Het Offer des Heeren


auteur: anoniem Het Offer des Heeren


editeur: S. Cramer


bron: S. Cramer (ed.), Het Offer des Heeren. Bibliotheca Reformatica Neerlandica, deel II . Martinus Nijhoff, Den Haag 1904  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 53]origineel

§ +Voorreden 1).

§ Ick wensche den goetwilligen Leser, Salicheyt, verstant ende wijsheyt.

 

NAdemael beminde Leser, dat de * alder bermhertichste Godt ende Vader door zijn ondoorgrondelijcke ghenade ende goedertierenheyt, nv in dese laetste periculoose tijden, zijn gebenedijde eenige ende eewige Sone Jesum Christum, die so veel hondert Jaren onbekent geweest is, nv sommige voor de oogen haerder consciencien gebeeldet heeft, ende sommige die in alle sonden ende ongodlijcheden verstoruen lagen, * opghewect heeft, ende in dat nieuwe onbestraffelijcke leuen geroepen: Ende sommige arme, ellendighe, verbijsterde, verdwaelde, magere, verhongerde Schapen, door de predicatie zijns heylsamen woorts, inde cracht zijns heylighen Gheests, wt de handen der trouwelooser Herderen, ende wt de Kaken der rijtender Woluen verlost heeft, ende gheuoert wt de dorre onuruchtbare Weyden der menschelijcker leeringe ende gheboden, * in die groene vette Weyden, op den Berch Israels, ende geset onder de hant ende bewaringe haers eenigen ende eewigen Herders Jesu Christi, die haer met zijn roode ende dierbare bloedt tot eenen vrijen eygendom aengenomen, gereynicht ende gecocht heeft. So verheffen haer nv alle Poorten der Hellen tegen alle // + de ghene die metten bloede des Lams besprenget zijn. Dat arme onschuldige, vreedsame, weerloose Lammeken wort door des Serpents 2) nijdicheyt in zijn wtuercoren Lidtmaten ghehaet, veruolcht, ende ghedoodt, met Sweert, Water ende Vyer, &c. Ende so alst gheweest is van * aenbeginne, soo isset noch, ende sulcks sal oock (soo het schijnt, na Schrifts meldinghe) niet ophouden, ter tijt toe dat het veroneerde, verachte, wtghestooten Lammeken, weder in grooter

[p. 54]origineel

eeren ende heerlijcheyt 1) openbare. Ende nv dat * Cruyce Christi bysonder tot onsen tijden hem verheft ende vertoont ouer alle Godtureesende Godts Kinderen, die wt dat crachtighe Saedt des Heylighen Woordts +, aenden binnensten mensche, wedergheboren zijn, Soo heuet ons goet ghedocht, lieue Leser, te vergaderen Belijdinghen, Sentbrieuen ende Testamenten, van sommige opgheofferde kinderen Gods nae ghelaten (tot troost ende sterckheyt allen Liefhebbers der Waerheyt) Waer in men mercken ende verstaen mach, hoe crachtelijc dat Godt noch in zijn Wtuercoren werct, ende haer inden noot troost, sterct ende bystaet: Gelijck wy oock by veel Exempelen, beyde int Oude ende Nieuwe Testament oueruloedelijck beuinden. Ten eersten: Als Abraham wt zijns Vaders Lant gegaen was, wert hy dicwils van God vertroost. Loth worde van God verlost wt het verderuen van Sodoma. God vertrooste Jacob, ende gaf hem eenen moet, doen hi voor Esau zijnen Broeder vloot. Het verdriet van * Joseph veranderde God in Egypten in groot geluck ende voorspoet. Als Moses noch ballinck was in Egypten, ende de schapen hoedde, wert hy van Godt vertroost. //

+God stercte Josua, ende sprac tot hem: Ic en sal v niet verlaten. God * spijsde Eliam inde Woestijne, als hij voor Jesabel vloot. Naedat Tobias ende Sara gebeden hadden, worden sy van God vertroost. De Joden tot Bethulien, die van Holofernes belegen 2) waren, verloste Godt seer wonderlijck, door Judith. Desgelijcx * beschermde God seer crachtelijck de drie Jongelingen in den vyerigen Ouen. Oock heeft God Daniel by gestaen inden Cuyle der Leeuwen, dat sy hem niet en verslonden. Ende Godt beurijdde Susanna van grooter schande ende vanden doot. De Apostolen * verloste God wt den Kercker. Ende Paulum wt het perijckel der zee. Ende soo voort van veel diuersche andere, die te lanck souden zijn om te verhalen.

Aldus lieue Leser, wilt exempel nemen aen dese voorgaende, ende moet grijpen met Dauid, segghende: * Ick en vreese my niet voor veel hondert duysenden, die hen rontom tegen my leggen: Op Heere, ende helpt my mijn God, want ghy slaet alle mijn vianden op de kinnebacken, ende breect in stucken der godloosen tanden. Ooc seyt Syrach: Kinderen aensiet op de oude tijden, ende

[p. 55]origineel

wetet dat niemant beschaemt geworden en is, die inden Heere hoepte, ende wie is in zijnder vreese gebleuen, ende is verlaten? Oft wie heeft hem aengeroepen met betrouwen, dien hy versmade?

Hierom beminde Leser, vreeset doch uwen God van gantser herten ende van geheelder sielen, soect hem wt alle uwe crachten, * waket nacht ende dach, clopt voor den Throon 1) zijnder genaden, dat hy v doch met zijn vaderlijcke hant in alle ellende behoude, in allen druck ende * noot ghenadelyck bystae, ende in zijnen Wech, Woordt ende Waerheyt trouwelyc beware, op dat ghy uwe voeten niet en // +stoot aenden steen, ende alsoo in v Ghelooue, Belijdinge ende Leuen niet en verualt, ghebroocken, ende te schanden wort: Maer dat ghy uwen toebetrouden Schat tot op den dach vry ende reyn bewaert, ende alsoo met allen vromen Heylighen dat Beloefde Landt, Erf, Rijck, Leuen, ende * Croone vercrijgen muecht. Dat gunne v ende ons allen de bermhertighe lieue Vader, door zijnen gebenedijden Soone Jesum Christum in cracht zijns eewigen ende heyligen geestes, tot zijnen eewigen prijse ende heerlijcheyt, Amen.

 

§ 2) Item, noch sal den Leser belieuen te weten, dat hier op nieu achter een yeghelijcks Belijdingen, Brieuen, ofte Testamenten by ghedaen zijn Liedekens, wt de voorgaende materie ghenomen ende wtgesocht, hier ende daer, dat ons dochte het principaelste ofte leerachtichste te zijn, waer in den Text eygentlijck so na (om tgedicht der rijmen wil) alsment opt alderbest heeft weten te becomen onderhouden is.

Noch zijn hier op nieus by geuoecht Belijdinghen ende Brieuen, van verscheyden personen, tot sessen toe, met een yeghelijcks Liedeken daer by.

Aldus hebt ghi nv van beyden oueruloedich, tsy om te lesen oft te singen, na dattet gelegen sy, gedenckende des Apostels woorden, die daer seyt: * Die in ongemack is, die bidde, ende die goets moets is, die singe psalmen. Dus wilt desen cleynen arbeyt ten besten duyden, ende ons inder liefden afnemen, het welcke wy hopen tot stichtinghe wesen sal. Vaert wel. //