|
|
|
| |
| | | |
Willem Abraham (Bill) de Klerk
Marquard (Oranje-Vrystaat) 7 maart 1917 - Paarl (Kaap) 18 juli 1996
De kinderjaren van Willem Abraham de Klerk verliepen niet zonder problemen, maar ze bestonden evenmin alleen uit treurnis en rampspoed. Van zijn kindertijd en jeugd heeft Bill de Klerk in 1953 een mooie schets gegeven in het boek My Jeugland. Jeugherinneringe van Afrikaanse skrywers. Hij vertelt daarin over zijn eerste levensjaren in de Oranje-Vrystaat en over de verhuizing naar de Kaap, waar zijn vader zich als advocaat vestigde: ‘Dit was natuurlik nog die dae toe die Kaap vanselfsprekend ‘Engels’ was. Ek glo dat ons eie huistaal by tye ook maar Engels was - soos in so baie gevalle van bevoorregte stedelike Afrikaners. Daar was nog glad nie so iets soos 'n Afrikaansmediumskool nie - dié, soos die bewuswording en die kultuurstryd in die stad, moes nog 'n rukkie later eers kom.’ De alles overheersende gebeurtenis in deze tijd was de scheiding van zijn ouders, door hem als ‘die verbrokkeling van 'n huwelik’ aangeduid. Hij kon de vervreemding tussen zijn ouders niet begrijpen. Vanuit het latere perspectief constateert hij dat de gespannen sfeer thuis in die jaren permanent deel van hem geworden was. Zonder in een goedkoop biografisme te vervallen is de aandacht voor huwelijks- en andere relatieproblemen in het literaire werk van W.A. de Klerk vanuit zijn eigen bittere jeugdervaringen goed te begrijpen.
Al op de lagere school zette Bill de Klerk zijn eerste schreden op het pad van de literatuur: ‘Dit was terloops gedurende hierdie tydperk dat ek my eerste literêre vluggie gedoen het. Die opstelletjie was in Engels, is geskryf in standerd drie [= groep zeven in Nederland] vir 'n juffrou vir wie ek 'n lewenslange agting gekoester het, en is getitel ‘Travel’. [...] My voete het tóé al begin jeuk.’ Maar Bill de Klerk was een ziekelijk jongetje. Pas een vele jaren omvattend verblijf op de boerderij Kingsdale in het Oost-Kaapse district Fort Beaufort maakte hem kerngezond en wakkerde zijn liefde voor de wereld van Afrika aan: ‘Dit het my die eerste maal ook werklik in aanraking gebring met die Afrikaanse aarde.’ Mede door het lezen van het werk van zijn landgenoot H. Rider Haggard leerde hij de ‘romantiek van Afrika’ kennen: ‘Eendag sou ek nog self daarna gaan soek.’ De schets van zijn jeugd beëindigt De Klerk door te zeggen dat de belangrijkste dingen hierin ongezegd zijn gebleven: ‘Dit moet miskien tog maar op 'n ander manier as hierdie korte bieg aan die lig kom.’
| | | |
Vermoedelijk was De Klerk van plan om een autobiografie te schrijven. Daar is het niet van gekomen. Maar ook zonder de autobiografie kunnen we vaststellen dat hij in talrijke romans, toneelstukken en verhalen de wezenlijke dingen van zijn leven aan het licht heeft gebracht. Het schrijven werd een onmisbaar deel van zijn bestaan, waarbij dat leven hem ervaringen en avonturen verschafte die hun neerslag vonden in zijn literaire werk. Na zijn studie rechten aan de Universiteit van Stellenbosch was De Klerk advocaat aan de balie in Kaapstad, om vervolgens als regisseur en omroeper voor de Zuid-Afrikaanse radio te werken. Na een reis naar Europa in 1951 vatte hij dit werk weer voor enige tijd op. Daarna, in 1953, kocht hij het landgoed Saffier nabij Paarl en begon hij daar een fruitkwekerij. Tot op hoge leeftijd wist hij het beroep van fruitkweker met de roeping tot het schrijverschap te combineren. Of de zaak rendeerde, is niet bekend.
De eerste boekpublicatie van W.A. de Klerk was mede te danken aan de opleiding tot loods binnen de Zuid-Afrikaanse luchtmacht tijdens zijn twee laatste studiejaren in Stellenbosch. Deze jeugdroman Die skarlakeneskadril [later: eskader] uit 1942 was een geweldig succes en werd sedertdien drieëndertig keer herdrukt. Financieel ging de advocaat-schrijver er zodanig op vooruit, dat hij in 1943 met Ena Smith in het huwelijk kon treden en een gezin kon stichten. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren. Ena de Klerk overleed in 1978. In 1982 trad W.A. de Klerk in het huwelijk met Finnie.
In een vraaggesprek met Die Burger van 7 maart 1987 keek De Klerk terug op zijn eersteling: ‘Die boek was profeties in die sin dat dit die hele kommunistiese opkoms in Afrika as 't ware vooruitgesien het, en dit het die laserstraal vooruitgesien, want die boek eindig mos met 'n ontsaglike ontploffing veroorsaak deur 'n laserstraal, wat die hele kaboedel van ongeregtigheid die lug in blaas.’ Het ontbrak W.A. de Klerk niet aan een sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde. Met een enorme gedrevenheid stortte hij zich op de literatuur. Hij produceerde vooral tijdens de jaren vijftig en zestig het ene boek na het andere. Het ging hem daarbij niet alleen om een substantiële, persoonlijke bijdrage tot de Afrikaanstalige letterkunde als uiting van zijn verlangen naar culturele emancipatie van de Afrikaners van Zuid-Afrika. Het schrijverschap diende bij De Klerk ook als medium tot overdracht van eerbied voor de mensen en voor de indrukwekkende natuur van Zuid-Afrika en het toenmalige Zuidwest-Afrika. Als schrijver van essays en grotere politieke geschriften poogde De Klerk met succes tot de bezinning op een voor alle bewoners rechtvaardige toekomst van Zuid- | | | | Afrika bij te dragen. Hij was volstrekt niet bekrompen en had de innerlijke vrijheid, publiekelijk standpunten te verkondigen die tegen de politieke hoofdstroom in het Zuid-Afrika na het dramatische verkiezingsjaar 1948 ingingen.
De belangrijkste literaire prijzen die W.A. de Klerk voor zijn werk ontving, waren in 1952 de Hertzogprys vir Drama en in 1958 de Scheepersprys vir Jeuglektuur. Toch betekenden deze prijzen niet dat De Klerk een onomstreden schrijver was. Wie de recensies van zijn romans en toneelstukken leest, komt zeer veel kritiek tegen. De bekende Vlaams-Zuid-Afrikaanse criticus Rob Antonissen bijvoorbeeld treft in de toneelstukken een overdaad aan filosofische ideeën aan. De personages zijn in zijn ogen omgevallen boekenkasten en missen het wezenlijke van levende mensen. Vergelijkbaar daarmee is de kritiek van letterkundigen als J.P. Smuts, Jakes Gerwel, Abraham H. de Vries en J.C. Kannemeyer, die daarnaast echter ook de positieve kanten van dit werk naar voren halen. André P. Brink is het felst in zijn veroordeling van de schrijfstijl en de politieke analyses van W.A. de Klerk. Niettemin is er vanaf De Klerks zeventigste verjaardag duidelijk sprake van een herwaardering van zijn werk.
De jeugdboeken van deze schrijver vormen op zich reeds een imposant geheel. In romans met een morele strekking als Die vallei van die rooi gode (1945), Die gésel van Namaland (1945), Agtien man en 'n meisiekind (1956), Willemien se ligte dae (1958) gaat het om spannende belevenissen van mensen die een edele strijd voeren tegen gewetenloze lieden. In romans voor volwassen lezers als Die grenslose (1946), de briefroman Van Willem en San (1947, samen met Anna Neethling Pohl, onder het pseudoniem Anna Heymans), Nelia Bell (1951) en Die uur van verlange (1953) draait het om de spanning die het samenleven van uiteenlopende mensen met zeer verschillende levensvisies met zich meebrengt. Kannemeyer karakteriseert Die uur van verlange in zijn Geskiedenis van die Afrikaanse Literatuur als een roman, ‘[...] waarin die persoonlike liefdesverhoudinge van die ek-verteller teen die agtergrond van die geleidelike industrialisering van 'n landelike gemeenskap en 'n verwikkelder maatskappy gesitueer word’. Over de romans en novellen van W.A. de Klerk spreekt Kannemeyer een oordeel uit, waarin de waardering voor het afzonderlijke het moet afleggen tegen de veroordeling van de constructie van het geheel: ‘Wat 'n mens telkens in hierdie en heelparty ander werke van De Klerk opval, is dat die verhaal wesentlik uit 'n reeks betreklik spannende avonture of dramatiese gebeurtenisse bestaan wat dan met die een of ander etiese of metafisiese proble- | | | | matiek van buite af gelaai word om dit tot ‘literatuur’ te maak.’
Een bijzondere plaats neemt de ongerepte en weerbarstige wereld van Zuidwest-Afrika in het werk van W.A. de Klerk in, die onder meer zichtbaar wordt in Die verste blou einder (1962; in 1977 herdrukt als Kleinben drink die bitterbloed) en in de reisverslagen Drie swerwers in Suidwes (1949), Drie swerwers oor die einder (1953) en 'n Swerwer op die sonpad (1959). Uit andere boeken blijkt duidelijk De Klerks grote liefde voor de streek rondom Stellenbosch en Paarl, het Boland: Berge van die Boland (1947, samen met Marthinus Versfeld), Die Witwyne van Suid-Afrika (1967) en Klein reis deur Drakenstein (1974). Dit laatstgenoemde boek is een teken van waardering voor diegenen die in de vallei van Drakenstein met de emancipatiebeweging ten gunste van het Afrikaans zijn begonnen. Vanuit diezelfde geest zette De Klerk zich in voor de restauratie van de Hugenote Gedenkskool bij Dal Josafat.
Dat W.A. de Klerk de Europese letterkunde (Henrik Ibsen bijvoorbeeld) goed kende, wordt evenals in zijn beschouwend proza duidelijk zichtbaar in zijn toneelstukken, waarvan ik hier slechts enkele noem: Uit die goeie aarde (1942), Die jaar van die vuur-os (1952, ter gelegenheid van het Van Riebeeck-feest), Vermaak se kind (1963) en Die markplein (1978). In het middelpunt staat hierin vrijwel altijd een heerszuchtig individu dat op nietsontziende wijze over anderen beschikt en uiteindelijk moet leren om de eigen pretenties in te dammen en aan de ander recht te doen. In Die jaar van die vuur-os wordt de problematiek verruimd naar de Afrikaner in het algemeen, die moet leren om zijn anderskleurige landgenoten te respecteren teneinde vredig met hen te kunnen samenleven. Bij de beoordeling van het dramatisch werk van W.A. de Klerk binnen de literaire kritiek van Zuid-Afrika gaat de waardering voor de creatieve zoektocht naar onderwerpen gepaard met afkeuring van het gekunstelde karakter van de personages. Die stukken van De Klerk vindt men over het algemeen de beste waarin de personages meer zijn dan louter abstracte dragers van bepaalde wereldbeschouwingen.
W.A. de Klerk verkeerde nooit in de luwte van het literaire en politieke debat in Zuid-Afrika. Het lijkt zijn levenswet te zijn, dat hij iemand naast zich nodig had om al debatterend zijn gedachten te kunnen ontplooien. Als zodanig fungeerden zijn vrienden Uys Krige en Marthinus Versfeld. Was die gesprekspartner niet in fysieke gestalte voorhanden, dan waren het kranten en tijdschriften waarbinnen De Klerk zijn stellingen poneerde, in de hoop dat er een forse polemiek uit zou voortkomen. Over de door
| | | |
Camus en Sartre gestelde vraag naar de vrijheid en de onvrijheid van de mens schreef hij zijn boek Buite die raamwerk (1968). Het belangrijkste onderwerp waarover De Klerk in beschouwingen en boeken zijn licht liet schijnen, was de historische ontwikkeling die de Afrikaner had doorgemaakt en die hem/haar op een punt had gebracht waar bezinning en inkeer noodzakelijk waren om uit de ellende te geraken. De kern van zijn overtuigingen gaf hij in 1975 weer in het in Londen verschenen boek The Puritans in Africa. A Story of Afrikanerdom.
In dit inmiddels klassiek geworden boek ziet De Klerk de wortels van de historische ontwikkeling der Afrikaners tijdens de negentiende en twintigste eeuw in hun religieuze, en daaruit voortvloeiende: sociaal-politieke opvattingen. De basis van de politieke ontwikkeling der Afrikaners is volgens hem gelegen in de zuivere calvinistische opvatting dat kerk en staat ieder een autonome functie hebben, waarbij de autoriteit van God als de hoogste wordt erkend. Puriteinen (in de zin van de Engelse ‘Puritans’ uit de tijd van Cromwell) werden de Afrikaners pas, toen zij tijdens de twintigste eeuw religieuze en politieke beginselen zodanig gingen vermengen dat er een blauwdruk uit voortvloeide voor een eeuwig geldige, rechtvaardige samenleving van alle rassen in Zuid-Afrika. Deze blauwdruk was de Apartheid. Het religieus-politieke ideaal werd verabsoluteerd, met het gevolg dat het precies het tegendeel opleverde - onderdrukking - van wat het eerst beoogde: sociale en politieke emancipatie. Daarom pleit De Klerk voor terugkeer naar de oorspronkelijke calvinistische idealen die hij onder anderen in ds. Beyers Naudé belichaamd ziet. In 1979 varieerde De Klerk zijn gedachten in de bundel opstellen Tyd van vernuwing. Opstelle oor tyd en samelewing. In deze bundel laat hij zich kennen als een erudiet mens die wist wat er toen in de wereld speelde - allerlei varianten van het marxisme bijvoorbeeld - en daar uiterst zinvolle kanttekeningen bij plaatste.
De pretentie van The Puritans in Africa, om een analyse van de ziel van de Afrikaner te zijn, zorgde voor reacties die niet minder diepgravend waren. Een van de reacties kwam van de door zijn boek Cry, the beloved country over de hele wereld beroemde schrijver Alan Paton. Onder de kop ‘An Afrikaner torn in two’ ging Paton in de Sunday Tribune van 14 december 1975 met De Klerk in discussie. Wat Paton in De Klerks betoog miste, was het belang van de ontmoeting met ‘the Black man and with that other White man’. Bovendien zag Paton Calvijn als veel despotischer dan De Klerk hem portretteerde. Aan het slot schreef Paton: ‘I share his hope for the miracle’ en dat was een groot compliment voor De Klerk.
| | | |
Toen De Klerk zeventig werd, voerde André Le Roux een vraaggesprek met hem, dat in Die Burger van 2 maart 1987 verscheen. Het begint met de typering van De Klerks verbale vaardigheden: ‘Keer jy hom nie, praat hy tot verby sy tagtigste verjaardag.’ Die verjaardag heeft W.A. de Klerk niet mogen beleven. Gelukkig wel het lustrum van 1992. Gunther Pakendorf deed in Die Burger van 7 maart 1992 verslag van een bezoek aan de schrijver die inmiddels zijn landgoed Saffier had moeten inruilen voor een ‘dorpshuis in die Paarl’. In dit onthullende gesprek waarschuwt hij de jonge Zuid-Afrikaanse schrijvers voor een te nauwe betrokkenheid bij de politiek: ‘Jy hoef net die geskiedenis te lees om te sien hoe verbygaande die politiek is. Dit kan nie ewige waarde aan ons oordra nie, dit kan nie die tragiese of komiese mens raaksien nie. Dis nie die taak van die skrywer om toekomstige moontlikhede vir die politiek te vind nie.’
Willem Abraham de Klerk zag de belangrijkste taak van de schrijver weggelegd binnen de sfeer van het nadenken over de waarden van het leven en over de positie van de mens tegenover zichzelf, de ander en tegenover God. Daarom kreeg zijn grote oeuvre een sterk filosofisch en ethisch-levensbeschouwelijk karakter. Zo verdedigde hij het schrijverschap in zijn bijdrage ‘Is die skrywer nog nodig?’ tot de bundel Die Kunstenaar en die Samelewing (1958). Daarin hekelt De Klerk het materialisme: ‘Laat ons dit dan maar onder die oë sien: ons leef in 'n wêreld waarin feitlik die enigste maatstaf waaraan 'n land se vooruitgang gemeet word sy stoflike welvaart geword het. Dit is die materiële dinge wat 'n regering aan sy kiesers besorg wat grootliks daardie regering aan die bewind hou.’ De schrijver heeft in deze visie de plicht om door zijn thematisering van leven en dood de dwalingen van het materialisme aan de kaak te stellen. En daarom schrijft De Klerk met veel pathos: ‘Nou staan ons weer vierkant voor die vraag: is die skrywer nog nodig in 'n wêreld wat al so grootliks getoon het dat hy sonder hom wil klaarkom?’ Het antwoord luidt bevestigend: ‘Omdat hy 'n plek het - en daardie plek nie mag verlaat nie. Want indien hy wel daardie plek verlaat en met die ander meegaan, dan staan hy skuldig - voor homself, maar ook skuldig voor God.’
Weinig Zuid-Afrikanen hebben zo intensief de Europese letterkunde en wijsbegeerte bestudeerd als W.A. de Klerk. Weinig Zuid-Afrikanen hebben daarnaast de documenten van hun eigen geschiedenis zo intensief leren kennen als hij. In deze combinatie van elkaar inspirerende werelden behoorde hij tot een generatie Zuid-Afrikanen die thans aan het verdwijnen is. Niet alles wat hij schreef, was van grote waarde, ook al was de be- | | | | doeling ervan nog zo zuiver. De erkenning van zijn grote verdiensten is beperkt gebleven, hoewel er de laatste jaren een kentering bespeurbaar is. Het is niet verwonderlijk dat ook dit onderwerp tijdens het vraaggesprek in Die Burger van 7 maart 1992 ter sprake kwam. Voelde De Klerk zich als schrijver miskend? ‘Die beste ding wat my op die gebied van die kritiek bereik het, het persoonlik gekom, in die vorm van briewe of gesprekke... Nee, ek sal nie my tyd mors deur te kla dat ek misken is nie. My benadering was nog altyd: ek kan maar net my bes doen.’
hans ester
| |
Voornaamste geschriften
De brieven, dagboeken en andere documenten van W.A. de Klerk bevinden zich in de J.S. Gericke-Biblioteek van de Universiteit van Stellenbosch.
Een overzicht van de publicaties van W.A. de Klerk tot 1982 (en van de bijbehorende recensies) biedt: J.C. Kannemeyer, Geskiedenis van die Afrikaanse Literatuur. Deel ii, Pretoria-Kaapstad-Johannesburg 1983, p. 36-43.
De grootste verzameling documenten over het werk van De Klerk bevindt zich in het Nasionale Afrikaanse Letterkundige Museum en Navorsingsentrum, Privaatsak X20543, Bloemfontein 9300, Vrystaat, Zuid-Afrika. Het Letterkundig Museum is gevestigd in het Ou Goewermentsgebou en gelegen op de hoek van President Brandstraat en Elizabethstraat in Bloemfontein.
|
|
|