Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1997


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1996-1997. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 105]

Paul Auguste Georges Dibon
Romorantin (Loir & Cher) 6 november 1915 - Villiers sur Morin 7 maart 1995

Paul (Auguste Georges) Dibon, geboren op 6 november 1915 te Romorantin (Loir & Cher), studeerde, na middelbare studies aan het college van Blois, filosofie aan de Sorbonne, waar hij in het bijzonder de invloed onderging van de grote historicus Emile Bréhier. Op diens aansporing zette hij in 1948 zijn studies voort in Nederland als ‘pensionnaire’ van het Maison Descartes te Amsterdam (1948-1949) Vervolgens was hij tot eind 1952 ‘attaché de recherches’ aan het cnrs (Centre National de la Recherche Scientifique) en vanaf 1953 assistent bij de afdeling Franse taal- en letterkunde van de Rijksuniversiteit Groningen. In 1954 promoveerde hij cum laude aan de Rijksuniversiteit Leiden op een proefschrift getiteld L'Enseignement philosophique aux universités néerlandaises à l'époque précartésienne (1575-1652). Na zijn promotie werd Dibon als privaatdocent toegelaten aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1957 kreeg hij ook leeropdrachten in Utrecht en Nijmegen, in alle gevallen als docent voor de geschiedenis van het Franse denken. In 1962 werd hij buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen voor de ideeëngeschiedenis van de zeventiende eeuw. Tussen 1955 en 1959 voerde hij in opdracht van het toenmalige zwo wetenschappelijke missies uit naar vele buitenlandse bibliotheken, teneinde het Nederlandse boekenbezit daar in kaart te brengen. Een zeer omvangrijke collectie werd door hem ontdekt in de Alte Bibliothek te Herborn (zie Dibon, Le fonds néerlandais de la Bibliothèque Académique de Herborn. Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij, 1956). In 1964 werd Dibon benoemd tot ‘directeur d'études’ aan de Ecole pratique des Hautes Etudes te Parijs (vierde sectie), met als leeropdracht ‘Histoire des idées au xviie siècle’. Samen met Richard H. Popkin was hij oprichter van de reeks ‘International Archives of the History of Ideas / Archives internationales d'Histoire des Idées’ (Nijhoff, later Kluwer Academic Publishers). In 1973 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Hij was Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Hij was gehuwd en had vier kinderen, twee zoons en twee dochters.

Gebaseerd op een uitvoerig onderzoek van primaire bronnen, waaronder tot dan toe weinig gebruikt materiaal als disputaties, geeft Dibon in

[p. 106]

zijn proefschrift een indringend beeld van het Nederlandse universitaire onderwijs in de filosofie voor de opkomst van het cartesianisme. In het bijzonder legt hij de nadruk op de sterk eclectische instelling van een traditie die nooit volledig aristotelisch, nooit volledig ramistisch en trouwens ook nooit volledig cartesiaans is geworden. Het beeld dat hij aldus schetst, is er een van grote levendigheid, van een pragmatische gerichtheid, van een sterke internationale oriëntatie.

Was Dibons aandacht aanvankelijk vooral gericht op het Nederlandse cartesianisme, in de loop der jaren kwam de nadruk steeds meer te liggen op het wetenschappelijk en intellectueel verkeer tussen de verschillende landen van Europa en dan vooral de correspondenties tussen geleerden. Het betekende allerminst dat Nederland uit zijn aandacht verdwenen was; integendeel, veel van de correspondenten met wie hij zich bezighield waren Nederlanders of verbleven voor kortere of langere tijd in Nederland. Samen met H. Bots en E. Bots-Estourgie publiceerde hij inventarissen van de correspondenties van André Rivet (Den Haag 1971) en J.F. Gronovius (Den Haag 1974). Zijn verzamelde opstellen, gepubliceerd onder de titel Regards sur la Hollande du Siècle d'Or (Napels: Vivarium, 1990), getuigen van zijn blijvende belangstelling voor het Nederland van de Gouden Eeuw.

Betreurd door allen die hem gekend hebben, overleed Paul Dibon op 7 maart 1995 in zijn woonplaats Villiers sur Morin. Hij laat een omvangrijk oeuvre na, dat zijn waarde nog lang zal behouden. In Nederland zal hij behalve om zijn innemende persoonlijkheid herinnerd worden om zijn karakteristieke bijdrage aan de geschiedenis van de Nederlandse filosofie.

 

th. verbeek

Voornaamste geschriften

Voor een bibliografie, zie Cathérine Secrétan, ‘Bibliographie des écrits de Paul Dibon’, in Nouvelles de la République des Lettres (1995), ii, p. 111-120.