Literatuur. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Literatuur


bron: Literatuur. Jaargang 13. Amsterdam University Press, Amsterdam 1996


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 262]

Middelnederlandse religieuze literatuur tussen affectie en distantie
De verzuiling voorbij?
Frits van Oostrom+

Moet men gelovig (en bij voorkeur katholiek) zijn om iets te begrijpen van de Middelnederlandse geestelijke letterkunde? Een feestrede voor het Titus Brandsma Instituut aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Pater Titus Brandsma, hoogleraar te Nijmegen, stierf op 25 juli 1942 in het concentratiekamp Dachau. In zijn geest houdt het naar hem genoemde Instituut zich bezig met wetenschap en vormingswerk omtrent mystiek en spiritualiteit.

 

Volgens de eerste Nederlander die een serieus te nemen Nederlandse literatuurgeschiedenis op zijn conto bracht, Jeronimo de Vries, speelde het literaire leven in de middeleeuwen zich goeddeels af binnen ‘de morsige holen van vadzige monniken’. Reden genoeg voor deze Amsterdammer om in zijn overzicht der Nederlandse letterkunde met de middeleeuwse periode ultrakorte metten te maken. Het stond bekroning van zijn werk, in 1805, met de gouden erepenning van de Bataafsche maatschappij van taal- en dichtkunde klaarblijkelijk niet in de weg. Misschien integendeel wel niet: want voor negentiende-eeuwse protestantse Bataven had studie van de katholieke middeleeuwse letterkunde, en feitelijk zelfs van de middeleeuwen als geheel, allesbehalve prioriteit. De glorie van hun voorgeschiedenis lag nu eenmaal in een ander tijdvak.

En zelfs bij hen die deze donkere middeleeuwen aan de oogverblindende schittering van Hollands gouden eeuw wisten te onttrekken, verscheen de religieuze middeleeuwse literatuur ten hoogste in een schemerduister. Heel duidelijk zien we dit bij W.J.A. Jonckbloet, de man die als geen ander als de grondlegger der medioneerlandistiek te boek mag staan, omdat hij, kort na 1850, de eerste echte wetenschappelijke literatuurgeschiedenis der Middelnederlandse letterkunde publiceerde. Dit driedelige standaardwerk is qua optiek compleet profaan: het is voor ruim tweederde aan de ridderroman gewijd, en Ruusbroec komt er niet in voor. In Jonckbloets latere werk zou hem, de grote Meester der mystiek, geleidelijk aan een

illustratie

W.J.A. Jonckbloet (1817-1885)


plaats onder de zon worden gegund - maar niettemin blijft zijn behandeling onzalig. De Beatrijs kan er bij Jonckbloet wèl royaal mee door: stellig omdat de sfeer van het verhaal zo hoofs is, de hoofdpersoon zo menselijk verliefd en - heel belangrijk - haar literair habijt de versvorm.

Het waren namelijk voor Jonckbloet niet eens zozeer levensbeschouwelijke bezwaren die hem verhinderden de Middelnederlandse geestelijke letterkunde grondig te behandelen - al zal het hem, als liberaal kamerlid, bepaald niet overdreven aan het hart gegaan zijn dat de kerkelijke stof zo in de doofpot bleef. Maar waar Jonckbloet zijn selectiecriteria expliciteert, prevaleren voor hem duidelijk esthetische bezwaren boven ideologische. Vanuit Jonckbloets sterk romantische poëtica is literatuurgeschiedenis nu eenmaal een vorm van kunstgeschiedenis, en staat of valt de literaire kunst met het gehalte aan verbeelding, fantasie en poëzie dat woorden doet ontstijgen aan het werkelijke leven. Vanuit die schoonheidsopvatting is de religieuze literatuur, met haar nadrukkelijke missiedrang, als vorm van kunst ten minste problematisch, want immers eerder het geloof dan de schoonheid toegedaan. En

[p. 263]

als die geestelijke letterkunde dan ook nog eens het proza als zijn vorm kiest - voor Jonckbloet evident het minder artistieke medium - dan kunnen de teksten in kwestie zowel om inhoudelijke als formele redenen gevoeglijk als buiten-literair terzijde worden gelaten. De banvloek die Jonckbloet hun nagaf is onder kenners een klassiek citaat: ‘didactische en ascetische rommel’, en dus behandeling niet waard.

Het gelijk van De Vooys

Begrijpelijk genoeg waren er al in Jonckbloets eigen tijd geleerden die bezwaar aantekenden tegen zijn visie. Natuurlijk in de eerste plaats in kerkelijke kringen; maar ook uit nonconfessionele hoek klonk een verlicht verzet. De sterkste exponent hiervan zou ruim een generatie nadat Jonckbloet in het vak de scepter had gezwaaid, naar buiten treden: de uitblinker op tal van terreinen van de neerlandistiek, en latere Utrechtse hoogleraar C.G.N. de Vooys. Hij had sinds 1893 in Leiden gestudeerd, en moet daar nog de nagalm hebben opgevangen van de in 1883 teruggetreden grootheid Jonckbloet. Maar toen De Vooys in 1900, op zevenentwintigjarige leeftijd, aan de Leidse academie promoveerde bij Verdam - de proximus van Jonckbloet, de man ook van het onvergelijkelijke Middelnederlandsch woordenboek - maakte zijn proefschrift duidelijk dat de wind hier uit een andere hoek ging waaien. Object

illustratie

C.G.N. de Vooys (1873-1955)


van het promotie-onderzoek waren immers twee teksttypen die Jonckbloet als afsnijsel der literatuurgeschiedenis verworpen had: de Middelnederlandse legenden en exempelen.

De jonge doctor C.G.N. de Vooys moet zich maar al te zeer bewust geweest zijn hoezeer hij daarmee een programmatische daad stelde. Opmerkelijk genoeg is de meest openlijke belijdenis van dit besef niet meer te vinden in de editie van zijn boek die wij gewoon zijn te gebruiken - de bijgewerkte tweede druk van De Vooys' proefschrift uit 1926, nog in 1974 zeer terecht anastatisch herdrukt - maar wel in de oorspronkelijke eerste druk van de eigenlijke dissertatie, in de vorm van een inleiding van een zevental uiterst pregnante bladzijden over ‘De achterstelling van het Mnl. stichtelijke proza in onze letterkunde’. Even beknopt als dwingend bespreekt De Vooys daar wat hij noemt zowel de ‘protestantsche vooroordeelen’ als ‘Jonckbloets opvatting van litteratuurgeschiedenis’, en laat hij zien hoe beide zijn doortrokken van een a-historisch parti pris, dat serieuze studie van het Middelnederlandse spirituele proza heeft gefnuikt.

Daartegenover stelt hij zijn apologie om in de letterkundige studie van de Nederlandse middeleeuwen ruime plaats te geven aan dit type teksten. De schrijvers daarvan mochten dan misschien wel niet zozeer als de auteurs van Jonckbloets geliefkoosde ridderromans op schepping van schoonheid gefixeerd geweest zijn, hun werk is niettemin van groot belang voor studie der cultuurgeschiedenis, en artistiek gesproken dikwijls interessant genoeg. Ook zonder dat men direct kunst beoogde, kan men die immers hebben voortgebracht, zo stelt De Vooys, die eraan vastknoopt dat het omgekeerde evengoed bekend is: wel willen, maar niet kunnen dus - in welk verband hij met één pennestreek de rederijkerij en alle dichtgenootschappen marginaliseert.

Behalve in zijn proefschrift zou De Vooys in tal van andere publikaties lansen breken voor het Middelnederlandse geestelijke proza. En zo komt het dat hij, die voor zijn levensovertuiging voluit tot het socialisme hoorde, op wetenschappelijk gebied de onvervreemdbare verdienste heeft de studie van de katholieke geestelijke letterkunde vlot te hebben getrokken: met baanbrekende publikaties over Middelnederlandse Marialegenden, over de exempelen, over de dialoog van meester Eckhart en de onbekende leek en tal van andere meer. De Vooys' belangstelling voor dit soort teksten werd stellig mede ingegeven door de taalkundige die hij ook was, en die in het proza van de middeleeuwen vaak beter dan in verzen materiaal vond voor syntactisch en woordhistorisch onderzoek. Maar ontegenzeggelijk fascineerden ook de letterkundige aspecten van deze literatuur hem, en meer speciaal de plaats die deze teksten innamen in het leven van hun tijd. De wijze waarop De Vooys met name die benadering bepleit, van religieuze teksten in hun context van ontstaan en functioneren dus, doet heden ten dage hoogst modern aan - en dat is zeldzaam in een vak waarin bewoordingen en opvattingen ongemerkt vaak toch sneller verouderen dan wij vaak denken. Maar veel van De Vooys oogt echt als of het gisteren geschreven is. ‘De geschiedschrijving van onze Middeleeuwse letterkunde houdt zich veel te weinig bezig met de vraag, wanneer, waar en in welke kringen de verschillende auteurs gelezen werden.’ Wie met zo'n zin in 1982 een publikatie opende, manifesteerde zich destijds als een vernieuwer van het vak - De Vooys schreef dit reeds letterlijk in 1903.

Vandaag de dag zal iedereen De Vooys met zijn pleidooi voor de volwaardige plaats van geestelijke letterkunde in de literatuurgeschiedenis het grootste gelijk van de wereld geven. De visie van Jonckbloet is op dit punt immers hopeloos achterhaald. Zelfs op het ene punt waarop De

[p. 264]

Vooys geneigd was Jonckbloet een concessie te doen, zijn wij inmiddels anders gaan denken. Het is immers nog maar zeer de vraag of de auteurs van geestelijke letterkunde wel minder dan die van de ridderromans op schepping van schoonheid uit waren. Zo is bijvoorbeeld bij Jacob van Maerlant opvallend dat hij nergens in zijn ontzagwekkend grote en veelzijdige oeuvre zozeer een esthetisch effect beoogt, zich zozeer als vers- en woordkunstenaar ontpopt, als wanneer hij Maria looft. Waar het de hemelkoningin betreft doet hij aanwijsbaar meer zijn best om schitterende, literaire verzen te schrijven dan wanneer hij, bijvoorbeeld, zeer door hem bewonderde koningen zoals Alexander, Arthur of zelfs Karel de Grote behandelt. Het is niet de enige aanwijzing in onze Middelnederlandse letterkunde dat juist ten aanzien van het religieuze naar de opperste schoonheid wordt gereikt. Ook de veelzijdige Anna Bijns ontwikkelt in haar religieuze poëzie de grootste artisticiteit, en vergelijkbaar lijkt de situatie bij Antonis de Roovere. En het geeft ook te denken dat van alle sublieme poëzie die het fameuze Gruuthuse-handschrift herbergt, het enkel de gebeden zijn die wij niet slechts overgeleverd hebben gekregen in die op zichzelf eenvoudig uitgevoerde codex, maar daarenboven ook in een reeks luxe-boeken, waarin de toenmalige verluchtingskunst van Brugge zich op de toppen van haar kunnen toont. Juist de gebeden achtte men klaarblijkelijk die schoonheid waardig.

Hiermee vervalt dus ook de laatste aarzeling die zelfs De Vooys nog had om geestelijke letterkunde uit de middeleeuwen voluit te betrekken in de literaire studie van dit tijdvak. Maar nogmaals: dit is langzamerhand zo'n evidentie dat zij nauwelijks betoog behoeft. Een literatuurgeschiedenis zonder Hadewijch en Ruusbroec zou tegenwoordig even dwaas zijn als een geschiedenis der middeleeuwse bouwkunst zonder kathedralen of van de muziek zonder Gregoriaans. En de aanvaarding van dit standpunt staat volkomen los van de denominatie van de onderzoekers zelf. Ofschoon we maar al te goed weten dat in dit soort vakken de totale waardenvrijheid ver te zoeken is, laten mediëvisten zich niet langer zo bepalen door hun levensovertuiging dat zij de studie van het tijdvak daaraan ondergeschikt maken. Terwijl in de eerste decennia van deze eeuw niet één van de 78 dissertaties aan de Vrije Universiteit de middeleeuwen tot onderwerp had - het heeft er inderdaad de schijn van dat de wetenschap daar toen begon bij de Reformatie - promoveert men in die kring tegenwoordig gerust op Thomas van Aquino. De Nijmeegse universiteit heeft grote kenners van het werk van Nietzsche in haar midden. Het eerste herdenkingscongres van het zevenhonderdste geboortejaar van Jan van Ruusbroec werd gehouden in het liberale Leiden; onder de sprekers bevonden zich zowel leden van het Ruusbroecgenootschap en een postdoc uit Nijmegen als een hoogleraar van de vu en een op Ruusbroec gepromoveerde dominee uit Sassenheim. We zijn wat dat betreft beslist de verzuiling ver voorbij, en maken deel uit van een universele onderzoeksgemeenschap in de ware zin des woords.

De affiniteit van C.C. de Bruin

Toch is ook in ons tijdsgewricht persoonlijke levensovertuiging binnen dit wetenschapsbedrijf nog altijd een factor van belang. Hoe zou het trouwens ook anders kunnen in een vak dat studie maakt van de produkten van de geest, en waar de keuze uit het oneindige aanbod aan onderzoeksobjecten niet primair wordt ingegeven vanuit een dwingende systematiek, of een externe marktbehoefte, maar door de persoonlijke belangstelling van onderzoekers - en waarin bovendien (dat mag toch ook wel eens worden gezegd) beloningen en middelen doorgaans zo schaars zijn dat het welslagen van onderzoek goeddeels afhankelijk is van eigen gedrevenheid, en dus affiniteit? En zelfs waar zich zulk liefdewerk aandient als gestrenge vorsersarbeid, wordt het veelal gevoed vanuit een persoonlijke betrokkenheid bij de materie die strikt genomen buitenwetenschappelijk van aard is, maar niettemin wel degelijk primaire drijfveer is achter het wetenschappelijke werk en er bij nadere beschouwing ook meestal in doorklinkt.

Zo is het uiteraard volstrekt geen toeval dat de groot-

illustratie

C.C. de Bruin (1905-1988)


[p. 265]

ste verdienste voor de studie van de Middelnederlandse bijbelvertalingen toekomt aan een indrukwekkende geleerde uit reformatorische hoek: de in 1988 overleden professor C.C. de Bruin. Hij is voor mij nog steeds de verpersoonlijking van de geleerde pur sang, van een type zoals men het nauwelijks nog vindt: een onvermoeibare en hoogst geconcentreerde onderzoeker, die nagenoeg in stilte - om niet te zeggen in ascese - bergen werk verzette vanuit een onvoorwaardelijke en volmaakt integere toewijding aan de zaak zelve. Maar hoewel De Bruin daar in zijn massa publikaties slechts een doodenkele keer expliciet voor uitkwam, is het volkomen evident dat het zijn diep doorleefde protestantse geloofsovertuiging was die hem zijn leven lang gefascineerd deed zijn door wat de Heilige Schrift in onze Nederlandse middeleeuwen inhield. Al in de keuze van zijn proefschriftonderwerp uit 1934 treedt dit aan de dag: de dissertatie was gewijd aan Middelnederlandse vertalingen van het Nieuwe Testament - en het is na het voorafgaande bijna overbodig op te merken dat De Vooys promotor was. Vanuit diezelfde persoonlijke beleving, die hier het wetenschappelijke werk haast tot een afgeleide maakte van zijn levensovertuiging, heeft De Bruin, inmiddels benoemd tot hoogleraar aan de theologische faculteit te Leiden, ons vak het zogenaamde Corpus Sacrae Scripturae Neerlandicae medii aevii (cssn) geschonken: een zeldzaam indrukwekkende reeks, waarin vrijwel alle Middelnederlandse bijbelteksten, dikwijls voor het eerst, zijn uitgegeven. Dat dit schriftuurlijke monument sinds 1970 tot stand kwam, en grotendeels het eenmanswerk van De Bruin zelf was, gaf W.P. Gerritsen de verzuchting in de pen dat in die twee studeerkamers aan de Leidse Zoeterwoudsesingel - een voor de theologie, een voor de neerlandistiek - klaarblijkelijk een nieuwe Hieronymus doende was.

Intussen kreeg naast Hieronymus ook Luther bij De Bruin ruimschoots zijn deel, in zoverre dat zijn ijkpunt voor de bijbel eigenlijk toch steeds de protestantse versie is. Vanuit die oriëntatie is De Bruin zover gegaan om in zijn uitgaven van Middelnederlandse bijbelteksten alle zogenaamde apocriefe boeken weg te laten, en bijvoorbeeld ook de commentaren die de hoogst belangrijke bijbelvertaler van 1360 als terzijdes zo overvloedig door zijn verdietsing heeft gestrooid. Die hoorden in De Bruins conceptie niet tot de sacrale tekst waar het hem om begonnen was. Bij alle eerbied die ik De Bruin toedraag, en hoe terecht ik het ook vind dat hij vanwege de Maatschappij der Nederlandse letterkunde in 1984 de Prijs voor Meesterschap ontving, moet mij toch van het hart dat deze vorm van tekstkritiek wetenschappelijk gesproken feitelijk niet door de beugel had gemogen, omdat zij ronduit a-historisch was. Het zadelt de medioneerlandistiek trouwens met een majeur probleem op: want wie zal zich geroepen voelen om in dit opzicht het cssn te complementeren, en zich als een soort wethouder Hekking in het door C.C. de Bruin gevulde beeld te dringen? Wat dat betreft is het cssn behalve een enorme mijlpaal ook enigszins een molensteen, en kan men zeggen dat De Bruin met zijn persoonlijke geloofsbeleving de Middelnederlandse bijbelvertalingen

illustratie

Bladzijde uit een luxe-handschrift met de bijbelvertaling van 1360


zowel tot leven heeft gewekt als dat hij ze in de houdgreep heeft genomen.

De verzuilde middeleeuwen

Een dergelijke casus kan koren op de molen zijn van hen die zouden kunnen menen dat de middeleeuwen toch maar het beste aan katholieken kunnen worden toevertrouwd - waarover verderop. Maar ook is het geliefkoosd voedsel voor een andere, bepaald niet geheel imaginaire mediëvistische parochie: moderne buitenkerkelijken die gelovigen ervan betichten de hele middeleeuwen naar hun eigen ideaalbeeld herschapen te hebben. Zij zijn, gewild of niet, de voortrekkers van een soort bevrijdingsmediëvistiek geworden die met een onmiskenbaar welbehagen de zogenaamde achterkant der middeleeuwen in het licht stelt: de ketterij, de heidense tradities die zo welig bleven tieren, het toenmalige anticlericalisme, de wantoestanden in de kloosters en begijnhoven, en de vermeende geringe kerktrouw en slechts oppervlakkige kerstening der wereld. Dat vanuit dergelijk perspectief facetten van de middeleeuwen zichtbaar zijn gemaakt die door de zoeklichten van vorige onderzoekers teveel verdonkeremaand waren,

[p. 266]



illustratie

Hofkapelaan Dirc van Delft op en zijn beschermheer Albrecht van Beieren (opening van een handschrift van Dircs Tafel)


is onmiskenbaar. Maar even onmiskenbaar is dat deze stroming, als zovele contrabewegingen, gemakkelijk kan doorschieten. Dat doet zij naar mijn smaak waar zij te vette vraagtekens wil plaatsen bij het idee dat de middeleeuwen een diep religieuze tijd vormden, waarin de kerk in ieders leven een centrale plaats innam. Wie onder het mom van de verlossing uit verzuiling dit in twijfel trekt, is vrees ik zelf slachtoffer van een nieuw soort dogmatisme. Want laten we niet vergeten dat partijdom niet iets is dat enkel voorkomt binnen confessionele kring. Ook buiten de kerk staan zuilen van jewelste, met hun eigen soort van vormingswerk en geloofsijver.

Bovendien mogen wij nooit vergeten hoeveel goeds die klassieke verzuiling aan de mediëvistiek gebracht heeft en nog steeds brengt. Als een icoon daarvan dient hier een klein portret van dr. Ludovicus Daniëls, de man aan wie wij een van de mooiste edities danken die de medioneerlandistiek rijk is: de uitgave van de grandioze Tafel van den kersten ghelove van meester Dirc van Delft, dominicaner doctor in de theologie en omstreeks 1400 hofkapelaan van Albrecht van Beieren, de toenmalige graaf van Holland. In 1885 geboren als een van veertien kinderen in het gezin van de Nijmeegse loco-burgemeester en diens literair gevoelige vrouw, werd de jonge Frans Daniëls op het Sint Dominicus College aldaar gedaan, waar hij zich ontpopte als een gisse gymnasiast met een uitgesproken letterkundige belangstelling. Na voltooiing van zijn gymnasiale opleiding trad hij in 1903 te Huissen in de Orde der Dominicanen, en ontving daar met zijn habijt de kloosternaam Ludovicus. Wijsgerige en theologische studiën volgden, en in 1910 ontving Daniëls te Utrecht de priesterwijding.

Inmiddels was zijn belangstelling voor de geschiede-

illustratie

Pater dr. Ludovicus Franciscus Daniëls op (1885-1951)


[p. 267]



illustratie

Het Ruusbroecgenootschap, drager van de continuïteit met de Meester van Groenendaal. (Foto maart 1994. V.l.n.r.: Paul Verdeyen, Frans Hendrickx, Jos Alaerts, Thom Mertens, Guido de Baere, Paul Mommaers.)


nis der Nederlandse letteren alleen maar toegenomen, op grond waarvan zijn oversten hem Nederlands lieten studeren aan de universiteit van Amsterdam. Als doctorandus in de neerlandistiek keerde hij terug naar zijn eigen Dominicuscollege, waar hij van 1920 tot 1948 aan de wetenschappelijke opvoeding der priester-kandidaten zou meewerken. Daarnaast werd hij als publicist actief, hetgeen op wetenschappelijk gebied bekroond werd met zijn promotie, in 1932, op de meest markante dominicaan van heel de Middelnederlandse letterkunde: Dirc van Delft. Het proefschrift van pater Daniëls had persoon en werk van zijn middeleeuwse ordebroeder tot onderwerp - maar een nog groter monument zou hij voor Dirc van Delft oprichten met de majestueuze uitgave die hij in 1939 bezorgde, in vier rijk voorziene delen, van diens grote encyclopedische traktaat over het christelijk geloof: de Tafel van den kersten ghelove, een kathedraal in woorden, het beste voorbeeld van een typisch dominicaanse summa in het Middelnederlands, en misschien wel in alle middeleeuwse volkstalen. Daniëls' editie is een waarlijk magnifieke uitgave, het grootse proza van de schrijver Dirc van Delft waardig, en een van de helemaal niet zo talrijke gevallen binnen de medioneerlandistiek waarin men het gevoel krijgt dat de editie aan de maat is van de tekst en andersom.

Net als de gedoctoreerde dominicaan die hij door middel van zijn proefschrift en de tekstuitgave voorstelde, hield Daniëls met al zijn geleerdheid een warm hart voor onderwijs - en dat toont zich ook in de kleine deeltjes die hij in de jaren veertig bezorgde in de voor de school bestemde reeks ‘In de Toren’. Twee deeltjes Ruusbroec, een rond het Stabat Mater, een over de Spiegel der menscheliker behoudenesse, en curieus genoeg ook nog een deeltje met het abel spel van Lanseloet van Denemerken. Ik was verbaasd ook dit onder zijn werken aan te treffen, en ik moet zeggen dat het ook bepaald zijn meesterwerk niet is. Ik vermoed dat de uitgever hem verzocht had om in de reeks ook eens een deeltje aan de meer profane literatuur te wijden, maar daar lag duidelijk niet Daniëls' hart, noch ook zijn fort. Op haast aandoenlijke wijze beijvert hij zich om in de zeer summiere inleiding vooral de religieuze kanten van dit abele spel in het licht te stellen, maar het toneelstuk over de kroonprins van Denemarken die zich vergrijpt aan de bevallige hofdame van zijn moeder was niet bepaald geëigend om de sterkste kanten van Daniëls tot hun recht te laten komen. Die ziet men wel in overvloed in zijn magnum opus over Dirc van Delft. Het superieure niveau van zijn proefschrift en zijn tekstuitgave heeft uiteraard alles te maken met de persoonlijke warmte, om niet te zeggen zielsverwantschap die Daniëls zijn ordegenoot doctor Dirc van Delft toedroeg. Krachtens die geestverwantschap kon hij de man zijn die als eerste ernst maakte met De Vooys' pleidooi voor studie van de majestueuze Tafel van den kersten ghelove - want dat mag ook ditmaal niet worden vergeten: dat het alweer De Vooys geweest was die de neerlandistiek met dit letterkundige meesterwerk in aanraking had gebracht, zoals het ook al weer De Vooys was bij wie de dominicaner priester Daniëls in 1932 promoveerde, twee jaar voor de strenge protestant C.C. de Bruin.

En Daniëls is in dit verband slechts één exempel van de nauwe geestverwantschap tussen onderzoeker en object waar het de Middelnederlandse geestelijke letterkunde aangaat: nog te vermeerderen met tal van andere voorbeelden, zoals de dissertatie van pater Schmitz ofm over het aandeel van de minderbroeders in onze middeleeuwse literatuur, de uitgave van Maerlants Sinte Franciscus leven

[p. 268]

door de franciscaan Maximilianus, broeder Hofs studie van zijn eigen benedictijner klooster Egmond, Stefanus Axters op over de dominicaner vroomheid, enzovoort. Ze illustreren allemaal dat wetenschappelijk gesproken de verzuiling voor dit vak vaak uitgesproken vruchtbaar is geweest. En om zeer vergelijkbare redenen moet het ook zijn dat de studie van het werk van Jan van Ruusbroec zo'n beduidend grotere continuïteit vertoont, en dikwijls ook een hoger peil, dan die van, pakweg, Maerlant. Die laatste is, hoe fascinerend ook, als schrijver toch vooral object van onderzoek, niet van beleving, laat staan een inspiratiebron qua levensstijl. Voor sommigen is Ruusbroec dat nog altijd wel, en stellig heeft het Ruusbroec-onderzoek veel van zijn bezieling en niveau juist daaraan te danken. Natuurlijk ook aan wat ik nu maar noemen zal het soortelijk gewicht van Ruusbroecs onderzoekers, verenigd rond het Ruusbroecgenootschap der Antwerpse jezuïeten: want het is algemeen bekend hoe deze orde qua iq ruim boven het gemiddelde voor intellectuelen uitsteekt. Maar ik maak mij sterk dat het behalve hun intelligentie, vooral hun bijzondere innigheid is die deze Ruusbroec-onderzoekers inspireert.

De buitenwacht

Toch kan zo'n zielsverwantschap tussen Ruusbroec (en mutatis mutandis andere geestelijke schrijvers) en zijn onderzoekers ook een niet te onderschatten schaduwzijde hebben. Er schuilt namelijk het gevaar in, dat de publikaties over dergelijke teksten zozeer doortrokken zijn van affiniteit tussen de onderzoeker en object, dat zij louter nog te waarderen en te volgen zijn voor hen die tot dezelfde kring behoren, en voor degenen die ook maar iets verder van deze toch bepaald niet allemansmaterie afstaan, ondoorgrondelijk en virtueel onbegrijpelijk blijven. Het gevolg is dat de publikaties louter voor de eigen, kleine parochie functioneren, en dat de buitenwacht zich buitengesloten kan achten.

En zoals wij allen weten, wordt die buitenwacht in Nederland steeds groter, en neemt de ignorantie inzake christelijke spiritualiteit steeds hemeltergender vormen aan. Zo mochten we onlangs uit vette krantekoppen vernemen dat nog maar 44 % van de Nederlanders weet waarom Pasen wordt gevierd, en dat dat nog iets meer inhoudt dan meubelboulevards bezoeken; en minder dan een kwart bleek iets van Pinksteren te weten. En zouden deze cijfers worden uitgesplitst naar leeftijd, dan zou de score onder jongeren beslist nog droever blijken uit te vallen. In Leiden zijn wij noodgedwongen inmiddels zover dat wij de eerstejaars studenten Nederlandse taal- en letterkunde elementaire lesjes laten leren in bijbelkennis, vaderlandse geschiedenis en klassieke mythologie. Om te voorkomen dat wij hiermee uilen naar Athene zouden dragen, en hopend dat er snel een einde aan dit vak gemaakt kan worden om ruimte te houden voor echt academisch onderwijs, nemen wij de nieuwe eerstejaars aan het begin van het curriculum een testje af, waarmee hun referentiekader op deze terreinen wordt gepeild.

Men zou zich lang met die tentamenresultaten kunnen amuseren, als de hoofdconclusie niet zo triest was. Dat er studenten zijn die op de vraag naar welke naam behoort bij ‘Eli, Eli, Lama Sabachthani’ het antwoord schuldig blijven, behoeven we natuurlijk niet te dramatiseren. Maar dat gediplomeerde vwo-ers zo massaal onwetend blijken over Mozes, Johannes de Doper en Gethsemane durf ik toch uitgesproken zorgelijk te noemen, vooral als men bedenkt dat het hier gaat om lieden die zich eigener beweging voor de studie Nederlandse taal- en letterkunde hebben ingeschreven, en zich daarmee bewerktuigd en gemotiveerd verklaren voor cultuurwetenschap.

De dienovereenkomstige cultuurschok komt bij de eerstejaars dan ook soms hard aan, getuige onder andere de ontboezeming op het tentamenformulier van een van hen. Nadat betrokkene manmoedig was begonnen om bij het eerste groepje vragen eeuwen in te vullen achter personages uit de vaderlandse geschiedenis - Erasmus: 18e eeuw, Koning Willem I: 17e, Johan de Wit 16e, Maurits 15e - sloeg weldra de vertwijfeling toe, en werd alleen een heel groot vraagteken gekrast door vragen naar de jaartallen van de beeldenstorm, de afscheiding van België en de moord op Willem van Oranje, en naar de respectievelijke partners van Pyramus, Aeneas en Theseus, alsook de achtergrond van tantaluskwelling, achilleshiel en sisyfus-

illustratie

Tentamenformulier cultuurgeschiedenis


[p. 269]

arbeid. Onder het hoofdje bijbelse geschiedenis konden geen namen worden ingevuld achter de doop in de Jordaan, de driemaal kraaiende haan en het in onschuld wassen van de handen; bij de bijbelse tweetallen bleven Martha, Abraham, Ezau en Samson eenlingen, en kon alleen Maria nog met Jozef (met een s gespeld) worden vergezelschapt. (Nog juist op tijd werd trouwens Maria doorgestreept als de gedroomde associée van Mozes.) En onderaan het invulformulier uitte deze student de hartekreet: ‘Wat een ellendig begin van een nieuwe studie! M'n zelfvertrouwen heeft een flinke deuk opgelopen.’

Omdat de verantwoordelijke docent een pastorale ziel heeft, heeft hij betrokkene terstond een aanmoedigingsprijs verleend, om het zelfbeeld vlug te helpen uitdeuken. Intussen gaf deze student met de geciteerde bekentenis een duidelijk inkijkje in de geestesgesteldheid van zoveel tegenwoordige abituriënten: hoeveel cultuurhistorische bagage ze ook missen, aan zelfvertrouwen geen gebrek. Zo'n zelfbewust geloof dat wat men allemaal niet weet, in het geheel niet hoeft te deren, verleent aan sommigen van hen waarschijnlijk ook de legitimering voor de schrijnende ongein waarmee zij op de vragen lollig bedoelde antwoorden menen te kunnen debiteren: waarbij het bijvoorbeeld O.J. Simpson wordt die zijn handen in onschuld wast, en boven onze bijbelvragen een compleet cd-rekje wordt leeggekieperd, van Madonna tot aan Genesis en Vader Abraham ertussenin.

Nu kunnen wij de leden van het Ruusbroecgenootschap en van het Titus Brandsma Instituut natuurlijk alleen maar gelijk geven dat zij hun publikaties niet afstemmen op dit soort volstrekte ignoramussen. Die moeten hoogstwaarschijnlijk voor de zaak der geestelijke letterkunde als verloren zielen worden beschouwd, of op zijn minst als terminale gevallen. Men zou zelfs staande kunnen houden dat er enkel narigheid van komt als men ze in de waan zou brengen dat zij iets te zoeken hebben op dit terrein. Men moet een egel niet op zwemles willen doen. Maar toch is hiermee de kous niet compleet af. Want hoe absurd zoiets na het voorafgaande ook moge klinken, ik meen toch dat wij de massaal ontbrekende kennis omtrent het christendom niet zonder meer moeten gelijkstellen met een navenant ontbrekende belangstelling, of zelfs ontvankelijkheid voor spiritualiteit. Menig docent kent de ervaring dat soms, mits men ze op een heel toegankelijke en voorshands weinig veeleisende wijze over deze zaken aanspreekt, bij de moderne studentengeneratie oprechte interesse en zelfs fascinatie voor de geestelijke letterkunde kan ontkiemen. En waar die overtuigend doorzet, raakt men haast geneigd om het Nijhoff na te zeggen: ‘Hoor, de nachtegaal hervat zijn lied in 't hartje van de stad.’

Zo kan het zelfs gebeuren dat neerlandici van buitenkerkelijke huize, verkerend in een volop wereldlijk milieu, zich blijken te ontpoppen tot actieve onderzoekers van de geestelijke letterkunde. Natuurlijk zal hun onderzoek nooit van dezelfde aard zijn als bij de hiervoor genoemde fakkeldragers van de geestelijke continuïteit met Ruusbroec en de zijnen - ze blijven, daarmee vergeleken, altijd enigermate aan de buitenkant. Ook is het vaak eerder

illustratie

Jan van Ruusbroec en zijn klerk, die de woorden van de Meester van diens wastafeltje in boekvorm overbrengt. Op de achtergrond het klooster Groenendaal


verwondering dan bewondering die hun primaire drijfveer is. Maar zoals bekend is de verwondering heel niet zo'n slecht beginpunt voor serieus historisch onderzoek - en in dit geval kan deze zelfs een welkom complement opleveren van de meer ‘doorleefde’ intellectuele omgang met de oude spiritualiteit. Terwijl die laatste, heel begrijpelijk, veelal de nadruk legt op universele kanten van de middeleeuwse geestelijke letterkunde, gaat het bij de verwonderden doorgaans om onderzoek dat de spiritualiteit juist in haar tijdsgebondenheid laat zien. Vanuit de neerlandistiek schildert men Ruusbroec in een dergelijk geval niet primair - om een tegenstelling te scheppen die in werkelijkheid natuurlijk veel gecompliceerder ligt - als verheven mysticus, maar als de schrijver en man van de wereld die hij ook was. Met nadruk wijst men dan op Ruusbroecs banden met de Brusselse parochie waarbinnen hij werkzaam was voordat hij zich in het Zoniënwoud terugtrok - en dat dit juist de fase is waarin een groot deel van zijn werk ontstond. Dit opent ook de ogen voor de variatie die dit werk eigen is - bij alle eeuwigheid van thematiek en vastigheid van leer -, en geeft ons zicht op de verschillen tussen de vroegere geschriften en het late

[p. 270]

werk, dat meer verbonden lijkt met eerste bestemmelingen in bepaalde vrouwenkloosters.

In dit opzicht niet wezenlijk anders dan Jacob van Maerlant, komt Ruusbroec uit zulk literair-contextueel onderzoek naar voren als een schrijver van vlees en bloed, en met een specifieke historiciteit. Die historiciteit komt in het traditionele Ruusbroec-onderzoek nog wel eens wat te kort, begrijpelijk genoeg: omdat voor wie de Meester eigenlijk nog als een levende gespreksgenoot beschouwt, diens boventijdelijke zijde logischerwijze op de voorgrond staat. Wat dat betreft zijn het misschien juist ‘nieuwkomers’ en relatieve buitenstaanders die door hun achtergrond het best toegerust zijn om de grote mysticus als man van het verleden te beschouwen - en naar mijn overtuiging doet dit aan zijn grootheid eerder toe dan af. In elk geval zijn er veel mogelijkheden om vanuit deze invalshoek spirituele kringen te benaderen zoals Groenendaal, Rooklooster, de bijbelvertaler van 1360 en ook de Moderne devotie en tal van andere getuigenissen van Middelnederlandse geestelijke letterkunde, ook al omdat de bronnen hier verhoudingsgewijs gul stromen. Mede daarom heeft de studie van dit letterkundige domein van de historiserende benadering nog heel wat te verwachten.

Wetenschap en vormingswerk

Misschien is deze ontwikkeling zelfs welkom vanuit het vormingswerk bezien, naast wetenschap een andere hoofdtaak van een instelling zoals het Titus Brandsma Instituut. In elk geval wil ik de volgende persoonlijke ervaring niet onvermeld laten. Hoewel ik mijzelf al van huis uit nog nooit anders dan als buitenkerkelijk en ongelovig heb beschouwd, ben ik voor mijn gevoel in één periode van mijn leven in de buurt gekomen van iets wat ik als een religieus besef zou durven omschrijven: gedurende de tijd namelijk dat ik mij wijdde aan het onderzoek van Dirc van Delft en zijn Tafel van den kersten ghelove. Hij kwam in eerste instantie onontkoombaar op mijn weg omdat hij nu eenmaal deel uitmaakte van het literaire milieu waarom het mij destijds te doen was, het Hollands-Beierse hof. Maar van alle kennismakingen met Middelnederlandse teksten en auteurs die ik aan dit onderzoeksproject te danken heb, is die met Dirc van Delft mij verreweg het dierbaarst, omdat ik hem van alle schrijvers daar het meest indrukwekkend en zelfs inspirerend vind. Nu is het op zichzelf weer niet zo'n wonder dat deze man van wetenschap en onderwijs en beeldend proza mij zo imponeerde. Maar terugkijkend ben ik er nog steeds van overtuigd dat het wel degelijk ook religieuze redenen had dat ik zo onder zijn bekoring kwam - omdat ik hier gedurende een langere periode en op geconcentreerde wijze oog in oog stond met een bezield geloof dat van een indrukwekkende vanzelfsprekendheid was, niets defensiefs had en gevrijwaard was van hedendaagse moderniseringsvormen. Hoe legitiem het moge zijn om spiritualiteit in actuele termen en vormen te vervatten, in mijn geval althans maakt de puurheid van die middeleeuwse Tafel van den kersten ghelove meer indruk dan te horen dat onlangs de Nederlandse synode werd geopend met een predikatie waarin Kaïn werd geportretteerd als tekortschietend in communicatieve vaardigheden.

Ten aanzien van de wetenschappelijke studie van de Middelnederlandse religieuze literatuur lijkt mij het volgende te gelden. Er is, ondanks de niet geringe tegenstromen in binnen- en buitenwereld, nog volop hoop voor de toekomst van dit vakgebied. Gelukkig maar, want zonder hoop vaart ook geen onderzoeker wel. Dat er tevens geloof voor nodig is om middeleeuwse geestelijke literatuur op wetenschappelijke wijze te doorgronden, betwist ik. Hoewel de hemel moge verhoeden dat de katholieke kerk ooit op zou houden om haar eigen middeleeuwse wortels bloot te beschouwen, kan een zeer waardevolle bijdrage aan zulk onderzoek juist ook geleverd worden door hen die om het eens huiselijk te zeggen niet van het houtje zijn. Voor hen is dan wel absolute vereiste dat zij hun uiterste best doen om zich in te leven in een wereld die zij niet van binnenuit kennen - en daarvoor is dan weer vooral vereist dat zij de spiritualiteit en geestelijke letterkunde weliswaar op enige afstand bezien, maar bovenal met diep respect. Of eigenlijk zeg ik daarmee te weinig, en moet het voluit liefde zijn - die inderdaad, ook in de wetenschap, de meeste is.

Literatuuropgave

Bewerkte tekst van de Titus Brandsma lezing 1996, gehouden op 7 juni aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. De oorspronkelijke tekst (met voetnoten) zal eerlang als brochure van het Titus Brandsma Instituut verschijnen.

Zie over Jeronimo de Vries G. Brom, Geschiedschrijvers van onze letterkunde (Amsterdam, z.j.), p. 23 en W. van den Berg in Literatuur 6 (1989), p. 323 ev. In hetzelfde nummer van dit tijdschrift vindt men een bijdrage van schrijver dezes over W.J.A. Jonckbloet; zie over hem ook W.P. Gerritsen, ‘“De lust voor dezen studietak”. De medioneerlandicus en zijn publiek’, in F.P. van Oostrom e.a., Misselike tonghe (Amsterdam, 1991), p. 171-187 en ook (sterk anti) Broms Geschiedschrijvers, p. 43 ev. Over C.G.N. de Vooys handelde recentelijk W.P. Gerritsen: De Vooys en de explosie van de neerlandistiek (Utrecht, 1995). De zinsnede over het belang van het leespubliek der Mnl. letterkunde komt uit De Vooys' artikel over Dirc van Delft (Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 22 (1903), p. 1-36), en werd te pas gebracht als opening van F.P. van Oostrom: Reinaert primair (Utrecht, 1983). Voor het portret van C.C. de Bruin zie diens in memoriams in Nederlands archief voor kerkgeschiedenis 69 (1989), p. 1-2 en Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 105 (1989), p. 1-2, alsmede de brochure ter gelegenheid van de toekenning van de Prijs voor Meesterschap vanwege de Maatschappij der Nederlandse letterkunde (met een fraaie laudatio door P.F.J. Obbema en een markant dankwoord van de bekroonde). Het portret van pater Daniëls berust hoofdzakelijk op diens levensbericht (door C.H. Lambermond OP) in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde 1950-1951, p. 108-109. Een kennismaking met het hedendaagse historiserende onderzoek van Middelnederlandse geestelijke letterkunde biedt Dini Hogenelst en Frits van Oostrom, Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen (Amsterdam, 1995); zie voor de juiste balans wel de recensie van dit boek door P. Verdeyen in Ons geestelijk erf 69 (1995), p. 177-179. Voor een historiserende kijk op Ruusbroec zie speciaal de bundel Een claer verlicht man (Hilversum, 1993), met name de inleiding en de bijdragen van Warnar en Willaert, en Geert Warnar, ‘De chronologie van Jan van Ruusbroecs werken’, Ons geestelijk erf 68 (1994), p. 185-199.

(Ik dank dr. Thom Mertens, die mij op de beschouwing in de eerste druk van De Vooys' proefschrift attent maakte, en drs. Marinus van den Berg, die in het cssn de weg hielp vinden. Ook dank aan dr. Geert Warnar voor tal van adviezen, aan dr. Berry Dongelmans voor zijn ervaringen met onze eerstejaars, en aan drs. Ingrid Biesheuvel voor ondersteuning.)