |
hem dierbaar waren, omdat ze, ondanks de kloof - die hij niet ontkende! - van vele eeuwen, op een onvergetelijke wijze vertolken wat over het grenzeloze verlangen (Hadewijch), over schijnheiligheid, manipulatie en egoïsme (de Reynaert), over de liefde tussen man en vrouw (hoofse lyriek en roman) te zeggen valt. Met zijn esthetiserende en humanistische benadering appelleerde hij op succesvolle wijze aan de spontane belangstelling van waaruit vele studenten voor een letterkundige studie gekozen hadden. Gedreven en toch rustig sprekend, erudiet en helder tegelijk wist hij dat publiek voor ‘zijn’ teksten te winnen, en wel op zo'n wijze dat ze het nadien nooit meer vergat.
Bij zijn emeritaat in 1995 leek hij een nieuwe start te nemen. In zijn persoonlijk leven vond hij het geluk door zijn huwelijk met Myriam, ook al kwetste het verbod om zijn priesterschap verder uit te oefenen hem diep. Hij vond weer smaak in het onderzoek en ging volop aan het werk aan een studie over de literaire genres van het evangelie. Na enkele maanden kreeg hij echter last van een ernstige rugkwaal. Veel te laat werd duidelijk dat het om een zeldzame vorm van kanker ging. Na een kort ziekbed is hij op 26 maart 1996 gestorven, vijfenzestig jaar oud.
Met hem ging een scherpzinnig geleerde heen, een uitzonderlijk docent, een fijnbesnaard estheet, een diepgelovige priester en liefhebbende echtgenoot, een bescheiden maar vooral ingoed mens. Wie hem gekend heeft, zal hem nooit vergeten.
frank willaert
| | | |
| |
Voornaamste geschriften
Deze lijst bevat, behalve de publicaties in boekvorm en de artikelen, ook de belangrijkste recensies.
| E. Rombauts & N. de Paepe (ed.), Hadewijch. Strofische Gedichten. Middelnederlandse tekst en moderne bewerking met een inleiding. (= Klassieken uit de Nederlandse letterkunde uitgegeven in opdracht van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 12). Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1961. |
| [Recensie van] A.J. Persijn, De Dietse vertaling der ‘Scala sacre communionis’ van Ioannes Mauburnus, in De Nieuwe Taalgids 55 (1962), p. 115-117. |
| [Recensie van] Albert Deblaere, De mystieke schrijfster Maria Petit, in Spiegel der Letteren 6 (1962-1963), p. 225-228. |
| ‘Hadewijchs Strofische Gedichten: minne als inspiratorische kracht’, in Handelingen van het XXVe Vlaams Filologencongres (Antwerpen 17-79 april 1963). Leuven z.j., p. 263-268. |
| | | |
| [Recensie van] Jozef Janssens, De mariale persoonlijkheid van Jacob van Maerlant, in Leuvense Bijdragen. Bijblad 52 (1963), p. 52-57. |
| ‘Over het wezen van de troubadoursminne. Een probleemstelling en een stellingname’, in Spiegel der Letteren 7 (1963-1964), p. 17-43. |
| ‘Enkele aspecten van de studie der minnelyriek sinds 1945. Een bibliografisch essay. Deel 1: Studies over de oorsprong der minnelyriek en/of herkomst der motieven’, in Spiegel der Letteren 7 (1963-1964), p. 269-287; ‘Deel 2: Studies over het wezen van de minne’, in Spiegel der Letteren 8 (1964-1965), p. 37-51. |
| [Recensie van] L. Moereels, Ruusbroec en het religieuze leven, in Spiegel der Letteren 7 (1963-1964), p. 77-79. |
| [Recensie van] A.M. Baaij (ed.), Jhesus collacien, in Spiegel der Letteren 7 (1963-1964), p. 140-144. |
| [Recensie van] F. Lulofs (ed.), Beatrijs, in Spiegel der Letteren 7 (1963-1964), p. 305-313. |
| ‘Kunnen onze Beatrijslegende en abele spelen geëvalueerd worden door middel van Andreas Capellanus' De arte honeste amandi?’, in Leuvense Bijdragen 53 (1964), p. 120-147. |
| [Recensie van] W.P. Gerritsen, Die Wrake van Ragisel. Onderzoekingen over de Middelnederlandse bewerkingen van de Vengeance Raguidel, gevolgd door een uitgave van de Wraketeksten, in Leuvense Bijdragen. Bijblad 53 (1964), p. 115-120. |
| [Recensie van] L. Indestege (ed.), Een Diets gebedenboek uit het begin der zestiende eeuw, in Spiegel der Letteren 8 (1964-1965), p. 147-150. |
| ‘De ‘Vengeance Raguidel’ en ‘Die Wrake van Ragisel’. Marginalia bij een nieuwe uitgave’, in Leuvense Bijdragen 54 (1965), p. 21-47 en 81-104. Herdrukt in: F.P. van Oostrom (red.), Arturistiek in artikelen. Een bundel fotomechanisch herdrukte studies over Middelnederlandse Arturromans. Met een bibliografie van de Middelnederlandse Arturistiek sinds 1945. Utrecht 1978, p. 275-326. |
| [Recensie van] D. Wiercinski, Minne. Herkunft und Anwendungsgeschichten eines Wortes, in Leuvense Bijdragen. Bijblad 54 (1965) p. 33-40. |
| [Recensie van] Medieval Netherlands religious literature. Transl. and introduced by E. Colledge, in Spiegel der Letteren 9 (1965-1966), p. 63-65. |
| [Recensie van] K. Chr. J.W. de Vries, De Mariaklachten, in Spiegel der Letteren 9 (1965-1966), p. 207-210. |
| ‘Amor und verus amor bei Andreas Capellanus. Versuch einer Lösung des reprobatio-Problems’, in: Pierre Gallais & Yves-Jean Riou (red.), Mélanges offerts à R. Crozet à l'occasion de son soixante-dixième anniversaire. Tome ii. Poitiers: Société d'Etudes Médiévales, 1966, p. 921-927. |
| [Recensie van] J.J. Mak (ed.), Diederic van Assenede. Floris ende Blancefloer, in Leuvense Bijdragen. Bijblad 55 (1966), p. 156-159. |
| | | |
| [Recensie van] P. Kesting, Maria-frouwe, in Leuvense Bijdragen. Bijblad 55 (1966), p. 176-179. |
| [Recensie van] T. Brandis, Der Harder. Texte und Studien, in Leuvense Bijdragen. Bijblad 55 (1966), p. 179-185. |
| Hadewijch. Strofische Gedichten. Een studie van de minne in het kader der 12e en 13e eeuwse mystiek en profane minnelyriek. (= Leonard Willemsfonds nr. 2.) Gent: Secretariaat van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1967. |
| ‘Hadewijch’, in: The New Catholic Encyclopedia of America, dl. vi. New York 1967, p. 886. |
| Grondige studie van een Middelnederlands auteur. Hadewijch. Strofische Gedichten. 2 dln. Gent: Story Scientia, 1968. - 2de druk 1972, 3de druk 1974, 4de druk 1978. |
| ‘Minne in Hadewijchs Strofische Gedichten’, in: Liber alumnorum Prof. dr. E. Rombauts, aangeboden ter gelegenheid van zin vijfenzestigste verjaardag en zijn dertigjarig hoogleraarschap. Leuven 1968, p. 45-60. |
| ‘Prof. Dr. L. Roose’, in Wetenschappelijke Tijdingen 28 (1969), p. 383-385. |
| ‘Typologie de la littérature néerlandaise du Moyen Age’, in Typologie des sources du Moyen Age occidental. Leuven 1969, p. 23-25. |
| Ik zag nooit zo roden mond. Middeleeuwse liefdespoëzie. (= Literaire verkenningen.) Leiden 1970. - 2de druk 1974. |
| ‘Hadewijchs Zeventiende Strofische Gedicht. Tekst, omzetting en proeve van verklaring’, in Hulde-Album Prof. Dr. J.F. Vanderheyden. Langemark 1970, p. 33-49. |
| ‘Veldekes Lyrik als Gesellschaftskunst’, in: G.A.R. de Smet (red.), Heinric van Veldeken. Symposion Gent 23-24 oktober 1970. Verslag en lezingen. Antwerpen etc.: De Nederlandsche Boekhandel, 1971, p. 87-106. |
| ‘Het waren twee conincskinderen. Korte bespreking’, in Nova et Vetera 50 (1972-1973), p. 173-186. |
| Hadewijch. Miere herten licht doolt na u al. (= Poëtisch erfdeel der Nederlanden [P 83].) Hasselt: Heideland-Orbis, 1973. - 2de druk 1978. |
| ‘Le roman en moyen-néerlandais’, in: J. Ch. Payen & F.N.M. Diekstra, Typologie des sources du moyen âge occidental. Le roman. Turnhout: Brepols, 1975, p. 142-147. |
| E. Rombauts, N. de Paepe & M.J.M. de Haan (eds.), Ferguut. Uitgegeven met inleiding en aantekeningen. (=Teksten en studies uit de Nederlandse letterkunde.) Culemborg: Tjeenk Willink/Noorduijn, 1976. - 2de herziene druk: 's-Gravenhage 1982. |
| Geschiedenis van de Germaanse filologie. Leuven: Acco, 1978. |
| ‘Le ‘Fergus’ et le ‘Ferguut’: remaniement d'une tradition courtoise’, in: James S. Holmes e.a. (red.), Literature and Translation. New perspectives in literary studies. Leuven 1978, p. 204-213. |
| Hadewijch. Een bloemlezing uit haar werken. Amsterdam etc.: Elsevier, 1979. |
| ‘Klassieke mythologie in de letterkunde van de Middeleeuwen’, in: J. de Bie (red.), Griekse mythologie en Europese cultuur. Antwerpen 1979, p. 97-114. |
| | | |
| ‘Hadewijch’, in: A. Burnier e.a., De vrouw als auteur. Muiderberg: Coutinho, 1980, p. 22-37. |
| ‘Hulde aan Em. Prof. Dr. E. Rombauts, binnenlands erelid’, in Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde (1982), p. 279-283. |
| Hadewijch. Strofische Gedichten. Middelnederlandse tekst en omzetting in modern Nederlands met een inleiding. (Nijhoffs Nederlandse klassieken.) Leiden: Martinus Nijhoff, 1983. |
| ‘Hadewijchs Vijfde Visioen en de Apokalyps. Dood is niet dood’, in: K. Porteman (eindred.), Uut goeder jonsten. Studies aangeboden aan Prof. Dr. L. Roose naar aanleiding van zijn emeritaat. Leuven etc.: Acco, 1984, p. 13-21. |
| ‘De kolibri fluistert’, in: Frans Cornelis (red.), Het wordt klaar door de ruiten. Hulde aan Karel Jonckheere. Keerbergen 1986, p. 38. |
| ‘Lijkrede namens de Academie tijdens de uitvaart van E. Rombauts in de Sint-Antoniuskerk te Leuven uitgesproken’, in Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Taal en Letterkunde (1987), p. 369-371. |
| Het waren twee koningskinderen. Romances en balladen uit de middeleeuwen bijeengelezen en ingeleid. Leuven: Davidsfonds, 1989. |
| ‘Edward Rombauts. Hever bij Mechelen 18 november 1902 - Leuven 3 februari 1987’, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1987-1988), p. 235-239. |
| Heer Halewijn. Luisterliederen uit de Middeleeuwen. Bijeengelezen en ingeleid. Leuven: Davidsfonds, 1991. |
| ‘Hadewijch: beluisterd, ontluisterd, onbreekbaar schoon geheim’, in: Dirk de Geest & Marc van Vaeck (red.), Brekende spiegels. Beeldveranderingen in de Nederlandse literatuur. Leuven: Peeters, 1992, p. 9-17. |
| ‘Toespraak bij de bestuursaanvaarding’, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Taal en Letterkunde 1991 (1992), p. 97-99. |
| ‘In memoriam Marcel Hoebeke’, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Taal en Letterkunde 1991 (1992), p. 157-159. |
| ‘Den guldenne berch’, in: H. van Dijk e.a. (red.), Klein kapitaal uit het handschrift-Van Hulthem. Zeventien teksten uit Hs. Brussel, K.B., 15.589-623 uitgegeven en ingeleid door neerlandici, verbonden aan tien universiteiten in Nederland en België. Hilversum: Verloren, 1992, p. 42-47. |
| ‘Een paar kanttekeningen bij Maerlants scheppingsverhaal in de ‘Rijmbijbel’, sc. Scolastica’, in: José Cajot, Ludger Kremer & Hermann Niebaum (red.), Lingua theodisca. Beiträge zur Sprach- und Literaturwissenschaft. Jan Goossens zum 65. Geburtstag. (= Niederlande-Studien, Band 16/2.) Münster: Zentrum für Niederlande-Studien, 1995, p. 925-929. |
|
*Veel gegevens in dit levensbericht zijn ontleend aan: J. Deschamps, ‘Begroeting van prof. dr. N. de Paepe als lid van de Academie’, in Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1982), p. 274-279; aan het interview dat Jeroen Wils onder de titel ‘Norbert de Paepe. Priester en germanist’ in de Leuvense Campuskrant 6 (1995), nr. 7, p. 13 liet verschijnen naar aanleiding van De Paepes emeritaat (citaten zonder verwijzing zijn aan dit artikel ontleend); aan J. Goossens, ‘In Memoriam prof. dr. Norbert de Paepe’ en K. Porteman, ‘Rede namens de Academie uitgesproken op de uitvaartplechtigheid te Leuven, 30 maart 1996’, beide te verschijnen in het Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 1996; en ten slotte aan gesprekken die ik met zijn echtgenote Myriam De Paepe-Van Acker en ook met Veerle Fraeters en Karel Porteman heb gevoerd. Hen wil ik hier heel oprecht danken voor hun grote hulp.
1N. de Paepe, Hadewijch. Strofische Gedichten. Een studie van de minne in het kader der 12e en 13e eeuwse mystiek en profane minnelyriek. (= Leonard Willemsfonds nr. 2.) Gent 1967, p. vii.
2Albert Brounts, ‘Hadewijch en de ketterij naar het vijfde Visioen’, in Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 22 (1968), p. 15-77, hier p. 67.
3J. Reynaert, De beeldspraak van Hadewijch (= Studiën en tekstuitgaven van Ons Geestelijk Erf, deel xxi.) Tielt/Bussum 1981, p. 10.
4N. De Paepe, ‘De ‘Vengeance Raguidel’ en ‘Die Wrake van Ragisel’. Marginalia bij een nieuwe uitgave’, in Leuvense Bijdragen 54 (1965), p. 21.
5N. de Paepe, ‘[recensie van] K. Chr. J.W. de Vries, De Mariaklachten’, in Spiegel der Letteren 9 (1965-1966), p. 207.
7Frits Pieter van Oostrom, Lantsloot vander Haghedochte. Onderzoekingen over een Middelnederlandse bewerking van de Lancelot en prose (= Middelnederlandse Lancelotromans 1.) Amsterdam etc. 1981 (tevens proefschrift Utrecht).
8Zie Helmut Tervooren, ‘Wan si suochen birn ûf den buochen. Zur Lyrik Heinrichs von Veldeke und zu seiner Stellung im deutschen Minnesang’, in Queeste 4 (1997), p. 1-15, hier p. 1.
9E. Rombauts & N. de Paepe (ed.), Hadewijch. Strofische Gedichten. Middelnederlandse tekst en moderne bewerking met een inleiding. (= Klassieken uit de Nederlandse letterkunde.) Zwolle 1961, p. 7.
|
|