Literatuur. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Literatuur


bron: Literatuur. Jaargang 8. Amsterdam University Press, Amsterdam 1991


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

Literatuur recensies

Een nieuw standaardwerk

Nog altijd bestaat bij veel mensen het idee dat in de middeleeuwen de blik bij voortduring op het geestelijke en hogere was gericht en dat men voor het aardse en praktische weinig aandacht had. Dat ook de middeleeuwse mens geïnteresseerd was in de wereld om hem heen en in teksten die het leven van alledag konden verklaren, veraangenamen en reguleren, blijkt echter overduidelijk uit het door Ria Jansen-Sieben samengestelde Repertorium van de Middelnederlandse artes-literatuur.

Wat is nu precies artes-literatuur? Negatief geformuleerd kun je zeggen dat alle teksten die niet (alleen) religieus, juridisch, historisch of literair zijn, tot de artes worden gerekend. Positief geformuleerd kom je allereerst terecht bij alle teksten die in direct verband staan met de basisvakken van het middeleeuwse onderwijs, de artes liberales: grammatica, rhetorica, dialectica, arithmetica, musica, geometria en astronomia. Daarnaast worden de artes mechanicae - de ambachten en technische wetenschappen - en de artes magicae, waartoe de goede en kwade tovenarij en allerlei vormen van waarzegkunde behoren, tot de artes-literatuur gerekend. Tot nog toe bestond er geen overzicht van wat er in het Middelnederlands op het gebied van de artes was geschreven. Deze lacune is nu op een indrukwekkende manier opgevuld door het Repertorium, waarin een beschrijving van meer dan duizend handschriften en talrijke drukken op het gebied van de artes wordt gegeven.

Het eerste deel van het boek bestaat uit een Systematische inventaris. Onder ieder trefwoord staat een verwijzing naar Middelnederlandse handschriften over het betreffende onderwerp, terwijl binnen de inventaris zelf een korte beschrijving wordt gegeven van de drukken tot het jaar 1600, die onder het desbetreffende trefwoord kunnen worden gerangschikt. Veelvuldig wordt binnen dit systematische register gebruik gemaakt van kruisverwijzingen tussen de meer dan vijfhonderd trefwoorden. Van ‘Aardbeving’ met als verwijzingen ‘Natuurkunde van het heelal’, ‘Natuurramp’ en ‘Aards Paradijs’ met verwijzingen naar ‘Dirc van Delft’, ‘Jan van Boendale’, ‘Jan van Mandeville’ en ‘het land van Kokanje’ tot ‘Zonzodiologium’, ‘Zweetdiagnose’ en ‘Zweetziekte’. Zo breed is het spectrum van de artes-literatuur.

In het tweede deel, Handschriften, worden per bibliotheek de in de systematische inventaris genoemde handschriften beschreven. Deze beschrijving omvat de volgende vijf onderdelen: 1. de datering en de omvang van het handschrift; 2. een beschrijving van de inhoud van het handschrift met een vermelding van eventuele tekstedities; 3. een kort commentaar; 4. verwijzingen naar bibliografische referentiewerken; 5. een verwijzing naar elders in andere handschriften voorkomende parallelteksten.

Het derde deel, Incipits, bevat een register van de beginregels van de besproken teksten om de identificatie van nieuwgevonden teksten te vergemakkelijken. Het Repertorium wordt voorafgegaan door een inleiding en afgesloten met een register van persoonsnamen. Het Repertorium is een onuitputtelijke bron van informatie voor iedere onderzoeker op het gebied van de Middelnederlandse artesliteratuur. Welke teksten bestaan in het Middelnederlands, waar bevinden zich momenteel de handschriften en drukken en hoe staat het met de verspreiding en de overlevering van de individuele tekst, zijn vragen, die nu met behulp van het Repertorium vrij eenvoudig te beantwoorden zijn en die de aanzet kunnen vormen tot verder onderzoek. Het Repertorium pretendeert niet volledig te zijn. Het vormt slechts een eerste aanzet tot het in kaart brengen van de overlevering van de Middelnederlandse artes-literatuur. De centrale vraag die bijgevolg in verband met het Repertorium moet worden gesteld, is dus of het gehanteerde systeem geschikt is om op voort te bouwen. Ten aanzien van de handschriften kan ik die vraag volmondiger met ja beantwoorden dan ten aanzien van de drukken. De combinatie van trefwoordenregister met een verwijzing naar handschriften die vervolgens per bibliotheek zijn geordend, is een goede opzet. A.M.J. van Buuren heeft er in Dokumentaal (19 [1990], 3, p. 129-136) op gewezen dat enige voor de hand liggende trefwoorden ontbreken en dat ook het verwijzingensysteem tussen de trefwoorden onderling en tussen de handschriften en de trefwoordenlijst niet helemaal waterdicht is. Het is inderdaad duidelijk dat het Repertorium zich niet richt op leken. Men moet weten wat men zoekt en men moet vervolgens creatief zoeken, maar het door Jansen-Sieben gehanteerde systeem biedt mijns inziens echter de mogelijkheid om in de supplementen - die te zijner tijd zeker zullen verschijnen - ook nog aan de systematische indeling en het verwijzingensysteem te sleutelen. Het Repertorium biedt de mogelijkheid om op een systematische wijze aanvullingen te signaleren en te verwerken. Dat is belangrijk, want het is evident dat het handschriftenbestand van nog niet onderzochte bibliotheken een plaats binnen het Repertorium zal moeten vinden.

Over de beschrijving van gedrukte teksten ben ik echter minder te spreken. Hoewel de auteur als einddatum voor haar zoektocht het jaartal 1600 heeft gekozen en over-

[p. 194]

tuigend heeft verantwoord dat er geen reden is om zich tot handschriften te beperken, komen de gedrukte teksten er toch wel enigszins bekaaid af. De beschrijving van de gedrukte teksten is minder informatief en gedetailleerd dan die van de handschriften. Bovendien lijkt mij de koppeling van de gedrukte teksten aan één trefwoord - met het oog op supplementen - niet erg handig. Dit verdient enige toelichting. Veel van de artes-teksten in handschrift blijken in een compilatiehandschrift te zitten. Dat wil zeggen dat binnen een handschrift teksten van verschillende aard een plaats hebben gekregen. Jansen-Sieben geeft aan op welke plek binnen het handschrift de artes-teksten staan en waarover het betreffende tekstgedeelte handelt. Ook voor een aantal gedrukte teksten geldt echter dat zij geen eenheid vormen. Een tekst als Thuys der fortunen ende dat huys der doot - voor het eerst gedrukt in 1518 - moet ook als een compilatietekst worden gezien. De samensteller is zich van het probleem bewust en zij probeert het te ondervangen door onder allerlei trefwoorden naar de tekst te verwijzen. Daarmee krijgt de gebruiker echter nog steeds geen goed inzicht in de inhoud van de tekst, want Jansen-Sieben geeft alleen de tekst die op de titelpagina staat. De reden om voor de gedrukte teksten een ander systeem te kiezen, ken ik niet, maar ik vermoed dat de praktische onmogelijkheid om ook de gedrukte teksten tot in detail te beschrijven aan de gekozen vorm ten grondslag ligt. Vanuit een oogpunt van systematiek zou men wensen dat Jansen-Sieben de gedrukte teksten op dezelfde manier had behandeld als de handschriften.

Ook in een ander opzicht komen gedrukte werken er bekaaid af. In het handschriftendeel noemt Jansen-Sieben per bibliotheek de catalogi die van de betreffende bibliotheek bestaan. Ze noemt daarbij vaak, maar niet altijd, ook de catalogi die betrekking hebben op gedrukte werken. Een systeem valt er niet in te ontdekken, zoals de volgende voorbeelden zullen laten zien. Hoewel zij in haar handschriftendeel naar de National Library of Medicine te Bethesda verwijst, noemt de auteur de catalogus van het oude boekenbezit van deze bibliotheek niet. Uit de verwijzingen naar deze bibliotheek bij de opsomming van exemplaren bij een aantal gedrukte werken in de Systematische inventaris blijkt echter dat ze die catalogus wél systematisch heeft gebruikt. Helaas - en dat is vervelender - komt ook het tegenovergestelde voor. Van de Stiftsbibliothek in Xanten bestaat een recente en omvangrijke catalogus van het rijke bezit aan oude drukken van de hand van Hildegard Föhl en Anita Benger (Kevelaer 1986). Jansen-Sieben noemt de catalogus in het handschriftendeel op p. 481. In deze catalogus wordt onder meer melding gemaakt van een tot nu toe onbekende druk van Jan Berntsz uit Utrecht van het Regiment der gesontheit, de Regimen Sanitatis. In haar trefwoordendeel wordt bij ‘regimen’ en ‘regiment’ verwezen naar ‘gezondheidsregels’ en onder de daar genoemde teksten vinden we wel de druk van Jan van Doesborch van diezelfde tekst vermeld, maar niet de jongere druk van Berntsz uit 1515. Van Een constich distileerboeck van Philippus Hermanni (Rees, Derick Wijlicx) uit 1581 noemt zij wel de titel, maar zij kent geen verblijfplaatsen. Er is een exemplaar in de Stiftsbibliothek van Xanten. Daarnaast is er nog een aantal andere artes-teksten waarvan de bibliotheek in Xanten óók een exemplaar heeft. De functie van het noemen van deze catalogus in het handschriftengedeelte - zonder dat de inhoud in het Repertorium is verwerkt - is verwarrend. Het noemen van de catalogus suggereert immers dat de drukken van artes-teksten tot 1600 uit de bibliotheek zijn opgenomen. Met betrekking tot de bibliotheekcatalogi van gedrukte teksten is de samensteller niet consequent. Zij noemt wel de catalogus van Xanten en niet de catalogi van het oude-drukkenbezit van de bibliotheken van Aberdeen en Giessen, bibliotheken die zij in verband met de handschriften ook noemt. Kent zij het bestaan van deze catalogi niet of noemt zij de catalogi niet omdat er geen Nederlandstalige artes-teksten in staan? Het lijkt een kwestie van willekeur. Een willekeur die de individuele gebruiker veel werk bezorgt, want omdat hij niet weet welke catalogi wél en welke níet in het Repertorium zijn verwerkt, zal hij ook veel bibliotheekcatalogi die Jansen-Sieben wel noemt toch ook zelf ter hand moeten nemen. Het werk van Jansen-Sieben is voor wat betreft de Middelnederlandse artes-handschriften een handboek van groot belang, maar voor de gebruiker die (ook) in gedrukte artes-teksten is geïnteresseerd, lijkt voorzichtigheid geboden. Dit doet niets af aan mijn bewondering voor deze eenvrouwsarbeid, maar het stelt wel de vraag of de doelstelling niet iets te pretentieus is geweest. Maar laat ik duidelijk zijn. Zelfs in deze vorm is het overzicht van Ria Jansen-Sieben voor wat betreft de gedrukte artes-teksten het meest volledige overzicht dat onderzoekers ter beschikking staat. Het Repertorium geeft een goed beeld van wat op het gebied van de artes tot 1600 is verschenen en het is ook voor de periode van het gedrukte boek een onmisbaar standaardwerk. Het is slechts een kwestie van tijd tot de js aan het rijtje van algemeen erkende afkortingen voor standaardwerken zal zijn toegevoegd.

P.J.A. Franssen

[p. 195]

R. Jansen-Sieben, Repertorium van de Middelnederlandse artes-literatuur, hes, Utrecht 1989. 533 p., ƒ 265,-

Lof der catalografie

Wat nu precies de oorzaak is van de toenemende stroom catalogi van speciale bibliotheekcollecties zal wel niet precies zijn aan te geven, maar factoren die bijdragen aan een gunstig bibliografisch klimaat zijn zeker de in bewerking zijnde mammoetonderneming stcn (Short Title Catalogue of the Netherlands) en de automatisering in het algemeen en in het bibliotheekwezen in het bijzonder.

Nochtans vestigt Jaspers in zijn in 1988 verschenen catalogus van de blokboeken en incunabelen in de Stadsbibliotheek Haarlem er de aandacht op dat zijn boek op een tamelijk klassieke wijze tot stand is gekomen. Dat er na het verschijnen van de tweedelige idl (Incunabula in Dutch libraries) in 1983 nog genoeg ruimte is voor catalogi per afzonderlijke collectie wordt uit het boek van Jaspers al snel duidelijk. Hij beschrijft 216 objecten tegen de idl 175 en de wijze van beschrijven is ook zeer veel uitvoeriger dan die van de ‘short title’-idl. Samen met de uitvoerige inleidende hoofdstukken is de catalogus dan ook bestemd voor een ruimer publiek dan de incunabelspecialist; eenieder die geïnteresseerd is in Haarlem en haar bibliotheek vindt hier wel wat van zijn of haar gading.

Jaspers behandelt de vroegste geschiedenis van de Stadsbibliotheek, gesticht in 1596, en hij geeft een uiteenzetting van de blokdruktechniek, van de prototypografie en van de incunabeldruk. Met voorbeeldige speurzin heeft Jaspers van een zeer groot deel van de beschreven exemplaren de vroegere bezitters kunnen identificeren, voor het merendeel kloosters als de Commanderij

illustratie

Het drukkersmerk van Jacob Bellaert met het wapen van Haarlem. Uit: Jaspers, De blokboeken en incunabelen in Haarlems Libry.


van Sint Jan en andere kloosters in de onmiddellijke nabijheid, maar ook een aantal in Duitsland. Verder strekken de provenance-gegevens zich uit over vele privé-personen vanaf de vijftiende tot de twintigste eeuw, onder wie uiteraard de wat vreemde bibliofiel Jacobus Koning niet ontbreekt en tot wie ook Hoffmann von Fallersleben behoort.

Van alle 26 Nederlandse en alle 59 buitenlandse incunabeldrukkers worden vervolgens beknopt enige gegevens geleverd, waarna een behandeling volgt van de diverse ‘vakgebieden’ waarop de incunabelen betrekking hebben: theologie, leerboeken, geschiedwerken, juridische literatuur, klassieke en humanistische werken. Een uitvoerig hoofdstuk is gewijd aan de illustraties en illustratoren en ook de boekbanden blijven niet onbesproken.

De eigenlijke catalogus beschrijft 165 incunabelfragmenten, genummerd *1 - *165 (over de laatste vijf heeft Jaspers inmiddels nadere bijzonderheden gepubliceerd in De Boekenwereld 6 (1989), p. 5-11, zes blokboeken (nr. 1-6), vier werken ontstaan uit combinatie van blok- en losse-letterdruk (nr. 7-10, allemaal exemplaren met het bekende Speculum humanae salvationis), veertien drukken uit de periode van de prototypografie (nr. 11-24) en onder de nrs. 25-216 de incunabelen. De beschrijvingen bestaan uit de titel, het impressum, formaat en opbouwformule, gegevens over rubricering, provenance, bibliografische verwijzingen, bibliotheeksignatuur en eventueel commentaar. Een lijst technische termen, een literatuuropgave, een register op voormalige bezitters en een concordans op de belangrijkste incunabelbibliografieën besluiten het boek.

 

Het merendeel van de incunabelen van de Bibliotheca Philosophica Hermetica (bph) in Amsterdam is evenmin te vinden in de idl omdat 168 van de 192 aanwezige exemplaren verworven zijn in de periode 1984-1989. De bph, de bijzondere collectie aan de Amsterdamse Bloemgracht van Joost R. Ritman, verzamelt uitsluitend teksten en secundaire literatuur die in de traditie staan van de christelijke Hermetische filosofie; vandaar ook de titel van de catalogus Christ, Plato, Hermes Trismegistus. De sterke groei van het aantal incunabelen in de laatste jaren wordt door de directeur van de bibliotheek, prof. dr. Frans A. Janssen, in de inleiding toegeschreven aan een plotseling groot antiquarisch aanbod, met name de auctie van de collectie van Estelle Doheny en die van de ‘duplicaten’ van de John Rylands Library.

Het in 1990 verschenen eerste

[p. 196]

deel (in twee banden) van de catalogus beschrijft de 192 incunabelen, verworven vóór 1 september 1989; een tweede deel wordt in het vooruitzicht gesteld, echter pas na het verschijnen van de catalogus van de handschriften uit de periode tot 1500. Het ligt in de bedoeling uiteindelijk van alle handschriften en manuscripten (ongeveer 300) en drukken (ongeveer 4000) van vóór 1800 een catalogus te doen verschijnen.

De incunabelcatalogus van de bph beschrijft niet alleen juwelen van boekdrukkunst uit de periode tot 1501; de catalogus zelf is eveneens een prachtig typografisch geheel: twee fraaie linnen banden in cassette, schutbladen met afbeeldingen uit de Biblio pauperum, een fraaie Bembo-letter en een schitterende lay-out van Charles Jongejans met in iedere opening links een afbeelding (vele in kleur) uit de beschreven incunabel en rechts een pagina met in de rechterkolom de bibliografische beschrijving en links een tekstblok met toelichting. Die toelichtingen door de Amerikaanse incunabelspecialist Margaret Lane Ford betreffen zowel bijzonderheden over auteurs en drukkers als de inhoud van de beschreven boeken met het accent op hun relatie tot de speciale bph-collectie.

Het zou te ver voeren hier te verwijzen naar alle bijzondere exemplaren; de collectie in haar geheel is al bijzonder genoeg. Desalniettemin zij hier vermeld dat er twee blokboeken aanwezig zijn, de beroemde Biblia pauperum en Johann Hartliebs Die Kunst Chiromantie, verder verschillende drukken van Augustinus' De civitate Dei, de Latijnse bijbel uit 1462 uit de werkplaats van Fust en Schoeffer en de Delftse bijbel van 1477, werken van Boccaccio en Boethius, Sebastian Brants Narrenschiff, werk van Dante, Marcilio Ficino, Gerard Zerbold van Zutphen en Flavius Josephus; ook de Roman de la Rose ontbreekt niet, evenmin als teksten van Pico della Mirandola en de eerste gedrukte wereldgeschiedenis van Werner Rolewinck uit 1474; Thomas a Kempis is ruim vertegenwoordigd. Ook een exemplaar van het mooiste boek dat ooit gedrukt is, Francisca Columna's Hypnerotomachia Poliphili uit de drukkerij van Aldus Manutius in 1499 met 172 schitterende houtsneden, bevindt zich in de collectie van de bph.

De bibliografische beschrijvingen bestaan uit de titel, het impressum, het bibliografisch formaat met de afmetingen van de pagina's in millimeters, het aantal bladen, gegevens over lettertype, initialen, illustraties en illuminatie, en provenance-gegevens die het soms mogelijk maken de bezitters gedurende al die eeuwen te volgen. Er wordt gerefereerd aan de incunabelbibliografieën van Hain, de Gesamtkatalog der Wiegendrucke, de British Museum Catalogue, Goff en de idl, maar omdat niet iedereen die bij de hand heeft, is het jammer dat de collatieformule - die overigens ook in de idl ontbreekt - niet in de beschrijving is opgenomen.

 

De initialen K.v.d.H. waren op menige plaats te vinden onder de beschrijvingen in de tentoonstellingscatalogus van de Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek uit 1984. Velen hebben toen kennis genomen van de prachtige codices uit het bezit van de ub Utrecht, evenals trouwens op de expositie ‘Middeleeuwse miniaturen uit de Noordelijke Nederlanden’ in het Catharijneconvent eind 1989-begin 1990. Conservator Koert van der Horst was dan ook de aangewezen persoon om het complete handschriftenbezit te beschrijven, hetgeen nu geschied is in een monumentale, zeer rijk geïllustreerde catalogus. Van de ongeveer 700 codices van de ub Utrecht worden de 181 gedecoreerde hier beschreven. Daarvan stammen er 134 uit de Noordelijke Nederlanden, 17 uit de Zuidelijke Nederlanden, 10 uit Frankrijk, 7 uit Duitsland, 10 uit Italië en 3 uit Griekenland. Het pronkstuk uit de collectie, het beroemde Utrechtse psalterium met zijn 166 tekeningen, is buiten deze catalogus gehouden omdat daarvan in 1984 een facsimile-editie is verschenen.

De per land chronologisch geordende beschrijvingen bestaan uit auteur, titel en datering, aantal folia en de afmetingen in millimeters, aanduiding van de gebruikte letter en het materiaal waarop geschreven is, gegevens over de band, de aard van de decoratie (miniaturen, initialen, randwerk en dergelijke), provenance-gegevens, de kunstenaars en verwijzingen naar de secundaire literatuur. De iconografische index bevat de onderwerpen van de illustraties, die vervolgens gelieerd worden aan de coderingen van Iconclass, het internationale kunsthistorische classificatiesysteem. Verder zijn er indices op de beeldende kunstenaars, op kopiïsten, op auteurs en anonieme teksten, op land en landstreek, op vroegere bezitters en op andere codices waarnaar verwezen wordt.

De 23 schitterende kleurenplaten en 718 afbeeldingen in zwartwit bieden een compleet overzicht van de illuminaties en illustraties in de beschreven codices, waaronder natuurlijk de getijdenboeken bijzonder opvallen. Van der Horst en zijn uitgevers hebben met deze catalogus de internationale kunsthistorie en mediaevistiek zeer aan zich verplicht.

Als vervolg op de ‘stc Dutch’, de in 1965 verschenen short-title catalogus met het Nederlandse bezit van de British Library uit de periode 1470-1600, verscheen in 1990 de catalogus met de Neder-

[p. 197]

landse en in de Nederlanden (het huidige Nederland, België en Luxemburg) gedrukte boeken en pamfletten uit de periode 1601-1621. De grens is getrokken bij 1621 zodat de hausse aan pamfletten betreffende het Twaalfjarig Bestand nog opgenomen kon worden. Deze een-vrouwsonderneming van Anna Simoni is een ongelofelijk knap stuk werk. Niet minder dan 3719 boeken en pamfletten en 335 kranten zijn door haar beschreven met volledige titel en impressum, bibliografisch formaat en pagina-aanduiding en met in de annotatie bijzonderheden over illustraties, provenance, daterings- en auteurschapskwesties.

Hoe gedetailleerder een catalogus is, hoe meer kans er is op vraagtekens bij intensief gebruik. Mevrouw Simoni heeft ervoor gekozen - en dat is gezien de tijdsdruk begrijpelijk - alleen collatieformules op te nemen als de paginering ontbreekt of als er iets aan de hand is met de paginering. Dit leidt echter tot voor de bibliograaf zeer ondoorzichtige situaties als bijvoorbeeld bij nr. S247, Starters Friesche lust-hof van 1621, waar vermeld wordt ‘pp. 201, sig. A-C4’. De aangegeven fout in de paginering (op 152 volgt 163) impliceert dat er, het ongepagineerde nawerk I. Starters Boertigheden (A-C4) meegerekend, geen 201 bedrukte pagina's kunnen zijn en dan is ook het voorwerk (*4 *4 [sic] **4 ***2) blijkbaar buiten beschouwing gebleven. Verder is in beschrijving S247 een mogelijke zetfout (‘Dor [i.p.v. Door] Ian Iansz. Starter’) niet met ‘[sic]’ aangegeven, hetgeen in dit geval toch wellicht een twintigste-eeuwse zetfout zal zijn. Het ware wellicht toch beter geweest minder aandacht te geven aan pagineringsfouten en in plaats daarvan opbouwformules op te nemen.

De alfabetisch op auteur ingerichte catalogus wordt toegankelijk gemaakt door een index op drukkersnamen

illustratie

Eerste editie van de Latijnse vertaling door Apuleius van Hermes' Asclepius. Uit: Margaret Lane Ford, Christ, Plato, Hermes Trismegistus [...]


die verwijst naar de index op drukkersplaatsen en tenslotte is er een algemene index op namen, pseudoniemen, motto's en dergelijke. De hierin geconstateerde onnauwkeurigheden (C.L. van der Plasse, 1618: ‘N306’ lees ‘N300’; P.A. van Ravesteyn, 1608/10: toevoegen ‘V210?’; 1619: toevoegen ‘R82’; geen verwijzing in de algemene index en in de toelichting bij A105 op ‘Houtman’, die als mogelijke oplossing van Xylander alleen op p. 841 gesuggereerd wordt; een onduidelijke verwijzing bij Gabriel Bethlen naar V137) doen geen afbreuk aan de grote verdiensten - vroeger, nu en naar ik hoop in de toekomst - van Anna Simoni voor de Nederlandse bibliografie.

 

Een nieuwe Vondel-bibliografie na die van Unger uit 1888 is er nog steeds niet, maar er worden wel meer mogelijkheden geschapen om aan zo'n onderneming ooit nog eens te beginnen. Vrijwel gelijktijdig verschenen in 1987 de Vondelcatalogi van de ub Amsterdam (door Schuyvlot) en de ub Nijmegen (door Arpots). Daar is onlangs die van de ub Leiden, inclusief de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de Bibliotheca Thysiana, door José Breeuwsma (met medewerking van Henk de Kooker) aan toegevoegd, in totaal 457 nummers met beschrijvingen van ruim 500 exemplaren van vóór 1856.

Bij de inrichting van de catalogus is bij gebrek aan beter de Unger-indeling van de rubrieken aangehouden. De Leidse catalogus kon profiteren van de beschrijvingen in de Amsterdamse en Nijmeegse, met name wat betreft de opbouwformules die nu tot een voorlopige collatieformule zijn gecombineerd. De beschrijvingen bestaan uit een genormaliseerde

[p. 198]

transcriptie van de titelpagina, impressum, colofon, opbouwformule, een stcn-vingerafdruk, de bibliotheeksignatuur en een annotatie met verwijzingen naar Arpots en Schuytvlot.

Deze catalogisering heeft weer aardige vondsten opgeleverd voor de Vondel-filologie in de vorm van onder meer een spiegelbeeldafdruk van een titelblad van een druk met het jaartal 1669 op een blanco blad in een druk van 1661, en ander zetsel in een exemplaar van de Palamedes-druk Amersfoort 1707.

De Leidse Vondel-catalogus wordt ontsloten door registers op titels, algemene namen, initialen en motto's, auteurs, vertalers en bewerkers, graveurs en ontwerpers, drukkers, boekverkopers en uitgevers en namen van vroegere eigenaars. De oogst van twintig ‘niet in Unger’-edities staat bescheiden op de allerlaatste pagina.

 

In aansluiting op de Nederlandse gelegenheidsgedichten voor 1700 in de Koninklijke Bibliotheek (1982) van José Bouman hebben Marjan Daamen in Albert Meijer de goede gedachte gehad om een catalogus samen te stellen van gedrukte Nederlandse gelegenheidsgedichten uit de zeventiende en achttiende eeuw in de Zeeuwse Bibliotheek. Na die van de veilingcatalogi in 1987 is dit de tweede catalogus van een deelcollectie van de Middelburgse bibliotheek. Onder de 441 beschreven nummers is een opmerkelijk groot aantal - ongeveer 175 - vervaardigd door Anthony Jansen, de vader van Joannes Antonides van der Goes.

De beschrijvingen in de chronologisch ingerichte catalogus bestaan uit auteur, titel, impressum, bibliografisch formaat, aantal pagina's, bibliotheeksignatuur, literatuurverwijzingen en commentaar. Er zijn indices op personen, drukkersplaatsen, de aard van de gelegenheid waarop de gedichten betrekking hebben, en op steden en dorpen waar een en ander zich afspeelde.

Als voorwerp van gelegenheidswerk komt onder anderen voor Jacobus Bellamy en onder de auteurs treft men o.a. aan G. Bidloo, Coosje Busken, Patrus Dathenus, Aagje Deken, Jacobus Gardon, Arnold Hoogvliet, Pieter Langendyk en Lucretia Wilhelmina van Merken.

P.J. Verkruijsse

G.J. Jaspers, De blokboeken en incunabelen in Haarlems Libry. Haarlem: De Vrieseborch, 1988. 311 p., ills., ƒ 50,-.

Margaret Lane Ford, Christ, Plato, Hermes Trismegistus. The dawn of printing. Catalogue of the incunabula in the Bibliotheca Philosophica Hermetica. Vol. i, part 1-2. Amsterdam: In de Pelikaan, 1990 (distributie door De Graaf Publishers, Nieuwkoop). Texts and Studies published by the Bibliotheca Philosophica Hermetica, 1. 410 p., ills., ƒ 350,-.

Koert van der Horst, Illuminated and decorated Medieval manuscripts in the University Library, Utrecht. An illustrated catalogue. Maarssen/'s-Gravenhage: Gary Schwartz/sdu, 1989. xiii + 75 p. + 731 ills.

Anna E.C. Simoni, Catalogue of books from the Low Countries 1601-1621 in the British Library, London, The British Library, 1990. xviii + 842 p., ills., £ 95.

José Breeuwsma, m.m.v. H.W. de Kooker. Leidse Vondeliana. Catalogus van werken van en over Vondel, in druk verschenen voor 1856, aanwezig in de collecties van de Bibliotheek der Rijksuniversiteit, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de Bibliotheca Thysiana te Leiden. Leiden, Bibliotheek Rijksuniversiteit, 1990. Kleine publikaties van de Leidse Universiteitsbibliotheek, 7. 160 p., ƒ 5,- + ƒ 2,50 verzendkosten op postgiro 2107 van de Bibliothecaris ru Leiden.

Marjan Daamen en Albert Meijer. Catalogus van gedrukte Nederlandse gelegenheidsgedichten uit de zeventiende en achttiende eeuw in de Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg. Middelburg, Zeeuwse Bibliotheek, 1990. 144 p., ills., ƒ 49,50 excl. verzendkosten.

Een stroeve Hadewijch

De literatuur in het Middelnederlands kan bogen op een klein aantal auteurs en werken die buiten onze taalgrenzen grote bekendheid genieten. Een van die ‘culturele ambassadeurs’ van onze letteren is een vrouw die ook in haar eigen tijd, de dertiende eeuw, al intensieve internationale contacten onderhield. Zij kende geestverwanten in het huidige Duitsland, Frankrijk en Engeland, maar ook in Denemarken, Tsjechoslowakije en Israël. Deze Hadewych heeft sinds haar herontdekking in de negentiende eeuw een niet aflatende stroom onderzoekers weten te fascineren en het ziet er allerminst naar uit, dat daar binnen afzienbare tijd verandering in komt. Integendeel, sinds de jaren zeventig is het aantal studies dat over haar werk verscheen, zowel binnen het Nederlandse taalgebied als daarbuiten, sterk gestegen en nog altijd lijkt de groei er niet uit. Het is in dit licht niet verwonderlijk dat er naast de studies een blijvende behoefte bestaat aan tekstuitgaven, niet in de laatste plaats van de kant van de onderzoekers zelf, die hun enthousiasme en bewondering zo graag willen overbrengen op een groter publiek dan alleen de kring van ingewijde kenners. Een kapitaal probleem daarbij is natuurlijk dat zij een immense kloof te overbruggen hebben. Hoe krijg je een laat-twintigste-eeuws, voor het overgrote deel geseculariseerd publiek, zover dat het zich verdiept in de exclusieve en in een uiterst psychologisch-technisch jargon gestelde aanwijzingen voor het inrichten van een op de extatische godservaring gefixeerd leven? Waarom zouden wij, in het tijdvak na de seksuele revo-

[p. 199]

lutie, warmlopen voor de psychische zelfkwellingen waaraan kuise begijnen zichzelf ruim zes eeuwen geleden met een niets-ontziende ijver onderwierpen? Het pleit sterk voor het oeuvre van Hadewijch dat er tekstbezorgers en uitgevers zijn die deze vragen trotseren.

Zo is er in 1990 bij uitgeverij Kok te Kampen een vertaling verschenen van De brieven van Hadewijch van de hand van Hadewijch-expert bij uitstek Paul Mommaers. Na eerdere versies in 1936, 1954 en onlangs nog in 1986, is het inmiddels de vierde integrale vertaling van de Brieven in modern Nederlands. Evenals bij de twee eerste vertalingen het geval was, gaat deze vertaling vergezeld van de Middelnederlandse tekst. Mommaers, die in 1989 een uitstekende, op een breder publiek gerichte monografie Hadewijch publiceerde (eveneens bij Kok te Kampen), heeft zijn vertaling nu laten voorafgaan door een inleiding van twee (!) bladzijden. Hij verantwoordt hierin zijn keuze voor een tweetalige editie door te wijzen op het doel dat hij met zijn uitgave nastreeft: ‘de hedendaagse lezer in contact te brengen met de oorspronkelijke tekst’ (p. 7). Afgezien van de weliswaar als ervaringsfeit geponeerde, maar mijns inziens discutabele veronderstelling, dat de drempel voor het lezen van Middelnederlands uit de dertiende eeuw ‘verrassend laag’ wordt wanneer de tekst vergezeld gaat van een moderne vertaling, kan men zich afvragen waarom Mommaers er dan voor gekozen heeft die Middelnederlandse tekst niet in een althans wat spelling, interpunctie en hoofdlettergebruik betreft voor de huidige lezer vertrouwde vorm aan te bieden. Zoals de tekst er nu staat is hij door het (voor velen) willekeurig door elkaar gebruiken van de u en de v, door het op onverwachte plaatsen voorkomen van hoofdletters en vooral door het meermalen ontbreken van zinsstructurerende interpunctie nodeloos moeilijk geworden.

Dit gezegd zijnde, moet men deze gebreken mijns inziens ook weten te relativeren. Veel lezers zullen immers genoegen nemen met de vertaling, ook al beseft iedereen wel dat de meeste literaire werken, al gaat het in dit geval dan om brieven, in vertaling iets van hun glans verliezen. Maar ook hierin stelt Mommaers hen teleur. Omdat hij zijn vertaling niet als doel op zichzelf beschouwt, maar als een hulpmiddel om de lezer ‘zonder veel moeite’ te laten zien ‘hoe Hadewijch zelf dat zegt’, zodat hij ‘dan al gauw binnen [treedt] in de eigen (taal)-wereld die zij geschapen heeft’ (p. 7), acht hij het geen bezwaar dat zijn vertaling ‘hier en daar stroeve of overladen zinnen meebrengt’ (p. 7). En helaas moet ik hem althans wat dit laatste betreft volmondig gelijk geven. De vertaling kleeft zo dicht aan de grondtekst dat er niet zelden sprake lijkt van weinig meer dan een herspelling, zoals, om maar een willekeurig voorbeeld te noemen, blijkt bij de vertaling van ‘want onser stote zijn vele, ende moghen wi ghestaen, soe selen wi vol wassen’ als: ‘Want talrijk zijn de stoten die wij krijgen, maar houden wij stand, dan zullen wij volwassen worden’ (p. 40-41). Het lijkt mij dat in het huidige taalgebruik het woord stoot niet meer begrepen wordt als tegenstand en dat volwassen toch andere associaties oproept dan Hadewijch voor ogen stond. Dit soort voorbeelden kan men naar believen uitbreiden (op dezelfde bladzijde lezen we ‘al doet het mij wee’ als vertaling van ‘al eest mi wee’), waarbij tenslotte nog kan worden gewezen op de archaïserende tendens in de vertaling, waar consequent gekozen is voor ‘ge’ en ‘gij’ en waarin men woorden en uitdrukkingen aantreft als ‘om Zijnentwille’ (vert. van ‘dore hem’; p. 53), ‘vooraleer’ (‘eer’; p. 65), ‘tweeerhande’ (‘tweerande’; p. 69) en ‘alrenaast’ (‘alre naest’; p. 257).

De implicatie van de toegepaste quasiletterlijke vertaalmethode, die - zoals Mommaers zelf eigenlijk al aangeeft - onvermijdelijk een stroeve tekst oplevert, is natuurlijk dat deze moderne vertaling van de Brieven zich niet als zelfstandige tekst laat lezen. Een constatering die nog eens onderstreept wordt door het ontbreken van een systematische toelichting op de door Hadewijch gebruikte mystieke terminologie, die (uiteraard) onvertaald is gebleven.

De enige steun die de lezer nog rest is de kennis en de expertise van de editeur, die ervoor zorgen moet dat hij niet verdwaalt in de voor hem toch exotische teksten. Hiertoe heeft Mommaers de brieven elk afzonderlijk doen voorafgaan door een inleiding van gemiddeld zes à zeven zinnen. Om echter de moderne lezer ‘die kennismaking zoekt met Hadewijch’ niet helemaal in de kou te zetten, komt Mommaers hem tegemoet met het verstrekken van een ‘pedagogische wenk’ bij de lezing van de Brieven. In het licht van de hierboven geschetste sisyfusarbeid van de tekstbezorger, die de gapende kloof van zes eeuwen tussen twee volstrekt van elkaar vervreemde culturen moet overbruggen, klinkt deze raadgeving echter tamelijk absurd. Degene die nog niet bekend is met Hadewijch, adviseert hij de Brieven te benaderen ‘als een lezer die leest voor het plezier van het lezen. (Zo ongeveer als iemand die zonder bijbedoelingen een roman of een toneelstuk leest, of gedichten - dat het hier mystieke teksten betreft en dat sommige brieven in feite traktaatjes zijn, doet daar niets van af.)’ (p. 7-8).

Wie de onvoorbereide leek op dertiende-eeuwse mystieke traktaatjes trakteert alsof het om vrij-

[p. 200]

blijvende lectuur gaat (‘zonder bijbedoelingen’), is als een chef-kok die zijn gasten een half ontdooide diepvrieskip met rauwkost serveert. Wie wil er eten in een restaurant waar men zijn eigen boontjes moet doppen?

Herman Brinkman

P. Mommaers, De brieven van Hadewijch. Altiora, Aberbode/Kok, Kampen 1990. 259 p., ƒ 33,90.

Vondels Lust tot Poëzij

In de Griffioen-reeks verscheen onlangs een bundeltje poëzie van Vondel. Het bevat op een kleine zeventig pagina's een veelheid aan herspelde gedichten, waaronder het schitterende ‘Op mijn schilderij, toen Govert Flinck mij uitschilderde in het jaar 1653’ met het portret van de dichter ernaast. Verder is een beknopt, maar helder en informatief nawoord van de samenstellers (Jan Konst en Hans Luijten) opgenomen over Vondel als dichter, zijn oeuvre en de plaats van zijn werk in de zeventiende-eeuwse maatschappij (14 p.). Na een verantwoording (3 p.) completeert een toelichting op de opgenomen verzen (27 p.) deze uitgave. In de zo langzamerhand bekende formule die de al bijna twintig verschenen deeltjes in deze serie zo succesvol heeft gemaakt, valt hier met name de verhouding tussen het aantal bladzijden met poëzie en toelichting op. Anders dan met de in deze reeks meestal gekozen prozateksten namelijk, die grotendeels in modern Nederlands vertaald kunnen worden, houdt poëzie op poëzie te zijn als metrum en rijm worden weggenomen. Dit betekent dat niet alleen de tekst in deze uitgave er veel zeventiende-eeuwser uitziet dan die in een vergelijkbare prozabundel als Geeraardt Brandts Leven van Joost van den Vondel (in 1986 in deze reeks verschenen), maar ook dat veel van deze Vondeliaanse woorden niet zonder een uitgebreider woordcommentaar kunnen.

We treffen in de selectie bekende dichtwerkjes als ‘Roskam’, ‘Geuzenvesper’, ‘'t Stokske van Johan van Oldenbarneveldt’, ‘Uitvaart van mijn dochtertje’ en minder bekende, waaronder het prachtige sonnet aan P.C. Hooft en zijn aanstaande vrouw. De lezer krijgt in de opgenomen dichtwerken een gevarieerd beeld van de dichter en zijn tijd, dat in het ‘nawoord’ op talrijke punten nog wordt aangevuld. In de ‘verantwoording’ lezen we hoe de selectie van de diverse gedichten tot stand is gekomen. De samenstellers hebben in de volgorde
afwisseling willen brengen en de gedichten als dominostenen aaneengeschakeld, overeenkomstig de tot op zekere hoogte toevallige opeenvolging van gebeurtenissen en gelegenheden waarop Vondel dichtte. Op deze manier ontstaat een keten van gedichten waarbij we steeds twee gedichten hebben gekoppeld. Dit levert een herhalende variatie op die, naar wij hopen, de nieuwsgierigheid prikkelt (p. 96).

 

In ieder geval is hier meer nagedacht dan wanneer bijvoorbeeld een chronologische volgorde zou zijn gehanteerd. Over de ‘toelichting’ zeggen de samenstellers het volgende (p. 97):
Vondels poëzie bevat nogal wat toespelingen op actuele gebeurtenissen en verwijzingen naar de mythologie: daarom hebben wij achterin bij de annotatie behalve woordverklaringen summiere aantekeningen gegeven. Bovendien is de inhoud van de gedichten kort samengevat.

 

De opzet van deze serie is erop gericht een breder publiek kennis te laten maken met allerlei facetten van onze vaderlandse letterkunde. Hiertoe is een vorm gekozen waarbij

illustratie

Joost van den Vondel


ook de minder deskundige lezer niet wordt afgeschrikt. De teksten worden herspeld en een (lange) inleiding is vermeden. Eventuele toelichting treft de lezer achter in het boekje aan en voor het geheel gaat hij nooit voor meer dan elf gulden de boot in. Van zeker negentig procent van de reeds verschenen Griffioen-deeltjes mag rustig worden aangenomen dat deze opzet volkomen geslaagd is. Bij Vondels verzen zou men wat dit betreft vraagtekens kunnen plaatsen. Door de gebruikte beelden, de talrijke mythologische en bijbelse connotaties, het rijke en gecompliceerde woordgebruik, barst Vondel uit het nauwe keurslijf waarin de vormgeving van deze serie is gedrongen. Met alleen het oplappen van het woordbeeld vallen de complicaties die renaissancistische poëzie de huidige lezer oplevert, niet weg te poetsen. Vondel kan tegenwoordig nu eenmaal niet gemakkelijk zonder ruime toelichting, daarvan getuigen ook de vele woordverklaringen achter in deze uitgave (die nog aan de magere kant zijn: wat betekent ‘onderwarig’ op p. 10 bijvoorbeeld?). Veel aangenamer was het de lezer dus gemaakt wanneer noodzakelijke achtergrondinformatie over een gedicht (aanleiding, toespelingen, kader) direct boven de tekst was opgenomen, terwijl de woordverklaringen in margine of eventueel onder aan de bladzijde zouden zijn

[p. 201]

afgedrukt. Maar dit druist natuurlijk tegen de vormgevingsprincipes van deze reeks in, dus moet de lezer genoegen nemen met onhandig gezoek. De redactie van de Griffioenreeks mag hier de beschuldigende vinger op zichzelf richten en zich nogmaals bedenken voor zij opnieuw met een dergelijke keuze van dichtwerk gekoppeld aan een toelichting in deze vorm komt. Waar het de prachtige maar moeilijke verzen van Vondel betreft kan elk redactioneel conservatisme beter terzijde worden geschoven.

Achterin vindt de lezer de zo broodnodige uitleg, maar niet voordat hij kennis heeft moeten nemen van de samengevatte inhoud van het betreffende gedicht, die voor de woordverklaring werd geplaatst. Het lijkt me dat de nieuwsgierigheid zo slecht wordt geprikkeld. Wat aan de toelichting verder opvalt, is dat het ene gedicht relatief veel meer uitleg nodig heeft en ook toebedeeld krijgt dan het andere. Gezien deze constatering en de beperkte ruimte in de uitgave hadden de samenstellers er misschien beter aan gedaan de keuze van de verzen te laten bepalen door de mate waarin een gedicht toelichting behoeft. Sommige gedichten van Vondel kunnen het gemakkelijk stellen zonder inhoudssamenvatting en zonder veel woord- en zakencommentaar. Op de eerste pagina van de ‘toelichting’ wordt de strekking van het gedicht ‘op Amsterdam’ als volgt uitgelegd: ‘Vondel dicht op de macht en grootsheid van Amsterdam’. Hier zijn negen woorden te veel geschreven. Onder aan dezelfde pagina lichten de samenstellers een op een schilderij van Govert Flinck gebaseerd kwatrijn aldus toe: ‘Vergeefs probeerden de Samnitische gezanten Marcus Curius Dentatus met goud om te kopen. Hij verkoos een eenvoudig maal van rapen en daarmee wees hij hun aanbod af.’ Hier blijft de lezer juist met meer vragen dan antwoorden zitten.

Voor dichtkunst van deze allure schiet de gebruikelijke opzet van de Griffioen-reeks dus te kort. Vondels gedichten zijn er niet minder om. De liefhebber kan hier voor een betrekkelijk laag bedrag een veelheid aan schitterende verzen lezen.

Jeroen Jansen

Lust tot poëzij. Gedichten van Vondel. Samenstelling: Hans Luijten en Jan Konst. Querido, Amsterdam 1989. 125 p., geïll., ƒ 11,-.

Stijlvolle wetenschap

Toen in 1663 de Royal Society of London werd opgericht, het eerste wetenschappelijke genootschap, spraken de leden af dat ze zouden streven naar een ‘strenge, naakte, natuurlijke manier van zeggen’. De taal die in de wetenschap gangbaar was, vond men te literair, te weinig zakelijk. Het ideaal waar men naar streefde, was de taal van handelswerklieden, landslieden en kooplui, een taal van ‘primitieve eenvoud en beknoptheid’.

Een van de leden van het genootschap was Locke. Hij gaf in het jaar van de oprichting les in de retorica in Oxford. Over de inhoud van zijn onderwijs is niets bekend, maar toen hij later An Essay Concerning Human Understanding (1690) schreef, waarschuwde hij daarin onderzoekers voor het gevaar dat de retorica met zich meebracht. Want een mooi betoog en een fraaie stijl spelen in op het gevoel en misleiden dus het oordeel. Wie op zoek is naar ‘echte kennis’ moet daarom leren de verleiding van de retorica te weerstaan, schreef hij.

Die raad was helemaal in de geest van de Royal Society. Locke was wel zo eerlijk om erbij te zeggen dat het niet gemakkelijk zou zijn om hem op te volgen. Misschien was het zelfs wel onmogelijk. ‘De schoonheid van de retorica is, net als die van het vrouwelijk geslacht, zo onweerstaanbaar dat zij geen tegenspraak duldt.’

Het heeft er lang op geleken dat Locke de macht van retorica overdreef. Per slot van rekening was de campagne van de Engelsen een groot succes. Zozeer zelfs dat hun ideeën in de loop van de tijd gemeengoed zijn geworden. De meeste onderzoekers - niet alleen natuurkundigen maar ook economen en psychologen en zelfs een aantal sociologen en historici - vertrouwen taal niet. Het liefst drukken ze zich uit in formules en wetenschappelijke modellen. Kan dat niet, dan doen ze hun best ervoor te zorgen dat de taal die ze gebruiken zo weinig mogelijk opvalt. Ze moet onpersoonlijk zijn, zonder opsmuk, transparant.

Dat heeft niet alleen te maken met angst voor irrationele beïnvloeding. De afkeer van de retorica heeft ook een filosofisch fundament, zoals blijkt uit een opmerking van Pareto, een Italiaans econoom en socioloog uit het begin van deze eeuw, die net als Locke zijn medeonderzoekers waarschuwde voor de retorische verleiding. Woorden kunnen de sociale wetenschapper in de war brengen, schreef hij. Niet alleen omdat ze emoties oproepen maar ook omdat ze de aandacht afleiden van de zaak waar het om gaat.

In zijn opvatting, en in die van anderen, bestaat er een duidelijk verschil tussen taal en werkelijkheid. De werkelijkheid is zoals ze is en taal is slechts een manier om over die werkelijkheid te spreken. Honderd jaar na Locke waren er al filosofen die wisten dat die voorstelling van zaken niet klopt en dat de verhouding ingewikkelder is: stijl is niet alleen een kwestie van welsprekendheid, maar drukt ook inhoud uit. Tegenwoordig is het een

[p. 202]

cliché om dat te zeggen. Tenminste, in kringen van wetenschapsfilosofen. Daar is men de laatste jaren ook anders over de retorica gaan denken en is er steeds meer interesse voor de verhouding tussen retorica en wetenschap.

Een van de pioniers op dit gebied was Feyerabend met zijn analyse van de dialogen van Galileï in Against Method (1975). Feyerabend is ook in de literatuurwetenschap geen onbekende, maar aan zijn retorische analyse, of die van anderen, is bij ons nauwelijks aandacht besteed.

Dat is verbazingwekkend als we bedenken dat bijna alles wat over literatuur gezegd wordt, door wie dan ook, op zijn hoogst plausibel is. Acceptatie of verwerping van een idee hangt dus in belangrijke mate af van de manier waarop men de lezer tegemoet treedt - van de presentatie van de gegevens, de opbouw van het betoog, de woordkeus. Van Oostrom vergeleek de literatuurwetenschapper om die reden onlangs met een advocaat en schreef dat, net als in de rechtszaal, de meest succesvolle beoefenaren van het vak niet per se degenen zijn die het vaakst gelijk hebben, maar het vaakst gelijk krijgen (De studie van de Middelnederlandse letterkunde 1989).

Daar komt bij dat men zich in de literatuurwetenschap nooit veel aangetrokken heeft van de campagne tegen de retorica. Het ideaal van de meesten is nog steeds op een fraaie, liefst literaire manier over literatuur te schrijven en wie veelvuldig gebruik maakt van technische termen dient zich daarvoor te verontschuldigen, anders wordt het hem verweten en noemt men hem al gauw onleesbaar.

Bovendien bestaat het literatuurwetenschappelijk vocabulair voor een belangrijk deel uit metaforen. De literatuurgeschiedenis is daar een goed voorbeeld van. Ik denk aan termen als ‘evolutie’, ‘systeem’, ‘weerspiegeling’, ‘stroming’, et cetera.

Wie opmerkt dat de literatuurwetenschap in dit alles niet uniek is, heeft natuurlijk gelijk. Voor de meeste letterenstudies geldt hetzelfde. Maar in een verwant vak als de geschiedwetenschap is men zich wel veel meer bewust van het bovenstaande en wordt er nagedacht over de implicaties ervan. Er is daar ook al jaren een discussie gaande over de retorische aspecten van het vak.

In die discussie speelt White een belangrijke rol. Hij is de schrijver van Metahistory (1973) en Tropics of Discourse (1977). De laatste titel geeft al aan wat hij nastreeft: een analyse van het historisch betoog, gebruik makend van de kennis van tropen en figuren, aangevuld met recentere literatuurwetenschappelijke inzichten, met name die van Burke en Frye.

White is een narrativist, iemand die er de nadruk op legt dat historici verhalen vertellen en die verhalen niet beschouwt als de inkleding van een verklaring maar als de verklaring zelf. Vandaar zijn belangstelling voor de retorica. Het narrativisme is een stroming die steeds meer aanhang verwerft, ook buiten de geschiedwetenschap. Vorig jaar verscheen er een bundel inleidende artikelen over onder redactie van Ankersmit, Doeser en Kibédi Varga. De bundel heet Op verhaal komen. De kwaliteit van de bijdragen is wisselend maar het aantrekkelijke van het boek is dat het een overzicht geeft van discussies over narrativiteit in zulke uiteenlopende disciplines als het recht, de geschiedwetenschap, de ethiek en de filosofie. De beste bijdragen zijn die van Witteveen over het recht en die van Ankersmit over de filosofie. Vooral het laatste stuk is interessant.

Ook de literatuurwetenschap komt in het boek ter sprake, maar op een andere manier dan de overige disciplines en dat is jammer. De bijdrage gaat namelijk niet over de rol van het verhaal in de literatuurwetenschap maar over narratieve theorieën. Het idee daarachter is waarschijnlijk dat opmerkingen die elders in het boek over narrativiteit gemaakt worden, op die manier wat meer reliëf krijgen.

Gelukkig kwam er ongeveer gelijktijdig bij dezelfde uitgeverij een boek uit waarin de rol van het verhaal in de literatuurwetenschap wel aan de orde komt: Aspecten van de literaire biografie, een bundel lezingen van biografen en andere kenners van het genre onder wie Van Buuren, Fontijn, De Moor en Prick. Het is een boek met van alles wat: een inventarisatie van praktische problemen, anekdotes en theoretische bespiegelingen. De bespiegelingen zijn het interessantst. Ze gaan vooral over de literaire kant van de biografie.

In Engeland, het land van de biografie, is daar al eerder aandacht aan besteed, in het bijzonder door Nadel in diens Biography: Fiction, Fact and Form (1984). Hij liet zich daarbij inspireren door White en dat is te merken aan de opzet van het boek, want er wordt grote nadruk gelegd op het verhalende karakter van biografieën en de retorica wordt gebruikt voor het analyseren van het taalgebruik.

In de lezing van Van Buuren wordt naar Nadel verwezen. Hij noemt zijn boek ‘gedegen, zij het stroef geschreven’ en daar heeft hij gelijk in. Van Buuren verwijst ook naar andere Engelse kenners van de biografie en betoogt, net als zij, dat de biografie een literaire genre is - wat niet wil zeggen dat het schrijven ervan niets met wetenschap van doen heeft.

Ook Fontijn vestigt de aandacht op het literaire karakter van de biografie. Hij schrijft: ‘De biogra-

[p. 203]

fie is een vrij onbepaald genre, waarin veel mogelijk is, maar waarin altijd twee polen aanwezig zijn: de wetenschap en de kunst.’ Over beide, wetenschap en kunst, maakt hij behartenswaardige opmerkingen. Verhelderend is vooral de vergelijking die hij maakt tussen de biografie en de realistisch-naturalistische roman. Die twee hebben inderdaad veel met elkaar gemeen. Op het gebied van de verteltechniek heeft de biografie veel aan de roman te danken en hetzelfde geldt voor de opvatting over de persoonlijkheid en de manier waarop gedrag wordt geïnterpreteerd.



illustratie

Frederik van Eeden door Van Looy, 1884


Fontijn lijkt zich vooral voor het laatste te interesseren. Zijn probleem is dat zijn onderwerp, Frederik van Eeden, niet de ‘coherente persoonlijkheid’ is die negentiende-eeuwse romanciers en twintigste-eeuwse biografen zo graag beschrijven: iemand die, bij alle ontwikkelingen die hij doormaakt, toch zichzelf blijft, een duidelijk karakter heeft - een karakter dat voor een belangrijk deel door erfelijkheid en milieu bepaald is.

We weten ondertussen dat een goed biograaf ondanks dat toch in staat is een overtuigend beeld te geven van zo iemand. Want een paar maanden na het boek over de biografie verscheen het eerste deel van de studie van Fontijn: Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901.

Nico Laan

Frank Ankersmit/Marius C. Doeser/Aron Kibédi Varga (red.), Op verhaal komen. Over narrativiteit in de mensen cultuurwetenschappen. Kok Agora, Kampen 1990. 223 p., ƒ 42,50.

Johan Anthierens et al., Aspecten van de literaire biografie. Met een woord vooraf door Anton Korteweg. Kok Agora, Kampen 1990, 122 p., ƒ 25,-

Literaire portretten van Jaap Goedegebuure

Jaap Goedegebuure (g) behoort al jaren tot onze belangrijkste critici. Anders dan collega's als Nuis, Janssens, Van Deel en De Moor is hij nog niet tot bundeling van zijn kritieken overgegaan. Wie zijn Nederlandse literatuur 1960-1988 ter hand neemt, denkt waarschijnlijk daarin een selectie uit zijn talrijke besprekingen aan te treffen of anders een pendant in handen te hebben van het in dezelfde Synthesereeks verschenen boek van Ton Anbeek: Na de oorlog. De Nederlandse roman 1945-1960. Geen van beide is het geval. In het voorwoord verklaart g dat het onderhavige boek een ‘aantal persoonlijke beschouwingen’ bevat over Nederlandstalige literatuur uit de betreffende periode. Naar representativiteit heeft hij niet gestreefd, de eigen smaak stond voorop. We hebben dus te maken met een collectie essays, niet met een handboek: de lezer lette op het ontbreken van het bepalend lidwoord in de titel! Dat kritieken (vooral uit de voormalige Haagse Post) het materiaal hebben geleverd voor deze essays, zegt g nergens, maar het is wel duidelijk voor wie hem als criticus heeft gevolgd. Of g ver genoeg is gegaan met het bewerken van deze kritieken is een vraag die ik voor het slot van deze bespreking bewaar.

Begin en eind van zijn boek heeft g gereserveerd voor een uiteenzetting van zijn kritische opvattingen. In het eerste opstel doet hij dat expliciet - hij vertelt hoe hij onder meer via zijn leermeester H.A. Gomperts bij Ter Braak en Du Perron belandde - in het laatste hoofdstuk door middel van een met veel Vestdijk gekruide typologie van critici, van wie degene de meeste schouderklopjes krijgt, die primair is geïnteresseerd in de gedachtenwereld van de auteur wiens werk hij bespreekt. g noemt deze criticus ‘het type Carel Peeters’, maar hij had ook kunnen zeggen ‘type Goedegebuure’. Dat g weinig op heeft met moderne ‘Alexandrijnse’ literatuur (accent op formele aspecten, allusiviteit) was ook al gebleken uit zijn in 1987 verschenen studie Decadentie en literatuur (zie mijn recensie in dit blad, jrg. 5, p. 315 e.v.). Het is ook in de keuze van de door hem besproken auteurs te merken.

g behandelt eerst de grote vier van de naoorlogse literatuur: Mulisch, Hermans, Reve, Claus. Daarna twee auteurs voor wier werk hij een meer dan gangbaar enthousiasme aan de dag legt: Cees Nooteboom en Hella S. Haasse. Vervolgens passeren Willem Brakman en Gerrit Krol de revue, auteurs die in de jaren zestig debuteerden, maar pas twee decennia later als groten werden erkend. (Jeroen Brouwers, die in deze categorie valt, ontbreekt hier, omdat g al eerder een Synthese-deeltje aan zijn werk heeft gewijd.) In meer thematisch opgezette hoofdstukken besteedt g aandacht aan Hans Faverey, Rutger Kopland, Armando, Oek de Jong, Frans Kellendonk en Nicolaas Matsier. Tenslotte als voorlaatste hoofd-

[p. 204]

stuk een portret van Geert van Oorschot (alias R.J. Peskens, maar hier toch vooral de uitgever), duidelijk een soort tweede vader voor g, invloedrijker dan Gomperts. Verrassende namen komen we in deze privé-canon niet tegen, of het zou die van Armando moeten zijn, die nog niet algemeen voor zo vol wordt aangezien als g in dit boek doet. Zijn in de inleiding beleden voorkeur voor Hans Verhagen (‘“zonder meer een groot dichter”, om met Lucebert te spreken’) is pas echt opvallend, maar deze zestiger heeft het (nog) niet tot een profiel kunnen brengen. Auteurs van een behoorlijke reputatie die niet aan bod komen zijn bijvoorbeeld Bernlef, Biesheuvel, Ferron, Hotz, Springer en Wolkers - de laatste wordt vrij vaak genoemd, maar uitsluitend in negatieve zin; er is geen plaats ingeruimd voor één of meer van de talrijke schrijfsters die in de beginjaren tachtig debuteerden, zoals Marja Brouwers of Hermine de Graaf; op de onvermijdelijke Claus na, bevinden zich ook geen Vlamingen in dit gezelschap: de namen van de eens zoveel gelezen en geprezen Hugo Raes en Ivo Michiels komt men zelfs in de index niet tegen. Al met al een keuze die niet helemaal representatief mag heten (de ‘makers’ onder de schrijvers ontbreken te zeer), maar toch ook weer niet zo persoonlijk is gekleurd, dat de gemiddelde neerlandicus er geen vrede mee zou kunnen hebben.

Van de geprofileerde auteurs kan men zeggen dat hun oeuvre inmiddels vaste vormen heeft aangenomen (in bepaalde gevallen zelfs vrijwel lijkt te zijn afgerond) en dat er wel zo iets als een communis opinio over tot stand is gekomen. In zijn portretten streeft g er niet naar bestaande visies op het werk aan te vallen en met gewaagde nieuwe duidingen te komen. Het persoonlijke van zijn beschouwingen ligt vooral in de keuze van de facetten van de diverse oeuvres die hij naar voren haalt. Zo behandelt hij van Gerard Reve diens poëzie, terwijl die meestal als een bijprodukt wordt gezien; legt hij bij zijn bespreking van het werk van Nooteboom de nadruk op een belangrijk thema, namelijk dat van de tijd en de herinnering; en licht hij bij Hella Haasse de historische romans uit het geheel. In deze hoofdstukken maakt g op een voor de ingewijde duidelijke wijze - soms expliciet, maar vaker zonder dat met zoveel woorden te vermelden - gebruik van bestaande secundaire literatuur; de in zijn kritieken naar voren gebrachte observaties worden daarmee aangevuld en genuanceerd. Daar is niets tegen, maar van strikt persoonlijke beschouwingen of essays kan men daardoor moeilijk spreken. Dat is wat meer het geval in zijn thematische opstellen, bijvoorbeeld dat over literatuur en religie, waarin vooral Oek de Jong en Kellendonk ter sprake komen. Maar ook in deze opstellen heeft hij kritieken en essays van anderen kunnen en zelfs wel moeten gebruiken. Ik geloof dat g er verstandiger aan had gedaan zijn oorspronkelijke kritieken tot echte artikelen om te werken met de daarbij passende noten en met de bibliografieën die men nu wel heel erg mist. Zo iemand ertoe in staat moet worden geacht dé moderne Nederlandse literatuur te presenteren, dan lijkt me dat g, die zowel de primaire als de sterk aangegroeide secundaire literatuur volledig beheerst. Ik zou niet graag willen beweren dat Nederlandse literatuur 1960-1988 een mislukt boek is - daarvoor bevat het te veel informatie op aangename wijze gedoseerd - maar het had met wat meer bewerking van het rijke materiaal gemakkelijk een voor serieuze lezers onmisbaar standaardwerk kunnen worden.

Rudi van der Paardt

Jaap Goedegebuure, Nederlandse literatuur 1960-1988. De Arbeiderspers, Amsterdam 1988. 298 p., ƒ 29,90.