Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1998


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1997-1998. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1999  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 120]

Willem Antonius Hendriks
Montfoort 18 december 1933 - Hilversum 2 juni 1997

Zo wisselend als de eerste dertig jaar, zo constant waren dat de laatste dertig jaar van het leven van de neerlandicus Wim Hendriks. Geboren als zoon van een drogist te Montfoort, maar al snel verhuisd naar Nijmegen, bracht hij in die laatste plaats zijn lagere-schooltijd door en bezocht er kortstondig het Canisius Gymnasium, waarna hij overstapte naar het klein-seminarie in Megen. De paters franciscanen vermochten hem echter niet blijvend te boeien: na het staatsexamen gymnasium begon Hendriks aan de studie Nederlands in Nijmegen, maar na een jaar besloot hij daarmee te stoppen. Diverse redactionele werkzaamheden volgden: bij uitgeverij Van Gorcum, de Wereldomroep en uitgeverij Spaarnestad.

Na zijn dertigste besloot Hendriks zijn studie Nederlands weer op te vatten, ditmaal aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waar hij op 7 april 1971 afstudeerde met een scriptie over Johan de Brune de Oude. Tijdens zijn kandidaat-assistentschap was hem al opgevallen dat de communicatie binnen het vakgebied veel te wensen overliet. Zijn voorstel aan prof. A.L. Sötemann om een informatieblad te starten, viel in die tijd in vruchtbare aarde. Sötemann had immers in De Nieuwe Taalgids van 1969 ‘een beschamende culturele achterstand, die desastreus dreigt te worden voor de produktiviteit van het onderzoek’ gesignaleerd met betrekking tot de bibliografie van de neerlandistiek in zijn artikel ‘Bibliografie en neerlandistiek’ (p. 41-46). Het was één noodkreet te midden van andere in de tweede helft van de jaren zestig. In 1967 had de Algemene Conferentie van de Nederlandse Letteren reeds een resolutie aangenomen om de documentatie van de neerlandistiek te onderzoeken en te organiseren. Direct gevolg daarvan was de oprichting van de Werkgroep voor de Documentatie der Nederlandse letteren nog in hetzelfde jaar. R.F. Lissens hield in 1968 in de Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie een pleidooi ‘Voor een behoorlijke apparatuur van de Nederlandse literatuurstudie’. Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk verleende een opdracht tot ‘het schrijven van een rapport behelzende de inventarisatie van de werkzaamheden op het gebied van de bibliografie der neerlandistiek aan de Nederlandse en Belgische inrichtingen van wetenschappelijk onderwijs in het Nederlands en aan de letterkundige musea in Nederland en België’.

[p. 121]

De vervaardiger van dit rapport - W.A. Hendriks - bracht verslag uit van zijn naspeuringen in De Nieuwe Taalgids 63 (1970), p. 47-58, onder de titel ‘Bibliografiek’. Geen enkele neerlandicus had toen beter inzicht in wat er op documentair-neerlandistisch terrein op dat moment gaande was, maar vooral in wat er nog diende te gebeuren. Hendriks was vanuit Sötemanns Instituut De Vooys door zijn literair-historische opdracht uitermate betrokken geraakt bij de ‘beschamende culturele achterstand’ van de documentatie van het vak en hij was er de man niet naar om dat bij een officieel rapport te laten. Hij was betrokken bij de start van de vakbibliografie, de Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap (bntl), die eind van de jaren zestig werd voorbereid, maar nam ook het initiatief tot de oprichting van een tijdschrift om dat ‘begin-van-documentatie’, zoals hij de bntl kenschetste, verder te helpen.

In maart 1972 verscheen nummer 1 van Dokumentaal, Informatie- en Communicatiebulletin voor Neerlandici onder redactie en administratie van drs. W.A. Hendriks, Narcislaan 14 te Wassenaar. Achter op het omslag stond een waslijst van onderwerpen waaraan Dokumentaal ruimte wilde bieden: suggesties voor onderzoek, verzoeken om bibliografische aanvullingen, aankondiging van publicaties in voorbereiding, publicatie van ‘nevenproducten’ van onderzoek, samenvattingen van de resultaten van onderzoek in werkgroepen, gereedgekomen scripties, boekbesprekingen, ruilverkeer van boeken en overdrukken, het in contact brengen van onderzoekers die een bepaald project willen opzetten, overzichten van ontsluitingsmiddelen voor de neerlandistiek.

Voor dit veelomvattende programma zocht en vond Hendriks - naast zijn andere bezigheden: medewerking aan de bntl, doceren op de Haagse School voor Taal- en Letterkunde en vanaf 1975 aan de Vrije Leergangen van de Vrije Universiteit, later de Hogeschool Holland - correspondenten en mederedacteuren in Nederland en Vlaanderen. Toen het in jaargang 4 dreigde fout te gaan, bracht een noodkreet in zijn befaamde artikel ‘Dokumentaal of friet’ Hendriks uitkomst: door steun van de vakgroep Nederlands in Leiden en genereuze hulp vanuit Leuven kon jaargang 5 (1976) op een bredere basis - zowel wat betreft geografische spreiding als vertegenwoordiging van de neerlandistische disciplines - verschijnen. De correspondentschappen werden vervangen door een heuse redactie, bestaande uit Sjoerd van Faassen, G. Geerts, W.A. Hendriks, B. van Selm, P.J. Verkruijsse en W. Smedts. In de loop van de jaren vielen er redacteuren af en kwamen er bij, maar steeds lukte het om een universitaire dekking over het

[p. 122]

gehele taalgebied in stand te houden. De jaarlijkse redactievergaderingen vormden de belichaming van het documentaire netwerk dat zich verder via correspondentie en telefoon moeiteloos in stand hield, in ieder geval tot begin jaren negentig. De harde kern is al die jaren gebleven, maar de laatste tijd kostte het steeds meer moeite een actief dekkend netwerk in stand te houden. Bovendien waren er inmiddels andere media gekomen voor neerlandistische nieuwsvoorziening.

Dit deed de redactie er uiteindelijk toe besluiten om na vijfentwintig jaar het tijdschrift op te heffen. Aan fusiebesprekingen met het digitale tijdschrift Neder-L van B. Salemans heeft Hendriks nog deelgenomen, maar de conclusie van hem en de rest van de redactie was, dat Dokumentaal aan zijn doelstellingen beantwoord had, zowel wat betreft de nieuwsvoorziening als het kritisch toezien op bibliografische en documentaire projecten en publicaties. De bijnaam van Dokumentaal - de gele beul - was toch vooral toegekend door vakgenoten die zakelijke en persoonlijke kritiek niet goed konden scheiden: de redacteuren onderling hadden er geen enkel probleem mee zeer kritisch naar elkaars publicaties te kijken zonder dat dat de persoonlijke verhoudingen ook maar enigszins schade toebracht.

Het einde van Dokumentaal betekende helaas ook het einde van de man die vijfentwintig jaar lang zijn stempel had gedrukt op de documentatie van het vak. Hijzelf beschouwde zijn voordracht voor het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 1996 als een erkenning van zijn werk. Bijzonder blij was hij met het erelidmaatschap van de Landelijke Vereniging van Neerlandici (lvvn), hem toegekend op de ledenvergadering van 19 april 1997. Op zijn ziekbed thuis in Hilversum is hem op 7 mei van dat jaar de bijbehorende oorkonde overhandigd.

Naast zijn taalkundige professie en documentaire interesse - hij gaf ook de serie Bibliograafwerk uit en enkele bibliografische bijlagen bij Dokumentaal - had Hendriks in zijn studietijd liefde voor het werk van Johan de Brune opgevat. In 1988 organiseerde hij in het Centraal Museum te Utrecht een De Brune-congres met als nevenproducten een De Brunebibliografie en een De Brune-bundel.

In een interview in [vak Taal] 10 (1997), nr. 1, p. 9, lichtte Hendriks de opheffing van Dokumentaal toe: ‘Het is mooi geweest.’ Hoe mooi het geweest is, heeft Wim Klooster - oud-Dokumentaal - redacteur Dongelmans citerend - in hetzelfde tijdschrift, een nummer later, uitgesproken in zijn laudatio bij Hendriks' benoeming tot erelid van de lvvn: ‘Het lijkt er

[p. 123]

soms wel op of de contacten die dankzij Dokumentaal tot stand zijn gekomen, meer zoden aan de dijk hebben gezet dan de Nederlandse Taalunie.’

 

p.j. verkruijsse

Voornaamste geschriften

Diverse artikelen, mededelingen en recensies in het tijdschrift Dokumentaal 1 (1972) - 25 (1997).
W.A. Hendriks en A.M. Temmink. Artikelen in De Nieuwe Taalgids die ook elders zijn afgedrukt. Overzicht van 285 NTG-artikelen met tweede en eventueel derde vindplaats. 2de, uitgebreide druk. Utrecht: W.A. Hendriks, 1969. (Bibliograafwerk, i.)
De neerlandistiek op dertig Nederlandse filologencongressen. Bibliografie. Utrecht: W.A. Hendriks, 1970. (Bibliograafwerk, iii.)
Inhoudsopgaven i (1956-1957) - 12 (1969-1970) Spiegel der Letteren. Wassenaar: Dokumentaal, [1972]. (Bijlage bij de eerste aflevering van Dokumentaal.)
Register op Merlyn i (1962-1963) - 4(1966). Wassenaar: Dokumentaal, [1972]. (Bijlage bij de tweede aflevering van Dokumentaal.)
P.J. Verkruijsse, W.A. Hendriks en J. Mateboer. Johan de Brune de Oude 1588-1658.
Descriptieve auteursbibliografie. Amsterdam: Schiphouwer en Brinkman, 1988.
‘Aanleiding’, in Johan de Brune de Oude (1588-1658), een Zeeuws literator en staatsman uit de zeventiende eeuw. Middelburg: Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1990, p. 1-7.
W.A. Hendriks en P.J. Verkruijsse. ‘Supplement op de descriptieve auteursbibliografie van Johan de Brune de Oude’, in Johan de Brune de Oude (1588-1658), een Zeeuws literator en staatsman uit de zeventiende eeuw. Middelburg: Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1990, p. 120-146.