Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1997


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1996-1997. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 111]

Philippus Jacobus Idenburg
Hillegersberg 26 november 1901-Wassenaar 29 december 1995

Eind 1995 overleed op vierennegentigjarige leeftijd Philip J. (Philippus Jacobus) Idenburg. Onderwijs, cultuur en statistiek in Nederland zijn hem veel verschuldigd. Idenburg begon zijn loopbaan als adjunct-secretaris van de Schoolraad van de Scholen met de Bijbel in 1924. Hij leerde daar aan den lijve de wetstoepassing op basis van de onderwijspacificatie kennen. Onderwijsbeleid was in die tijd beperkt tot deze toepassing. Hij zou dat later aanduiden als de periode van allocatief onderwijsbeleid en pleiten voor een constructiever benadering.

Hij promoveerde in 1928 op een proefschrift over de staat en het volksonderwijs. In 1929 begon hij bij het Centraal Bureau voor de Statistiek als hoofd van een nieuwe afdeling onderwijsstatistiek. Hij bleef daar afgezien van een kleine, maar wel belangrijke onderbreking werkzaam tot 1966. Die onderbreking betreft de functie van directeur-generaal voor het Onderwijs in 1946 onder de eerste socialistische minister van Onderwijs, Van der Leeuw. De kvp-minister Gielen, die Van der Leeuw opvolgde, gaf Idenburg zijn congé. Als belangrijkste opbrengst van die korte periode beschouwde hijzelf de benoeming van ir. M.M. Goote tot inspecteur-generaal. Max Goote zou later bij de totstandkoming van de wet op het voortgezet onderwijs een essentiële rol vervullen. Idenburg keerde in 1946 terug naar het cbs, waar hij reeds in 1939 was benoemd tot directeur van de statistiek, nu met de titel directeur-generaal van de statistiek. Bij zijn afscheid van het cbs in 1966 zei zijn opvolger: ‘Onder zijn leiding is het Bureau omgevormd van een groep statistische ambachtsbedrijven tot een groot functioneel georganiseerd instituut, dat wat de bedrijfsvoering betreft een vergelijking met grote bedrijven in de vrije sector zeker kan doorstaan.’ Mede via de opbouw van de onderwijsstatistiek heeft hij historische, sociologische en ook economische benaderingen van het onderwijs tot ontwikkeling gebracht.

Aanvankelijk met enige tegenzin werkzaam op het ogenschijnlijk saaie gebied van het onderwijs, kreeg hij er gaandeweg meer en meer belangstelling voor. Ook de activiteiten van zijn schoonvader Philip Kohnstamm, hoogleraar in de pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam, droegen bij aan het ontstaan van enthousiasme voor het onderwijs. Idenburg is van 1934 tot 1972 met de Universiteit van Amsterdam verbonden geweest. In

[p. 112]

1934 werd hij als privaatdocent in de geschiedenis, theorie en statistiek van het schoolwezen toegelaten aan de Universiteit van Amsterdam. In 1956 werd hij bijzonder hoogleraar tevens directeur van het Nutsseminarium. Deze directeursfunctie werd min of meer volgens gebruik gecombineerd met het voorzitterschap van de redactie van Pedagogische Studiën, een functie die hij tot 1972 vervulde. Onder zijn leiding veranderde het blad ook officieel van een pedagogisch orgaan tot een tijdschrift voor onderwijskunde en opvoedkunde. In 1965 werd hij de eerste voorzitter van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs. Deze Stichting heeft veel betekend voor de opbouw en de verbetering van de onderwijsresearch in Nederland. Na zijn pensionering als directeur-generaal was hij van 1967 tot 1972 gewoon hoogleraar in de maatschappelijke achtergronden van opvoeding en onderwijs, de vergelijkende opvoedkunde daaronder begrepen (de leeropdracht is later op zijn initiatief gewijzigd in: algemene en vergelijkende onderwijskunde).

Idenburg is veel geweest, maar ook een aantal dingen niet: geen minister van Onderwijs (ondanks de bedoeling van Vorrink) en geen burgemeester van Amsterdam (de ministerraad gaf de voorkeur aan de andere kandidaat: Van Hall). Hij heeft het niet betreurd. Waarschijnlijk ook omdat het met Van Hall niet echt goed afliep. Ook is hij geen kanselier-directeur (‘je hebt niets te zeggen in die functie’) van de Universiteit van Amsterdam geweest.

 

In wetenschappelijk opzicht is Idenburg vooral bekend vanwege een tweetal boeken. In de eerste plaats de Schets van het Nederlandse schoolwezen uit 1960, in 1964 geheel herzien en in de wandeling nog altijd aangeduid als de Schets. In de tweede plaats is dat Theorie van het Onderwijsbeleid uit 1971. In de Schets geeft hij een analyse van de factoren die ons onderwijs vormgeven zoals centralisatie, verscheidenheid en ongelijkheid. Hij benadrukte dat het onderwijs als één geheel moest worden bestudeerd en bestuurd: destijds een noviteit. In die periode werd in het voortgezet onderwijs een aantal schoolsoorten in één wettelijk kader geregeld. Een dergelijke onderneming werd toen zo spectaculair bevonden dat men er de naam mammoetwet aan gaf. Beide boeken geven een brede maatschappij-analyse van het onderwijs waarin historische, sociologische, politicologische en economische benaderingen geïntegreerd worden gehanteerd. In de onderwijsgeschiedenis, de onderwijssociologie en in de studie van het onderwijsbeleid zijn deze boeken nog steeds van belang. Minder is dat het geval in de on-

[p. 113]

derwijseconomie. Toch is bijvoorbeeld zijn inaugurele rede uit 1967, Het schoolwezen als economisch verschijnsel nog steeds een fraai verwoorde problematisering van deze benadering.

Idenburg was een beoefenaar der maatschappijwetenschappen die de verschillende disciplines zoals sociologie, politicologie en economie geïntegreerd behandelde. Hij vertegenwoordigde het ideaal van een geïntegreerde maatschappijwetenschap. Economische bijdragen zijn gedurende zijn gehele loopbaan verweven met sociologische en politicologische bijdragen. Hij schreef reeds in 1930 over de economie van het onderwijs in zijn artikel ‘Is ons onderwijs de kosten waard?’ Hierin stelt Idenburg: ‘De economische vraagstelling is niet allesbeheerschend en zij mag het nimmer worden. Maar, dat de vraag naar kost en baat van ons schoolwezen in onzen tijd haar recht heeft, ja meer dan tot dusver de ernstige aandacht van ons volk verdient, daarvan hoop ik den lezer te hebben overtuigd.’ In 1940 publiceerde hij over School en efficiency en in 1961 schreef hij over Onderwijs en welvaart. Bijna veertig jaar na 1930 komt hij in zijn hierboven reeds vermelde intreerede van 1967 Het schoolwezen als economisch verschijnsel opnieuw te spreken over de economie van het onderwijs, vooral aan de hand van de opkomende Chicago-school met mensen als Becker, Denison, Schultz en Bowman. Er zijn weinig mensen in Nederland die deze brede en vooruitziende behandeling destijds op haar waarde hebben geschat.

 

Hij schreef in een ouderwets mooi Nederlands voor zijn blad Pedagogische Studiën veel artikelen en nog meer boekbesprekingen. Veel van zijn lezingen en wetenschappelijke bijdragen zijn in dit tijdschrift verschenen. Bijdragen over historische onderwerpen zoals Thorbeckes middelbaar-onderwijswet (1963), over beroepspedagogische onderwerpen zoals ‘Technisch onderwijs in een veranderende maatschappij’ (1960) en over de onderwijsstatistiek in ‘Dynamische onderwijsstatistiek’ (1967). Afleveringen waarin hij drie à vier boeken besprak waren geen uitzondering. In de besprekingen ging hij verder dan signaleren en beoordelen. Sommige publicaties werden ook besproken in het licht van gewenste veranderingen in het beleid. Het jaarlijkse Onderwijsverslag had zijn aandacht. ‘In een document van zo hoge standing mogen wij een geborneerdheid als de gesignaleerde niet aantreffen. Wij zouden anders werkelijk nog gaan geloven dat het ministerie wat de studie van de onderwijsproblematiek aangaat wat ‘onderontwikkeld’ is en dat het de zaken bovendien te veel van één kant bekijkt’, schreef hij over het Onderwijsverslag van 1959.

[p. 114]

Zijn artikelen gingen veelal over de onaangepastheid van het onderwijs aan de maatschappelijke ontwikkelingen en over de overheid die hier veel te laks optrad. Ik noem onder meer zijn intreerede uit 1956, getiteld Mensen gevraagd! en vlak daaropvolgend in 1958 zijn bijdrage met de veel geciteerde term De sleutelmacht der school (1958). In 1962 behandelde hij nogmaals wat het centrale thema zou worden van de Nederlandse onderwijssociologie: Het ideaal van de optimale ontwikkeling der talenten en de pedagogische structuur van het onderwis.

‘Mensen gevraagd’ is in huize Idenburg lange tijd een gevleugelde uitdrukking geweest als er weer eens te weinig vrijwilligers waren om de afwas te doen.

 

Idenburg heeft zich ontwikkeld vanuit een christelijk-historische achtergrond naar een sociaal-democratische gezindheid. Tot in het begin van de jaren vijftig heeft hij veel activiteiten in de Hervormde Kerk vervuld. Hij werd na de oorlog lid van de Partij van de Arbeid. In deze partij is hij tot aan het einde van de jaren vijftig actief geweest in verschillende bestuursfuncties en commissies. De overgang van de chu naar de PvdA hing ook samen met zijn visie op het onderwijs en vooral op een actiever onderwijsbeleid. Nadat de kvp-minister Gielen hem terugstuurde naar het Centraal Bureau voor de Statistiek bleef hij, vanuit met name zijn posities aan de Universiteit van Amsterdam, het onderwijsbeleid volgen. Hij ergerde zich aan het amateurisme waarmee onderwijs werd bestuurd door vooral traditioneel werkende uitvoerende onderwijsjuristen in plaats van door meer toekomstgerichte wetenschappelijk geschoolde ambtenaren. Dat amateurisme klemde te meer omdat de sociale en economische betekenis van het onderwijs in de decennia na de oorlog sterk was toegenomen. Het zou tot aan het begin van de jaren zeventig duren voordat zijn analyses en pleidooien in daden werden omgezet.

Als het onderwijs zoiets kent als een geheugen, dan is Idenburg in de herinnering het bekendst vanwege zijn formulering van het begrip constructieve onderwijspolitiek. In zijn artikel ‘Naar een constructieve onderwijspolitiek’ (1970) werd het duidelijkst kritiek geleverd op het onderwijsbeleid. Het beleid werd te veel ingeperkt tot het alloceren van geld aan scholen en problemen als ongelijkheid en vernieuwing werden te weinig aangepakt. Hij pleitte ook in zijn ‘Theorie van het onderwijsbeleid’ voor een constructief in plaats van een allocatief onderwijsbeleid. ‘In de constructieve onderwijspolitiek wordt de overheid bij haar bemoeiingen met

[p. 115]

het schoolwezen door uitgesproken doeleinden geleid en de activiteit tot innovatie van het onderwijs in al zijn geledingen neemt in de strategie een wezenlijke plaats in.’

Dit pleidooi had succes omdat het op een gedegen analyse van de tekortkomingen van het beleid was gebaseerd en omdat de tijd rijp was voor een actiever overheidsbeleid. Vooral PvdA-minister Van Kemenade werd de vertolker van een dergelijke constructieve onderwijspolitiek. Hij wilde de school uitdrukkelijker inzetten om maatschappelijke doelen als gelijkheid en weerbaarheid te bevorderen. Het achterstandenbeleid, de middenschool en de open school zijn bijvoorbeeld in het kader van die constructieve politiek ontworpen. Constructief onderwijsbeleid is tijden lang synoniem geweest met goed onderwijsbeleid. Ook de opvolger van minister Van Kemenade, de vvd-minister Pais, onderschreef deze stelling; het door hem in gang gezette emancipatiebeleid was bijvoorbeeld uitdrukkelijk constructief in de Idenburgse opvatting. Idenburg formuleerde een opvatting over hoe het onderwijsbeleid gevoerd behoorde te worden die vooral door minister Van Kemenade is gepraktiseerd. Idenburg verschafte de brede en actuele maatschappelijke oriëntatie voor het onderwijs en leverde de hoofdlijnen van de beleidsvoering, Van Kemenade vulde de maatschappelijke oriëntatie verder in en zocht de instrumentaties bij de beleidsvoering. Van Kemenade en Idenburg hebben meerdere dingen gemeen. Als politicus of bestuurder willen zij graag een doorbraak forceren. Van Kemenade is overigens niet alleen in politiek opzicht onderwezen in de opvattingen van Idenburg. Na zijn ministerschap was hij onder meer hoogleraar onderwijskunde en in die hoedanigheid zorgde hij in 1981 voor de opvolger van Idenburgs Schets met het boek getiteld Onderwijs: Bestel en Beleid.

Het waren niet de eenvoudigste jaren in de universitaire gemeenschap toen Idenburg na zijn pensionering bij het cbs nog aan een periode van vijf jaren als gewoon hoogleraar begon. Hij had geen behoefte meer om zich aan bestuurlijk-organisatorische zaken te wijden. Maar die waren in die dagen niet helemaal te vermijden. Met een mengeling van afstandelijkheid, vriendelijkheid, humor en inhoudelijke belangstelling voor studenten slaagde hij erin deze periode productief te maken. Idenburg was als hoogleraar een beminnelijk mens met veel gevoel voor understatement. Samen met Bas van Eijndhoven (de latere directeur-generaal voor het basisonderwijs) vormde ik de categorie aangeduid als ‘mijn beide assistenten’. Het leek hem nuttig als we ook zijn colleges bijwoonden en dus zaten Bas van

[p. 116]

Eijndhoven en ik wekelijks op de eerste rij. Meestal in gezelschap van een paar studenten die te laat binnen waren gekomen en door Idenburg steevast met opvallend veel vriendelijkheid waren uitgenodigd om als tegenprestatie vooraan te komen zitten. Het hielp wel. Wij staken inderdaad wat op van de colleges en het aantal te laat komende studenten nam af.

De betekenis van Idenburg ligt in het snijvlak van analyse en handeling. Zijn wetenschappelijke arbeid was niet zozeer gericht op verklaring, maar vooral op verbetering van het handelen. Het door hem geformuleerde begrip constructief onderwijsbeleid bevatte beide aspecten: het was een analytisch begrip en tegelijkertijd een opvatting over hoe er gehandeld moest worden. Zijn opvolger bij het cbs typeert hem als volgt: ‘Idenburg is een regent met een zeer intensieve maatschappelijke belangstelling, die zijn wetenschapsbeoefening direct op mens en maatschappij richt.’

In zijn Schets en in verschillende lezingen heeft hij gepleit voor wat tegenwoordig zou heten een systeemanalyse van het onderwijs gekoppeld aan een professionalisering van het onderwijsbeleid. De enorme expansie van het onderwijs en de groeiende maatschappelijke betekenis ervan stond in geen verhouding met de kortzichtige traditionele beleidsvoering. Onderwijs werd, in zijn woorden, beheerd als een snoepwinkel.

Zijn pleidooien voor een beter onderwijsbeleid gingen uit van zowel een behoefte aan een deskundiger als een socialer vorm van onderwijsbeleid. Lang niet al zijn tegenstanders konden het onderscheid tussen beide overwegingen aanbrengen. In zijn afscheidsrede De utopie in het onderwijsbeleid van 1972 formuleert hij nogmaals zijn positie: een omvattende maatschappij-analyse gericht op verbetering van het handelen. De rede handelt over de actualiteit van de utopie. De utopie kent radicale varianten. ‘Maar de kennis der historie en het begrip van mens en samenleving leren ons dat wij genoegen moeten nemen met een aanval, die stap voor stap voorwaarts gaat... Maar laat ons de utopie bewaren als draagster van ons diepste verlangen en als richtpunt van ons beleid! Zij is de drijfveer van alle vooruitgang en niet de geringste onder de uitingen van een doorleefde menselijkheid.’

Idenburg was een veelzijdig mens. Hij was geïnteresseerd in cultuur en kunst. Onderwijs was voor hem geen wereld op zichzelf, maar onderdeel van een breder cultuurbegrip. Hij was zeker niet alleen redactievoorzitter van Pedagogische Studiën, hij was lid van de redactie van Wending en Socialisme & Democratie. Hij schreef over de ‘Taak en vorming van de intellectueel in het nieuwe Europa’ (1961). Hij was ook actief op het terrein van

[p. 117]

de kunst. Zo was hij voorzitter van het Nederlands Filminstituut (waaronder de Nederlandse Filmacademie valt) en volgde in 1965 minister Cals op als voorzitter van de Raad voor de Kunst. Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

In 1973 emigreerde hij naar Wallonië en deed rigoureus afstand van al zijn vakboeken. De tuin en de literatuur en vooral de vele bezoekers uit de kring van familie, vrienden en kennissen kregen nu de aandacht. Zijn mooi opgeknapte boerenhuis in de Ardennen zal velen nog goed voor ogen staan, evenals de wandelingen door het heuvelachtige landschap met halverwege het onvermijdelijke aanbreken van de reep chocolade. De laatste paar jaren woonde hij opnieuw in Wassenaar, waar hij op 29 december 1995 overleed.

In 1976 heb ik aan zijn huisuitgever voorgesteld een aantal van zijn klassieke artikelen te bundelen. De uitgever ging om commerciële reden niet in op het voorstel. Twintig jaar later hebben deze artikelen niet aan betekenis ingeboet en het voornemen om ze bijeen te brengen leeft nog steeds.

 

a.m.l. van wieringen

Voornaamste geschriften

Een bibliografie over de periode 1922-1966 is bij zijn afscheid als directeur-generaal in 1966 uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Voor de periode 1966-1972 zijn met name de volgende vier publicaties van belang.

De eerste betreft een boek, de tweede publicatie is een afzonderlijk uitgegeven artikel en de laatste twee markeren zijn aantreden en afscheid als gewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Theorie van het Onderwijsbeleid. Groningen 1971.
Naar een constructieve onderwijspolitiek. Groningen 1970.
Het schoolwezen als economisch verschijnsel. Inaugurele rede, 2 oktober 1967.
De utopie in het onderwijsbeleid. Afscheidscollege Universiteit van Amsterdam 18 mei 1972.