Literatuur. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Literatuur


bron: Literatuur. Jaargang 6. Amsterdam University Press, Amsterdam 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 199]

Vondel contra Smout
De calvinistische predikant Adriaan Joriszoon Smout in Vondels hekeldichten
Karel Bostoen +

Vondels hekeldichten over de strijd tussen remonstranten en contraremonstranten schetsen een weinig vleiend portret van de streng calvinistische predikanten. Zijn satirisch talent maakt dat we iemand als dominee Smout alleen nog maar als een verwerpelijke figuur kunnen zien. Mogen we op Vondels karakteristiek vertrouwen, of heeft zijn partijdigheid toch geleid tot een vertekening van de historische figuur Smout?

 

Met zijn hekeldichten heeft Vondel het beeld van de calvinistische predikanten in de zeventiende eeuw zodanig bepaald dat we hen nu nog uitsluitend door Vondels bril bekijken. Dat zegt iets over Vondels meesterschap in dit genre, maar ook iets over de macht van de literatuur. Dat wil niet zeggen dat Vondels bril nooit beslagen is geweest, toen hij zijn gedichten aan het papier toevertrouwde. ‘De goede vader Homeer sluimert zelf by wijlen’ schreef hij hierover te eigener verontschuldiging.



illustratie

Vondel rond 1640 (drieënvijftig jaar oud). Kopergravure door Dirk Matham naar een tekening van Joachim Sandrart


Wie enige kennis heeft van de eigenaardigheden van het literaire genre waartoe de hekeldichten behoren, beseft dat overdrijven daarin schering en inslag is. De term hekeldicht is namelijk een vernederlandsing van de klassieke genreaanduiding satire. Hoewel satires meestal een kern van waarheid bevatten, wil de satiricus zijn lezers vooral ervan overtuigen dat zijn aanvallen op zijn vijanden terecht zijn. Daarbij steekt hij zijn gevoelens niet onder stoelen of banken. Nu eens door verontwaardiging over de kwalijke praktijken van zijn tegenstanders, dan weer door verbazing over hun stommiteiten. Men weet het: heftige emoties (gespeeld of niet, dat doet niet eens ter zake) zijn ook nu nog zelden geschikt om tot een bezonnen oordeel te komen. Maar in een satire komen dergelijke gevoelens goed van pas, ja ze zijn zelfs noodzakelijk.

Vondels gevoelens waren onstuitbaar en ‘welden hem dan naar de keel’, zoals hij zelf in de Roskam schreef. Als doopsgezinde was hij lid van een sekte. Tenminste zo zag hij het later zelf en zo zagen ook zijn tot de calvinistische orthodoxie behorende tegenstanders hem. Vondel hoorde er niet bij en dat lieten ze hem voelen. Nou, dat hebben ze geweten! Het zien en horen van een calvinistisch predikant was voor Vondel voldoende om zijn satirische dichtader aan te spreken. Doelend op die predikanten, liet hij zich tegenover zijn biograaf Geeraardt Brandt op latere leeftijd in een vertrouwelijke bui ontvallen: ‘Als ik dat volk mag aantasten, dan wordt myn geest gaande.’

Arminianen en gomaristen

Zoals bekend, handelt een flink aantal hekeldichten van Vondel over de godsdienstig-politieke strijd tussen arminianen en gomaristen, anders gezegd tussen remonstranten en contraremonstranten en nog anders gezegd tussen de rekkelijken en de preciezen. Over het verschil tussen beide groeperingen zal ik kort zijn. Beide richtingen hebben een gemeenschappelijk uitgangspunt, namelijk de mens wordt zalig door het geloof. Maar voor beide richtingen betekent dat iets anders. Bij de armi-

[p. 200]

nianen is het geloof primair, bij de gomaristen de verkiezing.

Voor de remonstranten is de verkiezing vrucht van het geloof. Voor de contraremonstranten of calvinisten daarentegen is het geloof vrucht van de verkiezing. God schenkt het geloof aan degenen die Hij daartoe heeft uitverkoren.

De aanvallen over en weer spitsten zich toe op volgende punten: de arminianen zeggen dat hun tegenstanders niet alleen verkiezing leren, maar ook verwerping. Immers, sommigen of zelfs de meeste mensen zijn al vóór hun geboorte in alle eeuwigheid verdoemd. Ook een onschuldig pasgeboren kind kan, wanneer het overlijdt, in de hel terechtkomen. De contraremonstrantse God is dus een tiran die onnozele kinderen verdoemt. Trouwens ook die verkiezing van de calvinisten deugt niet, zeggen de remonstranten. Als je van alle eeuwigheid uitverkoren bent, kan je er lustig op los leven. Je komt toch in de hemel. De grootste egoïst evengoed als de aardigste mensenvriend.

De gomaristen proberen de arminianen op een al even grove manier onderuit te halen. Als God zijn genade schenkt aan hen die Hij daartoe waardig keurt, kan men zijn best doen om genade te vinden in Gods ogen. Men kan dus de hemel proberen te verdienen door middel van goede werken. Dit nu is evenwel tegen de reformatie, want rooms. Remonstrantisme is dus paapse ketterij en remonstranten zijn niets anders dan crypto-katholieken. Vandaar dat ze ook politiek verdacht zijn. Katholiek zijn, betekent immers vriend zijn van Spanje. Ja, eigenlijk zijn alle arminianen potentiële landverraders, zeggen de gomaristen, terwijl wij de ware vaderlanders zijn.

Rotterdam

Rotterdam neemt in die strijd een bijzondere positie in. Het was namelijk een remonstrants nest. Dit komt onder meer door de positie van Johan van Oldenbarnevelt, die - hoewel geen Rotterdammer van geboorte - zich toch sterk met Rotterdam verbonden voelde, met name vanwege zijn functie als stadspensionaris van 1576 tot 1586. Van Oldenbarnevelt werd als stadsadvocaat opgevolgd door zijn broer Elias en na diens dood door Hugo de Groot. Tot diep in de zeventiende eeuw was deze laatste het boegbeeld der remonstranten. Men kan daarom rustig stellen dat de andere steden Rotterdam moeten hebben beschouwd als de meeste remonstrantse stad van de Republiek. Hoe politiek en hoe bitter deze theologische strijd in feite was, werd in 1619 iedereen duidelijk, toen Oldenbarnevelt (sinds 1586 landsadvocaat) op instigatie van zijn calvinistische tegenstanders werd terechtgesteld (‘vermoord’ zeggen de remonstranten). Zijn laatste woorden op het schavot tot de omstanders luidden: ‘Mannen, gelooft niet dat ik een landverrader ben. Ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot en die zal ik sterven.’



illustratie

Terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt op 13 mei 1619 op het Binnenhof.
Kopergravure van Claes Jansz. Visscher


Uit de reacties van vele tijdgenoten blijkt dat die terechtstelling een schokkende en pijnlijke ervaring is geweest. Vooral doordat die onmiddellijk werd gevolgd door de vervolging van de remonstranten. Gevangenneming, verbeurdverklaring van al hun goederen, ver-

[p. 201]

boden op het houden van godsdienstoefeningen en verwijdering uit het bestuur van land en steden: dit alles was hun lot, terwijl de gomaristen of calvinisten triomfeerden en glorieerden. Vondel, die in die periode nog doopsgezind was, ontstak in hevige woede. Vooral de arrogantie van de macht die de calvinistische predikanten te Amsterdam dagelijks tentoonspreidden, stak hem geweldig. Het optreden van predikanten als Trigland, Cloppenburch, Badius en Smout bood hem precies de stof die hij wenste om felle satires op papier te kunnen zetten.

Smout in de Rommelpot

Adriaan Joriszoon Smout (1580-1646) is in dit gezelschap van Amsterdamse contraremonstrantse predikanten de enige die uit Rotterdam afkomstig was, dus uit het remonstrantse centrum. Dit is op zich al intrigerend. Kennelijk kwam hij uit een andere groep Rotterdammers voort dan degenen die daar op het kussen zaten. Maar er zijn nog meer raadselachtige kanten aan de man en zijn optreden. De satires van Vondel vormen daartoe een goede ingang.



illustratie

De eerste acht strofen van de ‘Rommel-Pot’ uit 1627 met de aantekeningen in inkt van de hand van een onbekende tijdgenoot (UB Leiden, Thysius, Pamfl. 3306). Zie de aantekening bij de eerste regel van de achtste strofe: ‘Is Adr. Smout’


De oudste satire van Vondel waarin we uitvoerig met Smout kennis maken, is de Rommelpot van 't Hanekot. In dit allegorische gedicht laat hij de Amsterdamse predikanten met elkaar ruziemaken in de kerkeraad. De kerkeraad is het hanehok en de predikanten treden op in de gedaante van hanen. Smout, die vermoedelijk nogal gezet was, wordt als volgt voorgesteld:

 
Haantje dikkop van de Maze
 
lest estiert na Gravezangt
 
Huilebalk in Amsterlangt
(= De predikant met zijn dikke kop uit Rotterdam, laatst verbannen naar 's-Gravezande, schreeuwlelijk te Amsterdam.)
[p. 202]

Smout was in de periode 1604 tot 1606 predikant te Rhoon geweest. Daarna lijkt hij de orthodoxe predikant Cornelius Geselius te Rotterdam als hulpprediker te hebben bijgestaan, maar zijn scherpslijperij gaf toen al problemen. In 1609 werd Smout predikant te Delfshaven waar hij een boek schreef tegen de remonstrantsgezinde Staten van Holland. Daarin stelde hij onder meer dat zij tegen ketterij, godslastering enzovoort de doodstraf dienden te hanteren. Toen dit boek, getiteld Schriftuerlic ja, in 1613 werd gepubliceerd, werd hij door de Staten van Holland ter verantwoording geroepen en op 20 juli van dit jaar naar 's-Gravezande verbannen, dat hij niet zonder hun toestemming mocht verlaten. Maar juist die veroordeling gaf hem nationale bekendheid. Vanuit 's-Gravezande kwam hij meerdere malen op uitnodiging naar Amsterdam om er te preken, zonder dat hij daarvoor toestemming aan de Staten vroeg. Hij bleef ook publiceren als vanouds en hij zou zich opnieuw voor de rechtbank hebben moeten verantwoorden, ware het niet dat de politieke situatie zich intussen in zijn voordeel had gewijzigd. Toen de omslag in 1618 kwam, werden eerdere besluiten tegen hem ingetrokken en in 1620 kon Smout te Amsterdam worden beroepen. In het toenmalige contraremonstrantse klimaat van deze stad gedijde hij aanvankelijk voorspoedig tot in 1626 bleek dat de stadsregering zich tegenover religieuze minderheden zoals de remonstranten, wat toleranter opstelde.



illustratie

Samenvatting van de preek van Smout tegen de Franse koning d.d. 28 januari 1626.
Handschrift Gemeentebibliotheek Rotterdam nummer 610. Het opschrift luidt: ‘Opden 28.en Januarij 1626 op bedach lestleden heeft eenen Adriaen Jorissoon Smoutius gepredickt nae middach in de nieuwe kerck in substancie als volcht-’


 

Hoe toleranter het klimaat te Amsterdam werd, des te onverdraagzamer werd Smout. Toen het gerucht de ronde deed dat er in een huis bij de Montelbaanstoren weer een remonstrantse bijeenkomst zou plaatsvinden, richtte Smout zich op 13 april 1626 vanaf de kansel tot de burgemeesters met de volgende woorden:

Indien de Heeren hun devoir (= plicht) niet beter en doen in 't uytroeyen der ketteryen tot verbreydinge van Gods en Christi lof, soo sullen de kinderen, jae de steenen van de straat, den Heere daer in dienen.

Smout werd op zijn wenken bediend, dezelfde dag nog werden de remonstranten op hun vergaderplaats met stenen bekogeld en verjaagd door een woedende menigte. Het huis waarin ze vergaderden werd geplunderd. Men begon het zelfs te slopen. Maar de stadsregering stuurde er de schutterij op af. Toen goede woorden niet meer hielpen, kregen de stadssoldaten het bevel te schieten. Een van de plunderaars, met een mes tussen de tanden en de handen vol stenen, werd daarbij gedood. Terstond verspreidde de menigte zich. Maar men zwoer al gauw wraak en 's avonds begonnen de rellen opnieuw: weer probeerde men het huis bij de Montelbaanstoren te slopen. De schutterij vuurde nu in het duister en maakte daarbij een tweede slachtoffer dat door de relmakers op de stoep van een van de burgemeesters werd neergelegd, terwijl intussen de schutters uit de remonstrantse vergaderplaats werden verdreven. Daarop werd dit huis door een grote menigte met de grond gelijkgemaakt. Dit werd

[p. 203]

gevolgd door een wonderlijke contraremonstrantse triomftocht door de stad waarin de deelnemers allerlei buitgemaakt bouwmateriaal torsten. De volgende zondag preekte Smout en noemde bij die gelegenheid de plunderaars:

Instrumenten die God gebruyckt en aandrijft tot dit gants noodige werck, de verstooringh [= het verdelgen] der ketterije.

Smout stond bepaald niet alleen met zijn uitspraak. Alle Amsterdamse predikanten waren min of meer dezelfde opvatting toegedaan. Er was slechts één uitzondering, namelijk ds. Hanekop die uit Breda kwam en die nog geen jaar te Amsterdam stond. Deze man Gods berispte het optreden van de raddraaiers en maande het kerkvolk tot onderwerping aan de wettige overheid. Toen hij enig succes met zijn vermaningen bleek te hebben, was natuurlijk de boot aan in de kerkeraad. De overige predikanten vlogen hem naar de keel: ds. Hanekop werd ontslagen en als we Vondel mogen geloven, had vooral Smout daartoe zijn steentje bijgedragen. Hij typeert Smout hierbij door hem sprekend in te voeren:

 
Ik zel Koppen [= ds. Hanekop] moeite brouwen
 
En zijn ongenaeide rok
 
Scheuren in het hoenderhok:
 
'k Zel hem veur een ketter schouwen
 
'k Lijd niet, by mijn reusel-Smout
 
Dat zijn strongt verkeert in gout!
(= Ik zal het Hanekop lastig maken en hem te pakken nemen in de kerkeraad. Ik zal hem als ketter te kijk zetten. Ik verdraag niet, bij mijn zolen, dat zijn woorden succes hebben!)

Niet alleen Smouts onverdraagzaamheid wordt in de Rommelpot door Vondel aangevallen, ook zijn onbeschaamde demagogie. Op 28 januari 1626, op de biddag, had Smout als volgt in de Nieuwe Kerk tegen de Franse koning gepreekt, omdat de Staten van Holland als tegenprestatie voor eerder ontvangen Franse hulp Lodewijk XIII steunden bij de belegering van het Hugenootse bolwerk La Rochelle:

De Oorsaecke waerom dat de landen ende Steden geplaagt ende gestraft worden is, datmen nu luijden trect ende dringt inde Regeringe die voorstanders sijn van het Pausdom. De exempelen ende vruchten siet men dagelijcx aende Staeten, dat sij haer Schepen gesonden hebben voor Rosselle, om de waere gereformeerde Religie te verdrucken ende te assisteeren het kindt der verderffenisse, het kint der Duijvelen, den Draeck, den eersten tack daer den Anti Christ uijt gesprooten is, daer de hoer van Babel op het beest met seuen hoofden opsidt en op dat ghy weten sult van wie dat ick spreeck, ick spreeck ende meen van den Coningh van vrankrijck Louijs den 13.en, de soon van Hendrick de vierde den apostaet [=de Afvallige]. Wat macht heeft doch den Coningh van vranckrijck? Wat can hij doen? Tis waer, hij heeft ons op het voor Jaer lestleden gesonden een deel duijvels. Wat vrucht hebben die gedaen? Siet sij sijn al te saemen voor den duyvel gevaeren!

Ook Vondel moet bekend geweest zijn met de essentie van die preek, want in de Rommelpot maakt hij de volgende toespeling. Weer spreekt Smout:

 
Durf ik kraeien op een Keuninck
 
Op den Haen, die zit in top,
 
Met een kroontjen op zen kop,
 
In zijn groote Haneweuning:
 
Ba! wat meenje, goede lien
 
Dat ik Koppen [= ds. Hanekop] zel ontsien.
(Bij ‘Haen’ denke men hier aan het Latijnse ‘Gallus’ dat zowel ‘haan’ als ‘Fransman’ betekent.)



illustratie

Pentekening met afbeelding van het oude stadhuis van Amsterdam door Willem Schellincks. (Overgenomen uit J. van den Vondel ‘Inwydinge van 't Stadthuis t' Amsterdam’, ed. S. Albrecht, O. de Ruyter en M. Spies. Muiderberg 1982, p. 177.)
In de toren vergaderden de burgemeesters. Vandaar dat Vondel hen aanspreekt met ‘Toorenwachters!’


Dat Vondel vreesde dat al die volksmennerij van Smout wel eens gevaarlijk zou kunnen worden, blijkt uit een andere passage van de Rommelpot waarin hij de burgemeesters die in het oude Amsterdamse stadhuis in de torenkamer vergaderden, als volgt waarschuwt:

 
Toorenwachters, liert de grepen
 
Kennen van de Hanewrok,
 
Want een krijter [= Smout] graeit in 't hok,
 
Dat men jou wel licht zou schepen
 
In een lichter [= verkenningsvaartuig] algelyk
 
En opsetten an den dijk.

Met andere woorden: Vondel waarschuwt de burgemeesters voor Smouts streken, want die had in de kerkeraad geroepen dat men hen maar moest afvoeren naar de overkant van het IJ om hen aldaar op te hangen. De aantekening van Geeraardt Brandt, die Vondels hekeldichten met commentaar uitgaf, luidt hierbij:

[p. 204]
Smout dorst wel zeggen, dat men zulke slappe overheden met een schip nae de Volewijk behoorde te vaeren, om ze door een hennepe venster te leeren starrekijken.

Onverdraagzaamheid, volksmennerij en onbeschaamdheid luiden Vondels beschuldigingen aan Smouts adres. De onbeschaamde opmerking van Smout over het ophangen van de burgemeesters zou Vondel niet vergeten. Het werd een soort lik op stuk geven, zelfs al moest de dichter zijn toevlucht nemen tot lasterpraat.

Hangt de jonge en ouwe Smouten

De zaak is deze. Het verhaal gaat dat Vondel zich op nieuwjaarsdag 1629 in de boekhandel van Abraham de Wees bevond (een bekende vergaderplaats van de Amsterdamse literaire coryfeeën), toen Smout binnenstapte en hem schertsend om een nieuwjaarsdicht vroeg. Nieuwjaarsdichten schrijven voor elkaar was toen een gebruikelijk en wijdverbreid maatschappelijk verschijnsel. Vondel maakte voor de vuist een zesregelig bijtend nieuwjaarsdichtje en stopte dat Smout in zijn handen. Dit gedichtje, dat waarschijnlijk in het begin alleen maar in handschrift circuleerde, is door Geeraardt Brandt met de rest van Vondels hekeldichten uitgegeven. De titel ervan is Nieuwjaar voor S. Daarin is sprake van een Smout jr. die kennelijk niet wilde deugen, en die daarom onlangs te Dordrecht de strop had gekregen.

Nieuwjaar voor S.
 
Jonge Smout die sprong te kort
 
Van den ladder binnen Dort,
 
En hy smoorde in zijne longen:
 
Had hy niet te kort gesprongen,
 
Hy zou komen by zijn vaêr
 
Om een zaelig nieuwejaer.

Vondel suggereert hier dat Smouts zoon onlangs te Dordrecht was opgehangen vanwege kennelijk crimineel gedrag. Aan het begin van deze eeuw heeft iemand de moeite genomen om naar een Smout jr. te zoeken in de Dordtse archieven, met name in het z.g. Klepboek. In dit Klepboek werden immers alle ordinanties en vonnissen opgetekend die met het kleppen van de klok vanaf de pui van het stadhuis waren afgekondigd. Daarin bevonden zich over de periode 1609-1630 elf doodvonnissen waaronder drie door ophanging. Van een Smout was daarbij in elk geval geen sprake. De enige gehangene voor wie het jaartal enigszins klopt, was een zekere Cornelis Barbey, afkomstig uit Hondschote (Frans-Vlaanderen). De man had een zwaar crimineel verleden: in 1620 was hij te Gent gegeseld en gebannen; daarna te Rijsel gegeseld ‘achter de kerre’ en gebannen; te Delft gegeseld, gebrandmerkt en voor 25 jaar gebannen uit Holland, Zeeland en West-Friesland; te Middelburg gegeseld, gebrandmerkt en voor 16 jaar gebannen; te Ieper gegeseld en voor vier of vijf jaar gebannen. Verder was Barbey nog op tal van andere plaatsen bestraft geweest: te Rotterdam wegens diefstal van kleren, te Amsterdam wegens diefstal van mantels, lepels en bekers, te Dordrecht, te Leiden, weer te Rotterdam en tenslotte werd hij op 19 juni 1627 gehangen te Dort vanwege een gepleegde moord. Terecht merkte J.L. van Dalen op, die deze archiefgegevens heeft verzameld, dat indien deze Barbey werkelijk een bastaardzoon van Smout was geweest, zijn kwalijke reputatie toch wel veel eerder te Amsterdam bekend zou zijn geweest. Daarover zouden we dan ook veel eerder iets hebben moeten vernemen uit de mond van Smouts vijanden en daarvan ontbreekt nu juist ieder spoor. Wat er ook van zij: dat ds. Smout een bastaardzoon met criminele inslag zou hebben verwekt is waarschijnlijk laster. Hoe het gerucht in de wereld is gekomen, zal wel een raadsel blijven. Had Smout soms een erotische reputatie of vertoonde de crimineel Barbey toevallig uiterlijk enige gelijkenis met zijn vermeende vader? Dit laatste is moeilijk na te gaan: van Smout heb ik geen afbeelding kunnen vinden en aan het zoeken naar een portret van Barbey ben ik maar niet begonnen.

In Vondels hekeldichten treffen we nog een plaats aan waar van hangen sprake is. In de Medaellie voor de Gommariste Kettermeester uit 1630 valt Vondel een Dordtse predikant aan, die gewoonlijk wordt geïdentificeerd als Gozewyn van Buytendijk. De satiricus scheldt hem als volgt uit:

 
Groote lantsdief, Hollants kruis
 
Wilje wat van hangen kouten,
 
Hangt de jonge en ouwe Smouten,
 
Hangt haer aen u rechte leer,
 
Datze rusten in de Heer.

Kennelijk had ook deze predikant het gehad over het ophangen van hem onwelgevallige personen en Vondel haalde er meteen de ‘familie Smout’ bij om hem lik op stuk te geven. Een verontwaardigde anonieme tegenstander reageerde prompt met:

 
Hangen wilje al de Smouten:
 
Wantse na u sin niet kouten,
 
En u treden op het seer
 
Is dat d'Arminiaensche leer?
 
Vant Troyaens peert was zijn [= Smouts] praten,
 
Datmen socht int lant te laten:
 
Heeft hy daer in wel gefeylt?
 
Is dat de cours niet die ghy seyldt?

Met andere woorden: Vondel jij valt Smout aan, omdat deze waarschuwde voor het binnenhalen van het paapse paard van Troje. Wel, zat Smout er dan soms zover naast?

Maar Smouts uitlatingen over het ophangen van de burgemeesters had wel de aandacht van de betrokkenen gewekt. Ze troffen hun maatregelen. Voortaan woonden steevast enkele raadsleden de predikaties van Smout bij om zijn politieke uitspraken op te schrijven. Smout werd vervolgens ter verantwoording geroepen en met de feiten geconfronteerd. Het vuur werd hem daarbij uiteraard na aan de schenen gelegd. Toen hij het niet langer met allerlei uitvluchten kon redden, sprak hij brutaal:

[p. 205]
Mijne Heeren valt God te voet, en bidt Hem om vergiffenis, desisteert ook [= ziet ook af] van uwe begonnen proceduren, want anders doende, sult gij u en uwe kinderen om hals brengen.

Hij kwam er met een ernstige waarschuwing van af, want de burgemeesters wilden eerst nog even afwachten of hij na zo'n waarschuwing zijn leven zou beteren. Maar Smout was er de man niet naar om zich te laten intimideren. Daarvoor voelde hij zich te veel een oudtestamentisch profeet die zonder aanzien des persoons politieke machthebbers berispt. Ja, bij hem krijgt men juist de indruk dat hij eropuit was om overheidspersonen liefst zo onbeschaamd mogelijk de waarheid te zeggen. Binnen de kortste keren liet hij zich opnieuw kritisch uit over de politiek der stadsregering. De burgemeesters noemde hij in een preek ‘geveinsden’ en hij stelde, doelend op zijn eigen situatie toen hij ter verantwoording werd geroepen:

dat alhier vervolgd werden degenen, die voor Gods woord hadden geijverd, gelijk God betert, dit jaar genoeg gebleken was, want men was hier erger te werk gegaan met inquisitie, persecutie en vervolging, dan de koning van Spanje ooit in Spanje gedaan had.

Nu was de maat vol. Hoewel de kerkeraad voor Smout in de bres sprong, kon dit toch niet meer baten. Op 7 januari 1630 werd Smout uit Amsterdam verbannen en in dezelfde nacht vertrok hij naar Haarlem met de trekschuit die de burgemeesters voor zijn deur op de Herengracht hadden laten aanleggen, zodat hij have en goed kon meenemen. Ofschoon er veel belangstelling was voor zijn vertrek, bleven rellen uit. Vondel kon het niet laten om op deze gebeurtenis in zijn hekeldichten te zinspelen, te meer omdat Smouts collega Cloppenburch in hetzelfde jaar eveneens op de trekschuit (bij Vondel ‘toghtschuit’) werd gezet. Cloppenburch, aan wiens lippen te Amsterdam gewoonlijk een duizendkoppig publiek hing, moest zich daarna in Den Briel met de geestelijke verzorging van een kleine gemeente tevreden stellen. Zo heet het in Vondels Haec Libertatis Ergo uit 1630:

 
Geen Paep, geen stokebrant mag hier den wervel draeien [= de baas spelen];
 
De toghtschuit leit gereet, voor all' die oproer kraeien,
 
Als Smout, en Kloppenburch, wien nu het harte breekt,
 
Zo dik hy in den Briel voor zes paar ooren preekt.

Smouts Hooglied

Er is nog een verrassend aspect waar we tot nu toe niets over gezegd hebben. Smout had enige literaire ambitie. Zij het dat hij - voor zover we weten - ook daarin nogal schriftuurlijk bleef. Zo weten we dat hij in 1644 een nieuwe psalmvertaling heeft aangeboden aan de Alkmaarse Synode, onder de titel: De Psalmen Davids na de Regelen der Musijke op Rijm gestelt, maar deze vertaling lijkt verloren te zijn gegaan en nooit in druk te zijn verschenen. Even onvindbaar is zijn berijming van het Hooglied waarvan in 1630 (of vrij spoedig daarna) sprake is. Slechts op grond van een kanttekening bij een gedicht van Vondel weten we dat die berijming bedoeld was om te worden gezongen. Met Smouts berijming is door een onbekende tijdgenoot de draak gestoken, met name door een tijdgenoot die zelf in het min of meer libertijnse, literaire milieu van de Amsterdamse Kamer floreerde. Dit gebeurt in een arminiaans pamflet uit 1631, getiteld: Arminiaensche Liefde en Yver. Daarin staat een spotvers waarin Smouts Hooglied ter sprake komt. Het gedichtje vormt een nogal scabreus antwoord op Vondels bekende D'Amsterdamsche Academi aen alle Poëten en Dichters. Onder het mom van een literaire prijsvraag vanwege de Amsterdamse Kamer (voornaamste leden toen onder anderen Samuel Coster en Vondel) waren namelijk alle poëzieliefhebbers uitgenodigd om hun dichterlijk antwoord in te sturen op door Vondel geformuleerde, retorische vragen, als:

 
Of vryheyt niet en was de schat
 
Waerom men eerst in oorlogh trad?
 
Of oock in wel bestierde steden
 
Een oproermaecker wort geleden?
(= Of Nederland niet in opstand tegen Spanje was gekomen omwille van de vrijheid? Of in steden met een degelijk bestuur ook toegestaan wordt rellen te veroorzaken?)

De prijsvraag was een geweldig succes: wel vijfenveertig gedrukte antwoorden zijn bewaard gebleven. Het antwoord in Arminiaensche Liefde en Yver dat, blijkens de titel (‘Yver’ was de kenspreuk van de Kamer), vermoedelijk door een remonstrants kamerist is geschreven, bevat een duistere toespeling op Smouts Hooglied-vertaling. Maar die toespeling wordt minder duister door de verhelderende - doch obscene - kanttekening, waarin drie regels uit Smouts berijming worden geciteerd. Deze regels gaan terug op Hooglied 5:4.

 
Hy stack zijn hant in 't grendel gat,
 
Sijn vingers dropen van het nat.
 
Petroons Brevier-boeck [= Petronius' Satyricon?] leert hem dat.

Die verwijzing naar het werk van de Romeinse dichter Petronius, bekend vanwege zijn obsceniteiten, stemt tot nadenken. Smout pleegt zich juist in zijn preken fel te keren tegen het gebruik van de Klassieke Oudheid als autoriteit: ‘de magistraat haalt zijn richtsnoer uit klassieke redevoeringen en uit het Romeinse recht’, stelt hij in 1629;

Maer wij seggen, de heere seijt het/ wij hebben Gods woordt, daerom hoort dat wij u seggen [...] wij sullen u anders niet seggen/ als de waerheijt. De Poëten, de Juristen, de orateuren, de Politicquen/ en sult ghij nijet aenhangen [...].

De Petronius-verwijzing is op zich intrigerend, maar een afdoende verklaring voor die verwijzing heb ik helaas niet. Daarvoor zouden toch wat meer gegevens nodig zijn.

Op Smouts Hooglied-berijming heeft Vondel in 1634 eveneens een toespeling gemaakt zodat we daardoor nog

[p. 206]

iets over Smouts dichterlijke arbeid aan de weet komen. Vondel maakte die toespeling in zijn Op de diepzinnige Puntdichten van den Engelschen Poët John Donne, vertaelt door C. Huigens waarvan de beginregels luiden:

 
Die Britse Donn'
 
Die Duistre zon,
 
Schijnt niet voor ieders oogen.

Enkele regels verderop spreekt hij Tesselschade toe:

 
O, lieve Nymfje Tesselschaê,
 
Verstaeje 't niet, soo slaet'er nae,
 
Of laet het u bedieden:
 
Want dit zijn hooger lieden,
 
Dan 't hooge Liedt van Salomon,
 
Dat geen vernuft oit vaeten kon,
 
Dan hooghgeleerde Smouten
 
Van langer handt gezouten.
(= Lieve Tesselschade, als je het niet begrijpt, raad dan maar eens of laat het je uitleggen, want dit zijn scherpzinniger verzen dan het Hooglied dat niemand ooit heeft begrepen, tenzij geleerde, knappe koppen van het type Smout.)

De kanttekening in de Amersfoortse uitgave (die in feite te Rotterdam werd gedrukt) en die vermoedelijk weer van Brandt afkomstig is, luidt:

Den predikant Adriaen Smout, had over 't Hooglied van Salomon eenige liederen gedicht, en aen Tesselschade gegeven; maer zij vond er den geestelijken zin met zulke vleeschelijke woorden uitgeduidt, dat ze zig schaemden zulke zangen voor eerlijke ooren te zingen.



illustratie

De namens de Amsterdamse Academie door Vondel geformuleerde prijsvraag uit 1630, met een vijandige reactie ernaast.
(Overgenomen uit ‘Vondel! Het epos van een ambachtelijk dichterschap’, ed. M. Geesink en A. Bossers. Den Haag 1987, p. 76.)


Die kanttekening brengt de onverdraagzame predikant Smout nu in verband met een literair milieu, het milieu van de Muider Kring. Met leden als Hooft, Reael, Barlaeus en de zusjes Anna en Tesselschade Visschers was dit milieu het prototype van een arminiaansgezind, literair gezelschap. Niet het milieu waarin men Smout zou zoeken of had Smout zich inmiddels bekeerd tot de tolerantie? Vermoedelijk moeten we die kanttekening toch zien als een aanval op Smouts onbeschaamdheid, met de suggestie: hij had zo'n bord voor zijn kop dat hij zelfs iemand als Tesselschade durfde te benaderen en dan nog met onkiese verzen.

[p. 207]



illustratie

De door Smout beoogde zangster, Maria Tesselschade Visschers


Verbeelding en werkelijkheid

Het beeld van Smout zoals dit uit Vondels hekeldichten en uit de commentaren van Geerardt Brandt tot ons is gekomen, lijkt bepalend te zijn geweest voor wat latere generaties over Smout dachten. De vraag is of dit beeld wordt tegengesproken, dan wel bevestigd door andere bronnen. Smout heeft zeer veel geschreven en ik heb lang niet alles van hem gelezen. Maar uit de werken die hij zelf heeft gepubliceerd vindt men veel van dezelfde onverdraagzaamheid, onbeschaamdheid en volksmennerij terug als in zijn preken. In de Gemeentebibliotheek te Rotterdam heb ik een aantal fragmenten van Smouts preken in handschrift uit de jaren 1626-1629 kunnen inzien. Ze stammen uit de Bibliotheek van de Rotterdamse Remonstrantse Gemeente. Het zijn voor een deel samenvattingen en fragmenten die kennelijk moesten dienen om Smout te treffen. Het fragment uit de preek tegen de Franse koning Lodewijk XIII, is daar een voorbeeld van. Voor een deel zijn die teksten al verwerkt in de gedrukte pamfletten die van remonstrantse zijde werden uitgegeven, ter begeleiding van de uitzetting van Smout uit Amsterdam. Een onbevooroordeeld beeld van Smouts kwaliteiten als predikant hoeven we er dus niet in te verwachten.

Doordat hij hooggeplaatsten onomwonden de waarheid zei, kon Smout zich in de sympathie en bijval van een groot deel van de Amsterdamse bevolking verheugen. Toch moeten we er ons niet toe laten verleiden om deze schreeuwlelijk zelf tot de ‘kleine luiden’ te rekenen.

In het Oud Notarieel Archief van het Rotterdamse Gemeentearchief berust een aantal stukken waarin hijzelf en andere leden van zijn familie voorkomen. Daarin komt Smout in elk geval niet naar voren als een halfontwikkelde volksprediker. Alles wijst er integendeel op dat hij uit een redelijk welgestelde en tamelijk bekende, autochtoon Rotterdamse familie komt. Smout en zijn oudere broer Cornelis, de latere stadssecretaris, studeerden bovendien aan de Leidse universiteit. Op 12 april 1595, op zestienjarige leeftijd, liet Adriaan Joriszoon Smout zich inschrijven als student in de filosofie. Twee jaar later verdedigde hij een thesis exercitii gratia (ter oefening) ‘over het toeval en het menselijk lot en daarenboven over het noodlot en de voorzienigheid’, een passend onderwerp, gezien zijn latere stellingname in de strijd tussen remonstranten en contraremonstranten. In 1600 promoveerde hij op een thesis, getiteld ‘Filosofische onderwerpen’. Een jaar eerder was zijn broer gepromoveerd op een thesis over het huwelijksrecht. Adriaan Smout was niet zonder academische ambitie: hij verzocht het universiteitsbestuur (toen ‘Senatus Academiae’ genaamd) om onbezoldigd ‘buitengewone’ colleges te mogen geven in de logica. De Senaat verleende hem op 5 oktober 1601 daarvoor toestemming. Tot dit moment leek een academische carrière voor Smout te zijn weggelegd. Maar de wijze waarop hij in deze loopbaan vroegtijdig zou worden gestuit, wijst al enigszins vooruit naar het soort moeilijkheden waar Smout later vaker mee zou worden geconfronteerd. Het ging namelijk al gauw mis met de al te gretige docent. De Leidse studenten verstoorden zijn colleges door geroffel met stokken en belgerinkel. Toen dit onvoldoende effect sorteerde, werd de onfortuinlijke docent vervolgens op het Rapenburg met sneeuwballen bestookt. Op 20 december moest de Senaat zich over deze kwestie buigen en aan de studenten draconische straffen in het vooruitzicht stellen. De reputatie van de aankomende docent bleek intussen door zijn studenten toch afdoende geknakt. Toen Smout tenslotte op 16 februari 1602 het hoofd in de schoot legde en om een getuigschrift vroeg waarin zou staan dat hij herhaaldelijk aan de Leidse Academie had gedoceerd, stelde de Senaat het besluit hierover eerst ruim een maand uit, om hem daarna het getuigschrift te weigeren ‘aangezien het hemzelf niet onbekend was hoe het hem tijdens het doceren was vergaan en hoe zijn college was afgelopen’. ‘Het diploma dat hij indertijd aan de universiteit had behaald, was voldoende als getuigschrift,’ meende de Senaat. Behalve een getuigschrift had Smout ook nog om een aanbevelingsbrief verzocht ‘voor het geval hij opnieuw te Leiden wilde komen doceren’. De Senaat besloot fijntjes om het schrijven van die aanbevelingsbrief uit te stellen totdat Smout die werkelijk nodig zou hebben. Uit deze affaire blijkt in elk geval dat doctor Smout toen al goed met zijn ellebogen overweg kon en tevens dat hij zeker geen wonder van tact en fijnzinnigheid was. Wat dit betreft, zal Vondel er niet ver naast gezeten hebben met zijn aanvallen.

[p. 208]

Ook Smouts onbeschaamde stijl van preken wordt uit allerlei bronnen bevestigd. Zo schreef Sixtus Amama, hebraïst en bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek te Franeker, aan Johannes Saeckma, curator van deze Friese universiteit, dat hij bereid was om overal luid te verkondigen dat wie de preekstijl van ds. Smout en de zijnen navolgt, de kansel tot een kermis en een beestenspel maakt. Natuurlijk laat een remonstrant als Geeraardt Brandt zich eveneens ongunstig over Smouts manier van preken uit. In een aantekening bij de Rommelpot vergelijkt hij Smouts preektrant met die van de legendarische Broer Cornelis, de gesel Gods van het zestiende-eeuwse Brugge: ‘Dat's op den trant van Broer Krelis als hy van den Prins met zyn le'ere naersgaetje sermoende’ (= dat lijkt wel Broer Cornelis toen hij preekte over Willem van Oranje in ‘Lederhose’).

Voor zover uit de archiefstukken viel na te gaan, is Smout na zijn stormachtige Amsterdamse periode teruggekeerd naar zijn vaderstad Rotterdam. In de openbaarheid kwam hij niet meer, in elk geval niet meer als voorheen. Wellicht had hij nu eindelijk zijn lesje geleerd. Het is niet onmogelijk dat hij in de jaren na 1630 zijn tijd vooral aan het uitbreiden van zijn bibliotheek besteedde. Voor een ex-predikant lijkt hij er nogal warmpjes bij te hebben gezeten. Zijn welvoorziene bibliotheek werd in zijn sterfjaar 1646 geveild. De veilingcatalogus, waarvan zich een exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen bevindt, telt maar liefst 2517 kavels. Uit die boekenverzameling rijst eerder het beeld op van een intellectueel met brede belangstelling, dan dat van een botterik met een bekrompen, orthodox calvinistisch denkraam. Het is in die catalogus zeker niet allemaal theologie wat de klok slaat. Naast vele juridische, medische en historische werken treffen we juist nogal wat literair werk aan. De groten uit de internationale renaissanceliteratuur zijn uitstekend vertegenwoordigd met uitgaven in de oorspronkelijke taal:Ariosto, Lope de Vega, Jorge de Montemayor, Aretino, Tasso, Guzman de Alfarache, Petrarca, de Lazarillo de Tormes, de Amadis, Rabelais, Du Bartas, d'Urfé enzovoort. De Nederlandse literatuur is vertegenwoordigd door Castelein, Houwaert, Marnix,Coornhert, Roemer Visscher, D. Heinsius, Hooft, Revius en verder door veel toneelwerk: Amsterdams rederijkerswerk en werk uit Costers Academie, maar wiens toneelstukken opvallend ontbreken, zijn die van Vondel, om maar te zwijgen van de hekeldichten!

Naast het vele lezen, moet Smout zich ook druk bezig hebben gehouden met muziek. In die afdeling vinden we 31 kavels. Van de belangrijke Antwerpse musici zoals Crecquillon, De Castro, Verdonck, Cornet en Pevernage bezit hij composities. Natuurlijk zijn daar veel religieuze composities bij, maar toch ook opvallend veel wereldse muziek met teksten van liederen, sonnetten en oden. Verder behoorde tot Smouts boekenbezit een foliant die later bekend is geworden onder de naam ‘luitboek van Thysius’. Dit boek is de schatkamer bij uitstek van de Nederlandse wereldlijke renaissancemuziek. Hierin vindt men helaas heel weinig teksten, maar boven de luitnotaties treft men wel steeds de titel van het desbetreffende muziekstuk aan. Op de eerste bladzijde staat in inkt het bezittersmerk: ‘Johan Thijs, wt d'Auctie van Smoutius’ (Van Joannes Thysius, uit de veiling van Smout). In het luitboek vindt men wel enige proeven van psalmberijming, vermoedelijk van Smouts hand. Naast de Psalmen 20 en 124, die uitgegeven zijn door J.P.N. Land, vindt men hierin ook de tekst van de Psalmen 1, 23, 92 en 128. Ook treft men er een bewerking in aan van Hooglied 4:16; 5:1, 5:9-11; 5:13-16 en 6:1-3 op muziek van de Antwerpse componist Noë Faignient. De ‘vleselijkheid’ van het hier eerder geciteerde Hooglied 5:4 ontbreekt dus. Natuurlijk zijn de hier aan Smout toegeschreven bewerkingen tamelijk zinnelijk. Dat is trouwens geheel in overeenstemming met de bijbeltekst. Met de ‘vleeschelijke woorden’ evenwel, om Brandt te citeren, valt het nogal mee. Men oordele zelf op grond van de bewerking van Hooglied 4:16 (fol.224v):

 
Ryst o gy Noordenwindt (bis)
 
end komt van t suyden
 
Doorwaeijet mynen hof (bis)
 
dat al syn kruyden syn kruyden
 
End' speceryen druypen ende vloeyen
 
Mijn lief Mijn lief die kom
 
in synen (bis)
 
Mijn lief die kom in sijnen hof (bis)
 
gespoeijen
 
End ete d'edel vrucht (bis)
 
die hy doet groeijen
 
End' ete d'edel vrucht (bis)
 
die hy doet groeijen

Waarschijnlijk rezen de bezwaren eerder tegen de manier waarop de bijbeltekst voor zang was bewerkt, dan tegen de woorden zelf. Men kan zich inderdaad voorstellen dat, indien men Hooglied 5:4 als volgt uitwerkt, dit tot enig gebloos bij toekomstige ‘zangsters’ leidt: ‘Hy stack (bis) zijn hant, zijn hant in 't grendel gat (bis), Sijn vingers, sijn vingers, dropen van het nat (bis).’

Eigenlijk wordt Vondels onsympathieke beeld van Smout in andere bronnen nergens weersproken, ja eerder bevestigd. De enige onwaarheid waarop we de hekeldichter konden betrappen is de laster omtrent Smouts criminele bastaardzoon. Smout is zeker een volksprediker geweest; bovendien was hij een gevaarlijke demagoog. Maar halfontwikkeld was hij niet en evenmin lijkt hij later als ambteloos dominee armoede te hebben geleden. Zo bleek uit andere bronnen dan Vondels hekeldichten nog iets verrassends te halen over de man, zonder dat overigens het in hoofdzaak negatieve beeld kon worden bijgesteld. Smout lijkt terecht een voorwerp van Vondels hoon te zijn geworden. Het staat buiten kijf dat de man zich regelmatig stuitend heeft gedragen. Anderzijds had hij ook zijn raadselachtige kanten. Zijn onfortuinlijke Leidse periode laat zien dat hij de nodige intellectuele ambities koesterde; zijn Hoogliedbewerking, die gedeel-

[p. 209]

telijk is overgeleverd, en zijn verzameling werken op literair en muzikaal gebied laten zien dat hij evenmin zonder kunstzinnige aspiraties was, maar van eigentijdse positieve waardering voor deze kwaliteiten ontbreekt nu juist ieder spoor. Wellicht is de aanvankelijke tegenstand te Leiden tegen Smout er nog debet aan dat deze Rotterdammer zich heeft ontpopt als de meest legendarische calvinistische predikant van het Amsterdam van Vondels tijd.

Literatuuropgave

Een glasheldere en beknopte uiteenzetting van de religieuze situatie in het zeventiende-eeuwse Holland, met name van de toenmalige godsdienstige strijdpunten vindt men bij A.Th. van de Deursen, Het kopergeld van de Gouden Eeuw. 4 dln. Assen 1978-1980. Zie vooral dl. 4, ‘Hel en Hemel’, p. 55-64. Het standaardwerk over Oldenbarneveldt en over de remonstrantse politiek is J. den Tex, Oldenbarneveldt. 5 dln. Haarlem [enz.] 1960-1972. Over de kerkelijke situatie te Amsterdam in die periode raadplege men R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam. De kerk der hervorming in de gouden eeuw. 5 dln. Amsterdam [enz.] 1965-1978. Zie vooral dl. 2, p. 374-384.

Over de hekeldichten van Vondel zijn in het verre verleden vele artikelen gepubliceerd die via de handboeken over de geschiedenis van de Nederlandse Letterkunde vrij gemakkelijk terug te vinden zijn. Sinds 1950 is vrijwel geen onderzoek meer op dit terrein verricht. Over de ‘Roskam’ schreef J. Bot, ‘Het historisch kader van Vondels Roskam’. In: Dutch Crossing 1979, 235-269. Over Vondels satire, de eigenaardigheden van dit genre en over de rol die G. Brandt heeft gespeeld bij de uitgave van de hekeldichten, zie K. Bostoen, ‘Vondels hekeldichten’. In: Vondel! Het epos van een ambachtelijk dichterschap. Red. M. Geesink en A. Bossers. 's-Gravenhage 1987, p. 60-72 (Reeks Tentoonstellingscatalogi en -brochures van de Koninklijke Bibliotheek: 27). De laatste uitgave van de hekeldichten werd in 1920 bezorgd door J. Bergsma in de reeks Klassiek Letterkundig Pantheon. Een nieuwe uitgave van de hekeldichten wordt momenteel voorbereid door dr. H.A. Wage en dr. J.A. van Leuvensteijn.

Aan Smout is een uitvoerige bijdrage gewijd door F.S. Knipscheer in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek dl. 10, kol. 941-944. In de literatuuropgave aldaar wordt verwezen naar de belangwekkende bijdragen van J.C. Verhoeff en J.L. van Dalen. Over het luitboek van Thysius schreef J.P.N. Land, ‘Het luitboek van Thysius, beschreven en toegelicht’. In: Tijdschrift der Vereniging voor Noord-Nederland's Muziekgeschiedenis I (1885), p. 129-195, 205-264. Speciaal over Smout, zie p. 130-137. De brief van Sixtus Amama waarin Smout ter sprake komt, is uitgegeven door P.Th. van Rooden, Constantijn L'Empereur (1591-1648), Professor Hebreeuws en Theologie te Leiden. Theologie, bijbelwetenschap en rabbijnse studiën in de zeventiende eeuw. Leiden 1985 (dissertatie), p. 344-345. De stukken met betrekking tot Smouts docentschap te Leiden vindt men in P.C. Molhuysen, Bronnen tot de Geschiedenis der Leidsche Universiteit, 's-Gravenhage 1913-1924, 7 dln. Zie dl. I, p. 133-134, 137, 472*. Titels en signaturen van de theses verdedigd door Adriaan en Cornelis Smout, vindt men in R. Breugelmans, Leiden Imprints 1483-1600 in Leiden University Library and Bibliotheca Thysiana. Nieuwkoop 1974, p. 94.