Ons Erfdeel. Jaargang 40


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 40. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonkveer 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Theater

Een ‘Vondel-revival’ met een somber perspectief

Liberaal leidsman en theatervriend Frits Bolkestein kan tevreden zijn: zelfs zonder dat de staatssecretaris daartoe opdracht heeft gegeven, wordt er weer klassiek Nederlands drama gespeeld. Bij de opening van het Theaterfestival 1995 hield de VVD-voorman een spraakmakend pleidooi in die richting, en zie: slechts één seizoen later staat in het professionele circuit liefst drie keer Vondels Jozef in Dothan geprogrammeerd.

Met de recente opvoeringen doet ook de even voorspelbare als afgezaagde discussie over de vermeende weerbarstigheid of zelfs onspeelbaarheid van Vondels drama weer opgeld. Een opvallende voorzet daartoe werd reeds kort na Bolkesteins pleidooi gegeven door Martien Berendse van Theater Netwerk Nederland, die in de Volkskrant Jozef in Dothan betitelde als ‘het saaiste Nederlandse stuk dat ooit geschreven werd’. Een stoutmoedige uitspraak, zonder twijfel meer gebaseerd op kortzichtige napraterij dan op wezenlijke belangstelling voor het toneeltalent van de zeventiende-eeuwse dichter.

Juist ten tijde van Bolkesteins pleidooi beijverde Hans Croiset zich een nieuw theaterbedrijf op te richten dat uitsluitend authentiek Nederlands drama zou brengen. Croisets bewezen verstandhouding met Vondels toneelwerk zou in een tekstgetrouwe Jozef in Dothan eens te meer manifest worden - dat was althans de verwachting. Op 4 juni 1996 ging de Jozef van Het Toneel Speelt - zo ging Croisets gezelschap heten - in première: voor de theaterliefhebber een gebeurtenis om naar uit te zien. Maar helaas, de verwerping van Berendse en de bewondering van Croiset tegen elkaar afwegend, zou men, na het zien van deze Jozef in Dothan, de eerste bijna gelijk geven. Want alle oprechte bedoelingen van Croiset ten spijt lijkt de voorstelling van Het Toneel Speelt de opvatting dat Vondel saai en onspeelbaar zou zijn slechts te bevestigen. Er worden verstaanbare teksten gezegd, er worden ondubbelzin-

[p. 132]



illustratie

Theater van het Oosten speelt ‘Jozef-trilogie’ naar Vondel. Regie Leonard Frank - Foto Deen van Meer.


nige gebaren getoond, maar er wordt niet de minste emotie voelbaar gemaakt.

Juist één van de elementen die Vondels treurspel zo krachtig en tegelijk zo ‘modern’ maken: de complexiteit van de karakters en de onderlinge relaties tussen de figuren, komt ternauwernood uit de verf. Jozef is als personage volstrekt ongeloofwaardig en van de innerlijke tweestrijd waarin Ruben en Juda verkeren is weinig te merken, laat staan dat de toeschouwer door hun spel ook maar enigszins geraakt zou worden.

 

De Jozef-trilogie van Theater van het Oosten is niet zozeer een mislukte poging om aan Vondels kwaliteiten als toneeldichter recht te doen, als wel een volledig uit de hand gelopen onderneming om Vondel ‘op te leuken’ met ogenschijnlijk slimme, maar in wezen misplaatste tekstingrepen en regievondsten. Wat regisseur Leonard Frank en zijn acteurs en muzikanten hier in feite afleveren is een geweldig brevet van onvermogen. Men wil Vondel spelen maar weet kennelijk niet wat men met hem aan moet en raakt in arren moede bevangen door een ‘brainwave’ waarin wilde invallen voor briljante gezichtspunten doorgaan.

Natuurlijk, die eenzame herders en die verlatenheid van ‘een zeker lantschap in Kanaan’ doen zelfs de gedachten van de oppervlakkigste lezer weleens wegdwalen naar stoere cowboys en Ennio Morricone-achtige taferelen. Maar om op een dergelijke associatie meteen maar een regieconcept te baseren, kan slechts leiden tot een tweeslachtig en wazig geheel. Welke winst levert het op om het toneel te verplaatsen naar het Wilde Westen, het Oude Testament naar het eind van de vorige eeuw, en van Jozef en zijn broers joodse immigranten te maken? En wat is de diepere zin van het opnemen in een reeds driftig met schaar en lijmpot bewerkte Jozef in Dothan van een paar pagina's uit Vondels twee andere Jozef-drama's (Jozef in Egypte en Jozef in 't Hof), en die pagina's dan te presenteren als ‘(wens)dromen van Jozef’? Er zou meer over te zeggen zijn, maar het is met deze Jozef-trilogie precies als met de opblaasbare palmbomen en de lichtgewicht rotsblokken die tot de uitrusting van de voorstelling behoren: de materie en de vorm laten zich niet met elkaar verenigen en bijgevolg kan het hele gedoe, inclusief de country-smartlappen, het best omschreven worden als ‘kitsch’: het heeft dan ook exact dezelfde amusementswaarde. Misschien heeft Frank het zo ook bedoeld, en toegegeven, van enig vermaak is zeker wel sprake. Maar met Genesis 37 en met Vondel heeft het heel weinig te maken.

 

Het Volk in Dothan kan, zoals de titel reeds aangeeft, niet worden beoordeeld als een Vondel-voorstelling. De nieuwe productie van Toneelgroep Het Volk (uit Haarlem) betreft dan ook allerminst een derde Jozef, maar een voorstelling over drie tragische personages, worstelend met zichzelf en hun Vondel-tekst. Het is het verhaal van een meelijwekkende schoolleider en twee lotgenoten uit de onderwijswereld die onze nationale Dichtervorst bij de schooljeugd wensen te introduceren. Hun persoonlijke problemen, hun onderlinge strijd om het ideaal van een geslaagde opvoering te bereiken, die elementen worden op geraffineerde wijze verbonden met het verhaal van Jozef en zijn broers. Met succes benadrukt Het Volk daarmee juist dát aspect - dat van de karakterpsychologie en de relaties tussen de figu-

[p. 133]

ren - dat door Theater van het Oosten en Het Toneel Speelt zo buitengewoon oppervlakkig is uitgewerkt. En overtuigender dan zijn collega's Frank en Croiset lijkt regisseur Aike Dirkzwager hier met de mannen van Het Volk de essentie van Vondels drama te raken en te logenstraffen dat Jozef in Dothan geen waarachtig toneelstuk zou zijn, zoals sommigen (onder wie Berendse) menen. Nadat de opvoering aanvankelijk nogal ontsierd wordt door onnodige oubolligheden, laten regisseur en acteurs gaandeweg zien dat ze bij alle hilariteit wel degelijk serieus genomen willen worden - óók als Vondel-vertolkers. Hun geliefde thema van het menselijk, of liever: het mannelijk onvermogen is door de Haarlemmers in Vondel herkend en inventief naar de actualiteit vertaald.

 

Terugziend op het ogenschijnlijk verheugende getal van drie Vondel-producties ontkomt ook de welwillendste toeschouwer niet aan een gevoel van teleurstelling. Theatermakers lijken in onze tijd nauwelijks in staat de klassieken recht te doen, voorstellingen te maken die op originele en tegelijk integere wijze voortbouwen op een opvoeringstraditie - die er, toegegeven, in feite al niet meer is. Men ‘treedt in discussie’ met de traditie heet het in interviews en programmafolders, maar wat moet men zich daarbij voorstellen, als een grootheid als Vondel zelden meer daadwerkelijk gespééld wordt en die traditie slechts een herinnering is van een vergrijzende generatie?

 

Jos Nijhof