Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2003


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2002-2003. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2004  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 123]

Vernon Alexander February
Somerset-Wes, Zuid-Afrika, 15 juni 1938 - Amsterdam 24 november 20021



illustratie

Vernon A. February was wetenschapper, activist en dichter. Zo leefde hij en zo werd hij ook herdacht. De twee overlijdensberichten die direct na zijn dood in Nederland verschenen, bevatten citaten uit gedichten die de overledene zelf heeft geschreven. In de advertentie, ondertekend door voormalige anti-apartheidstrijders en vrienden2, staat: ‘Net harte wat stilweg huil’. Deze woorden komen uit zijn bundel O snotverdriet. Een kort levensbericht volgt:

‘Zeer tot ons verdriet moeten wij afscheid nemen van Prof. dr. Vernie A. February. Dichter, wetenschapper, vriend. Vernie February kwam in 1963 als Zuid-Afrikaans balling naar Nederland. In nauwe samenwerking met veel Nederlandse organisaties streed hij decennialang tegen apartheid en de gevolgen daarvan. Na de bevrijding keerde hij terug naar zijn geliefde Zuid-Afrika. Wij wensen zijn familie veel sterkte. Hamba Kahle!’

De advertentie, die geplaatst werd namens het Afrika-Studiecentrum waar Vernie February ruim dertig jaar als wetenschappelijk medewerker werkzaam was, noemt Vernie ‘een gepassioneerd collega’. ‘Wij hadden hem nog graag een passend afscheid willen aanbieden’, schrijft Gerti Hesseling, directeur van het Afrika-Studiecentrum te Leiden. Deze adverten-

[p. 124]

tie begint ook met enkele dichtregels, eveneens uit February's bundel O snotverdriet:

 
Die môre toe die bosduif
 
In die bloekombome koer
 
Het stil die wete
 
In my vasgegroei,
 
Dat hierdie afskeid ewig was.

De geciteerde gedichten uit de twee advertenties tonen duidelijk February's verbondenheid met de Afrikaanse taal en literatuur en de toonaangevende eerste dichters van de zogenaamde generatie van Dertig: N.P. van Wyk Louw en W.E.G. Louw. Zijn geciteerde formuleringen hadden zo uit een bundel van een van hen gehaald kunnen worden; dichters die met hun werk de Afrikaanstalige literatuur tot volwassenheid hebben gebracht. Dat Vernie February zich al die jaren zo verwant heeft gevoeld met de traditie van de Afrikaanse poëzie is mij pas in deze overlijdensberichten zo duidelijk opgevallen, want eerlijk gezegd, de titel van zijn bundel klonk in 1979 een beetje boers en larmoyant, het titelgedicht sloot eerder aan bij ‘volksgedichtjes’ in de latere stijl van Van Wyk Louw in zijn ‘Klipwerk’ - serie uit Nuwe gedigte of de gedichten van Boerneef. Dit is trouwens het gedicht waarmee Gerrit Komrij February in zijn bloemlezing De Afrikaanse poëzie in duizend en enige gedichten (1999) presenteert:

O snotverdriet
 
Die hele wêreld maak pêre droe,
 
En die kleinman se gotta word toegeknyp,
 
Die geroggel wat jy hoor is boggerôl,
 
So lank die massas maar rinkel
 
En die rykman baljaar.
 
O snotverdriet
 
Ek huil weer verniet.

February's bundel O snotverdriet, bestaande uit 32 pagina's, verscheen in 1979 bij Uitgeverij In de Knipscheer. In eigen beheer en in beperkte oplage publiceerde hij later ook Just the faintest spoor. Poems of home and exile (1982) en Spectre de la rose. Gedichten in het Engels, Nederlands en Afrikaans

[p. 125]

(1982). Zijn gedichten zijn verder in tal van bloemlezingen opgenomen. Daarvan is ‘Ik ben het gezicht’ oftewel ‘I am the face’ het bekendste. Zijn activisme door middel van het dichterlijk woord spreekt sterk:

Ik ben het gezicht
 
Ik ben het gezicht van Solomon Mahlangu
 
die u niet zult zien
 
als u uit het klm vliegtuig stapt
 
en de trap afloopt
 
naar het asfalt van Jan Smuts
 
dromend - wellicht van uw safarivakantie
 
zo prachtig beschreven in de folders
 
die u kreeg in Amsterdam
 
U zult mij niet zien als u
 
uw safaripak aantrekt, klaar voor
 
‘de reis van uw leven’
 
in zonnig Zuid-Afrika
 
 
 
[...]
 
 
 
Ik ben de man
 
die u opwachtte aan de Kaap
 
toen u aankwam met uw drie schepen
 
de Reiger, de Dromedaris en De Goede Hoop.
 
Ik ben de dode
 
het verminkte lichaam
 
de Imbongi
 
de Iminyanya
 
de opstandige menigte
 
de vrijheidsstrijder
 
wiens gezicht u nooit zult vinden in de
 
folders die u naar zonnig Zuid-Afrika lokken.
 
Ik ben het gezicht
 
waaraan u nooit ontkomen kunt.

Aan zijn kleine gestalte met ruige baard en aan zijn indringende stem was inderdaad geen ontkomen. Vernie February was een voorvechter voor vrijheid en gelijkheid door middel van verhalen. Met zijn grote liefde voor

[p. 126]

en kennis van de orale literaturen van Afrika voegde hij zich uitstekend in een traditie van ‘storievertellers’. Menig gehoor hing aan zijn lippen. Zijn optreden na het avondeten in een hotel bij de Victoria Waterval zal ik nooit vergeten. Dat was tijdens het legendarisch congres dat in juli 1989 plaatsvond, georganiseerd door het anc en het Instituut voor een Democratisch Zuid-Afrika, Idasa. Zuid-Afrikaanse ballingschrijvers, het merendeel zwart, waren van over de hele wereld naar het kleine stadje Victoria Falls in Zimbabwe bij ‘de waters die donderen’ gereisd voor een historische ontmoeting met een groep voornamelijk witte en Afrikaanstalige schrijvers en literatuurdocenten uit Zuid-Afrika die in het geheim uit Johannesburg naar het noorden van Zimbabwe waren gevlogen. Aan het eind van dat beraad, toen de twee groepen zeer geëmotioneerd van elkaar afscheid namen, wist niemand dat de ‘exiles’ een halfjaar later naar Zuid-Afrika zouden mogen terugkeren en dat een ontmoeting buiten de grenzen van Zuid-Afrika nooit weer de enige mogelijkheid voor overleg zou hoeven zijn.

Een halfjaar van overstelpende veranderingen in de wereld stond op til: eerst viel de Muur in Berlijn en op 2 februari 1990 kondigde president F.W. de Klerk in het Zuid-Afrikaanse parlement aan dat Nelson Mandela zou worden vrijgelaten, dat het anc en andere verboden politieke partijen legitiem waren, dat onderhandelingen voor een nieuwe grondwet en regering zouden beginnen, dat de ballingen mochten terugkeren. Het langverwachte zou zowaar gebeuren: stemrecht voor iedereen, een democratisch gekozen parlement, het einde van de apartheid. Vernie February was een van de eerste politieke ballingen die teruggingen naar Zuid-Afrika. Met behoud van zijn baan in Leiden werd een plaats voor hem aan de Universiteit van Wes-Kaapland gecreëerd. Hij werd hoogleraar in Zuid-Afrika - een benoeming waarop hij zeer trots was.

Decennialang had hij verlangd naar zijn terugkeer. Het leven in Nederland vond hij moeilijk. Zijn eerste indrukken van Nederland en zijn reactie erop beschreef hij in de jaren zestig als volgt: ‘'n Uitgestrekte landskap, windmeule, heuwelloos en bergloos. Bedaar verlange, bedaar. Die verwydering was duidelik sigbaar, die landskap het dit alleen versterk. Om te praat uit wanhopigheid of te swyg uit weemoed. Ek had geen keuse nie.’ Het verlangen naar de Kaap zou ongeneeslijk blijven, maar toch had hij een vol en rijk leven in Nederland. Hij woonde in Amsterdam, was getrouwd, vader van twee dochters. Via zijn echtgenote Esther kreeg hij een intensieve introductie in het joodse denken. Hij nam deel aan tal van anti-

[p. 127]

apartheidactiviteiten en -manifestaties. February vond een wetenschappelijk thuis bij het Afrika Studiecentrum in Leiden. Hij was daar afgestudeerd in 1968 en werd er wetenschappelijk medewerker. Zijn ballingschap had hem in fysieke zin afgesneden van Zuid-Afrika, maar in andere opzichten werd zijn leven enorm verruimd. In 1971-1972 doceerde hij in Sierra Leone aan de Fourahbay-universiteit en maakte er kennis met de West-Afrikaanse cultuur. Later ook met Suriname en de Antillen. February ontwikkelde zich tot kenner van de Caribische cultuur en raakte met veel schrijvers en dichters bevriend. De publicaties Creole Drum, an Anthology of Creole Literature in Surinam (1975) en Moderne Caribische verhalen (1987) zijn daarvan het bewijs.

In 1977 promoveerde hij op een proefschrift getiteld Flagellated skin, a fine fetish: the ‘Coloured’ as a stereotype in South African literature, in 1981 gepubliceerd als Mind your Colour: The Coloured Stereotype in South African Literature. Het boek verscheen in de serie ‘Monographs from the African Studies Centre’ en kreeg dankzij de publicatie door Kegan Paul International wereldwijd aandacht. Hij toonde aan dat het personage Manus Kalfachter in het eerste Nederlands-Afrikaanse toneelstuk De nieuwe ridderorde of De Temperatisten, in 1832 aan de Kaap geschreven door de Fransman C.E. Boniface (1787-1853), een stereotype van ‘de bruine Zuid-Afrikaan’ vestigde dat meer dan honderdvijftig jaar lang zou voortduren in de Zuid-Afrikaanse letterkunde. Zijn boek, dat in ongeveer dezelfde tijd als het Gentse proefschrift van zijn latere collega Jakes Gerwel verscheen, zou iedereen die het las, anders doen kijken naar de Zuid-Afrikaanse literatuur. Niet alleen was February in zijn studie zeer specifiek in zijn analyse van de representatie van zogenaamde ‘kleurlingen’ in de Zuid-Afrikaanse literatuur, maar zijn kennis van de Nederlandse koloniale literatuur bracht hem tot een boeiende vergelijking met de representatie van de Indo in de Nederlands-Indische literatuur en de creool in Suriname. Naar mijn weten was deze comparatistische aanpak, waarbij de situaties in ‘buitengaatse’ Nederlandstalige gebieden postkoloniaal met elkaar werden vergeleken, nieuw. Zijn multinationale benadering stelde hem in staat een bredere blik te ontwikkelen dan veel andere literatoren. Terecht werd zijn bundel And Bid Him Sing: Essays in Literature and Cultural Domination (1988) dan ook in het blad Race and Class als volgt getypeerd: ‘What February attempts here is to unwind the complex relationship of language creation and literary expression as this developed during periods of oppression and analyse it. This is more than a mere academic exercise, for he is interchangeably

[p. 128]

a partial participant or a critic on the side of the oppressed.’3

Vanwege de apartheid heeft het lang geduurd voordat letterkundigen in Zuid-Afrika doordrongen werden van February's belangrijke ‘blik van buiten’. Dat gebeurde eigenlijk pas na 1990. Hoezeer hij vriendschappen met mede-Zuid-Afrikanen jarenlang had gekoesterd bleek in zijn rubriek ‘Hulle pad het myne gekruis’ (1990-1992) in het opinieblad Die Suid-Afrikaan. Hierin schetste hij levendige beelden van onder anderen zijn neef Basil February, van zijn leermeester A.C. Jordan, de schrijver Alex La Guma, en van medestudenten aan de Universiteit van Kaapstad zoals Neville Alexander, Dullah Omar en George Peake. Deze profielen zijn deels zijn autobiografie. In 1991 werd hij, zoals gezegd, met behoud van zijn positie in Leiden hoogleraar in Zuid-Afrika. Zijn oratie aan de Universiteit Wes-Kaapland, uitgegeven door Afrika Studiecentrum, Leiden, was getiteld: Laat het ons ernst wezen. Die verhouding Afrikaans-Nederlands.

Met het congres getiteld ‘Taal en Identiteit: Afrikaans & Nederlands’, dat hij in 1992 in Leiden organiseerde, bracht February in praktijk wat hem theoretisch voor ogen stond. Hij speelde een belangrijke verzoenende en tegelijk confronterende rol door academici bij elkaar te brengen die decennialang aan weerszijden van een enorm cultureel en politiek schisma binnen én buiten Zuid-Afrika hadden gestaan. Sprekers in de Pieterskerk waren onder anderen de Zuid-Afrikanen Neville Alexander, Hein Willemse, Elize Botha, Achmat Davids en Fritz Ponelis, de Vlamingen Roland Willemyns en F.R. Daems, de Surinamer Ch. H. Eersel, de Nederlanders Maaike Meijer, Hans Heestermans en de Fries J. Ytsma. Het boek dat hij had gemaakt van de congresbijdragen is een mijlpaal in de totstandkoming van post-apartheidbetrekkingen tussen Zuid-Afrikaanse en Nederlandse academici.

Een belangrijke blijk van de status die February na 1990 ín Zuid-Afrika had verworven is het feit dat de eerste grote geschiedschrijving van de Afrikaanse literatuur die na de afschaffing van de apartheid verscheen, Perspektief en Profiel, door hem wordt ingeleid met het hoofdstuk ‘Klein begin is aanhouwen’. Ook hier is February tegelijk activist, wetenschapper en verzoener, wanneer hij in dit nieuwe monument van canonisering erop wijst dat de Afrikaanse taal ontdaan moet worden van het stigma dat het de taal van alleen maar witte Afrikaners, van ‘de onderdrukker’ is. In zijn overzicht van de vroegste Afrikaanstalige literatuur zoals die zich uit het Nederlands ontwikkeld heeft, vestigt hij daarom telkens de aandacht op de bijdragen van gekleurde Afrikaansschrijvenden. Hij citeert met instem-

[p. 129]

ming een belangwekkend artikel door R. Belcher (1987) dat het verhaal van de Afrikaanse taal ‘niks anders is as die verhaal van die verhouding en kommunikasie tussen wit en bruin’ en plaatst daarom dan ook teksten die op ‘sendingstasies’ hun ontstaan hadden, zoals Benigna van Groenekloof of Mamre (1873), op een prominente positie in de ontwikkelingsgang van de Nederlands-Afrikaanse roman. Verder beschrijft February de Kaapse moslims en de sprekers van ‘Griekwa-Afrikaans’ als dragers van een ‘viriele volksletterkunde’ onder ‘bruin mense’ en pleit voor hun ‘regmatige plek [...] as deel van die kultuurskat van die taal’. ‘Tussen die eerste samesprake van Meurant, die Arabies-Afrikaanse tekst, die roman Benigna van Groenekloof of Mamre uit Genadendal en die Straatpraatjies van Piet Uithalder wat buite die definisie van die ‘volk’ geval het, vind ons die basis vir wat later 'n bloeiende Afrikaanse letterkunde sou word.’4 Hij propageert een standpunt dat de afgelopen jaren veel ruimte heeft gekregen en waarvoor de term ‘bevrijde Afrikaans’ is gelanceerd. Sprekers en schrijvers die voorheen tot de gediscrimineerde klassen behoorden (bruine en zwarte sprekers) kunnen hier voor het eerst en openlijk hun rechtmatige plaats als gebruikers van het Afrikaans zich toe-eigenen. February wees in Perspektief en Profiel ook op het ironische feit dat het propageren van ‘bevrijde Afrikaans’ reeds tijdens de apartheidstrijd ruimte voor het Afrikaans in een veranderende context, in het nieuwe Zuid-Afrika had geboden, een ruimte die vroeger niet bestond voor de aanhangers van het concept ‘eenheid van taal en volk’.

Wanneer deel twee van Perspektief en Profiel in 1999 wederom door een bruine academicus, de veel jongere Hein Willemse, wordt geopend met de titel ‘'n Inleiding tot buite-kanonieke Afrikaanse kulturele praktyke’, wordt het duidelijk dat de accenten voortaan anders geplaatst zullen worden in de Afrikaanse letterkunde. De ‘relatieve waarde’ van ‘de canon’, zoals die door sommige eerdere literatuurgeschiedenissen en bloemlezingen als D.J. Oppermans Groot Verseboek decennialang in stand is gehouden, wordt door Willemse ontluisterd: ‘Dit word nie meer beskou as 'n onskuldige keur uit die beste werke in 'n tradisie nie, maar sou bestempel kon word as die institusionalisering van daardie werke wat die dominante orde die beste verteenwoordig.’ Hij wijst erop dat een gevestigde canon, hier specifiek de Afrikaanse literaire canon, een ‘duidelike voorbeeld van die dominansie van die hegemoniese waardes’ en een ‘hoogs geselekteerde gegewe’ is.5 Precies dat heeft ook February zijn leven lang verkondigd.

Wanneer Willemse wijst op het belang van de orale literatuur zoals

[p. 130]

opgetekend door schrijvers en cultuurhistorici als Melt J. Brink, G.R. von Wieligh, F.T. Schonken, S.J. du Toit, Eugène Marais, I.D. du Plessis, Willem Steenkamp en vele anderen, brengt dat mij terug bij February. Zijn flamboyante optreden als vertolker van verhalen en zijn revisionistische rol in de privé-sfeer en tijdens academische bijeenkomsten, hebben zijn belang als wetenschapper en collega, als anti-apartheidstrijder en als vriend bevestigd. Daarom wordt hij herinnerd. Zo zal hij voortleven.

 

ena jansen

Voornaamste geschriften

In samenwerking met J. Verhoeve en U. Lichtveld, Creole Drum. An anthology of Creole Literature in Surinam. New Haven 1975.
White Minorities, Black Majorities (red. February). Leiden 1976.
O snotverdriet. Afrikaanse gedigte. Haarlem 1979.
Mind your Colour: The Coloured Stereotype in South African literature. London 1981.
Tweede geactualiseerde druk 1991.
From the Arsenal. Articles from the Teachers' league of South Africa. 1913-1980. Leiden 1983.
Samenstelling samen met Robert Dorsman, Een kwestie van identiteit. Verhalen van
[p. 131]
zwarte Zuidafrikaanse schrijvers. Amsterdam-Utrecht 1986.
Samenstelling samen met A. Sneeuw en E. Orsel, Moderne Caribische verhalen. Amsterdam 1987.
And Bid Him Sing. Essays in literature and cultural domination. London 1988.
Laat het ons ernst wezen: die verhouding Afrikaans-Nederlands. Tekst in het Afrikaans en Engels, met samenvatting in het Xhosa. Intreerede Universiteit van Wes-Kaapland, 1991.
The Afrikaners of South Africa. A Culture of Few. London 1991.
Taal en identiteit: Afrikaans en Nederlands. Voordragte gehou in die Pieterskerk, Leiden, 23-24 juni 1992 onder beskerming van die Afrika Studiecentrum. Redactie en inleiding. 1994.
‘Klein begin is aanhouwen’, in: H.P. van Coller (red.). Perspektief en Profiel. 'n Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Deel i. Pretoria 1998, p. 3-20.

 

Het Afrika Studiecentrum heeft een webdossier samengesteld van de publicaties van February. Zie: http://asc.leidenuniv.nl/library/webdossiers/dossierverniefebruary.htm

Het dossier bevat een korte inleiding, een overzicht van February's literaire en wetenschappelijke werk dat in de bibliotheek van het asc aanwezig is en een selectie van overige werken van zijn hand. Een aanvulling op de asc-lijst is gemaakt door Erik van den Bergh (verkrijgbaar bij evdbergh@wanadoo.nl).

Het Afrika Studiecentrum publiceert in 2004 een bundel getiteld Koekemakranke (red. Erik van den Bergh en Tiny Kraan), met de bibliografie en teksten van February, alsmede bijdragen van vrienden en collega's (Neville Alexander, Frank Martinus Arion, Wim van Binsbergen, Jatti Bredekamp, Nadine Gordimer, Etienne van Heerden, Antjie Krog, Dan J. Ncayiyana, Karel Roskam, Hein Willemse, Steward van Wyk).

Op de cd Afstand en verbintenis: Nederland-Zuid-Afrika. Collage van 50 jaar radiogeschiedenis (Zuid-Afrikaanse ambassade en Kairos, samenstelling Erik van den Bergh) leest February zijn ‘Gedicht voor Nelson Mandela’ voor, ter gelegenheid van diens zeventigste verjaardag.