Passionate. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Passionate


bron: Passionate. Jaargang 10. Stichting Passionate, Rotterdam 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

 i.s.m.  logo funder

[p. 14]origineel

Mark Ritsema:
‘De woede uit mijn eerste songteksten is er nog, maar het is breder.’



illustratie

[p. 15]origineel

Afstand nemen van je onderwerp

Mark Ritsema is bekend geworden als zanger van de rockband Spasmodique, maar zijn vroegste ambitie was schrijver worden. Sinds enkele jaren heeft hij het schrijven van verhalen weer opgepakt, en dat leidt in dit nummer tot zijn literaire debuut. Net als met de songteksten die hij schrijft, probeert Ritsema met zijn verhalen tot de harde, ontnuchterende kern van de zaak door te dringen.

 

Mark Ritsema (1962) begon gedurende zijn middelbare schooltijd literaire ambities te koesteren. Hij bewonderde Gerard Reve en Jan Wolkers, en schreef verhalen in de schoolkrant. Hij schreef echter ook songteksten, en rond zijn zeventiende werd hij gevraagd in een bandje te komen spelen. Ritsema: ‘Ze hadden teksten nodig, en toen zeiden ze: ga jij dan ook maar meteen zingen. Uit die band is Spasmodique voortgekomen, en zo ben ik de popmuziek ingerold. Het schrijven van verhalen raakte op de achtergrond. De sociale kant van het spelen in een band heeft meegespeeld bij mijn keuze voor de muziek. Aan een tafel gaan zitten schrijven is toch een eenzame bezigheid. Het dwingt je ook enige afstand te nemen van je onderwerp. Ik zat vol woede, en zoiets primairs kun je beter kwijt in muziek. Op papier wordt dat al snel pathetisch.’

Het was de duistere tijd van de jaren tachtig, met bands als Joy Division en The Birthday Party die van invloed waren op de Rotterdamse vriendenclub. Spasmodique debuteerde in 1986 met een mini-lp vol rauwe gitaarrock met blues- en wave-invloeden. De vervreemding, angst en geweld van het grotestadsleven beheersten Ritsema's teksten. Al bezaten ze ook een grimmig soort schoonheid - ‘Kiss on your scars’ was niet voor niets de titel van het openingsnummer. ‘In ieder nummer viel tenminste één dode,’ grapte Ritsema later wel eens in interviews. De concerten van Spasmodique, met Ritsema als middelpunt, stonden bekend om hun intensiteit. ‘Die optredens waren voor mij het allerbelangrijkst. Het schrijven van teksten en songs stond in dienst daarvan, die momenten waarop ik alles wat ik in me had over het publiek uitstortte. Het proces van het schrijven zelf is me pas later echt gaan interesseren.’

Spasmodique groeide uit tot een cultband, met een fanatieke aanhang tot ver over de landsgrenzen.

De bandleden ontwikkelden zich echter verschillende kanten op, en in 1992 viel de groep uiteen. Ritsema richtte vervolgens de band Cobraz op, en momenteel is hij actief met Raskolnikov, waarvan dit voorjaar de tweede cd verschijnt. Daarnaast is in 2002 Spasmodique heropgericht, met een nieuwe plaat en een reeks optredens. Onlangs heeft hij ook de opnames voltooid van een nog uit te komen solo-cd. En sinds een jaar of vijf heeft Ritsema het schrijven van verhalen weer opgepakt. Voor het eerst kon hij de rust opbrengen om de notities uit te werken die hij altijd is blijven maken.

Ritsema gelooft dat zijn verhalen en teksten uit dezelfde bron voortkomen, maar de uitwerking verschilt logischerwijs wel. ‘Je doet een songtekst tekort als je het als literatuur wilt beschouwen. Het moet in combinatie met de muziek werken. Een songtekst drukt meestal ook een veel compacter gevoel uit, zoals liefdesverdriet. Een verhaal geeft me de ruimte om anekdotischer te werken, een geschiedenis om zo'n eenduidig gevoel heen te bouwen. Vroeger zou ik de rust daarvoor niet gehad hebben.’

Ritsema schrijft momenteel aan een langer prozaverhaal, en wil naar een samenhangende verhalenbundel toewerken. Uiteindelijk ziet hij alles wat hij schrijft als één lange zoektocht. Wat dat betreft zijn schrijvers als Jack Kerouac en andere Beats inspirerende voorbeelden, naast huidige auteurs als Martin Amis en Michel Houellebecq. ‘Kerouac zocht naar een vorm van verlichting. De eerlijkheid waarmee hij dat beschreef, spreekt me erg aan. Al heeft hij het niet gevonden, en stierf hij als een bittere en vroegoude man, het is interessant te zien wat zijn zoektocht onderweg heeft opgeleverd.’

Aan de twee verhalen waarmee Ritsema nu debuteert ligt iets soortgelijks ten grondslag. Met een even ontnuchterende conclusie. ‘De woede uit mijn eerste songteksten is er nog, maar er is nu meer plaats voor reflectie, het is breder geworden. Ik wil nog steeds laten zien hoe het leven werkelijk is: koud en kaal. De hoofdpersoon in beide verhalen wordt op zichzelf teruggeworpen. De mythe, de romantiek van zijn drugsgebruik is doorgeprikt. We staan er alleen voor.’

 

Erik Brus

[p. 16]origineel

Moeder Ed
Mark Ritsema

Gezeten aan de lange, druk bezette bar kijk ik naar Moeder Ed. Ik kijk voortdurend naar Moeder Ed, vanaf een van tevoren nauwkeurig uitgezochte barkruk. Ik moet kijken naar Moeder Ed. Naast mij zit een blonde vrouw half over de bar gebogen. Ze kijkt af en toe mijn richting op. Ik heb al gezien dat haar truitje zo laag is uitgesneden, dat je gemakkelijk kunt raden naar de nog bedekte stukjes borst. Maar ik kijk naar links, naar Moeder Ed die aan het eind van de bar staat te grijnzen.

De barkeepster tegenover mij is ook blond. Zij draagt een zwarte skibroek die zo nauw sluit dat je van voren een diepe spleet tussen haar uitpuilende venusheuvel ziet lopen en vanachter, op haar billen en bovenbenen de putten kunt tellen. Zij is de vriendin van Moeder Ed. Als je binnenkomt en op Moeder Ed afstapt, dan zegt hij altijd: ‘Drink eerst even wat, dan kom ik zo bij je.’ Zo houdt hij z'n vriendin aan het werk.

Moeder Ed is klein van postuur, breed en proppig dik. Hij draagt een zwarte plooibroek en een kort zwartleren jasje. Het jasje is tot halverwege dichtgeritst. Hij staat altijd wijdbeens, met z'n handen gevouwen voor zijn kruis, als een portier of een voetballer. Een gouden schakelketting hangt om z'n spekdikke nek. Hij grijnst, altijd. Het maakt z'n hoofd nog ronder en dikker en z'n oogjes bijna onzichtbaar, als een varkenskop. Hij is met recht blij want hij verdient goed aan de rommel die hij verkoopt. Op een dag ga ik Moeder Ed vermoorden; spring ik totaal onverwacht van mijn barkruk af en ram ik hem met zijn kop tegen de flipperkast. Op een dag, misschien vanavond al, pik ik het niet langer. Tot dan kijk ik naar Moeder Ed, moet ik naar hem kijken.

 

Moeder Ed is bijna altijd goed gehumeurd. Af en toe iets minder en als je op zo'n moment vraagt hoe het met hem gaat dan mompelt hij zoiets als: ‘Snap jij

[p. 17]origineel

iets van die wijven?’ Maar meestal begroet hij je als een oude bekende en gaat het hem goed. We spreken elkaar op het toilet. Ik moffel hem twee briefjes van tien en een vijfje toe waarop hij een klein pakje opgraaft uit zijn buideltasje. Na dit ritueel verlaat Moeder Ed het toilet zonder te groeten; hij heeft vanaf nu geen enkele interesse meer in mij. Het toilet heeft geen slot op de deur, maar wel een handig aluminium asbakje, bevestigd op de metalen houder van de toiletrol. Ik veeg het schoon met toiletpapier en leg twee lijntjes; voor ieder neusgat één.

Als ik het toilet uitloop, is mijn eerste impuls Moeder Ed - die alweer op zijn vaste stek staat - te vermoorden. Op hem aflopen en hem vertellen dat hij me klotespul heeft verkocht. Pure vim! De troep van Moeder Ed heeft hooguit even naast de coke mogen liggen, het is niet meer dan wat kleffe speed, versneden met god-weet-wat. Laxeermiddel waar je acuut van aan de schijterij raakt. ‘Moeder Ed, je gaat eraan, je kunt mij niet zomaar ongestraft, jaar in jaar uit van dat klotespul verkopen. Het is speed man, 100% chemische troep! Het is nog geen tientje waard! Je moest je schamen lelijkerd.’ Bij de eerste klap zal die grijns wel verdwijnen. Met een welgeplaatste trap in zijn maag zal hij, voorover klappend, weten dat het menens is.

‘Het is een wonder dat nog niemand mij is voor geweest, met die agressieve troep waar je iedereen mee afzet!’ Als ik dan uiteindelijk met die rotkop de flipperkast op tilt ram zal hij alleen nog maar spijt hebben... Terwijl ik aan de bar zit en zijn vriendin mij ongevraagd een nieuw biertje voorzet, denk ik daaraan. Af en toe bezoek ik het toilet en word kwaaier en kwaaier...

 

De tijd verstrijkt, er wordt goedkope housemuziek gedraaid, een paar meisjes dansen. De jongens flipperen, tafelvoetballen of staan langs de muur naar Moeder Ed te staren. Als hier nu een massale knokpartij zou uitbreken dan zou ik niet de enige zijn die zich ogenblikkelijk op Moeder Ed stortte. Hij zou bedolven worden onder ontevreden klanten, een massale lynchpartij zou uitbreken. Hij zou bezwijken onder een regen van schoppen, klappen, stompen en messteken. Een bloedend hoopje ellende zou er van Moeder Ed overblijven. Daarna nemen we z'n vriendin, met haar afgemeten, veel te dure, lauwe pilsjes, onder handen, en feesten we de hele nacht door, op kosten van haar en Moeder Ed.

 

De vrouw rechts probeert een praatje met mij aan te knopen, maar ik weet niet wat ik terug moet zeggen. Onwillig keer ik mij naar haar. Ze pruilt met haar dunne lippen en kijkt mij aanhankelijk aan, zoals je dat ziet op omslagen van mannenbladen.

‘Lekkere muziek hè?’ (Ze swingt losjes met haar schouders.)

‘Ja hoor, best lekkere muziek.’

‘...’

‘...’

‘Heb je geen zin om met mij te dansen?’

‘Ik moet eerst even naar het toilet, daarna wil ik wel met je dansen.’

Op de dansvloer kijk ik naar Moeder Ed. Hij staat nu vlakbij, een meter of twee bij mij vandaan, met z'n rug naar mij toe. Ik zie z'n brede schouders en z'n dikke, uitgeschoren nek. Z'n hoofd gaat koeltjes op en neer op het ritme van de muziek. Verder staat hij daar, wijdbeens en onbewogen. Naarmate je doorsnuift van dat spul van Moeder Ed krijg je steeds meer het gevoel tot een levende landmijn of boobytrap te transformeren. Je haren gaan als gevaarlijke, roestige

[p. 18]origineel

spijkers uit je kop steken en bij een verkeerde beweging ga je de lucht in. Verre van relaxed. Op deze afstand zou ik hem gemakkelijk een mes tussen z'n ribben kunnen steken om hem langzaam, zijn grijns verworden tot een vragende, hulpeloze blik, te zien doodbloeden. Ik zou het bijna ongemerkt kunnen doen vanuit deze dansende meute.

 

Van die troep van Moeder Ed krijg je vooral dorst. Je moet gewoon doordrinken. Z'n vriendin doet goeie zaken. Ik bestel nog een bier. M'n buurvrouw wil een Bailey's met ijs, wat me een kapitaal kost. Ze vertelt dat ze in een bejaardencentrum werkt maar dat haar ambities uitgaan naar het modellenwerk. Ze noemt wat bladen waar zij heeft ingestaan, maar ik ken ze geen van allen. Ik noem haar de naam van de band waarin ik speel; ze heeft er nog nooit van gehoord. Ondertussen hou ik Moeder Ed goed in de gaten. Ook hij is stevig aan het bier; hij heeft er een rooie kop van gekregen en zijn grijns loopt van oor tot oor. Ik moet hem op het toilet pakken: op het moment dat zijn handen verdwijnen in dat buideltasje ineens toeslaan. Een trap in z'n ballen geven en als hij voorover knipt, meteen z'n kop tegen die rolhouder klappen, zodat z'n tanden breken op het aluminium asbakje.

‘Weet je hoeveel van die tinnef van je op dit asbakje is verspild! Proef maar lul, proef maar door het bloed heen hoe bitter dat asbakje smaakt. Dat is die troep van je.’

 

‘Doe maar een spaatje,’ pruilt ze. Ik heb haar, afgezien van de naam van mijn band, nog niets over mijzelf verteld, maar gelukkig heeft zij mij ook niets meer gevraagd.

‘Gaan we nog wat doen?’ vraagt ze met gevaarlijk omkrullende bovenlip en roofzuchtige blik in de ogen, zoals ze dat op vrijdagavond in erotische thrillers op televisie doen. Het grote licht is al aan en Moeder Eds vriendin heeft zojuist ‘Laatste ronde!!’ gekrijst. In het volle, witte licht zie ik Moeder Ed staan... Die vette, verwaande puistenkop. Ik krijg je wel, ooit krijg ik je Moeder. De volgende keer misschien.

 

Aan de muur van haar slaapkamer hangt een kalender met een foto van een bijna naakte, zittende man. Alleen zijn kruis wordt bedekt door een klein wit, nonchalant gedrapeerd handdoekje. Zijn bruine, gespierde torso glimt onnatuurlijk. Ik staar ernaar terwijl zij met veel vuur en smakgeluiden aan mijn slappe pik sabbelt. Die grijnzende kop lijkt op die van Moeder Ed. En hoe volleerd zij mij ook pijpt, het zal niets meer worden. Dat komt door die troep van Moeder Ed. Daar krijg je een levenloos klein pikkie van en een verschrompelde zak. Het geheel ziet eruit als een dood waterschildpadje. Ze richt zich op, strijkt haar blonde haren naar achteren en lacht. Ze is best mooi en ik wou dat ik geil was in plaats van kwaad.

‘Het maakt niet uit,’ liegt ze. ‘Laten we gaan slapen.’

Slapen, slapen, met dat spul van Moeder Ed in mijn bloedbaan hoef ik de eerste vierentwintig uur nog niet eens te hopen op een beetje slaap.

Later lig ik daar in het donker op een vreemd bed. Naast mij klinkt het zachte geronk van een vreemde. Alleen, starend naar het plafond, met mijn kleine pikkie, een hoofd dat op exploderen staat en mijn nimmer aflatende, alles verzengende haat voor Moeder Ed.

[p. 19]origineel

Dolfijnensoep
Mark Ritsema

I

Die nacht werd ik wakker van een geluid van ritmisch getik met een stok of ander houten voorwerp tegen een lantarenpaal. Iemand neuriede erbij. Het gonsde en weerkaatste luid en doordringend door de lege straat. Ik zwalkte, nog half slapend, naar het raam en zag dat ik daar zelf stond; althans de hippie in mij. Ik deinsde terug. De hippie in mij: altijd even ‘spontaan en gek’, altijd even ‘onberekenbaar’. Ik had nog niet gezien of ik zo'n malle wijde pyjamabroek of misschien zelfs een paardenstaart droeg. Ik nam aan dat ik stoned was en grijnsde. Ik begon harder tegen de paal te slaan, alsof ik nu werkelijk in trance raakte. En dat met zo'n slechte timing, zo bleekkonterig en a-ritmisch. Het begeleidende geneurie - een valse, vrije interpretatie op Arabische toonladders - werd nu ook steeds luider en sloeg zo mogelijk nog meer de plank mis.

Beschaamd ging ik op bed liggen, te opgewonden en te kwaad om dit te negeren. Ik: zwarthemd en pommadejunk, principieel criticus en pornograaf. Ben ik mijn broeders hoeder? Ik kook soep van dolfijnen en marcheer zwart gelaarsd en stram over de hoofden van bloemenkinderen. Wierookwalmen doen mij overgeven, skunk is de nieuwe jenever en houdt het volk lamlendig en dom. Geef mij een didgeridoo en ik ram er je de hersens mee in. Ik bracht mijn moeder naar het reptielenhuis en stemde gereformeerd. Ik ben geen voorstander van de theorie dat Donar een latente homoseksueel zou zijn geweest en het Walhalla een mythische darkroom. Ik hou van muziek, maar alleen als het hard gespeeld wordt zodat de zang onverstaanbaar blijft. Ik ben bang voor de negers in mijn snackbar. Ik geloof niet in de ware liefde, maar de gevoelens voor mijn cokedealer zijn zeer oprecht. Ik overweeg om naar België te emigreren...

[p. 20]origineel

II

Ik weet nog goed hoe de hippie, ergens halverwege de jaren zeventig, in mij trad. Ik stond midden in een uitverkochte zaal waar Bob Marley and the Wailers zouden optreden. Ik was al mijn vrienden verloren, behalve een Amerikaan - wiens naam ik bewust uit mijn geheugen heb gebannen - waarvan ik wist dat hij een hekel aan mij had omdat ik een onervaren, onhippe melkmuil was. Desalniettemin wilde hij zijn blokje hasj wel met mij delen. Hij was per slot van rekening ook zijn vrienden kwijt, wat een voorzichtige band schiep. Het was niet de eerste keer dat ik blowde, maar na een paar halen van een hasjpijpje brak het zweet mij uit, begonnen mijn benen te trillen en golfde een gevoel van misselijkheid door mij heen. Het publiek stond zo dicht op elkaar gepropt dat het onmogelijk was om te gaan zitten of zelfs ineen te zakken. In paniek begon ik mij door de massa heen te wurmen. Kwade gezichten doemden voor mij op, iedereen leek onwillig om maar een stapje naar voren of naar achteren te zetten. Ik dacht dat ik doodging; een zekere geruststelling want ik vreesde dat ik de kant nooit zou bereiken. Ik ging de verkeerde kant op, zo zou blijken, want ineens torende Bob Marley, hooguit twee meter voor mij, boven mij uit op het podium, als een drugsvisioen, traag schuddend met zijn zware dreadlocks. Als een getergde messias hypnotiseerde hij de massa. Ik was onmiddellijk genezen en tijdens dat eindeloze, spirituele concert openbaarde zich de hippie in mij.

Ik en de hippie in mij kregen verkering met Marijke. Van gezamenlijk geplande reizen naar het oosten kwam het nimmer, maar we maakten menige reis in haar slaapkamer; een oase, waar de geur van seks zich vermengde met die van patchoeli, terwijl we wegzonken in elkaars stonede lichamen op de klanken van ‘Concrete jungle’ en ‘No woman, no cry’. De hippie in mij had de tijd van z'n leven en mij hoorde je niet klagen. De hippie in mij leerde gitaarspelen maar stapte later over op de jembe, om zijn gevoelens nog spontaner en vrijer, al improviserend te uiten. We speelden en speelden; op straat, op feesten, in de wachtkamer van de tandarts; we rammelden erop los tot we bloed pisten. Marijke vond het allemaal prachtig. Totdat ze ons op een dag zomaar verruilde voor de Amerikaan, die het mij overigens nimmer had vergeven dat ik hem in de steek had gelaten tijdens dat concert, na z'n hasj te hebben opgerookt.

De hippie in mij begon nu triestig en oeverloos zijn jembe af te rossen. Tussendoor verweet hij mij dat het mijn schuld was dat Marijke niet meer van ons hield. Ik keek naar hem, in die smakeloze, gestreepte tentbroek, met die tuttige kraaltjes in z'n haar, z'n yin en z'n yang en z'n sjamanistische rammelaartjes, z'n verwijfde maniertjes en die lodderige, stonede gevoelsblik. Hij begon weer te trommelen.

‘Hou op met die herrie, alsjeblieft. HOU OP!!’

‘Ik kan niet ophouden met spelen. Dan word ik te erg geconfronteerd met mijn gevoelens. Gevoelens die opspelen, zonder dat ik erom vraag, zodra ik mijn trommel neerleg. Boosheid, eenzaamheid, hunkering. Het begint onmiddellijk te malen in mij. Er komen geen verstand of woorden meer aan te pas. Ik grijp weer naar mijn jembe in blinde paniek. Ik moet wel, weet je. Mijn onmacht tot nadenken is jouw onmacht tot leven is jouw onmacht tot liefhebben is mijn onmacht tot liefhebben... We zijn samen een incompleet mens.’

‘Hoor eens, doe nou niet zo wazig. Ik mis haar net zo goed als jij. We hebben onze liefde verloren. Het is mislukt.’

‘O maar de liefde heeft overwonnen, weet je. Ik ben een en al liefde.’

[p. 21]origineel

‘Ja, alleen heb je er geen donder aan.’

Toen ben ik gevlucht, gevlucht voor de hippie in mij. Ik heb mij opgesloten in mijn donkere slot met mijn boeken. Ik moest mij wapenen tegen de onvermijdelijke confrontatie. Ik vergaarde kennis, werd zwarthemd en pommadejunk, principieel criticus en pornograaf...

III

Idealisme brengt mij aan het schateren en ik geloof dat kunst iets met schaatsen is. Ik geloof niet in reïncarnatie maar als er zoiets zou bestaan dan was ik in een vorig leven Friedrich Nietzsche z'n zus. Ik hou van paddestoelen, maar alleen in combinatie met speed en espressokoffie die zo sterk is dat je er op kunt kauwen. Ik masturbeer nog steeds op de eerste elpee van Siouxie and the Banshees. Ik loop mijn pik achterna en Trudy A. zocht haar heil in de prostitutie na twee weken verkering met mij. De enige goeie hippie is een... Ik denk soms na over de dood tijdens het eten van varkensvlees. Ik dagdroom wel eens dat ik als cyborg word teruggestuurd naar het jaar 32 om Jezus te redden van het kruis. Op straat hangende, kansarme jongeren geef ik het adres van Trudy A.

Maar soms, bij het ontwaken mis ik zomaar iemand. Een verloren vriend of bekende, een familielid of een vroeg vriendinnetje; iemand die in mijn leven iets betekend heeft. Iemand die er niet meer is. Zo begint een dag van onmacht.

De hippie in mij weet dat ik afstand doe van al mijn boeken, al mijn kennis (zelfs van al mijn platen van Siouxie and the Banshees) om weer met Marijke te kunnen zijn. Zomaar wat van elkaar genieten, tijdens loze nachten. Liggend op bed naar de Stones luisteren terwijl ik haar billen streel. Eindeloos praten en hardop nadenken, totdat de drugs en de geilheid het overnemen. Ik zou er alles voor over hebben om weer met Marijke te kunnen vrijen. Het is een lichamelijke obsessie die bij onbewaakte momenten opspeelt. Marijke is alles!!

De hippie in mij is niet gekomen om met mij te praten, hij is gekomen om mij gek te maken met dat gekletter tegen die lantarenpaal en dat expressieve gejammer. Ik duw mijn hoofd onder mijn kussen, tevergeefs. Hij weet het! Hij weet het zelfs maar al te goed, hij is immers mij!! Ik ben niet van hem gevlucht om mij te ontwikkelen of te verruimen, zelfs niet om mij te wapenen. Ik ben in al die kennis gedoken omdat ik net als hij niet meer wilde nadenken. Omdat ik niet meer kon nadenken, zoals ik jarenlang heb getracht na te denken, eindeloos sigaretten rokend en lamlendig rondhangend. Mijn god, we lijken op elkaar, de hippie in mij en ik!! Aan de banale waarheid valt niets af te dingen, er valt niets te overdenken. En ons scheiden heeft mij geen moer verder geholpen. Ik ben nog steeds dezelfde doelloze ziel die ik altijd was. Iemand die alles verpest en kapot maakt. Een onmachtige.

IV

Toen ik mij opnieuw naar het raam spoedde wist ik nog niet goed wat ik moest doen. Ik kon in ieder geval niet passief blijven liggen. Moest ik roepen dat ik het begrepen had, dat het goed was? Moest ik hem binnen vragen of wegsturen? Ik stond daar maar, besluiteloos als altijd. Op dat moment kwam er uit een huis aan de overkant iemand naar buiten gesneld, om met een ferme vuistslag, ongeveer klinkend als ‘thumb’, een einde aan de herrie te maken. Misschien wel beter, achteraf gezien. Ben ik mijn broeders hoeder?