Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2004


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2003-2004. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2005  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 106]

Ernst Heinrich Kossmann

Leiden 31 januari 1922 - Groningen 8 november 2003



illustratie

Ernst Kossmann heb ik voor het eerst ontmoet in 1955. Dat is nu dus een halve eeuw geleden. ‘Ontmoet’ is misschien niet het goede woord voor de gelegenheid waar het om ging. Ik was in september van dat jaar in Leiden als eerstejaarsstudent geschiedenis aangekomen en Kossmann was een van onze docenten. Hij zelf was tien jaar eerder in Leiden begonnen, in 1945, maar zoals zovelen in dat bijzondere bevrijdingsjaar was hij geen gewone eerstejaarsstudent. Hij was toen al drieëntwintig jaar oud, een leeftijd waarop je eerder aan afstuderen dan aan aankomen denkt. Hij had bovendien de gevolgen van oorlog en bezetting aan den lijve ondervonden en meer ontberingen en gevaren doorstaan dan de meeste historici in hun hele leven meemaken.

Van Rotterdam naar Rohrbach

Ernst Heinrich Kossmann is op 31 januari 1922 in Leiden geboren. Hij was de zoon van Friedrich Karl Heinrich Kossmann (1893-1968) die in Leiden Nederlandse taal- en letterkunde had gestudeerd en een carrière in het bibliotheekwezen zou maken. Kossmann père schreef gedichten en ander literair werk, componeerde muziek en publiceerde ook wetenschappelijke - filologische en historische - studies. Hij was een actief

[p. 107]

lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde waarvan hij ook de geschiedenis schreef. De familie Kossmann behoorde tot wat wel het Bildungsbürgertum genoemd wordt. Deze Duitse term ligt in dit verband voor de hand want de Kossmanns kwamen uit Duitsland. Ernsts grootvader, die ook Ernst heette, was vandaar naar Nederland overgekomen waar hij leraar Duits werd. Deze grootvader was de zoon van Heinrich Kossmann, een erudiet van joodse afkomst die in het onderwijs werkzaam was en trouwde met een Baltische domineesdochter. Op deze wijze kwamen twee invloeden, de joodse en de christelijke, in het geslacht Kossmann bij elkaar.

Ernst was de oudste van drie broers, al scheelde dat met zijn tweelingbroer Alfred maar tien minuten. De andere broer, Bernhard, was twee jaar jonger. Alfred werd schrijver, Bernhard violist, Ernst historicus. Zo zette elk in zekere zin het werk van de vader voort. Zoals gezien afkomst en milieu voor de hand lag, bezocht Ernst Kossmann het gymnasium en wel het Rotterdamse Erasmianum. Hij schepte hier, naar hij later zelf schreef, ‘geen enkel genoegen in’1, maar heeft er onmiskenbaar veel van geleerd. Na de Duitse inval in mei 1940 en het bombardement op Rotterdam werd het schoolgebouw door de Duitsers gevorderd en verhuisde zijn eindexamenklas naar de krantenzaal van de gemeentebibliotheek, waarvan zijn vader directeur was.

De studiekeuze na het eindexamen in 1941 lag ook voor de hand, Nederlandse taal- en letterkunde, en de plaats al evenzeer: Leiden. Aangezien de Leidse universiteit echter in november 1940 was gesloten, was dat laatste onmogelijk. Het werd daarom de m.o.-opleiding aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde. Deze studie verliep vlot en het zag ernaar uit dat Kossmann al in 1943 het m.o.-diploma zou behalen, maar toen trad de oorlog ook zijn persoonlijke leven binnen. Als represaille voor een aanslag - met dodelijke afloop - op de oud-generaal H.A. Seyffardt werden, op 6 februari 1943, 625 studenten opgepakt en overgebracht naar het concentratiekamp-in-opbouw in Vught. Enkele dagen later, op 9 februari, volgde een nieuwe actie: 5000 ‘Plutokratensöhne’ moesten eveneens worden opgehaald. Het werden er 1200, onder wie Ernst Kossmann, die net eenentwintig was geworden, en zijn jongere broer Bernd. De tweelingbroer Alfred was op het moment van de razzia niet aanwezig, maar zou later eveneens worden opgepakt en naar Duitsland gestuurd. De jongere broer, die minderjarig was, werd spoedig weer vrijgelaten. Het is een enigszins verrassende gedachte dat de gemeente-

[p. 108]

bibliothecaris van Rotterdam door de bezetter tot de plutocraten werd gerekend.

Het verblijf in Vught duurde niet lang. Op 21 april 1943 werden Ernst Kossmann en 180 lotgenoten op transport gesteld. De reis ging via Stuttgart naar Straatsburg. Daar begon na drie maanden gevangenschap de tweede oorlogsepisode, die van dwangarbeider, een term waaraan hij zelf overigens een hekel had. Deze periode zou bijna twee jaar duren. Kossmann verbleef in Heidelberg en Leimen en ten slotte in Rohrbach, waar hij van september 1943 tot de bevrijding door de geallieerde troepen op 20 april 1945 werkzaam was in een fabriek. Hij werkte er samen met voornamelijk Franse arbeiders en leerde zo hun taal te beheersen. Op 27 april 1945 arriveerde hij in Eindhoven, op 5 mei capituleerden de Duitsers en op 7 juni was hij weer thuis.

Ernst Kossmann heeft over die bijna twee en een half jaar van zijn leven, waarin hij van eenentwintig jaar drieëntwintig en een half jaar oud werd, in zijn boek Familiearchief het een en ander verteld. Hij deed dat op de hem eigen laconieke en zakelijke wijze, zorgvuldig wikkend en wegend, zijn woorden nauwkeurig kiezend en iedere vorm van zelfbeklag of slachtofferschap mijdend. Het moeten echter ingrijpende ervaringen zijn geweest, dagen en jaren vol onzekerheid over de toekomst, gevuld met saai, onbeduidend, zwaar werk in een lawaaiige omgeving, die wel zeer weinig gemeen had met de rust van het ouderlijk huis en het Erasmiaans gymnasium.

Leiden en Parijs

In oktober 1945 ging de Leidse universiteit weer open en kon Kossmann alsnog aan een academische studie beginnen. Het werd niet meer de Nederlandse taal- en letterkunde maar de geschiedenisstudie. De oorlogservaringen zijn ongetwijfeld voor deze nieuwe studiekeuze van beslissende betekenis geweest. Ook dit keer verliep de studie vlot. In 1947 behaalde hij zijn kandidaats- en in 1950 zijn doctoraalexamen. Zijn promotor, de hoogleraar algemene geschiedenis Th.J.G. Locher, had het talent van de jonge historicus ontdekt en benoemde hem tot zijn assistent. Hij zorgde ook voor een bescheiden reisbeurs uit het Fruinfonds die hem in staat stelde een jaar in Parijs te werken. Op 20 oktober 1950 trouwde Ernst Kossmann met Johanna Putto, die in Amsterdam geschiedenis studeerde, en kort daarna gingen zij samen voor een jaar naar Parijs.

De beurs was geen vetpot, maar iedereen was toen arm en leefde een-

[p. 109]

voudig en op jeugdige leeftijd kan men zelfs met weinig geld in Parijs gelukkig zijn. Kossmann werkte vooral in de Bibliothèque Nationale, de oude aan de rue de Richelieu uiteraard, waar hij het gedrukte bronnenmateriaal bestudeerde voor zijn proefschrift over de Fronde dat in Nederland niet beschikbaar was. Na de terugkeer in 1951 werd het werk aan de dissertatie voortgezet en in het najaar van 1953 kon het typoscript naar de drukker. Op 27 januari 1954 promoveerde hij cum laude op het proefschrift La Fronde. Kort daarna werd hij benoemd tot wetenschappelijk ambtenaar bij de Leidse geschiedenisopleiding.

Het zag er dus naar uit dat hij in Leiden een wetenschappelijke carrière zou maken, maar dat zou anders lopen. De hoogleraar vaderlandse geschiedenis, A.J.C. Rüter, een sterke persoonlijkheid, vond dat er een tweede man naast Locher moest komen en dat zijn studievriend B.W. Schaper hiervoor beter geschikt was dan Kossmann. Deze laatste moest dus het veld ruimen en zo gebeurde. In 1957 werd Schaper tot wetenschappelijk hoofdambtenaar benoemd. Kossmann moest nu naar iets anders uitzien en dat andere werd Londen.

Londen

De leerstoel voor ‘Dutch History and Institutions’ aan University College, Londen, vindt zijn ontstaansgrond in de Eerste Wereldoorlog. De Nederlandse neutraliteit tijdens die oorlog was in Engelse ogen verre van perfect geweest en daaraan had Nederland in Engeland een niet al te goede reputatie overgehouden. Nederlandse zakenlieden besloten hieraan wat te doen en zo werd in 1919 de eerste hoogleraar op deze leerstoel benoemd. Dat was P. Geyl, die eerder in Londen correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant was geweest. Geyl werd in 1936 tot hoogleraar in Utrecht benoemd en toen in Londen opgevolgd door G.J. Renier, die enige tijd grote bekendheid genoot wegens zijn boek The English: Are they human? In 1957 ging Renier, weliswaar met tegenzin, met pensioen en moest er worden nagedacht over een opvolger. Op voorspraak van Geyl werd Kossmann benoemd, zij het aanvankelijk niet als hoogleraar maar als lector. De hoogleraarsbenoeming volgde in 1962. De Londense aanstelling kwam Kossmann na zijn abrupte en onvrijwillige vertrek uit Leiden uiteraard goed van pas. Hij begon zijn werk in Londen in oktober 1957 en zou er tot 1966 blijven.

Ernst Kossmann was vijfendertig jaar oud toen hij in Londen benoemd werd. Dat was, zeker gelet op de bijna vijf verloren oorlogsjaren, tame-

[p. 110]

lijk jong. Hij had inmiddels al heel wat van de wereld gezien en veel beleefd. Hij had zich tussen 1945 en 1957 ook intellectueel breed ontwikkeld. Zijn academische ervaring was echter tot Leiden beperkt gebleven. In Parijs had hij met de Franse historische wereld weinig contact gehad, al had hij wel kennisgenomen van het werk van enkele der Annales-historici, zoals Charles Morazé en Lucien Febvre. Hoe groot moet de overgang geweest zijn van het beschermde, provinciaalse Leidse milieu naar de grote universiteit en de grote stad Londen. Ook na de Suez-crisis van 1956, die de onmiskenbare achteruitgang en het onweerstaanbare einde van het Britse Empire onderstreepte, was Groot-Brittannië nog altijd een wereldmacht en Londen toonde daar alle kenmerken van. Ook op academisch gebied was het een metropool.

Het Engelse onderwijssysteem met zijn sterk analytische inslag, zijn nadruk op zelfstandig denken en goed formuleren was ook heel anders dan het nogal schoolse en passieve Nederlandse stelsel. Dat gold al evenzeer voor het onderzoeksklimaat. Er heerste weliswaar geen Amerikaanse ‘publish or perish’-cultuur maar er werd wel op vanzelfsprekende wijze veel gepubliceerd en dat ook nog in de enige overgebleven wereldtaal. Grote geesten en excentrieke persoonlijkheden bezochten de Common Room van University College, een voor docenten ingerichte koffieen conversatieruimte, waar sociale contacten ontstaan die in Nederland doorgaans ontbreken. Kossmann had Frans geleerd tijdens zijn Duitse gevangenschap, in Leiden algemene geschiedenis gedoceerd en in het Frans zijn proefschrift geschreven over een Frans onderwerp. Er was weinig dat hem er op had voorbereid om in het Engels colleges te geven over de Nederlandse geschiedenis. Toch was dat precies wat hem nu te doen stond.

De Universiteit van Londen bestaat in feite slechts op papier. University College is alleen een college in naam, maar in feite een universiteit op zichzelf en bovendien een van de beste van Engeland. Wereldberoemde historici als Cobban en Momigliano waren eraan verbonden. Kossmann draaide mee in het algemene curriculum, maar moest natuurlijk ook en vooral college geven over de Nederlandse geschiedenis. Geyl had voor dit vak een plaats weten te veroveren en twee onderwerpen geïntroduceerd, respectievelijk als ‘optional’ en als ‘special subject’. Dat laatste was het belangrijkste. Onderwijsinstellingen zijn conservatief en de Engelsen zijn dat ook. Engelse onderwijsgewoonten zijn dus vrijwel onveranderlijk. Toen Kossmann in Londen begon, was dat ‘special subject’ sinds

[p. 111]

de dagen van Geyl dan ook niet veranderd: de diplomatieke geschiedenis van de Spaanse Successie-oorlog. Na enige aarzeling kwam Kossmann met een nieuw onderwerp ‘The Dutch Revolt’ en kreeg dat aanvaard (ook dit onderwerp zou veertig jaar later nog steeds worden gedoceerd). Kossmann wist een groep leerlingen voor zijn vak te interesseren en zo ontstond een harde kern van in de Nederlandse geschiedenis gespecialiseerde jonge Engelse historici, van wie sommigen belangrijk werk zouden leveren.

Zo ontwikkelde Kossmann zich in Engeland tot een specialist in de Nederlandse geschiedenis van de zestiende eeuw. Begin jaren zestig kwam daar een ander specialisme bij. Alan Bullock, de bekende historicus en Hitlerbiograaf, was een nieuwe historische reeks begonnen: The Oxford History of Modern Europe. Geyl, die Bullock kende, wees erop dat hierin ook een deel over Nederland moest worden opgenomen. Dat was voor Oxford University Press een te beperkt onderwerp, maar Nederland en België samen, ‘the Low Countries’, dat kon wel. Op suggestie van Geyl nam Kossmann deze taak op zich. Zo werd hij ook een specialist in de latere eeuwen.

Het werk was interessant, de carrière verliep voorspoedig, maar Engeland was en bleef het buitenland en de Kossmanns gaven er de voorkeur aan de kinderen in Nederland groot te laten worden. Een vacature in Groningen, ontstaan door het emeritaat van P.J. van Winter, bood hiertoe de mogelijkheid. Van Winter kreeg zelfs twee opvolgers: E.H. Waterbolk en E.H. Kossmann. Zo keerde Kossmann in 1966 naar Nederland terug en begon de derde en laatste fase van zijn academische loopbaan: hoogleraar in de geschiedenis na de Middeleeuwen te Groningen. Hij zou die functie tot zijn emeritaat in 1987 blijven vervullen en tot zijn dood in Groningen blijven wonen.

Groningen

Toen Kossmann in 1966 in Groningen werd benoemd, was hij vierenveertig jaar oud. Hij had inmiddels een brede internationale ervaring opgedaan: dwangarbeider in Duitsland, onderzoeker in Parijs, hoogleraar in Londen. Hij sprak zijn talen uitstekend, hetgeen internationale contacten vereenvoudigde. De band met de Engelse historische wereld bleef in stand, onder andere door de Engels-Nederlandse historische conferenties die hij samen met J.S. Bromley opzette. Hij had een brede kennis van de Europese geschiedenis en geschiedschrijving die in colleges en

[p. 112]

historische essays tot uiting kwam, maar het grote werk over de lage landen vroeg toch de meeste aandacht.

Het boek daarover dat in 1976 in het Nederlands en in 1978 in het Engels uitkwam, trok direct bij verschijnen veel aandacht en maakte hem tot een nationale figuur. De Belgische koning verhief hem tot Officier in de Kroonorde van België en de Nederlandse koningin tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De Katholieke Universiteit Leuven verleende hem in 1982 een eredoctoraat - hij vertelde graag over de vreugde die het hem gaf te verschijnen met een cappa met daarop de woorden kul - en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden verleende hem in 1989 de Prijs voor Meesterschap. Hij ontving de Thorbecke-penning en de Vondelprijs. Hij was voorts lid van de Nederlandse, de Belgische en de Europese academies van wetenschappen. Hij sprak bij tal van openbare gelegenheden, jubilea, herdenkingen en dergelijke, vaak vanaf de kansel, want in deze geseculariseerde tijd worden kerkgebouwen vooral voor dit soort zaken benut. Zo gaf hij onder andere in 1980 de Huizingalezing in de Hooglandse Kerk te Leiden en sprak hij bij het koperen regeringsjubileum van koningin Beatrix in de Haagse Grote Kerk. Het was een van de vele malen dat staats- en regeringshoofden zich onder het gehoor bevonden van de man die tegenwoordig ongetwijfeld als de éminence grise van de historische wereld zou worden aangeduid.

Toch waren deze mondaine taken niet de enige en zeker ook niet de belangrijkste zaken die zijn aandacht trokken. Toen hij in 1966 in Groningen aantrad, was de oude besloten hooglerarenuniversiteit al enige tijd in verval, voornamelijk door de grote groei van de studentenaantallen en als gevolg daarvan van de wetenschappelijke staf. Na mei 1968 begon de oude universiteit te kraken en onder minister Veringa ging ze ten onder. Kossmann was geen groot bewonderaar van het ‘ancien régime’ geweest en aanvaardde de veranderingen zonder problemen. In de soms hoogoplopende debatten speelde hij een kalmerende en apaiserende rol. Bestuurlijke functies trokken hem niet aan, maar hij vervulde ze zo nodig plichtsgetrouw. Onderwijs gaf hij graag en met succes. Talloze studenten bewaren aan zijn colleges goede herinneringen en hebben veel geleerd van zijn commentaren en kritiek op hun werkstukken. Een opvallend groot aantal (ruim twintig) mensen wist hij tot een promotie te brengen. Vijftien van dezen zouden later zelf een leerstoel bezetten. Belangrijke functies in de Nederlandse historische wereld nam hij desgevraagd op zich. Met name het (later Koninklijk) Nederlands Historisch

[p. 113]

Genootschap en het blad Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden hebben zeer van zijn inzet geprofiteerd. Belangrijke commissies als die betreffende de toekomst van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie zat hij voor.

Historicus van de politieke theorie

Er zijn weinig Nederlandse historici die op een onderwerp uit de Franse geschiedenis promoveren en er zijn er nog minder die hun proefschrift zelf in het Frans schrijven. Kossmann schreef zijn proefschrift over de Fronde in het Frans. Hij deed daar zelf nogal relativerend over en sprak van ‘nogal knullig Frans’.2 Dat valt erg mee. Geen criticus heeft er in ieder geval ooit over geklaagd. Het is een boek dat nauwelijks de sporen toont van een jeugdwerk. Het is opvallend origineel en rijk van inhoud en getuigt van een persoonlijke aanpak en visie. Het is bovendien bestand gebleken tegen de tand des tijds. Le Roy Ladurie sprak er met grote waardering over en Pierre Goubert prees het als ‘neuf, percutant, frôlant par endroits une sorte de génie’.3 In de dissertatie over de Fronde wordt ruime aandacht besteed aan politiek-theoretische kwesties. Zulke vraagstukken hadden hem ook als student al beziggehouden, zoals blijkt uit zijn doctoraalscriptie over het Franse liberalisme. Dit onderwerp, de politieke theorie, zou in zuiver-wetenschappelijke zin zijn belangrijkste interesse blijven. In 1960 verscheen zijn Politieke theorie in het zeventiendeeeuwse Nederland, waarvoor hij al vóór zijn vertrek naar Engeland materiaal had verzameld. In 1974 verscheen zijn belangrijke inleiding bij de uitgave van een aantal teksten over The Dutch Revolt, een publicatie die hem dierbaar was. Verschillende van zijn artikelen over dit onderwerp vonden een plaats in de grote bundel die bij zijn Groningse afscheid verscheen: Politieke theorie en geschiedenis. De verhandeling uit 1960 werd met twee andere studies in 2000 gebundeld in Political thought in the Dutch Republic. Three studies. Daarin staat ook een belangrijke inleiding, waarin Kossmann zijn positie tegenover Quentin Skinner bepaalt. Kort voor zijn dood verscheen in Napels de bundel Théorie politique et histoire, tien opstellen die voornamelijk over politieke theorie gaan.

Wat heeft Kossmann in dit onderwerp geboeid en wat is het belang van zijn werk op dit gebied? Voor Kossmann was de politieke geschiedenis de kern van de geschiedenis ‘tout court’ en het kader waarbinnen de andere aspecten van de geschiedenis een plaats moesten vinden. ‘De politiek’, schreef hij, ‘slaat de maat van het historische leven op de korte ter-

[p. 114]

mijn en in haar vinden behoeften en ideeën van grote groepen mensen concrete uitdrukking’.4 Dit bracht hem als het ware als vanzelf bij de politieke theorie, niet als een abstract gedachtestelsel maar als een bron die inzicht geeft in de politieke problemen van een tijd en de wijze waarop mensen daarmee trachten om te gaan. Sommigen beschouwen zijn publicaties over de politieke theorie als zijn belangrijkste werk. Dat gaat misschien wat ver want zijn oeuvre is omvangrijk en gevarieerd en er is veel belangrijk en origineel werk in te vinden, waaronder natuurlijk in de eerste plaats het boek dat hem tot een nationale figuur maakte, De lage landen.

Het werk: een overzicht

Het oeuvre van Kossmann is zeer veelzijdig. Het omvat een monografie (La Fronde), een handboek (De lage landen), een aantal diepgravende studies over politieke theorie die als zelfstandige uitgaven zijn verschenen, twee bundels met artikelen, redevoeringen en essays (Politieke theorie en geschiedenis en Vergankelijkheid en continuïteit), een autobiografische schets (Familiearchief), vele niet gebundelde artikelen en voordrachten, alsmede krantenartikelen en recensies. Daarnaast zijn er de door hem en J.S. Bromley geredigeerde bundels in de reeks Britain and the Netherlands (vijf delen). Zeer belangrijk en getuigend van grote eruditie zijn de Bulletins critiques de l'historiographie néerlandaise die hij samen met zijn vrouw, de mediëviste Dr. J. Kossmann-Putto, van 1954 tot 1965 in de Revue du Nord publiceerde. Daarnaast zijn er de oraties in Londen, Groningen en Leiden, de jaarredes als voorzitter van het Historisch Genootschap etcetera.

Het oeuvre van Ernst Kossmann is ook zeer omvangrijk. De in 1986 afgesloten bibliografie, die is opgenomen in de bij zijn afscheid verschenen bundel Politieke theorie en geschiedenis, omvat 157 titels, maar dat is lang niet alles, want zijn productiviteit bleef tot 2000 vrijwel onverminderd. Het totale oeuvre omvat 313 titels. Dat betekent dat er in de zeventien jaar na zijn emeritaat evenveel publicaties zijn verschenen als in de vijfenzestig jaar daarvoor. Wel moet worden opgemerkt dat het in de laatste periode ook wel om herdrukken of nieuwe uitgaven van vroeger werk gaat. Ook veranderde het werk van karakter. Journalistieke bijdragen gingen een veel grotere plaats innemen dan voorheen.

Het eerste krantenartikel verscheen in 1965 in Het Parool. Daarna bleef het op dit gebied lange tijd stil, tot 1980, in welk jaar drie boekbesprekingen in NRC Handelsblad verschenen. In de daarop volgende jaren pu-

[p. 115]

bliceerde Kossmann steeds een of twee artikelen in deze krant, maar na 1987 werd zijn journalistieke werk veel omvangrijker. Naast NRC Handelsblad verschenen nu ook bijdragen in De Volkskrant, Trouw, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, HP De Tijd, De Standaard, het Reformatorisch Dagblad, het Nieuwsblad van het Noorden en de Staatscourant, in totaal bijna veertig stuks. Dit alles gebeurde op verzoek van de desbetreffende redacties en het is een illustratie van het feit dat hij een nationale figuur was geworden. Dat blijkt ook uit de vele redevoeringen over zeer verschillende onderwerpen die Kossmann in binnen- en buitenland heeft gehouden. Dat begon in 1980 met de Huizingalezing en nam daarna een hoge vlucht. De onderwerpen veranderden ook: zijn artikelen en lezingen gingen lang niet meer alleen over historische onderwerpen, maar ook over algemene maatschappelijke en culturele vraagstukken: de universiteit, de letterenfaculteit, de nationale identiteit, Europa en dergelijke. Een constant onderdeel van zijn werk vormen de boekbesprekingen. Onder de 313 titels vinden wij ruim 110 boekbesprekingen. Ook hier ziet men dat in later jaren de aandacht zich verlegde van vaktijdschriften naar kranten en algemene publiekstijdschriften.

We kunnen in dit wetenschappelijk leven wellicht een aantal fasen onderscheiden. Kossmanns eerste artikel verscheen in 1951 in het Tijdschrift voor Geschiedenis. Dit artikel over ‘De doctrinairen tijdens de Restauratie’, dat een bewerking was van zijn doctoraalscriptie, telde niet minder dan vierenveertig bladzijden. Het is een zeer fundamenteel en origineel stuk werk. In 1954 verscheen het boek over de Fronde, in 1960 de Akademie-verhandeling over politieke theorie in het zeventiende-eeuwse Nederland. Wij kunnen dus constateren dat in tien jaar tijd, tussen zijn negenentwintigste en achtendertigste verjaardag zijn belangrijkste werk op het gebied van de politieke theorie tot stand is gekomen. In strikt wetenschappelijke zin is dit misschien zijn belangrijkste bijdrage aan de geschiedwetenschap. Maar dit werk, hoe oorspronkelijk en belangrijk ook, is toch maar een facet van zijn totale oeuvre, een facet waarin zijn diepzinnige en scherpzinnige geest flonkert, maar de andere opvallende trekken ervan, stijl en synthese, niet volledig tot hun recht komen. Dat doen ze wel in het grote overzichtswerk en in de vele essays die in de daarop volgende jaren zijn verschenen: de Groningse oratie, de Huizingalezing over conservatisme, de Akademie-mededeling over Thorbecke, het stuk over Meinecke en natuurlijk bovenal het meesterwerk: De lage landen.

[p. 116]

Kossmanns meesterwerk

Hoe omvangrijk, veelzijdig en briljant Kossmanns oeuvre ook is, zijn plaats in de Nederlandse samenleving en cultuur van zijn tijd is toch in de eerste plaats te danken aan zijn grote werk over de geschiedenis der lage landen. Dit boek verdient daarom ook in dit levensbericht bijzondere aandacht.

De opzet van het boek is die van een klassieke politieke geschiedenis. De zogenoemde structuren en conjuncturen, die in de moderne geschiedwetenschap zo'n grote plaats innemen, spelen geen rol van betekenis. De economische geschiedenis krijgt slechts weinig aandacht en komt alleen aan de orde wanneer ze nodig is in het verhaal, als achtergrond van de politieke geschiedenis. Het zoeklicht wordt ferm gericht op de grote politieke gebeurtenissen en hun achtergrond. Kossmann blijft trouw aan het vak zoals hij het geleerd had en aan de stijl waarvoor hij had gekozen. De lage landen is geen ‘Geschiedenis van het gewone volk’ en het is ook geen geschiedenis voor het gewone volk. Het publiek waartoe de schrijver zich richt, is wat hij zelf wellicht niet zonder genoegen het betere of geletterde publiek zou noemen. Want het boek is zonder veel concessies aan de lezer geschreven, niet in de zin dat er sprake is van vakjargon of moeilijke woorden, integendeel, maar wel in de zin dat een beroep wordt gedaan op de lezer om de redeneringen van de schrijver zorgvuldig te volgen en mee te denken over de grote problemen van het verleden.

De stijl is zeer persoonlijk: elegant, verzorgd en zorgvuldig, zonder één hol woord of loze frase, maar ook hoekig en weerbarstig, uitermate gereserveerd en bepaald niet wat men ‘vlot’ pleegt te noemen. Dit blijkt wel uit een zin als: ‘De rebellen overwonnen hun onzekerheden; de harde tegenstrijdigheden in hun actie smolt het vuur van het hun zo ondoordacht ter beschikking gestelde nationale motief weg.’5 Wie dit boek met vrucht wil lezen dient niet alleen het taal- en redekundig ontleden grondig onder de knie te hebben, maar ook enige kennis van de ablativus absolutus en de oratio obliqua kan geen kwaad. Kossmann heeft het gymnasium misschien niet met plezier, maar in ieder geval wel met vrucht bezocht en hij was er, zoals hij zelf schreef, achteraf terecht dankbaar voor.6

Zoals hij in zijn voorwoord schrijft, heeft hij de eerzucht gehad niet te laten merken dat hij Nederland uiteraard veel beter kent dan België. Hij is hierin uitstekend geslaagd. Van wat hij zelf noemt ‘de traditionele, overigens niet onvriendelijke minachting’ die Nederlanders in het algemeen voor België voelen, is hier niets te merken. Kossmann moge zich in dit

[p. 117]

verband een Hollander noemen, langdurige verblijven in het buitenland hebben ongetwijfeld zijn gevoel voor distantie gescherpt. Vandaar dat hij de Nederlandse samenleving beschouwt met evenveel verbazing als de Belgische en haar beziet zoals een entomoloog de insectenwereld: met verwondering over alles wat er krioelt en woelt, maar ook met een zekere eerbied voor alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit. Vandaar ook dat het meest voorkomende adjectief in dit boek, dat niet rijk is aan waardeoordelen, het woord ‘merkwaardig’ is. Vooral op de pagina's waar de auteur gedreven ideologen en bevlogen politici beschrijft, zoals bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over de Nederlandse socialisten, zijn termen als ‘zonderling’, ‘eigenaardig’ en dergelijke niet van de lucht.

Door deze afstandelijkheid is Kossmanns nationale geschiedenis van een heel andere aard dan die van zijn grote voorgangers als Blok en Pirenne, Geyl en Romein. Voor Blok was het schrijven van zijn grote Geschiedenis van het Nederlandse volk een ‘waarlijk nationale opgave en een bron van onbeschrijfelijk genot’, zoals hij zei, omdat hij er de typisch Nederlandse vorm van nationale grootheid mee kon aantonen.7 Iets van dit milde, zedelijk gekleurde nationalisme straalt ook af op het werk van de Romeins. Voor Pirenne was het een roeping om de historiciteit van de Belgische staat en diens unieke plaats in de Europese beschaving aan te tonen, een opvatting die door Geyl even kloek met zijn Groot-Nederlandse thesen werd bestreden. Bij Kossmann is er niets van dit alles. Ongewild illustreert hij zo de ontwikkeling, die hij ook zelf beschrijft, namelijk dat in de loop van de laatste decennia de vraagstelling nationaal of antinationaal aan betekenis heeft verloren en men meer geboeid is geraakt door de ideologische vraagstelling links-rechts.

Leven en werken

Kossmann zocht in de geschiedenis naar ‘bredere concepten, interpretaties en appreciaties’ dan in het werk van zijn vader en grootvader te vinden waren. Hij wilde een ‘beschouwelijke generalist’ worden. Hij had een ‘behoefte aan conceptualisering en interpretatie’ en zocht naar een ‘mengvorm van betoog en vertelling, argumentatie en verhaal’.8 Dat is inderdaad wat zijn werk kenmerkt en wat er de kracht van uitmaakt. In die zin wordt Kossmanns werk bepaald door zijn eigen zelf gevonden inzichten, maar de aard en thematiek ervan zijn ook beïnvloed door zijn levensloop en de dingen die min of meer bij toeval op zijn weg kwamen.

Volgens Taine en de naturalistische schrijvers wordt het leven van

[p. 118]

de mens bepaald door erfelijkheid, milieu en opvoeding. Deze elementen hebben onmiskenbaar een stempel gedrukt op Kossmanns leven en werken. De erfelijkheid, zowel van Duits-joodse als van Duits-Baltische zijde, lijkt een belangrijke factor te zijn. De traditie van geleerdheid en schrijflust gaat langs beide lijnen vele generaties terug. Het milieu waarin hij opgroeide, was beschaafd, kunstzinnig en geleerd. Onderwijs en opvoeding, gymnasium en studie in de letterkunde, later geschiedenis, sloten op logische wijze hierop aan. Maar wie zijn levensloop beziet, wordt ook getroffen door de rol die het toeval erin heeft gespeeld.

Als Rüter niet had bedacht dat Schaper de plaats van Kossmann moest innemen, was niet Schaper maar Kossmann in Leiden naast Locher hoogleraar in de algemene geschiedenis geworden en waarschijnlijk met dezelfde taakverdeling (Locher deed Oost- en Schaper West-Europa). Dan was iemand anders naar Londen gegaan. Dan had misschien ook iemand anders de opdracht voor het deel over The Low Countries van de Oxford History of Europe gekregen en dus ook De lage landen geschreven, want afgezien van zijn leerstoel in Londen wees niets in Kossmanns carrière in de richting van het schrijven van een handboek over de Nederlandse en Belgische geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. Hij had, zoals hij schreef, toen hij aan zijn geschiedenisstudie begon zichzelf voorgenomen ‘de Nederlandse geschiedenis zoveel ik kon te vermijden’ en hij was daar tot dan toe aardig in geslaagd.9

Als hoogleraar in de algemene geschiedenis in Leiden, waar sinds de dagen van Fruin ook een leerstoel voor Nederlandse geschiedenis bestaat, zou Kossmann zich net als Schaper en diens opvolgers waarschijnlijk zorgvuldig aan deze taakverdeling hebben gehouden. De Franse geschiedenis zou ongetwijfeld zijn aandacht hebben behouden, maar stellig zou hij zijn arbeidsgebied verder hebben uitgebreid. Hoogstwaarschijnlijk zou hij ook dan zijn grote essayistische gaven hebben gebruikt en de auteur van veelgelezen studies en opstellen zijn geworden. Maar om een nationale figuur te worden moet men nationale geschiedenis schrijven. Fruin, Geyl en Romein gaven hiervan het voorbeeld. Al heeft Romein zich na de Tweede Wereldoorlog nooit meer met de vaderlandse geschiedenis beziggehouden en waaierde ook Geyl wijder uit, toch zijn het de Nederlandse stam van Geyl en De lage landen en de Erflaters van de Romeins die hun naam hebben gemaakt en hun nationale bekendheid hebben gebracht. Ook Loe de Jong en Presser zijn in de eerste plaats bekend geworden als nationale historici, in hun geval van de Tweede Wereldoor-

[p. 119]

log. Zelfs Huizinga, die toch over veel meer schreef, is thans buiten de vakkringen vooral bekend door zijn Herfsttij der Middeleeuwen en zijn Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Daarom zijn de Londense periode en de daaruit voortvloeiende taken voor Kossmann van grote betekenis geweest. Hij is zich hierdoor gaan richten op de Nederlandse geschiedenis en uiteindelijk een echte nationale historicus geworden. Dat blijkt niet alleen uit De lage landen, maar ook uit de afscheidsbundel Politieke theorie en geschiedenis. Van de dertig hier verzamelde studies gaat de overgrote meerderheid over de Nederlandse geschiedenis.

In die zin kan Kossmanns gedwongen vertrek uit Leiden dus als een ‘blessing in disguise’ worden beschouwd. Het dwong hem zich met de Nederlandse geschiedenis bezig te houden en zo het boek te schrijven dat van hem een nationale figuur maakte. Hij heeft die positie niet gezocht en was er zelfs wel wat verbaasd over, maar de mantel paste hem goed en er was geen reden hem weer uit te trekken. Door ‘Londen’ kwam hij ook in contact met de Engelse historische wereld en dat heeft hem geholpen bij het vinden van wat hij zelf het belangrijkste vond, een stijl.

De stijl van Kossmann, hoewel zeker geen navolging van Britse modellen, heeft iets onmiskenbaar Engels en is in ieder geval meer Engels dan Frans of Duits. ‘Ik had voor wat ik zocht een stijl nodig’, schreef hij in zijn ‘Zelfportret’ en hij vervolgde: ‘Ik ben er in het geheel niet van overtuigd een adequate [stijl, W.] gevonden te hebben. Hij moest, meende ik, concies zijn, niet hoogdravend en niet koket. Hij moest niet literair zijn. Ik moest op het terrein blijven dat ik van mijn vaders talenten had geërfd en mocht niet gaan vagabonderen op dat van broer Alfred. Aan die was het scheppende schrijverschap toegevallen, en ook al breidde ik het domein van de wetenschap uit en wilde ik meer dan verslag doen van concreet onderzoek, de geschiedschrijving die ik beoefende had geen literaire ambities en vleide zich niet met de gedachte dat ook zij “verbeelding” en “evocatie” kon worden. Nee, zij moest in koel, kort en gedistantieerd proza - levendig als het kon, en elegant zonder behaagzucht of effectbejag - berichten over thema's van niet al te kleine omvang.’10 Zo heeft hij het geprobeerd en hij is hierin volledig geslaagd.

Besluit

Ik heb in 1955 enkele colleges van Ernst Kossmann gevolgd, maar ik ben in geen enkel opzicht een leerling van hem geweest. Vele goede historici in Londen en Groningen waren dat wel en zij hebben vanuit die persoon-

[p. 120]

lijke ervaring met deskundigheid en vriendschap over hem geschreven. Wij hebben elkaar enige tientallen malen ontmoet, ik ben verschillende malen onder zijn gehoor geweest bij oraties, lezingen en dergelijke. Wij hebben samen deelgenomen aan Belgisch-Nederlandse, Frans-Nederlandse en Spaans-Nederlandse historische congressen in binnen- en buitenland en zaten een enkele keer ook samen in een commissie. Wij hebben vooral veel en met veel plezier gecorrespondeerd.

Is dat genoeg, een handvol herinneringen en een doos vol brieven, voor de rechtvaardiging van een portret? Ik weet het niet. Zeker is dat Ernst Kossmann in vele opzichten voor mij zoals voor velen een voorbeeld is geweest van hoe men geschiedenis moet schrijven, geschiedenis moet doen. Zeker is ook dat hij een zeer trouwe en genereuze collega is geweest, die zorgvuldig en edelmoedig reageerde op publicaties en mede daardoor een grote stimulans was. Hij verheugde zich oprecht in andermans succes, iets dat in de universitaire wereld niet volstrekt vanzelfsprekend is.

‘Afstandelijk’ en ‘ironisch’, zo is zijn stijl van geschiedschrijving vaak getypeerd en terecht. De stijl is de mens, zoals de Franse uitdrukking luidt en dat is ook in dit geval waar, want afstandelijk en ironisch was de manier waarop hij in eerste instantie ‘overkwam’. Maar ook alleen in eerste instantie want wie, zoals ik, het geluk en genoegen had hem beter te leren kennen ontmoette niet alleen een bijzonder en nobel mens maar vond in hem ook een warme en trouwe vriend, wel in de verte maar niet op een afstand.

 

h.l. wesseling

[p. 121]

Voornaamste geschriften

Een lijst van Kossmanns publicaties tot 1986 is verschenen in zijn bundel Politieke theorie en geschiedenis. Verspreide opstellen en voordrachten. Amsterdam 1987, p. 484-495.

In het onderstaande worden alleen boeken en artikelen uit de periode 1986-2003 vermeld. Recensies en krantenartikelen zijn hieruit weggelaten.

De Lage Landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België. (2 dln.) Zesde druk. Amsterdam 1986.
‘Claude Joly’, in Boek, bibliotheek en geesteswetenschappen. Opstellen voor dr. C. Reedijk. Hilversum 1986, p. 205-212.
‘Politieke en culturele vormgeving der maatschappij’, in Het belang van letterenstudie. Groningen 1986, p. 21-29.
‘De Taalunie en de viering van onze onenigheden’, in Ons Erfdeel xxix (1986), p. 11-18.
Politieke theorie en geschiedenis. (1ste en 2de druk.) Amsterdam 1987. (Met J.A. Kossmann-Putto), De Lage Landen. Geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. [Rekkem], 2de druk 1988, 3de druk 1991, 4de druk 1993, 5de druk 1995, 7de druk 1996.
Vertalingen: Les Pays-Bas du nord et du sud. [Rekkem], 2de druk 1988, 3de druk 1991, 4de druk 1993, 5de druk 1995; The Low Countries. History of the Northern and Southern Netherlands. [Rekkem], 2de druk 1989, 3de druk 1991, 4de druk 1993, 5de druk 1995, 7de druk 1996, 8ste druk 1997; Die Niederlande. Geschichte der Nördlichen und Südlichen Niederlande. [Rekkem], 2de druk 1991, 3de druk 1993; 4de druk 1995; Los Paises Bajos. Historia de los Paises Bajos del Norte y del Sud. [Rekkem] 1990, 2de druk 1993; I Paesi Bassi. Storia del Paesi Bassi settentrionale e meridionale. [Rekkem] 1990, 2de druk 1993, 3de druk 1996; Niederlandi, Istoria Severnich i Joezjnich Niederlandow. [Rekkem] 1996; Niderlandy. Historia Pólnocnych i Poludniowych Niderlandów. [Rekkem] 1996; Nederländerna. De Norra och Södra Nederländernas historia. [Rekkem] 1997; Németalföld, eszak-és Del-Németalföld története. [Rekkem] 1998; Tarilke de Jos, Istoria Tarilor de Jos nordice si sudice. [Rekkem] 1998; Nizozemí, Dejiny severniho a jizniho Nizozemi. [Rekkem] 1999; Zemutiniai krastai, Slaurès ir Pietu Nyderlandu istorija. [Rekkem] 1999; Madalmad, Pöhja-ja Löuna-Madalmade ajalugu. [Rekkem] 2000.
[p. 122]
‘1787: The Collapse of the Patriot Movement and the Problem of Dutch Decline’. The Creighton Trust Lecture 1987. Londen 1987.
‘Academische vrijheid: enkele beschouwingen’, in: J.C. Breman en C.J.M. Schuyt (ed.), De bedreigde universiteit. Oordelen en voorstellen. Leiden 1987, p. 17-27.
‘Anderhalve eeuw Nederlandse cultuur’, in De Gids cl (1987), p. 104-111.
‘Moeten we de tegenstelling progressief-conservatief nog wel handhaven?’, in Civis Mundi xxvi (1987), p. 117-119.
‘De tijdgeest, geschiedenis en gebruik van een begrip’, in: M. Depaepe en M. D'hoker (ed.), Onderwijs, opvoeding en maatschappij in de 19de en 20ste eeuw. Liber amicorum Prof. Dr. Maurits de Vroede. Leuven 1987, p. 43-53.
‘Een gelukwens’, in Bzzlletin (1987), nr. 145, p. 3-4.
‘Ein Lebenslauf: Heuman Coschmann / Heinrich Kossmann 1813-1898’, in Heimatblätter des Rhein-Sieg-Kreises lvi (1988), p. 9-39. (=Vertaling van ‘Lotgevallen’, in Politieke theorie en geschiedenis, p. 430-467.)
‘Enkele vragen met betrekking tot het (Noord-)Nederlandse nationale bewustzijn’, in: ‘1585: op gescheiden wegen...’ Handelingen van het colloquium over de scheiding der Nederlanden. Leuven 1988, p. 223-236.
‘Nabeschouwing’, in: H. Bots en W.W. Mijnhardt, De droom van de revolutie. Nieuwe benaderingen van het patriottisme. Amsterdam 1988, p. 135-143.
‘Nederland in de eerste naoorlogse jaren’, in Veertig jaar later. Cobra. Tentoonstellingsca- talogus collectie K.P. van Stuijvenberg. Amsterdam 1988, p. 7-22.
‘Openingswoorden’, in Over nut en nadeel van geschiedtheorie voor de historicus. Leiden 1988, p. 9-13.
‘De waarheden van de geschiedschrijver’, in Hollands Maandblad xxx, nr. 11 (1988), p. 3-8.
‘Politiek denken in Nederland, 1581-1710’, in Theoretische geschiedenis xv (1988), p. 391-394.
‘Coreferaat’, bij S. Schama, De ark van Noach of ‘de onrijpe metarine’? Amsterdam 1989, p. 32-39.
‘How to Write Dutch Cultural History?’, in Dutch Crossing. A journal of Low Countries Studies (1989), nr. 38, p. 3-15.
‘Nederland in de eerste naoorlogse jaren’, in: G. Alberts e.a. (ed.), Om de Wiskunde. Stimulansen voor toepassingsgerichte wiskunde rond 1946. Amsterdam 1989, p. 7-33.
‘Op zoek naar continuïteit: de Jaarboeken voor het democratisch socialisme’, in Socialisme en Democratie 89/11 (1989), p. 349-351.
‘The purpose of university education in past, present and future’, in U&H. Tijdschrift voor wetenschappelijk onderwijs xxxvi (1989), p. 2-15.
‘Openingstoespraak van de tentoonstelling Pieter Jelles Troelstra op 4 juli 1988’, in Jaarverslag van het Universiteitsmuseum van de Rijksuniversiteit Groningen 1987-1988.
[p. 123]
Groningen 1989, p. 29-32.
‘Revolutie in de Nederlanden’, in Ons Erfdeel xxxii (1989), p. 81-88.
‘Theun de Vries en het Franse absolutisme: over Baron’; ‘Theun de Vries en de geschiedenis’, in Bzzlletin nr. 169 (1989), p. 28-36.
‘De toekomst’, in: G.A. van Gemert e.a. (ed.), ‘Om niet aan onwetendheid en barbarij te bezwijken’. Groningse geleerden 1614-1989. Hilversum 1989, p. 283-287.
‘De bewaring van cultuur uit heden en verleden’, in KNOB Bulletin (1990), nr. 3, p. 11-13.
‘Dankwoord Prijs voor Meesterschap’, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1988-1989, p. 189-202.
‘Die Erfahrung des Leidens’, in Jahrbuch Zentrum für Niederlande-Studien I. Münster 1990, 57-66.
‘Liep de Nederlandse patriottenbeweging op de Franse vooruit?’, in De Franse Revolutie en Vlaanderen / La Révolution française et la Flandre. Brussel 1990, p. 49-59.
‘Tellegen en Duitsland’, in Bibliotheek, wetenschap en cultuur. Opstellen aangeboden aan Mr. W.R.H. Koops. Groningen 1990, p. 489-503.
‘Zeventien internationale congressen’, in Theoretische geschiedenis xvii (1990), p. 137-143.
‘Freedom in seventeenth-century Dutch thought and practice’, in: J.I. Israel (ed.), The Anglo-Dutch Moment. Cambridge 1991, p. 281-298.
‘De eigenheid van de Nederlandse cultuur’, in: H.B.M. Wijfjes en J.H.J. van den Heuvel (ed.), De omroep een zorg. Amsterdam 1991, p. 13-26.
‘Het Engels’, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1989-1990, p. 26-32.
‘Inleiding’, bij: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog xiv, Reacties. Den Haag 1991, p. xiii-xxiii.
‘J. Huizinga’, in Erflaters van de Twintigste Eeuw. Amsterdam 1991, p. 35-53.
‘De rol van de archivaris bij de beoordeling van het verleden’, in Nederlands Archievenblad (1991), p. 92-96
‘Romeins Breukvlak en de Nederlandse geschiedenis’, in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden cvi (1991), p. 652-658.
‘Souvereiniteit in de Zeven Verenigde Provinciën’, in Theoretische geschiedenis xviii (1991), p. 413-421.
Bentham en Goethe: twee erfenissen. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid alsmede de Faculteit der Sociale Wetenschappen om werkzaam te zijn op het vakgebied van romantiek en utilisme in politieke theorie en praktijk aan de Rijksuniversiteit Leiden op donderdag 26 november 1992. Leiden 1992.
‘De waardering van Rembrandt in de Nederlandse Traditie’, in Oud Holland cvi
[p. 124]
(1992), p. 81-93.
‘The Dutch Republic in the Eighteenth Century’, in: M.C. Jacob and W. Mijnhardt (ed.), The Dutch Republic in the Eighteenth Century. Decline, Enlightenment, and Revolution. Ithaca-Londen 1992, p. 19-31.
‘Herbert H. Rowen and the Dutch Republic’, in: C.E. Harline (ed.), The Rhyme and Reason of Politics in Early Modern Europe. Collected Essays of Herbert H. Rowen. Dordrecht-Boston-Londen 1992, p. 23-26.
‘Overpeinzingen van een buitenstaander’, in Socialisme en democratie xlix (1992), 7/8, p. 291-293.
‘De Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderkunst bij de historici’, in: F. Gijzenhout en H. van Veen (ed.), De Gouden Eeuw in perspectief. Nijmegen 1992, p. 280-298.
‘Het klassieke element in de moderne geschiedschrijving’, in: E.P. Meijering e.a. (ed.), De geschiedschrijving van de Oudheid. Zes voordrachten over de Klassieke Oudheid en de moderne wetenschap. Assen 1992, p. 56-66.
‘Freiheitsidee und Freiheitspraxis in der Niederländischen Republik des 17. Jahrhunderts’, in: P. Nève en Ch. Koppens, (ed.), Vorträge gehalten auf dem 28. Deutschen Rechtshistorikertag Nimwegen 23. bis 27. September 1990. Nijmegen 1992, p. 1-8.
‘Kenmerken van het Nederlandse liberalisme’, in Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (1992), p. 220-229.
‘Wat doen we met het nationalisme?’, in Nationalisme, federalisme en democratie. Groningen 1993, p. 7-23.
‘Huizinga and Geyl. A Portrait of Two Dutch Historians’, in The Low Countries. Arts and Society in Flanders and the Netherlands. A Yearbook. Rekkem 1993, p. 130-136.
‘Afscheid van oude noties over de Belgisch-Nederlandse relatie’, in Internationale Spectator xlvii (1993), x, p. 548-551.
Een tuchteloos probleem. De natie in de Nederlanden. Leuven 1994.
‘Hoe Nederlands is de Nederlandse literatuur?’, in Literatuur, tijdschrift over Nederlandse letterkunde (1994), i, p. 2-10.
‘1594-1994: de etappes van het Nederlandse staatsleven’, in Reductie van Groningen, 400-jarig bestaan Provincie Groningen 1594-1994. Voltooiïng van de Nederlandse staat.
Groningen 1994, p. 9-16.
Vergankelijkheid en continuïteit. Opstellen over geschiedenis. Amsterdam 1995.
‘Het probleem in de historische wetenschappen’, in: T. Koopmans (ed.), De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal. Themabijeenkomst van de Afdeling Letterkunde van maandag 9 mei 1994, in Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen lviii (1995), i, p. 11-15.
‘Verdwijnt de Nederlandse identiteit?’, in Internationale Spectator xlix (1995), nr. 407/408, p. 420-424.
‘Verdwijnt de Nederlandse identiteit? Beschouwingen over natie en cultuur’, in: K.
[p. 125]
Koch en P. Scheffer (ed.), Het nut van Nederland. Opstellen over soevereiniteit en identiteit. Amsterdam 1996, p. 59-68.
‘Feestrede, Grote Kerk, 23 november 1995’, in Haerlem Jaarboek (1995), p. 21-28.
‘De toekomst van de democratie’, in Liber amicorum H.J.L. Vonhoff. Opstellen over politiek, bestuur en management. 's-Gravenhage 1996, p. 93-104.
‘Causerie over Romantiek’, in Groniek xxx (1996), nr. 135, p. 245-249.
‘Zelfportret als historicus’, in Ons Erfdeel xxxix (1996), 4, p. 517-530.
‘Taalverscheidenheid & culturele identiteit I’, in Grenzen aan veeltaligheid? Taalgebruik en bestuurlijke doeltreffendheid in de instellingen van de Europese Unie. Verslag van de Algemene Conferentie van de Nederlandse Taal en Letteren 1995. Den Haag 1997, p. 49-52.
‘Toleration and Tolerance in the Netherlands’, in The Low Countries. Arts and Society in Flanders and the Netherlands. A Yearbook 1997-1998. Rekkem 1997, p. 31-37.
‘Kleine geschiedenissen’, in Historisch Nieuwsblad vi (1997), 4, p. 26-27; vi, 5/6, p. 44-45; vii (1998), i, p. 30-31; vii, 2, p. 36-37; vii, 3, p. 48-49; vii, 4, p. 34-38.
‘Modernisering van Nederland in de negentiende en twintigste eeuw’, in: J. van den Boomgaard-Manschot e.a., Water, lekker nat. Drinkwatervoorziening in de provincie Utrecht. Z.p. 1997, p. 13-33.
Familiearchief. Notities over voorouders, tijdgenoten en mijzelf. Amsterdam 1998.
‘Some Reflections on the Practice of Commemoration’, in European Review. Interdisciplinary Journal of the Academia Europaea vi (1998), p. 269-276.
‘Geluk, Nut, Recht’, in: J. Tollebeek e.a. (ed.), De lectuur van het verleden. Opstellen over de geschiedenis van de geschiedschrijving aangeboden aan Reginald de Schrijver. Leuven 1998, p. 601-609.
‘Republican Freedom against Monarchical Absolutism: The Dutch Experience in the Seventeenth Century’, in: John Pinder (ed.), Foundations of Democracy in the European Union. From the Genesis of Parliamentary Democracy to the European Parliament. Londen 1999.
Political Thought in the Dutch Republic. Three Studies. Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, deel 179. Amsterdam 2000.
‘Emile Henssen, een indruk’, in Een vreemde man, en die ons vreemd ontviel. Liber amicorum voor E.E.A. Henssen (1950-1999). Amsterdam 2000, p. 17-19.
‘De veelkleurigheid van tolerantie: een diffuus begrip’, in: M. ten Hooven (red.), De lege tolerantie. Over vrijheid en vrijblijvendheid in Nederland. Amsterdam 2000, p. 179-184.
Théorie politique et histoire. Textes édités et présentés par Catherine Secretan. Napels 2003.