|
|
|
| | | | | |
Toen de Gids werd opgericht… Door Albert
Verwey.
| |
De negentiende eeuw.
Karakteristieken.
Inleiding.
De kunst der negentiende eeuw in Europa.
Aan de achtiende eeuw kan men vragen hoe ze worden moest. In onzen
tijd kan men zien, hoe ze is of zal zijn.
Want de groote literaturen dezer eeuw zijn niet anders dan de
verklaringen en konsekwenties van weinige formulen, die de Natuur bovenaan
schreef in de rekening harer feiten, vóór honderd jaar. En de
geschiedenis, die vele dier feiten naschrijft, stelt die weinige formulen aan
de hoofden der bladen van haar grootboek, om de dingen te doen begrijpen, die
geweest zijn, om - misschien - te voorspellen wat komt.
De achtiende eeuw is een tijd geweest van waarneming. Ze is een
tijd geworden van gedachten.
Ik geloof, dat men uit deze twee waarheden de kunst kan begrijpen,
die geworden is, en de kunst kan voorspellen, die zal zijn.
| | | |
| |
Eerste hoofdstuk.
I.
De menschen der vorige eeuw hebben veel gezien in hun leven. Zij
zagen de dingen rondom zich met klare, kalme oogen, en langzaam-kloppende
harten. Hun zielen, die leeg waren van hartstocht, werden vol met de wereld der
aanschouwing. Zij kenden niet anders als die wereld. Zij zagen haar altijd
vóór zich, met haar grappigen, verstandigen onzin van lijnen,
kleuren en geluiden, geluiden, kleuren en lijnen, waarvoor niemand iets voelen
kon dan het vermaak dat ze er waren, maar waar ieder tot tijdverdrijf naar
keek. Zij peinsden er over en peinsden, dat deze lijn zoo was en deze kleur die
was en dit geluid dat. Zij verhaalden en bepraatten en bebabbelden de groote
magazijnen van waarneming, die ze in hun zielen hadden saamvergaderd, maar
vergaderd uit geen andere liefde dan die tot tijdverdrijf en vermaak.
Als kalme, waarnemende organismen liepen die menschen het leven
door. De hebbelijkheid der waarneming groeide in hun lichamen. De stijl der
waarneming veralomtegen-woordigde zich in hun werken. Als kooplieden, die hun
boeken beschrijven met cijfers, hun notaas met de termen der usance, zoo
schreven zij al wat zij zagen in de teekens hunner aangeleerde taal. Zij
bouwden hun boeken als wiskunstenaars, zij bewerkten ze als bouwlieden met
passer en maatstok. Indien hen een stemming beving bij hunnen arbeid dan was ze
de vreugde der geestdriftige geleerden, die toch niet dulden, dat het licht
hunner oogen de dingen hunner waarneming kleurt.
Boven op de vlakten van dien tijd etaleerde een geweldige als
Göthe het zuivere proza der verstandige
observatie, onuitputtelijk als een verzamelaar van penningen, nauwkeurig als
een man, die anatomische praeparaten maakt. | | | |
Door de nieuwe gedachten heen, bewoog zich die macht van
waarneming, en bouwde zich een openbaring in de
Comédie Humaine van
Balzac.
1) In
Stendhal en Balzac verscheen ze, en schreed met
eenvoudige bewegingen over de drukke, bewegelijke marktplaats der bonte
Romantiek.
Toen begon ze te veranderen. Het geluid en de rhythmen der
rhetorische poëten bewogen haar gehoor met impressies van klank.
2) Zij had niet geleefd van impressies in al die jaren. Haar
schrijvers hadden woorden gehoord en geweten wat zij beduidden: zij hoorden ze
thans en gevoelden hun geluid. En zóó, alsof toen al hun
zintuigen samen ontwaakten, gevoelden zij de kleuren en vormen in hun oogen,
vórdat het verstand tot hen zeide: ik zie.
De verstandelijke waarneming was verlevendigd tot gevoelde
zintuigelijke aandoening. De beschrijvende taal dier waarneming werd de
impressionnistische taal der sensatie.
Dit was als een nieuwe morgen in het leven van een deel der
menschheid. Dit was als een aanstormende wraak der uiterlijke wereld op de
ergerlijke rust harer waarnemers. Zij hadden de kleuren gezien en gezegd: die
zijn zóó; de vormen, en geschreven: die zijn zús; maar de
kleuren vlamden óp en lichtten in hunne oogen; de vormen bewogen zich en
hieven zich omhoog en smeten zich neer op het lichaam dier éenlingen,
die zich met rustigen harteklop gewaagd hadden aan het zien der realiteit.
Flaubert schreef de aandoeningen zijner zinnen naast
elkander, nauwlijks verbonden dan door fijne redeneeringen van gevoel,
nauwlijks verwant dan door eene gemeenschap van schoonheid; en de fijne cadans
zijner klinkende rhythmen is een reeks van kunstig-gebeitelde sensaties van een
zeer artistieken Franschman uit de tweede helft dezer eeuw.
Zola, de groote geslagene met klank, lijn en kleur,
schreef de dikke boeken zijner sensaties en begreep niet wat die | | | | werkelijkheid, wier verschijnselen hij konstateeren wou, hem had
gedaan.
En de beide broeders
de Goncourt gaven hun heele bevende lichaam over om
het leven te voelen, en zij zaten er bij neder, als meedoogenlooze artiesten,
bespiedende en grijpende in geluid de teere rillingen der hersenen, de
rasvliedende sidderingen van hun arme, zenuw-zieke organismen.
Zola en de broeders de Goncourt begonnen wéder twee stadia
dier kunst.
De waarneming was langzamerhand opgestaan als sensatie, hier een
weinig en daar een weinig. Die sensaties vulden hun rangen aan en trokken hun
massaas samen als breede slagorden. De geheele wereld der uiterlijke
verschijnselen stond op in een langzame metamorphose.
En Flaubert had zijne gewaarwordingen geschreven; en zij waren hem
eene gevoelde werklijkheid geweest. Hij had ze geschreven, de eene na de
andere, met stille bewegingen en zónder hartstocht.
Zola wilde óok de gevoelde werklijkheid schrijven, de door
hèm gevoelde. Hij wilde ook zijn gewaarwordingen naast elkaar stellen,
onpersoonlijk, als gerangschikte dokumenten.
Het eerste deed hij; maar het tweede kon hij niet meer. Want als
hij de dingen, die hij gezien had, opriep in zijnen geest en zich de
aandoeningen zijner zinnen bewust maakte om ze te schrijven, dan joelden en
joegen ze omhoog in zijn ziel, de opgewonden kleuren, de geestdriftige
geluiden, de verwilderde, verzinnelijkte feiten en ze vielen voor hem neer op
't papier als levende, juichende woorden, verwantschapt en bezield door de
passie van den artiest. Ze dompelden onder en vervaagden in dien zwaren,
overheerschenden hartstocht: de zieleglansen van den waarnemer lichtten over de
onpersoonlijke hartstocht-looze natuur.
De broeders de Goncourt staan vóoraan een ander stadium.
Hunne voorgangers hadden bedoeld: het zeggen der werke- | | | | lijkheid door het zeggen hunner sensaties; zij voelden die sensaties te veel om
te denken aan de werkelijkheid.
Zij waren de eerste der artisten, die noodzakelijk ná Zola
moesten komen, die telkens als de kleuren zich verdiepten in hunne oogen,
telkens als het lijnenspel der vormen zich verfijnde onder hunne aanraking, de
wereld zouden zien veranderen met de wisseling hunner sensaties en zich af
zouden vragen: wat dat is, een werkelijkheid die veranderen kan?
Zij waren de eerste der kunstenaars, die leerden door de
waarneming, wat de idealistische philosophen in zichzelf hadden gevonden, wat
Shelley in zijn kunst had beleden: wat de
werkelijkheid is, weten wij niet; maar wat wij gevoelen, dát weten
wij.
De persoonlijke hartstocht van Zola, het stellen van de sensatie
in de plaats der werkelijkheid van de broeders de Goncourt, zullen twee groote
elementen van de eerstvolgende kunst der waarneming zijn.
3)
| |
II.
Het is eene opmerkelijke overeenkomst, dat de beste der
stemmings-poëten van de nieuwe periode - Percy Bysshe Shelley, bedoel ik -
een leerling van
Kant en
Berkeley geweest is en de kunstenaars der waarneming
thans, als sensitivisten, schijnen te komen tot het geloof aan de leer
dierzelfde philosophen.
Het is of de Tijdgeest die éene zijner gedachten: dat wij
weten wat wij zien en weten wat wij gevoelen, maar niet kunnen weten wat is, -
tot geloofsformulier voor zijn beiderlei kunstenaars had bestemd. Shelley
geloofde haar en soms is het mij voorgekomen, dat, gesteld dat de moderne
stemmingskunst haren ónovertrefbaren voortbracht, deze een ruimere en
rijkere Shelley zou moeten zijn. Maar de naturalisten geloofden haar niet. Zij
zagen de dingen rondom zich en zeiden dat die waren. Zij begrepen niet, dat
ál hun zien hen slechts opvoedde tot het geloochende geloof. De
Tijdgeest | | | | voedde hen op. Hen, hun geheele organisme, de fijnste
zenuwen hunner zintuigen, zóo dat zij geheel anders werden dan alle
andere menschen. En toen het zijn tijd was omnevelde hij hun oogen tot de
kleuren er in droomden en de vormen er in beefden, en hij zeide hun, dat hij,
hij hen enkel wat langzamer en anders dan anderen bereid had tot het geloof in
de idee, die ze ontkenden, dat het zijn, zijn enkele wil en bedoeling geweest
was, dat ze zouden worden gesleept en gesleurd door droomen van kleur en
verrukkingen van klank, om dán na te stamelen, met bevende lippen en
schreiende oogen, wat de apostelen der gedachte glimlachende vóor hen
gezegd hadden: Wat wij zien weten wij, wat wij voelen weten wij, maar wat is
weten wij niet.
Ik sprak van de toekomst-artisten der waarneming. Neen, die zullen
niet alleen meer trachten te beelden een verstandelijke realiteit, daar zullen
er ook zijn, die boetseeren in taal de beelden hunner sensaties.
Zooals de stemmingsdichter zegt, als hij aan zijn groote kunst
gaat, aan zijn schrijdende epos, aan zijn levende drama: Zie, ik dichter, ik
heb déze passien, dat weet ik en ik weet dat ik ze zeggen kan: nu zal ik
er van geven, zoo en zoo, aan deze en die mannen en vrouwen en kinderen, opdat
die voor mij doen, met vertoon van mijn hartstocht, in een boek, of, nog beter,
op de planken van een tooneel, wat ik zelf in dit korte, enkelvoudige leven
nooit allemaal zal kúnnen doen, al ween ik van begeerte om het gedaan te
zien, ómdat het zoo mooi is; - zooals de stemmingsdichter dat zegt, zoo
zal de kunstenaar der sensatie zeggen tot zichzelf: Mij, als ik loop over
straat, als ik zit in mijn kamer, is iedere kleur die ik zie, ieder geluid dat
ik hoor, voldoende om me te doen bewust worden honderden en duizenden ragfijne
rillingen mijner hersenen, honderden en duizenden nauw bespeurbare bevingen van
mijn zintuigen en mijn heele organisme: het leven voel ik niet anders dan als
een eindeloos feest van | | | | sensaties. En omdat ik sensaties heb voor
wel duizend menschen, maar ze zelf nooit volkomen zal kúnnen ondergaan
in die opeenvolging en in die omstandigheden waarin ik ze mij denk als de
heerlijkste hoogten van het menschelijk gevoelsleven; - en omdat ik nochtans
zoo een geweldige behoefte heb, om mijzelf of iemand die van mij hoort ze juist
zóo te zien ondergaan, als ik ze mij heb voorgesteld; - daarom zal ik
van al die in mij sluimerende sensaties geven aan deze en die menschen in mijn
boeken, opdat ik die voor mij zie ondergaan, wat ik zelf in het leven niet
ondergaan kán.
Dan zullen door hunne boeken gestalten wandelen, die niets anders
zijn dan zóó fijn-voelende organismen, als zelden de schittering
hunner aangezichten heffen in de wereld der werkelijke menschen. Hunne werken
zullen visioenen van moderne poëten worden genoemd. En als groote
onvergankelijkheden zullen zij gesteld worden tusschen de andere heerlijkheden
der aarde, waar de hartstocht der schoonheid over heen is gegaan.
| |
Tweede hoofdstuk.
I.
Uit de waarneming der 18de eeuw is de eene, uit hare gedachten de
andere kunst der 19de eeuw ontstaan.
Als de kunst der waarneming is uitgegroeid, dan zal die groei
zoo'n groote natuurlijkheid zijn geweest. Men zal dan zien, dat de menschen
eerst hebben waargenomen met hun kleine genoegen aan het leven en dat zij
bedaardjes hebben beschreven wat ze waarnamen uit vermaak. Dat de waarneming
daarna hun zintuigen heeft bewogen met groote aan doening en zij de
werkelijkheid hunner boeken gekleurd hebben met het gevoel hunner zintuigen.
Dat zij eindelijk dat gevoel hebben behouden en de werkelijkheid hebben
los- | | | | gelaten daarónder, om alleen dat gevoel te belichamen in
de beelden hunner groote kunst.
Ik geloof dat de groei der kunsten zoo eenvoudig als de groei der
menschen is.
Als de kunst der gedachten is uitgegroeid, geloof ik dat men
zeggen zal: Eerst hebben de menschen gedacht, en geschreven in opgewondenheid,
wat ze nauwelijks hadden gevoeld. Toen waren er wier ziel bewogen werd door die
gedachten, zóo dat ze niets liever kregen dan deze, en zij schreven ze
zuiver in de stemmingen, die in hen waren ontstaan. Daarna genoten zij
zóoveel van hun stemmingen, dat ze de gedachten vergaten
daarónder, en alleen hun passies belichaamden in de beelden hunner
groote kunst.
De werken dier eerste menschen behooren niet tot de kunst, al
hebben ze behoord tot de literatuur.
Bilderdijk is een van die menschen; zelfs
Klopstock, die eens zoo beroemd was; en
Byron en
Victor Hugo zijn ook nog van hunne maagschap.
Maar de eigenlijke stemmingskunst, die in de eerste helft dezer
eeuw gemaakt is, is het werk van de lieden der tweede soort.
De groote kunst der moderne stemmingspoëten, de kunst der
belichaamde passies van het drama en het lyrische epos, moet door een nieuw
geslacht worden gebouwd.
| |
II.
Wij Hollanders hebben voortdurend den invloed van de literatuur
der vreemden, niet dien van hunne kunst ondergaan. Want ik weet niet of men
later het Sentimentalisme, ook geloof ik niet dat men later de Romantiek tot de
kunst van Europa rekenen zal. | | | |
Maar de Romantiek en het Sentimentalisme zijn twee gewichtige
verschijnselen in de psychologie van een deel der moderne menschheid
geweest.
Daar waren menschen, die het leven rondom zich gezien hadden met
onbedriegelijke oogen. Zij hadden de lijnen van hun verstand aanschouwd in
natuur en maatschappelijke wereld. Zij hadden ze gemeten en beteekend, zoodat
zij wijs waren geworden met de kennis van het groot en klein in de dingen der
aarde.
Maar toen braken de stokjes van Geloof en Wetenschap, waarop ze
gesteund hadden bij het kijken. Toen sloeg op hun duizelende brein de
gelijkheids-idee der Fransche philosophen, die strijdhamer der nieuwe
gedachten-titanen, waar een heele maatschappij onder gruizelen zou.
Toen begon in die organismen de strijd tusschen de nieuwe idee en
de oude waarneming. Toen liepen ze rond met verwarde hoofden en ontstelde
zielen en konden het niet begrijpen, dat in al dat klein en groot hunner
verstandige metingen alles gelijk was. Zij weenden er om en mijmerden er over,
dat zonnestelsels niet meer waren dan stofjes, dat de mensch niet meer was dan
een worm of een grassprietje, dat de mensch leefde en stierf en verging in de
aarde en dat er tóch niets veranderde in de wereld. Zij voelden zich zoo
klein en bevangen van angst bij het denken aan dat groeien over hun hoofden
heen, ze beefden voor de duisternis van het Ongeziene, ze sidderden voor de
grootheid van een Almacht, die uit de boekjes hunner catechisatie opgroeide in
de oneindigheid. Zij droomden zich ver, ver te vlieden naar stille, groene
dalen, waar altijd rust was: ze keken naar buiten en begrepen hun ziel niet, ze
blikten in hun ziel en vreesden voor het leven. En dan hieven zij de handen
boven het hoofd en sloten de oogen en stortten zich neer in de duisternis van
hunnen dood. | | | |
Zij waren te veel verwarde menschen om groote kunstenaars te
zijn.
De invloed van het Sentimentalisme heeft de eerste, die van de
Romantiek de tweede periode onzer nieuwe literatuur beheerscht.
Dezelfde gelijkheidsidee, die de hoofden der Sentimentalisten
verwarde, is de formule, waaruit men de Engelsche Romantiek van
Byron, de Fransche van
Victor Hugo verklaren kan.
Zij waren de revolutionnaire poëten der gelijkheid in de
jaren der ongelijkheid. Zij waren in de maatschappij de revolutie der Idee, die
belet werd in vervulling te gaan. Zij waren in de literatuur de revolutie van
kleur en beweging tegen de vaalheid en afgepastheid van het achtiende-eeuwsche
klassicisme.
Zij waren lieden, die met de Idee in het hoofd oreerden tegen de
menschen en machten, die de Idee niet wilden. Zij hadden al het misverstand en
al de sanguiniteit van lieden, die zich moê zullen werken om de
maatschappij om zich heen gelijk te maken aan hunne idealen, liever dan met de
idee in de ziel blijde te zijn om het leven en te glimlachen tegen den Tijd,
die alles terecht brengen zal.
Zij waren menschen, die als zonderlinge kinderen waren in de
huishouding der wereld. Want zooals deze geen instemming vinden bij hun ouders
en kameraadjes en ze sluiten hun hart toe en zoeken een eenzaam plekje op
zolder, om alleen te zijn met boeken vol vreemde verhalen en platen vol bonte
beelden - zoo liepen gene in opgewondenheid of teleurstelling, met hun taal bij
zich, weg naar het Oosten, naar de Middeleeuwen, overal naar toe, waar het
kleuriger en bedrijviger was dan in hun eigen domme, vervelende land.
Zij waren te veel opgewonden menschen, om groote kunstenaars te
zijn.
| | | |
| |
Derde hoofdstuk.
I.
De kunst der negentiende eeuw in Nederland.
Ook deze is uit de achtiende eeuw gekomen; en ook bij ons liggen
de boeken der waarneming verspreid in die eeuw.
Midden door het gebabbel der Spectators gonst in hunne geschriften
het groote, woelige leven der rijke hoofdstad, geslachten van leven, die de
geheele eeuw vullen met de kalmte harer deftige, rechtopstaande huizen, met het
hortend geraas en de kleurige bedrijvigheid harer bezige bevolking; - massaas
leven van geluiden en kleuren, die krioelen over markten en grachten, vol halve
gefluisterde woorden en afgegluurde intimiteiten, die naar buiten springen door
een raam dat aan straat is geopend, door een deur die maar even ontsloten
wordt, door het portier van een rijtuig dat voorbijrolt, van de trekschuit, die
langzaam langsvaart, voor de leegstroomende kerken en publieke gebouwen.
Fragmenten van gesprekken gaan ons oor voorbij, met een klare,
duidelijke onbeduidendheid, in de open stadslucht. Stukken burgwal en gracht
stellen hun rustige lijnen en spiegelingen vóór ons, met hun
zeer-licht-grijze straatsteenen en hun groen-vuil water, met hun glimmende
rijtuigen en uitwijkende menschjes op de mat-roode klinkers, brokken
dagelijksch leven in een lijstje, als gefotografeerde spionnetjes. En op de
wandeling en uit de rijtuigen duwen de dames hun toiletten tegen de lucht en
houden ze ons voor als prettige nauwkeurigheden van satijn en linten en
kleurige bloempjes, die alleen door hun trillende bewegingen hun
lichamelijkheid afronden uit een voorkomen van schilderwerk.
4)
In de ‘Arkadia's’ zitten de mannetjes met den rug naar
ons toe op kleine prentjes, tusschen wat riet aan een slootkant, het hoofd
voorover, een langen hengel vóór zich. Achter hen staan de boomen
van het grintpad, stil in een helder zonnetje, en in de verte piekt een
dorpstorentje boven het | | | | hout uit, in een lucht zonder wolken. Of
zij wandelen met het driekante steekje op, in achtiende-eeuwsche rok en
kuitbroek, de rechterhand op hun stok, over een zonnigen, stoffigen landweg,
onder een hoogen, leegen hemel vol middaglicht: ter linkerzijde is een
vergezicht van weilanden, gestoffeerd met koetjes en schaapjes, ter rechter een
lustoord met vierkante, dikke, gladgeschoren hagen en effen lindeboomen voor de
ramen en de bedaking van het huis. Als het prentje leefde, zou men achter het
huis een paar vroolijke stemmen hooren en het piepen van een voorbijzeilende
zwaluw en men zou zien dat de wandelaar omkeek naar dat geluid. In den
altijd-mooi-weer-toon dier etsen en kopergravures beweegt zich het heele land-
en buitenleven der hollandsche achtiende eeuw met een mooie, genoegelijke
bedaardheid. Menschen en dieren gaan heen en weer langs wegen en vaarten met de
makkelijke manieren van lieden, die thuis zijn, aangenaam gestemd door de
open-lucht-omgeving van omboomde hofsteden, groene weilanden, volle
trekschuiten en gezichteinders met draaiwiekende molens. Als zij staan bleven
en gestemd werden door zoo'n simpel weiland, omrand door boompjes en molentjes,
die stil in de rossige avondlucht stonden, dan gevoelden zij iets van wat zij
noemden ‘den eenvoud der natuur.’ Maar al wandelend ontleedden zij
de wei in kluitjes aarde en grassprietjes en madeliefjes en de boomen in stam,
takken en bladeren en de molens in romp en wieken en zeilen en
zóó vergrootten zij den voorraad hunner waarneming, die de
erfenis hunner ziel aan hun kleinkinderen zou zijn.
Beteekenisvolle dokumenten dier waarneming zijn óók
de twee romans der juffrouwen
Wolff en
Deken:
Sara Burgerhart en
Willem Leevend.
Daar is in die boeken niets van de passie, die alles gelijk maakt,
niets van de sensatie, die het feit verzinnelijkt. Daar zijn ál de
naaktheden, al de oneffenheden, al de koude gapingen, die de dingen en menschen
scheiden op den stofigen weg van het werkelijk leven. Dáár is het
verstandelijk zien, dat konstateert.
5)
| | | |
Dáár lacht en stoeit, dáár weent en
murmureert, daar moppert en huichelt en is gemeen het leven der binnenkamers en
het verkeer der correspondentie. Daar draaien de personen der families en
huishoudens in het kringetje hunner kleine omgeving, in pantoffels of laarzen,
in gekleurde japonnen en versleten huisjasjes, met mutsen op het hoofd of
pruiken op hun kaptafel. Dáár worden klavieren bespeeld met
wereldsche wijzen en boeken gelezen met stichtelijke femelarij.
Dáár is alles net zóo als het altijd in de wereld geweest
is, zoolang er menschen naast elkaar opgroeiden in de celletjes der
maatschappelijke verhoudingen, net zóo als het altijd zijn zal, zoolang
menschen weenen zullen om het leed, dat menschen hun aandoen en lachen in
menschelijke vreugd.
In den licht-getimbreerden, eenvoudigen stijl dier boeken, die als
een rustige dampkring iedere fijnheid der figuren omlichaamt en zichtbaar laat,
vertoont zich een heel volk van burgermenschen, gesilhouetteerd met hun kleine
manieren in hun kleine omgeving, mannen en vrouwen, die lang dood zijn, maar
daar nog altijd zoo doen, als ze in hun leven gedaan hebben. Mannen, van den
ouwerwetschen Rotterdammer met een breed, vurig gezicht in een kort gesneden
pruikje, en een zwarten rok met lubben, die hem over de handen flodderen, tot
het nieuwerwetsche heertje-naar-dè-mode, dat zeer laat opstaat en in
zijn soubise zittend zijden kousen aantrekt of toncaboontjes sorteert voor zijn
dames favorites, terwijl hij wacht op zijn franschen coiffeur; - vrouwen, van
de oefenaarster, die een donkere japon en een muts langs de wangen draagt, tot
de dame, die een kapsel met boucles heeft op het achterhoofd en gekleed gaat in
keurslijf en hoepelrok; - zij allen zijn dáár, dáár
in die boeken, gezien met een juistheid van waarneming en beschreven met een
prettig vertrouwen van geheugen, dat geen Nederlandsch schrijver na juffrouw
Wolff bezeten heeft.
Als men dat alles, Spectators, Arkadia's en de werken dier juffrouw
in zijne verbeelding heeft, dan behoeft men er maar langs de randen en op een
overblijvend strookje wat tooneel- | | | | tjes uit 18de eeuwsche
blijspelen bij te teekenen, om vertrouwd te zijn met de hollandsche waarneming
dier eeuw. Dan weet men wat de kunst van dit land gehad heeft aan die
waarneming en zal beter dan te voren in staat zijn te oordeelen over de werken
van hen, die de kunst dier waarneming hebben voortgezet of trachten iets toe te
doen aan die kunst.
| |
II.
Twee oorzaken hebben, van den aanvang der eeuw, onze kunst tot een
Stemmingskunst gemaakt. Zij waren
Bilderdijk en het Sentimentalisme.
De eerste dertig jaren onzer eeuw zijn vol van Bilderdijk. Men kan
ze niet binnengaan zonder te luisteren naar het roepen van zijn naam; men gaat
ze niet uit dan met klachten om zijn dood in het oor.
Hij hangt over hen heen met zijn groote onbegrepenheid, met zijn
massaas beroerde taal en zijn hoopen onverteerde gedachten. Om hem heen de
weinigen, die genoten van zijn slecht-gestyleerde meeningen en sentimenten,
omdat zij die sentimenten en die meeningen in zichzelve bezaten, en gevoelden
wat hij bedoelde, al begrèpen zij niet wat hij zei. Vóór
hem uit en in de laagte de woelende kunst dier dagen, en het volk.
Schrijvers noch volk begrepen Bilderdijk in zijn eigenlijk werk.
Sommigen genoten met achtiende-eeuwschen vermaaklust zijn beschrijvingen en
kleine gedichtjes; anderen maakten zich boos om zijn wrevelige uitingen en
beweringen; maar allen zonder onderscheid had hij geslagen met de bewondering
voor wat men niet begreep.
In het opwekken dier bewondering lag zijn goede invloed op
de kunst van ons vaderland.
Dat geslacht was opgegroeid uit de kleine huisbakkenheid en het
laffe gebeuzel der 18de eeuwers. Het was zenuwach- | | | | tig geworden van
de groote revolutie en het had in zijn zenuwachtig leven allerlei zonderlinge
dingen gedaan. Het onderging veranderingen in zijn organisme, geestelijk en
lichamelijk, dergelijke geen dier er ondergaat zonder een zwaar gevoel van
malaise. Het was ontvankelijk voor indrukken tot ziek-wordens toe. Toen konden
die menschen niet opzien of ze zagen Bilderdijk. Hij stond hun boven de
hoofden, grooter dan één mensch, dien ze gekend hadden. Zijn
groote opgewondenheid, zijn veelheid in het buitengewone stond, als een vreemde
al-machtigheid op tegen de onmacht der vorige eeuw.
Zij kónden hem niet beoordeelen, maar zij werden
geestdriftig van hem te zien.
Zóo als een wandelaar gaat door een groote stad, waar veel
volk is; en hij hoort het gedreun van een groeiende menigte, één
ontzaglijk geluid van loopende lichamen; en stilstaande ziet hij in de verte
een donkere massa, die nadert, één donkerte, maar midden in het
zonlicht, vol velerlei kleur van gezichten en kleederen en hoog uitwapperende
vaandels, blauw en rood en goud; - ze trekt voorbij op een afstand, als een
levend lichaam van lichamen, met hier en dáar haastig-loopende
gestalten, die zich losmaken uit de zijden, hun duidlijke bewegelijkheid
afteekenende tegen die groote onduidelijkheid; - geroep en gezang van veel
stemmen slaat op de ruggen en schouders en golft over al die hoofden in breede
vlagen, zich uitzettend in de rondte met een klank van begeerige geestdrift,
zîch uitrekkend als een reuzig netwerk van geluid, neervallend op de
lieden, die aan-loopen: hen, en hem, die dat aanziet, vangt het op in zijn
mazen en sleept ze mede naar het middenpunt in de warreling eener geestdrift
van klanken: - zóó zagen de schrijvende menschen den dreunenden
optocht van Bilderdijk's gedichten voorbijgaan, onontleedbaar tot iets anders
dan geluid en geestdrift, onbeschrijfbaar als iets anders dan onduidelijk en
onomvangbaar; maar geweldig met zijn verpletterende afwezigheid van stilte,
verbijsterend door zijn onherkenbare verscheidenheid van toon. En op en over
hen viel de geest- | | | | drift voor het onbegrepene, en de ziekelijke lust
tot roepen en loopen, als óf men begreep.
6)
Indien er toen iemand was opgestaan, die de hagelende volzinnen
van zijn toorn en verontwaardiging had neer gejaagd over die processie van
dwaze gedichten, dan zouden de wijsten van Nederland gelachen hebben met dien
toorn en gespot met die verontwaardiging.
En dat was goed. Hoe slecht het ook later zijn zou, dat
‘geestdrift voor on-gevoelde gedachten’ de definitie voor
‘inspiratie’ geworden was, op dat oogenblik was die geestdrift;
goed. Het on-artistieke in Bilderdijk mocht een last zijn op de schouders der
kunst, die nog pas kind was, ze zou toch wel groeien en te sterker zijn na die
oefening van draagkracht. En juist voor dat groeien had ze noodig het zien van
het groote, het volumineuse in Bilderdijk; het voortdurend denken, dat er
één was, die boven allen stond; het geestdriftig zijn voor het
onbegrepene, om later hartstocht te voelen voor wat ze begrijpen
zou.
| |
III.
Het Sentimentalisme kwam in Nederland, tegelijk met de
theorieën der duitsche esthetici.
Van Alphen,
Feith en
Bellamy verdedigden beide in de achtiende, Feith
voerde ze in het leger zijner geschriften de grenzen over der negentiende
eeuw.
Maar het Hollandsche Sentimentalisme was ánders dan het
Duitsche.
Dáar waren er in wie de gelijkheids-idee had ingeslagen,
zoodat het eene deel hunner ziel was opgestaan tegen het andere. Zij zouden
groote, rustige menschen worden, neer zij hun heele zijn in ééne
Idee begrepen. Maar zij den sterven van wanhoop, indien er geen einde kwam aan
hun verdriet. Want de strijd, die in hen gevoerd werd, was niet een licht spel
hunner zinnen, niet een spiegelgevecht | | | | hunner stemmingen, hij was
een worsteling van twee elkaar hatende machten, die de krachten waren huns
levens. Toen de ‘Ahnung’ er van sidderde door den geest van
Göthe, was ze krachtig genoeg om den heelen,
levenden
Werther in hem te openbaren; den Werther, die met
zijn te bloeden geslagen ziel en zijn in duizeling geschudde brein, midden in
het leven stond; den Werther, die de Idee niet vermocht te dooden en haar
óók niet zag zegepralen over zijn oude voorstelling van de dingen
daarbuiten; en die niet anders kón dan sterven onder de afmatting van
den strijd.
Maar hier waren zulken niet. In de harten der Hollanders klonk het
rumoer maar ná van den strijd, dien de oude waarneming en de nieuwe
ideeën voerden in de zielen der menschen. Het was hun een nieuw soort
gewaarwording, die ze gaarne duldden. Een vermaak der verbeelding, dat de uren
vulde tusschen de bedrijven van het werkelijke leven.
En dit was zoo natuurlijk.
In hen kon de Idee geen worsteling beginnen waar hun lichaam mee
gemoeid was. Want de wanhoop aan het eindelijk-begrijpen kon de borst niet
bevangen der nieuw-testamentische geloovers. En de vrees voor het Ongeziene kon
het hart niet doen zinken der lieden, die het licht hielden met het vertrouwen
op hunnen God.
Zij waren berustende menschen. Hunner was het gevoel van eigen
kleinheid, het dwepen met godsvrucht en deugden, het levendiger bewustzijn van
de vergankelijkheid der wereldsche zaken, de krachtiger aandoening van teerheid
voor en aanhankelijkheid aan het leven in de rondte.
En juist omdat zij de levensvragen van het Sentimentalisme niet
kenden, konden deze dingen hun meer van de verbeelding dan van het leven wezen.
Zij bepeinsden ze en voelden er voor, als ze eenzaam waren, of 's avonds.
Zooals een zoet kind kan denken aan het ideale zoet-zijn, waarvan het gelezen
heeft in een boekje, en dat het niet kan nadoen zonder onkinderlijk te
zijn.
Ja, zij hádden hun gevoel uit boekjes. Al waren zij een tik
| | | | van den Tijdgeest niet ontloopen: zij zouden er niet van gesproken
hebben, indien er geen duitsche boekjes waren geweest. Dit is de reden, geloof
ik, van het feit, dat geen Hollander een Hollandschen Werther heeft
voortgebracht. Neen, anders: dat er geen Hollandsche sentimenteele roman is
geschreven, met een eigen, Hollandsche, zelf-gevoelde waarneming.
Deze redeneering wordt ernstig.
De eenige - en groote - waarde van Werther, den roman van het
Duitsche sentimentalisme, ligt in de gevoelde waarneming van innerlijk en
uiterlijk leven; - en in de boeken van het Hollandsche sentimentalisme is die
waarneming valsch?
Welnu, ja. Ik geloof dat dit zoo is. Ik geloof dat
Feith in zijn
Julia, in zijn
Ferdinand en Constantia en andere zijner werken
eene valsche waarneming èn van den mensch èn van de buitenwereld
geschreven heeft. Ik geloof dat hij dit gedaan heeft, doordat hij in zijn
boeken menschen voorstelde, die niet anders dan éen soort stemmingen
vertegenwoordigden, en een soort dat slechts zeer flauw in hem bewust was
geworden door duitsche lectuur.
7)
Zie, het Sentimentalisme is een zielstoestand geweest der moderne
menschheid en die menschheid heeft dat deel haars levens buiten Nederland in
enkele goede boeken onvergankelijk gemaakt. In Nederland niet.
Maar toch houdt dat Sentimentalisme eene goede beteekenis voor onze
opkomende kunst. Het was het begin van een nieuw gevoel, hoe zwak ook, in onze
letteren. De lieden, die het schreven, schreven zuiverder dan de knutselaars
der vroegere dichtkunst hadden gedaan. Als hun kinderen de nieuwe ideeën
verwerkten en de wereld leerden begrijpen in die ideeën, zou dat gevoel
veranderen en groeien en zich belichamen; en dan zouden die kinderen het niet
wraken, dat hun ouders in den beginne hadden gedwaald.
De gedichten van
Van Alphen,
Feith en
Bellamy - schreef | | | | ik in mijn eerste
gedeelte, en ik kan er nu de romans van Feith bij noemen - waren de eerste
verschijning der individualistische kunstidees in de praktijk.
De Moderne Stemmingskunst was in Nederland geïnaugureerd.
Als ik denk aan, als ik schrijf over de boeken dezer eeuw in ons
vaderland, dan zie ik allerlei stukken, ook uitheemsche, literatuur in mijn
verbeelding, en ik denk en schrijf onder den indruk van dat zien. Mijn
gedachten zijn gewoon geraakt aan het verblijf in die vertrekken der
verbeelding. Ze hebben er hun manieren naar geregeld en ik was bang dat
vreemden die manieren niet begrijpen zouden, als ze niet eerst die vertrekken
hadden gezien.
Zooals men een mensch niet volkomen begrijpt voordat men zijn
omgeving kent, zoo vreesde ik dat mijne gedachten dáárin als
menschen zijn zouden, dat men ook hen niet zonder kennis van hunne omgeving
begrijpen zou.
Daarom heb ik de omgeving mijner gedachten geschilderd in deze
hoofdstukken.
Nu ik die gedachten bij menschen heb vergeleken, wil ik zeggen, dat
niemand moet verwachten, dat ik hem vreemde gezichten en ongewone lichamen
toonen zal. Menigeen zal oude vrienden herkennen en bekende gestalten
opmerken.
Maar die oude vrienden en bekende gestalten wandelden vroeger in
wijde mantels of met groote hoeden op: ze verborgen het trillen hunner lippen
in de zakdoekjes hunner maatschappelijkheid en het lachen hunner oogen achter
de sluiers van hun fatsoen. Zij droegen de kleederdracht der nauwelijks
verstreken periode.
De tijd is begonnen en begon al met
Multatuli, dat wij ónze gedachten, als schoone
menschen, die ze zijn, laten gaan in hun witte naaktheid: wij hebben geen tijd
ze te kleeden | | | | en wij schamen ons hunner niet. Als zij toornig zijn
mogen n zij toornen, en zij mogen lachen, uitgelaten lachen als ze blij zijn,
zonder gratie dan die van hun schoonheid, zonder conventie dan die van hun
gevoel.
Want, in waarheid, deze tijd is een tijd van hartstocht meer dan een
tijd van bepeinzing; en de gedachten der menschen vervloeken het te laten
sollen met hun lichamen en gekleed te gaan in een modepak. Zij hebben dingen te
zeggen, die geen uitstel lijden en hunne bewegingen zijn de bewegingen van
menschen, die plotselinge daden doen. Ik wilde dat ik zóo schrijven kon,
dat men al mijn gedachten oude gedachten noemde, zóo dat men boeken vol
citaten maakte om te bewijzen dat ál wat ik zeide, vroeger gezegd was, -
als dan maar al die gedachten naakt in het midden van mijn proza lagen, als
mijn boeken dan maar dreunden van het geluid hunner hartstochtelijke
bewegingen. - Ja, dát wilde ik. -
|
1)Men zou de werken van
Balzac niet gekarakterizeerd hebben indien men zeide
dat zij bestonden uit in romans omgezette verstandelijke waarneming. Maar wel
kan men zeggen dat van-geslacht-op-geslacht-hereditaire waarneming der
buitenwereld een groote factor van de wording dier werken is geweest.
2)Zola schrijft in zijn opstel
over
Gústave Flaubert (Les
Romanciers Naturalistes, p. 139): J'ajouterai qu'il a
résumé dans sa formule les deux génies de 1830, l'analyse
exacte de Balzac et l'éclat du style de Victor Hugo. Op andere
plaatsen bekent hij den invloed dien
Hugo ook op hem-zelven heeft uitgeoefend. Hoe
uitsluitend die invloed was, blijkt o.a. uit een zinsnede van zijn
Lettre à la Jeunesse (Le
Roman Expérimental p. 61): ‘Homère et Virgile sont
restés debout sur les ruines de la Grèce et de Rome. C'est ainsi
que le monument poétique de Victor Hugo sera indestructible et que notre
siècle doit avoir l'orgueil de cette construction superbe, qui fixera la
langue française et la portera aux siècles les plus
reculés. A ce titre, nous ne saurions trop acclamer le poète. Il
est grand parmi les plus grands. Il a été un rhétoricien
admirable et il demeurera le roi indiscuté des poètes
lyriques.’ De invloed van Hugo op Zola moet zéér
uitsluitend geweest zijn. Dat hij hem den koning der lierdichters noemt, kan
misschien uit volkstrots meer nog dan uit mindere bekendheid met de
stemmings-literatuur voortkomen - maar men moet wel veel naar Victor Hugo
hebben gekeken om een rhetoricus niet meer te kunnen onderscheiden van een
poëet.
3)Zola zegt in zijn studie over Edmond et
Jules de Goncourt (Les Romanciers Naturalistes p. 226 etc.): ‘MM. de
Goncourt pour leur part, ont apporté une sensation nouvelle de la
nature. C'est là leur trait caractéristique. Ils ne sentent pas
comme on a senti avant eux. Ils ont des nerfs d'une délicatesse
excessive, qui décuplent les moindres impressions. Ce qu'ils ont vu, ils
le rendent en peinture, en musique, vibrant, éclatant, plein d'une vie
personnelle.’ Iets verder: ‘Et même la
réalité est ici dépassée; la passion des deux
écrivains la laisse frissonnante d'une fièvre d'art.’
Op blz. 227: C'est de la vérité exacte ressentie et
peinte par des artistes malades de leur art. Op blz. 228: Ils
ont, avant tout, le besoin de satisfaire l'artiste qui est en eux.
Op blz. 230 eindelijk:
Rendre ce qu'ils sentent, et le rendre avec
le frémissement, le premier heurt de la vision, voilà leur
but. En: ‘De là ce style vécu… dont on peut dire
qu'il est la langue inventée pour traduire un monde de sensations
nouvellement découvertes.
4)Zie voor deze karakteristiek der
Spectators: ‘Spectatoriale Geschriften van 1741-1800 door
J. Hartog. - 1872.
5)Het persoonlijk sentiment is er, maar
zwak. Zoodra de schrijfster er haar personen mee doet behept zijn, worden deze
kinderachtig en, wat in dien tijd natuurlijk was, in Hollandschen zin
sentimenteel.
6)Ziet gij niet, lezer, dat ik zeer oude
dingen heb gezegd over
Bilderdijk? Weet gij niet dat een ander dat
álles vóor mij gezegd heeft: Bilderdijk's taal is slecht; zijn
versificatie is slecht; de bewondering voor Bilderdijk is dom? O, het is
verdrietig dat ik het u zeggen moet. En ik kan het niet helpen zoo er
bitterheid is in de woorden, waarmee ik den lof der nieuwheid afwijs voor
mijzelf. Als een vreemde u aanhoudt op den drempel van uw huis en zegt:
Overdenk dat; want ik weet dat het u goed zal zijn te begrijpen; - dán
gaat gij in uw binnenkamer en overdenkt wat hij zei. Maar als tot u komt een
der besten van uw volk, die u bidt te bepeinzen wat hij heeft gedacht toen hij
alleen was, dan spot ge met den ernst zijner oogen en gaat uws weegs. Ik
wilde wel dat de woorden van goede menschen niet werden vergeten. Ik zou
al hunne woorden willen overschrijven, indien ik wist dat men ze dán
niet vergeten zóu. Ik wil hier een bloemlezing van uitspraken maken
uit Multatuli's kritiek op den ‘ Floris de
Vijfde.’ Dat zal een bladzijde zijn in het boek der
waardeering, dat het nageslacht altijd ten slotte voor de besten onder zijn
voorgangers schrijft. ‘De litterarische zotternijen liggen voor 't
grijpen in de werken van zoo'n grootmeester Bilderdijk! Juist andersom
dan van hem gezegd wordt, had hij niet de minste heerschappij over de taal,
waartoe dan ook gemoed noodig is. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . 't ophemelen van Bilderdijk en dezulken was 'n
vooroordeel. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . De uitkomst heeft geleerd dat er onder Bilderdijk's
publiek veel boeren zijn geweest. Hij is geslaagd, tot bij z'n vijanden toe.
Men bestreed hem uit côterie-geest en partijzucht' - volgens
sommigen bestonden er zulke dingen in vroeger dagen - maar men tastte hem niet
aan in de onwaarde van z'n prulwerk. Voor allen was hij de Meester, de prins
der dichteren, de groot-vorst van de Nederlandsche Letterkunde, de heros
in verzemakerij en… poëzie, zaken die vrij lijnrecht tegenover
elkander staan, en die men dus voor 't zelfde hield. Hij ook. Want zelfs waar
hij in malle geestdrift zich aanstelt als 'n voorvechter van 't ware
dichterschap - het thema is van ouds zeer versachtig: van hier gij, die
… enz. - zelfs dáár geeft juist hij-zelf blijk, dat hij
wel degelijk behoort onder de velen, die ‘van hier!’ moeten gejaagd
worden.
Bilderdijk was 'n kwakzalver . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 't Is moeielijk in z'n werken
'n greep te doen zonder fouten te vinden van allerlei soort tegelijk. -
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . Ik heb bewezen, dat het ellendig
geschapen staat met Bilderdijk's taal en versificatie. Hij was
hierin geen meester niet alleen, maar staat zelfs ver beneden 't gewone peil
van verzemakers. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . Ik had niet te bewijzen dat ook zelfs de groote
Bilderdijk wel eens een foutje maakte. Ik moest aantoonen, dat de
schrijver Bilderdijk een knoeier is van de ergste soort.’ . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . Dit was het oordeel van Multatuli
over Bilderdijk in het jaar 1873. En dat oordeel heeft hij gemotiveerd. Nu, in
1886, nu wij, jongeren, ontkennen dat Bilderdijk een dichter geweest is, is het
onze plicht Multatuli te huldigen, die het vóór ons heeft
gedaan. Mr.
C. Vosmaer heeft óók indertijd een
hoofdstuk geschreven over Bilderdijk. Dat was in zijn
Geëtste Bladen. Hij zei daarin, ‘dat
Bilderdijk een mummie (is), die wij alleen ontwikkelen om hem aan een
wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen’; dat de invloed van
Bilderdijk, ‘voor altij heeft afgedaan’; dat
onwaarheid ‘de doodelijke kwaal (was) van alles wat hij deed
en schreef’; dat ‘wie hem nog bewondert tot de ouderen (gaat)
behooren’ - ochs de heer Vosmaer was nog zeer, zéér jong
toen hij zijn Geëtste Blafden schreef. Hij was nog in de jaren, toen hij
schreef en geloofde: ‘Om invloed uit te oefenen op zijnen tijd moet men
tot zijnen tijd behooren en er de oogen niet voor sluiten; om te werken op de
toekomst, moet men haar zelf inzich voelen’. Ik hoor den heer
Vosmaer zeggen dat ik hem in opspraak breng. Bij het nageslacht? Neen, bij de
ouderen. Laat ons dàn het zwijgen daartoe doen. Of neen, komt liever
hier, ouderen: gij moet niet boos worden op Vosmaer, heusch! Ik zeg u uit volle
overtuiging, dat gij niet boos moet worden op Vosmaer. Hij heeft in die
Geëtste Bladen ook goeds van Bilderdijk gezegd en er bijgevoegd dat er nog
veel meer goeds van hem te zeggen viel dan hij daar gezegd hád.
Verbeeldt u, nog véél meer. Gij zijt nu toch allemaal kameraadjes
onder elkaar: werkelijk, ik raad u in gemoede, wordt niet boos op Vosmaer om
zijn vroegere stoutigheid.
7)Zij, die
Göthe's
Werther en
Feith's
Julia kort na elkander lazen, kunnen de
opmerking hebben gemaakt, dat de personen in het boek van Feith in hun
exclamaties en bespiegelingen veel opgewondener en gevoelvoller lijken dan die
in het boek van Göthe. Dit nu is een bewijs te meer van Feith's
gebrek aan gevoel. Ieder, die niet-gevoelden hartstocht nabootst,
overdrijft. Dat doen jokkende kinderen, die zeggen: ‘Gerust pa, ik
heb het niet gedaan, heusch niet, pa!’ Dat doen slechte acteurs, die
zeggen: ‘Ik sterf!’ Dat doen valsche poëten, die verzen willen
maken en hun lier aanroepen. Dat deed Feith toen hij hartstocht wou schrijven,
dien hij zelf nauwelijks had.
|
|