terug  begin  verder
[p. 55]

[Gedichten van Lucebert]

Lucebert
het gelijk - een chanson
 
het gelijk van vissen vingers
 
het kwintet van de komplikaties en braille
 
het gelijk van de ogen op borsten
 
het aanraken van de taille der vertedering
 
het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen
 
 
 
het gelijk van het gelijken
 
op een grote gek die door drinken denkt
 
- in de rivieren drijft de hemel
 
mee met de aarde en de werelddelen
 
stomen naar elkaar op door de zeven
 
wereldzeeen - een processie van de progressie
 
 
 
- wind gelijk honing stroop tussen de
 
personen de meest frivole tronie van de
 
adem het meest idolate gelaat van de
 
eenzaat - mimikrie als leitmotiv
 
 
 
het gelijk van twee bokkingen op een bord
 
in een kamer te huur
 
twee geheime schaduwen aan de muur
 
spuwen een wachtwoord naar elkaar
 
het gelijk oversteken
 
is een geluid in de lekke goot
 
twee eendere handen zitten samen in het haar
 
de eenzame honden zoeken hun brood
[p. 56]
Lucebert
gij zult rondtasten in de middaghitte
 
de slaper door een sloopwerktuig ontworpen
 
eens genummerd als kind is door willekeur omringd
 
hij gaat tenslotte op zijn tenen staan zijn ogen
 
zullen eenzaam opklimmen naar een schitterend lichaam in de lucht
 
dit is mijn geluk dit is mijn ellende
 
 
 
deze dag zal zijn als alle dagen
 
gedachten worden gedaan rondom de dingen
 
deels duidelijk deels aangeduid
 
maar geen zal er daadwerkelijk winnen
 
 
 
slechts even door handoplegging
 
zal zich losmaken het pakijs van het verdriet
 
te zijn gebonden een last logge onderdelen
 
een loopmachine smekend om respijt
 
om rust in de rage
 
de dwingende bronnendorst
 
 
 
bah hoe slaat in de goedgesmeerde steden
 
keer op keer de bliksem in
 
juist daar waar ik drinken wil
[p. 57]
Lucebert
topkonferentie
 
ook aan tafel blaffen de honden de maan aan
 
deze konferentie is mislukt
 
niemand geneert zich voor zijn manieren
 
men spuwt op de gelukkigste vrucht
 
der verbeelding en uit het bleke dekolletee
 
van de debutante vist men vergeelde kranten
 
 
 
zij zijn wel dicht bij de grens
 
de telefoon vertoont rode oren
 
voor een stortregen in kritieke uren
 
een besmet schip komt op bezoek bij een kelder
 
waarin men al jaren op de ratten wacht
 
zelfs de storm jatte de noodklok uit de toren
 
 
 
de situatie is gezond
 
de dichter dief van de volksmond
 
is blut hij werpt het vergiet van een lied
 
in een bodemloze put
 
 
 
uitgepraat de kruimels knede men
 
tot volksvoedsel en onder die konditie
 
zijn wij bereid te sterven voor het jubileum
 
heffe nu nog even het glas de verdeelde
 
meerderheid verenigt zich in een positie
 
gelijkwaardig aan die van de politie
 
die steeds hondje speelde als ze honden trainde
 
 
 
de slaven van alle smetten
 
de vrije krantenlezers
[p. 58]
 
en de alles overtreffende gelukkige nul
 
geeft acht aan het eindpunt in de garderobe
 
worden evenveel apen uitgedeeld als vlees
 
menselijk beseft men dit en men overtreft zichzelf
 
met het benul daarvan en verder geen gelul
terug  begin  verder