Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2003


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2002-2003. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2004  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 117]

Hortense Anne Louise Elisabeth Byvanck-Quarles van Ufford
Arnhem 7 oktober 1907 - Leiden 24 november 2002



illustratie

Lili Byvanck was een van de laatste grandes dames die de Nederlandse klassieke archeologie in de twintigste eeuw een gezicht gaven. Zij behoorde tot een generatie die na de oorlog een essentiële bijdrage aan deze wetenschap heeft geleverd, vooral door het doen opbloeien en onderhouden van internationale contacten.

Lili Quarles van Ufford werd in 1907 te Arnhem geboren als jonkvrouwe, stammend uit een roemrucht adellijk geslacht. Haar vader diende als officier in het Nederlandse leger. Na haar middelbare-schooltijd studeerde zij klassieke talen in Leiden, waar zij als lid van de vvsl een jaar- en dispuutgenote was van Prinses Juliana. In Leiden leidde haar liefde voor de klassieke wereld tot een fascinatie voor de klassieke archeologie, de materiële nalatenschap van de Grieken en Romeinen. Zij ontving het onderwijs in de archeologie van de hoogleraar A.W. Byvanck, van wie zij respectievelijk studente, assistente en echtgenote werd.

Haar eerste publicatie behandelde de reliëfs van de enigmatische ‘Boston Throne’ en hun plaats in de klassieke kunstgeschiedenis. Deze studie werd gevolgd door twee artikelen over Griekse terracotta's, die beschouwd

[p. 118]

kunnen worden als voorstudies van haar dissertatie, waarop zij in 1940 in Leiden promoveerde: ‘Les terres-cuites siciliennes: une étude sur l'art sicilien entre 550 et 450’, een tot op heden regelmatig geciteerd standaardwerk. De chronologie van de Griekse kunst en de voorliefde voor de kleine antieke meesterwerken hebben haar voortdurend beziggehouden. Tussen 1942 en 1946 verschenen zes artikelen, die de Griekse kunst van de zevende en zesde eeuw v. Chr. tot onderwerp hadden. Inmiddels had zij een aanstelling bij de vakgroep klassieke archeologie gekregen als privaatdocente. Bestudering van de Griekse kleinkunst leidde tot artikelen over Grieks aardewerk (met name Attische vazen) en de hellenistische reliëfceramiek, die duidelijk invloeden vertoont van de antieke zilver- en goudsmeedkunst. Haar belangstelling voor het bewerkte Griekse en Romeinse edelmetaal maakte haar tot een groot expert op dit terrein. Tot op hoge leeftijd bleef zij publiceren, waarbij zij ook buiten de grenzen van de klassieke wereld keek naar bijvoorbeeld de kunstproducten van de Thraciërs en de Scythen.

Van bijzondere betekenis was haar kennismaking met de bankier Constant Willem Lunsingh Seheurleer, oprichter van het Bulletin Van De Vereeniging Tot Bevordering Der Kennis Van De Antieke Beschaving Te 's-Gravenhage (1926) en directeur van het Museum Scheurleer aan de Carnegielaan te Den Haag. In dit privé-museum stond een archeologische collectie opgesteld, die met veel smaak en kennis van zaken was bijeengebracht. Naast de uitgave van het Bulletin zorgde Scheurleer ook voor de publicatie van zijn collectie in het Corpus Vasorum Antiquorum, dat onder de aegis van de Union Académique Internationale werd gepubliceerd. Om de sfeer waarin de pioniers van de Vereeniging werkten, weer te geven, citeer ik de inleiding tot het eerste nummer:

‘De Vereeniging tot Bevordering der Kennis van de Antieke Beschaving, is, zoals uit de Statuten blijkt, opgericht met het doel, den geest der antieke beschaving te verbreiden. Zij acht dit ten zeerste gewenscht, teneinde tegen een al te zeer in de richting van het materieele gaande strooming een tegenwicht te vormen. De Vereeniging wenscht daarom ook met kracht op te komen voor het behoud van de studie der klassieke talen in de opvoeding. Hoewel zij den geest der antieke beschaving langs andere wegen tracht meer bekend te maken, is zij ten zeerste doordrongen van het belang der philologische studiën. Als hulpmiddelen kan zij beschikken over het Museum Carnegielaan 12 met de daarbij behoorende Bibliotheek en verder over de rijke afdeling van klassieke beeldhouwkunst in het Mu-

[p. 119]

seum voor Reproducties van Beeldhouwkunst der Academie van Beeldende Kunsten. Daar de Vereeniging zich ten doel stelt, niet alleen voor de Grieksche en Romeinsche beschaving te ijveren, doch tevens de Egyptische nader tot belangstellenden te brengen, is het voor haar van groot belang, dat zij de beschikking heeft over het Museum Carnegielaan 12, daar dit Museum voor een even groot deel aan deze beide groepen van kunst gewijd is. Tevens is er de mogelijkheid geopend hetzelfde voor Voor-Aziatische kunst te doen.

Het ligt in het voornemen, in dit Bulletin, dat voorloopig op ongezette tijden zal verschijnen, van de werkzaamheden der Vereeniging en de pogingen, aangewend om haar doel te verwezenlijken, melding te maken. Tevens zullen daarin, naast meer belangrijke voorwerpen in het Museum aanwezig, eventueele nieuwe aanwinsten besproken worden.’

In het eerste nummer publiceerden grote namen als Jhr. prof. dr. J. Six, prof. dr. A.W. Byvanck en Lunsingh Scheurleer zelf, maar ook aankomend talent kreeg de gelegenheid zich te profileren, zoals de jonge drs. C.C. van Essen met een studie over modellen van wapens uit de hellenistische periode. Opvallend modern doet de educatieve rubriek ‘Voor de scholen’ aan, verzorgd door dr. G. van Hoorn:

‘Het is een hartewensch van Dr. C.W. Lunsingh Scheurleer, den verzamelaar der Grieksche kunstvoorwerpen in het museum, dat velen zijn schatten komen bekijken, vooral ook de jongeren. Daarbij is hij graag zelf hun gids. Zij moeten leeren zien, want oude kunst wordt gewoonlijk niet op het eerste gezicht genoten: dit bulletin wil daarbij eenige leiding geven.’

Uit het tweede nummer blijkt dat de redactie van het blad erin geslaagd was om ook buitenlandse archeologen te interesseren in stukken van de verzameling. Gisela Richter, conservator van het Metropolitan Museum in New York, schreef een bijdrage over een Romeins meubelstuk in de collectie, en Robert Zahn, directeur van het Altes Museum in Berlijn, toonde zich in zijn bijdrage zo enthousiast over enkele met reliëfdecoratie versierde fragmenten dat hij spreekt over ‘[...] einen kostbaren Besitz von intimstem Reize, der mein ganzes Entzücken bildet, fast hätte ich gesagt, den Gegenstand des Neides. [...] Diese köstliche Leckerbissen verdienen wohl, dass man sich eingehend mit ihnen befasst.’

Deze fragmenten tekenen de sfeer van enthousiasme, ja bijna vervoering, voor de antieke kunst en de diepe wens om door publicaties, educatie en tentoonstellingen zoveel mogelijk mensen deelgenoot te maken van dit

[p. 120]

erfgoed. Als studente en protegée van professor Byvanck maakte Lili Quarles van Ufford kennis met deze groep gedreven mensen én met hun Bulletin. In 1936 publiceerde zij haar eerste artikel in dit blad: het begin van een lange reeks van bijdragen. In 1941 trad zij toe tot de redactie, een taak die zij tot 1981 heeft vervuld.

Vanaf het begin was haar invloed op het Bulletin duidelijk merkbaar. Zij streefde naar meer kwaliteit, zowel wat de inhoud als het uiterlijk van het blad betrof. Voor het eerst kregen auteurs hun artikelen regelmatig retour, met een lange lijst van verbeteringen en aanvullingen. Zelf verzorgde zij de lay-out van teksten en foto's en nodigde zij auteurs in binnen- en buitenland uit om bijdragen aan het Bulletin te leveren. Jonge archeologen stimuleerde zij om hun onderzoek in artikelen te publiceren en zo de eerste stappen op het wetenschappelijke pad te zetten. Het blad, dat vroeger bekendstond als ‘het bulletin met de lange naam’ werd omgedoopt tot Bulletin Antieke Beschaving (afgekort BABesch), hoewel in het buitenland ook wel van het ‘Bulletin Byvanck’ gesproken werd, gezien het grote aantal eigen bijdragen dat het echtpaar per aflevering aanleverde. De transformatie van een, in het Nederlands geschreven, vriendenblad naar een internationaal erkend wetenschappelijk tijdschrift is de grote verdienste van Lili Byvanck geweest, waarvoor zij in 1982 werd geëerd met een jubileumbundel voor haar vijfenzeventigste verjaardag.

Niet alleen het Bulletin heeft voordeel gehad met de inzet van Lili Byvanck: zij besteedde ook veel energie aan de uitgave van de Nederlandse delen van het Corpus Vasorum Antiquorum (cva). Het cva stelt zich tot doel de over de wereld verspreide collecties klassieke ceramiek wetenschappelijk te publiceren. Als secretaris van de onder de knaw ressorterende Nederlandse commissie heeft zij jarenlang zorg gedragen voor het verschijnen van de delen die gewijd zijn aan de collecties van het Rijksmuseum van Oudheden en het Allard Pierson Museum.

Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Vereeniging Antieke Beschaving in 1975 realiseerde Lili Byvanck een andere droom: een tentoonstelling van antieke kunst, geheel samengesteld uit Nederlands particulier bezit. Zij slaagde erin om meer dan honderd verzamelaars bereid te vinden bruiklenen aan deze expositie af te staan. Bij de tentoonstelling ‘Klassieke Kunst Uit Particulier Bezit’, die getoond werd in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden en het Rijksmuseum G.M. Kam te Nijmegen, verscheen een door Lili Byvanck geredigeerde catalogus met beschrijvingen van de 1040 objecten die op de tentoonstelling te zien waren. De

[p. 121]

tekst van de catalogus was het gezamenlijk werk van leden van de Vereeniging Antieke Beschaving, archeologen van zes universitaire instituten en enkele vakspecialisten. In het voorwoord tot de catalogus werd door de museumdirecteuren de bijzondere rol onderstreept van ‘[...] haar, die met niet-aflatende inzet, zichzelf niet sparend en anderen inspirerend, zich wijdde aan de verwerkelijking van een tentoonstelling die, ondanks haar tijdelijke karakter, van blijvende betekenis zal zijn voor de wetenschap.’

Haar afscheid als redactielid van BABesch in 1981 betekende niet het einde van haar archeologische publicaties. Regelmatig bleef zij artikelen en boekrecensies schrijven voor ‘haar’ blad. Vaak bezocht zij de bibliotheek van het Rijksmuseum van Oudheden en van het Archeologisch Instituut aan het Rapenburg, waar zij zeer geïnteresseerd informeerde naar het wel en wee van medewerkers en studenten: zij bleef het beschouwen als ‘haar’ instituut. Zij was een trouw lid van de Historische Kring te Leiden en de Vereeniging Antieke Beschaving. Ook nam zij deel aan congressen en excursies. In 1998 tijdens het 15de International Congress of Classical Archaeology (het laatste dat zij bezocht) viel haar een ovatie van de aanwezigen ten deel.

Zij was actief als ouderling van de Evangelisch-Lutherse Gemeente te Leiden, waar zij de zorg voor zieke gemeenteleden op speciale wijze vervulde. Haar laatste levensjaren waren echter bijzonder moeilijk. Het afnemen van gezichtsvermogen en gehoor maakte haar afhankelijk van hulp en deed haar steeds verder in een geestelijk isolement terechtkomen, ondanks de regelmatige bezoeken van vrienden en familieleden. Zij overleed op 24 november 2002 op de leeftijd van vijfennegentig jaar. Haar uitvaartdienst vond plaats in de kerk die zij altijd zo trouw had bezocht.

 

ruurd b. halbertsma

Voornaamste geschriften

Een uitgebreide bibliografie van Dr. H.A.L.E. Byvanck-Quarles van Ufford verscheen ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag in 1982: A. Kooreman, ‘Bibliography of Dr. Lili Byvanck-Quarles van Ufford’, in Bulletin Antieke Beschaving 57 (1982), p. ix-xxxiii. Haar voornaamste geschriften na 1982 staan hieronder opgesomd.

 

‘Une coupe achéménide d'argent du Musée des Antiquités de Leyde’, in Bulletin Antieke Beschaving 58 (1983), p. 179-181.
‘Réponse à l'étude: ‘Situle a beccuccio - origine e diffusione (1985)’ ’, in Bulletin An-
[p. 122]
tieke Beschaving 61 (1986), p. 208-211.
‘L'art préclassique et le style archaïsant’, in Bulletin Antieke Beschaving 63 (1988), p. 180-188.
‘A propos de l'orfevrèrie thrace’, in Bulletin Antieke Beschaving 64 (1989), p. 205-219.
‘A propos du trésor de Rogozen’, in Bulletin Antieke Beschaving 65 (1990), p. 51-72.
‘ ‘Achämenidischer Becher’ ou ‘bol ionien à panse arrondie’?’, in Bulletin Antieke Beschaving 66 (1991), p. 159-164.
‘Le chaudron de Gundestrup’, in Bulletin Antieke Beschaving 67 (1992), p. 117-126.
‘Rencontre des deux Nikés’, in Bulletin Antieke Beschaving 68 (1993), p. 163-170.