De Nieuwe Gids. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Gids, De


bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 9. W. Versluys, Amsterdam 1894  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 47]

Inleiding tot Vondel door H.J. Boeken.

Gelijk het lichaam de ziel uitbeeldt en haar nimmer geziene gedaante doet vermoeden en verstaan, gelijk dit gansche, altijd-bewegende héélal het zichtbaar teeken is, dat de ongeziene Godheid ons te zien en te aanschouwen geeft, gelijk niets van wat wij kennen, om zichzelfs wille bestaat, maar alles is òf uitbeelding van iets anders òf middelende schakel in de reeks eindeloos der onderscheidelijke verschijnselen; en gelijk de mensch slechts kent wat zijne hand heeft gemaakt en weet hoe het in elkaar zit en hoe het kan dienen tot middel voor zijne verdere werkingen, maar toch dáárom gelooft dat alles op alles steeds werkende is, en gelijk de mensch van alle leven slechts zijn eigen leven kent en gevoelt, maar zoo alle andere leven mee-voelt en vermoedt, van hoe de boomen groeien, bloeien en vergaan en hoe de dieren snakken, genieten en lijden: zoo is ook alle zoeken naar kennis en kennismaking met de ons omringende en zich aan ons opdringende wonderlijkheden de tocht opgestuwd door de drijvende aantrekkingskracht als van een drijfnaald naar den pool-as, naar dat wat wij vermoeden en ons dunkt te wezen de kern van het zijnde,

[p. 48]

en dat het binnenste van ons-zelven schijnt te antwoorden en te roepen met die al-om-tegenwoordige en door tijd noch ruimte geintermedieerde werking der Alles-in-Een-heid.

En zóó is het dat de mensch komt te staan als een kleine in een groote wereld maar beiden eindeloos, elkaar omvattend en beperkend, elkaar voelend en vermoedend en als met vingertoppen elkaar betastend en radend in de blinddoeking der binnen-in-oogen, daar de essentie van de eene is binnen in, de essentie van de andere is binnen in.

En waar hij raadt, schijnt te raden en het vèr vermoede raadsel bespeurt: de twee werelden raken zich, de vonk springt electrisch, de kristallijn-prisma's der elkaar snijdende luchtwelvebogen breken beider werelden uitstralende lichten en het gewaad is geboren, het oneindig zich uitspinnende, zich weer splitsende, als in cel aan cel zich weer samenreiende, de eene aan de andre huwende, op stramien aan stramien in weer nieuwe opslagen zich dubbelende gewaad, waar de mensch zijne en de al-wereld in kleedt: de Taal.

De taal dus komende uit den mensch als hij voelende is de Godheid, de taal geschapen toen Adam nog alleen was, toen God al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels tot Adam had gebracht om te zien hoe hij ze noemen zoude.

En de daden der menschen zijn vele, zijn hunne niet der dier klein-werelden oneindige verscheidenheden, zelve als zeediepte en -oppervlak in nooit tot stilstand komende golving en dóórlichting, uitstralingen op de, zelve ook altijd wisselende en bewegende groot-wereld, maar de ééne op de andere werkende, elkanderen bestrijdende, twee legeringen vijandig, niet als gene, waar tempel was in tempel, en God-gewijd gezang zoekt saam te stemmen met het lied des héélals?

En de daden der menschen gaan voort, is niet hun gang als de gang der karavanen door de woestijnen der eeuwigheid? En de hemel, die zich over hen spant en de grond, die hen draagt, zijn ze niet de grond en de hemel, die haar bouwt en welft over haar de geest Gods, dóór de menschheid zich uitend en openbarend. En zoo van horizont tot

[p. 49]

horizont, altijd zich verleggend, rondt zich die wereld om de daden der menschheid, rondt zich de wereld in elk individu: in iederéén alles.

Wie de menschheid ziet, ziet zich zelf; wie zich-zelf ziet ziet de menschheid. En wie ziet, speurt de Godheid.

De taal het gewaad, waar de mensch zijne en de alwereld inkleedt. Maar zijne en de al-wereld weder één geworden, ééne niet hem omvattend, maar vóór hem en buiten hem gezien, maar toch hijzelf eene éénheid gebleven, waar de gang van de Godheid door gaat, gang, die ook gaat door de andere, en de gangen gaan saam gelijkmatig, want één is de god die ze stuwt.

En komt nu! vormen, kristalliseerend uit de groot-stroo mingen van het héélal.

Het onzienlijke is onbenoémbaar, het zienlijke is benoembaar.

De wereld is òns, want wij voelen haar rythme, de dans van haar rythme is de dans van ons zijn.

 

(Wordt vervolgd.)