|
|
|
| | | | | |
§
+Voorreden
1).
§ Ick wensche den goetwilligen Leser, Salicheyt, verstant
ende wijsheyt.
NAdemael beminde Leser, dat de
*
alder bermhertichste Godt ende Vader door zijn
†
ondoorgrondelijcke ghenade ende goedertierenheyt, nv in dese
‡ laetste
periculoose tijden, zijn gebenedijde eenige ende eewige Sone Jesum Christum,
die so veel hondert Jaren onbekent geweest is, nv sommige voor de oogen haerder
consciencien gebeeldet heeft, ende sommige die in alle sonden ende
ongodlijcheden verstoruen lagen,
* opghewect
heeft, ende in dat nieuwe onbestraffelijcke leuen geroepen: Ende sommige arme,
ellendighe, verbijsterde,
†
verdwaelde, magere, verhongerde Schapen, door de predicatie zijns heylsamen
woorts, inde cracht zijns heylighen Gheests, wt de
‡ handen der
trouwelooser Herderen, ende wt de Kaken der rijtender Woluen verlost heeft,
ende gheuoert wt de dorre onuruchtbare Weyden der menschelijcker leeringe ende
gheboden,
*
in die groene vette Weyden, op den Berch Israels, ende geset onder de hant ende
bewaringe haers eenigen ende eewigen Herders Jesu Christi,
† die haer met zijn roode ende dierbare bloedt tot
eenen vrijen eygendom aengenomen, gereynicht ende gecocht heeft. So verheffen
haer nv alle
‡ Poorten der
Hellen tegen alle //
+ de ghene die
metten bloede des Lams besprenget zijn. Dat arme onschuldige, vreedsame,
weerloose Lammeken wort door des
† Serpents
2) nijdicheyt in zijn
wtuercoren
‡ Lidtmaten ghehaet, veruolcht, ende
ghedoodt, met Sweert, Water ende Vyer, &c. Ende so alst gheweest is van
*
aenbeginne, soo isset noch, ende sulcks sal oock (soo het schijnt, na
† Schrifts
meldinghe) niet ophouden, ter tijt toe dat het veroneerde, verachte,
wtghestooten Lammeken, weder in
‡ grooter | | | | eeren ende heerlijcheyt
1) openbare. Ende
nv dat
* Cruyce
Christi bysonder tot onsen tijden hem verheft ende vertoont ouer alle
Godtureesende Godts Kinderen, die wt dat crachtighe Saedt des Heylighen Woordts
+, aenden
binnensten mensche, wedergheboren zijn, Soo heuet ons goet ghedocht, lieue
Leser, te vergaderen Belijdinghen, Sentbrieuen ende Testamenten, van sommige
opgheofferde kinderen Gods nae ghelaten (tot
† troost ende
sterckheyt allen Liefhebbers der Waerheyt) Waer in men mercken ende verstaen
mach, hoe crachtelijc dat Godt noch in zijn
‡ Wtuercoren
werct, ende haer inden noot troost, sterct ende bystaet: Gelijck wy oock by
veel Exempelen, beyde int Oude ende Nieuwe Testament oueruloedelijck beuinden.
Ten eersten: Als
†
Abraham wt zijns Vaders Lant gegaen was, wert hy dicwils van God vertroost.
Loth worde van God verlost wt het verderuen van Sodoma. God vertrooste Jacob,
ende gaf hem eenen moet, doen hi voor
† Esau zijnen
Broeder vloot. Het verdriet van
* Joseph
veranderde God in Egypten in groot geluck ende voorspoet. Als
†
Moses noch ballinck was in Egypten, ende de schapen hoedde, wert hy van Godt
vertroost. //
+God stercte
Josua, ende sprac tot hem:
† Ic en sal v
niet verlaten. God
* spijsde
Eliam inde Woestijne, als hij voor Jesabel vloot. Naedat Tobias ende Sara
gebeden hadden,
† worden
sy van God vertroost. De Joden tot Bethulien, die van Holofernes belegen
2) waren,
†
verloste Godt seer wonderlijck, door Judith. Desgelijcx
*
beschermde God seer crachtelijck de drie Jongelingen in den vyerigen Ouen. Oock
heeft God
† Daniel by
gestaen inden Cuyle der Leeuwen, dat sy hem niet en verslonden. Ende Godt
beurijdde Susanna van grooter schande ende vanden doot. De Apostolen
* verloste God
wt den Kercker. Ende
† Paulum wt het perijckel der zee. Ende soo voort van
veel diuersche andere, die te lanck souden zijn om te verhalen.
Aldus lieue Leser, wilt
† exempel nemen
aen dese voorgaende, ende moet grijpen met Dauid, segghende:
* Ick en vreese
my niet voor veel hondert duysenden, die hen rontom tegen my leggen: Op Heere,
ende helpt my mijn God, want ghy slaet alle mijn vianden op de kinnebacken,
ende breect in stucken der godloosen tanden. Ooc seyt Syrach:
† Kinderen
aensiet op de oude tijden, ende | | | | wetet dat niemant beschaemt geworden
en is, die inden Heere hoepte, ende wie is in zijnder vreese gebleuen, ende is
verlaten? Oft wie heeft hem aengeroepen met betrouwen, dien hy versmade?
Hierom beminde Leser,
†
vreeset doch uwen God van gantser herten ende van geheelder sielen, soect hem
wt alle uwe crachten,
* waket nacht ende dach, clopt voor den Throon
1) zijnder genaden, dat hy v doch met zijn vaderlijcke hant in
alle ellende behoude, in allen druck ende
* noot
ghenadelyck bystae, ende in zijnen Wech, Woordt ende Waerheyt trouwelyc beware,
op dat ghy uwe
† voeten niet
en //
+stoot aenden
steen, ende alsoo in v Ghelooue, Belijdinge ende Leuen niet en verualt,
ghebroocken, ende te schanden wort: Maer dat ghy uwen
‡ toebetrouden
Schat tot op den dach vry ende reyn bewaert, ende alsoo met allen vromen
Heylighen dat Beloefde Landt, Erf, Rijck, Leuen, ende
* Croone
vercrijgen muecht. Dat gunne v ende ons allen de
† bermhertighe
lieue Vader, door zijnen gebenedijden Soone Jesum Christum in cracht zijns
eewigen ende heyligen geestes, tot zijnen eewigen prijse ende heerlijcheyt,
Amen.
§
2) Item, noch sal den
Leser belieuen te weten, dat hier op nieu achter een yeghelijcks Belijdingen,
Brieuen, ofte Testamenten by ghedaen zijn Liedekens, wt de voorgaende materie
ghenomen ende wtgesocht, hier ende daer, dat ons dochte het principaelste ofte
leerachtichste te zijn, waer in den Text eygentlijck so na (om tgedicht der
rijmen wil) alsment opt alderbest heeft weten te becomen onderhouden is.
Noch zijn hier op nieus by geuoecht Belijdinghen ende Brieuen, van
verscheyden personen, tot sessen toe, met een yeghelijcks Liedeken daer by.
Aldus hebt ghi nv van beyden oueruloedich, tsy om te lesen oft te
singen, na dattet gelegen sy, gedenckende des Apostels woorden, die daer seyt:
* Die in
ongemack is, die bidde, ende die goets moets is, die singe psalmen. Dus wilt
desen cleynen arbeyt ten besten duyden, ende ons inder liefden afnemen, het
welcke wy hopen tot stichtinghe wesen sal. Vaert wel. //
|
1)Zie voor het verschil in spelling van deze
eerste bladzijden in verschillende uitgaven hierboven bl. 41. In de opgaaf der
teksten duidt b.v. in 2 Cor. 1. a. 3. ‘ a’ de oude
indeeling der hoofdstukken in 3 of 4 gedeelten aan, ‘3’ onze
indeeling in verzen, die toen nieuw, immers eerst in het jaar 1551 opgekomen
was. De namen der boeken zijn die uit de Vulgata: 1 Reg. (Koningen) is ons 1
Samuel; 3 Reg. ons 1 Koningen; Abac. Habakuk; enzv.
*2.Cor.1.a.3. 1.Pet.1.a.3.
†Eze.34.a.5. 1.Pet.2.c.25.
*Eze.34.b.13. Joan.10.a.9.
†1.Cor.6.b.20.
1.Pet.1.b.18.
†1.Pet.1.a.2. Apo.7.b.14. Genes.3.a.1.
Apo.12.b.20.
†Ge.12.15.17. Ge.19.b.14.
2)Belegerd. - Zooals men ziet, zijn de
voorbeelden hier gelijk de aanhalingen het geheele werk door even goed uit de
apocriefen van het O.T. (Ezra; Sap.d.i. Wijsheid van Salomo; enzv.) als uit de
kanonieke boeken des Bijbels genomen. Natuurlijk: de eersten komen in de meeste
hollandsche bijbels uit de 16 de eeuw voor evenals in den latijnschen
en in dien van
Luther. Zie over die aanhalingen in het Offer des
Heeren
Dr. Hoog,
De martelaren der Hervorming, 1885, bl. 104
vgg.
†Acto.5.c.23. 12.b.7.
Act.27.c.22.
†Mat.22.d.36. Luc.10.c.25.
*Mt.24.d.42.
Mat.13.d.33.
1)‘Voor den Throon’ in alle
uitgaven.
2)Het hier volgende tot het slot der voorrede
toe komt in n os. 1-3 niet voor. In plaats daarvan: ‘Hiernae
volcht de Belijdinge Stephani, die de eerste Martelaer gheweest is na Christus
doot, daer ons die Schriftuere af meldet’.
|
|