|
|
|
| |
| | | |
Hans Plomp
Taras Bustos en de eeuwigheid
Pas vele slopende weken nadat hij de fatale diagnose had, durfde dokter Poliot, lijfarts van de bekende vrijgezel-miljardair Taras Bustos (Doctor Honoris Causa), zijn Baas te vertellen aan welke vreselijke ziekte hij leed.
De baas reageerde als een ware stier, en zou Poliot met een tafelaansteker de hersens ingebeukt hebben, als deze niet met een wanhopige falsetto had gekrijst: ‘Wacht, wacht, Baas Bustos. Al is mijn nietswaardige leven niet waard verder geleefd te worden, als u mocht komen te overlijden, wacht toch op mijn laatste raadgeving voordat u mij verplettert.’
Bustos gooide de massieve tafelaansteker in het open vuur. Sinds hij ziek was geworden, bivakkeerde Bustos onder de kap van de reusachtige schouw in zijn landhuis. Op een simpele ligstoel zat hij de hele dag nors voor zich uit te kijken. En hij had de vreemde gewoonte ontwikkeld om alles wat hij had aangeraakt in het vuur te werpen, ongeacht waarde of schoonheid. Dokter Poliot hield het erop dat de Baas een ontsmettingsneurose had, dat hij alles wat hij met zijn zieke handen had aangeraakt, voorgoed onschadelijk wilde maken. Maar het was toch alweer weken geleden dat hij de Baas had ingelicht dat de ziekte niet besmettelijk was, en sindsdien was de verbrandingsmanie alleen maar groter geworden. Baas Bustos ging nu zelfs zover zijn hele bed te laten verbranden, meteen als hij zich 's ochtends in de nieuwe ligstoel onder de schouw had laten zakken. Urenlang zat hij te kijken, hoe zijn personeel iedere dag het slaapkamerinterieur verbrandde in de haard. En als de voorraad brandbaar materiaal op was, kwam Bustos uit zijn stoel en bewoog zich kriskras door het huis, somber neuriënd. En alles wat hij op zijn korte wandeling aanraakte, moest vernietigd worden, tot de vloerkleden die hij met zijn sloffen had aangeraakt toe.
Vanaf de gaanderij sloeg Poliot hem soms urenlang onopgemerkt gade, doodsbang de Baas definitief in te lichten over de aard van zijn ziekte. En langzamerhand had Poliot ontdekt, dat de Baas de fatale aard van zijn kwaal moest kennen. Er was iets woests over Bustos gekomen, iets verwoestends, iets dat op een naderend einde duidde. In het huis was niets te merken van de maniakale aanval van de miljardair. Nog geen vijf minuten nadat de slaapkamer ontruimd was, droegen de mannen van een prominente firma een identiek meubelement binnen, iedere ochtend met dezelfde matte grap: ‘het wegwerpinterieur voor Doctor Bustos. Wilt u even tekenen alstublieft’.
Maar vanmorgen had Poliot gezien, dat de Baas voor het eerst een paar werkelijk onvervangbare kostbaarheden aan de vlammen had prijsgegeven. In de eerste plaats was er dat gruwelijke voorval met Yvette, de vette Angorakat van dokter Poliot zelf. Het lijvige dier sprong bij de Baas op schoot en Poliot zag vanachter zijn pilaar tot zijn genoegen dat de baas het dier streelde en onder de onderkin kriebelde. Het was stil in huis. De kapok van de matrassen lag na te smeulen op het vuur. Een grote zinderende massa, die op verschillende plekken steeds bloedrood opengloeide. Na een paar minuten steeg het gespin van de kat omhoog tot waar Poliot zich verschool en deze draaide vergenoegd aan zijn snorretje, want hij voelde zich hoe langer hoe zekerder van een goede plaats in het testament van de Baas.
Toen was Baas Bustos eensklaps overeind gekomen en had de kat in het vuur gegooid. Het lange haar vatte onmiddellijk vlam en de gillende kat was als een vuurpijl onder de schouw uitgesprongen en het gekrijs was in de marmeren gangen verstorven. Baas Bustos had geboeid staan kijken naar de zigzaggende vlucht van de kat, die plotseling door geen dikte of ouderdom meer gehinderd scheen te worden. Maar toen het gehuil in de verte verstorven was, had de bibberende Poliot gezien hoe de Baas zelf de zaal begon rond te rennen, links en rechts kostbaarheden bijeen graaide en deze in het vuur wierp. Een grote Millet, tekeningen van Rembrandt, de badende dames van Luigi, en nog tien, twaalf andere schilderijen verdwenen in de vlammen, terwijl Baas Bustos zijn onheilspellende bromtonen neuriede. Dokter Poliot voelde dat zijn korte, zwarte haar letterlijk overeind stond. Hij sloop naar zijn kamer en barstte spontaan in snikken uit. Hij snikte zich totaal leeg, en toen had hij het gevoel dat hem niets meer kon gebeuren. Dit was het moment om schoon schip te maken bij de Baas, dat voelde hij. Nu moest hij hem vertellen hoe de vooruitzichten waren, en dan, dan zou hij aan de reaktie van de Baas kunnen peilen, of deze hem in zijn testament zou gedenken, of niet.
Zo stonden de zaken ervoor, toen dokter Poliot de Baas smeek- | | | | te nog even te willen wachten met hem te verpletteren.
‘Wat is dat voor een raad?’ gromde Bustos.
‘Ik heb een kollega, een vriend, een zeer bekwaam arts, die de ziekte waar u helaas aan lijdt jarenlang bestudeerd heeft. Nog niet zolang geleden heeft hij mij onder strikte geheimhouding verteld, dat hij een afdoende medicijn heeft ontdekt.’
‘Breng mij de telefoon, dan bel ik hem meteen,’ beval Bustos.
‘Nee, nee, nee, daar kan geen sprake van zijn,’ lispelde Poliot handenwringend. ‘Hij heeft het mij onder de striktste geheimhouding verklapt. Alleen aan mij, en dan nog schoorvoetend, zal hij de medicijn misschien overhandigen, alleen uit vriendschap.’
Baas Bustos sprong woedend overeind, met opgeheven arm, maar op het laatste moment had hij zich weten te beheersen. Hij bulderde tegen de verbouwereerde lijfarts: ‘Pas op dat ik me niet aan je vergrijp, want als ik je heb aangeraakt, ben je een kind des doods, Poliot, dan zal het vuur je verteren, nog voordat je illustere Baas in zijn graf ligt!’
Poliot viel bevend op zijn knieën, maar slaagde er wel in een paar meter verder bij zijn Baas vandaan te kruipen.
‘Wat is dat voor verdomde waanzin,’ raasde de Baas voort, ‘dat zo'n achterbakse pillendraaier zijn koopwaar niet wil afstaan aan de grootsten der wereld, maar wel aan een bastaardparasiet als jij! Schiet op, haal mijn telefoon en het nummer.’
‘Maar het is werkelijk veel beter als ik persoonlijk naar hem toega,’ sputterde Poliot, maar de Baas spuugde zo furieus in zijn richting, dat hij haastig overeind krabbelde en verdween.
‘Waar ga je heen? Mediocere kwakzalver! Waarom heb jij godverdomme die medicijn niet ontdekt?’
‘Ik ga even naar mijn kamer, het nummer zoeken, het, het adres, bedoel ik, want ik weet niet zeker of hij telefoon heeft.’
‘Je zorgt er verdomme voor dat hij telefoon heeft, anders laat ik hem door de politie van zijn bed lichten,’ riep Bustos zijn schichtig de trappen opsnellende lijfarts na.
Nog geen tien minuten later verliet dokter Poliot het huis langs een achterdeur, met alleen een koffertje gevuld met persoonlijke bezittingen. En toen de vlucht van Poliot, nog eens tien minuten later, tot de nurkse Bustos doordrong, begon deze te begrijpen dat de situatie ernstig was.
‘De ratten verlaten het zinkende schip,’ zei hij kalm. En dat waren de eerste kalme woorden die hij sinds maanden gesproken had.
Nog drie dagen wachtte Taras Bustos op de terugkeer van zijn armzalige lijfarts met het medicijn, maar toen begreep hij dat Poliot eieren voor zijn geld had gekozen. En toen ontbrandde er een ontembaar heimwee in de boezem van deze grillige, eenzame man. Een heimwee naar zijn geboortegrond in het verre Galicië. En voor het eerst sinds vijftig jaar dacht hij aan de mensen van zijn streek, zoals ze hem opeens scherp voor de geest stonden. Niet aan zijn familieleden dacht Taras Bustos. Die kon hij zich alleen maar voorstellen als de volgevreten parvenu's die ze zonder uitzondering geworden waren, sinds hij hen, ver voor de oorlog, uit het arme Europa over liet komen naar Paraguay, zijn Paraguay, en aan vette banen hielp. Nee, Bustos dacht aan de eenvoudige, zorgelijke mensen, sappelend voor hun bestaan, samenklontend in roddel en angst, van het stadje waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Hij dacht aan de lange, duistere winters, als honger en ziekte aan het lichaam knaagden. Daar dacht de Baas aan, en niemand die hem daar in elkaar gedoken bij het vuur zag zitten, zou zulke sentimentele gedachten in hem vermoed hebben.
Voor iemand als Bustos vormt zelfs het IJzeren Gordijn geen belemmering, en zo landde zijn vliegtuig een paar dagen later op het vliegveld van Krakow, waar de gouden luchtreus van Bustos veel bekijks trok.
In een gesloten zwarte staatslimousine raasde de miljardair door zijn geboortestreek, en toen het gevaarte tenslotte met krijsende remmen tot stilstand kwam in zijn geboortedorp, lichtte Taras Bustos vermoeid de gordijntjes van zijn wagen op. Hij zag de laatste dorpelingen verschrikt wegstuiven, en er was alleen een hond, die woedend tegen de auto tekeer ging. Bustos gaf zijn begeleiders opdracht naar het stadhuis te rijden, waar men hem bij een lomp uitziende burgemeester introduceerde.
‘Ik wil niet veel,’ sprak Bustos. ‘Ik wil alleen mijn laatste dagen doorbrengen bij een paar vriendelijke mensen in een oud huis van mijn geboortedorp. Ik wil hun geroddel en geklaag horen en dat wil ik alleen maar.’
De burgemeester fronste en de begeleiders kuchten. Het was alsof Bustos' eenvoudige verzoek nauwelijks tot hen doordrong.
‘Ik wil een paar dagen in de kost, bij een paar eenvoudige, vriendelijke mensen,’ verduidelijkte Bustos zijn verzoek.
‘Van zulke dingen is ons niets bekend,’ zei de burgemeester kortaf, en toen Bustos hem vernietigend aankeek, kreeg hij een volslagen blanco blik terug. Zelfs toen hij dreigde met repressailles kwam er geen enkele reaktie van de aanwezigen, zodat Bustos tenslotte woest het stadhuis uitbeende, het dorp uit, in de richting van de heuvels. Na een poosje bereikte hij de top van de eerste glooiing. Daar ging hij zitten. Hij knipte de punt van een sigaar en stak op. Hij had nu uitzicht over het grijze stadje, waar eigenlijk behalve de nieuwe fabriekswijken weinig veranderd was. Uit de schoorstenen walmden vette pluimen, die het hele dal in een soort schemering hulden. Toch kon Bustos duidelijk zijn begeleiders voor het stadhuis druk gebarend rond de zwarte limousine zien staan.
‘Bolsjewistiese ratten,’ siste Bustos.
Met zijn sigaar tussen zijn tanden geklemd begon hij het pad te volgen.
Een kwartier later viel hij puffend op de stoep van de watermolen neer. Hij zag dat het enorme scheprad niet meer draaide, dat het half versplinterd hing te rotten. Hij gooide zijn sigarepeuk in het donkere water en bonkte op de deur zonder
| | | | op te staan. Toen de deur openging, snauwde Bustos, die niet eens opkeek:
‘Help me overeind en zet verse koffie.’
Er gebeurde niets, zodat Bustos tenslotte zelf opstond en zich naar de bewoner draaide. Er stond een gedrongen man voor hem, die nog niet tot zijn borst reikte. Hij keek nietszeggend naar Bustos op.
Ik koop dit huis, idioot, en jou erbij,’ zei Bustos. ‘Hoeveel moet je voor het zootje hebben?’
Hij stak de man een zware sigaar in de mond en liep langs hem heen naar binnen. In een oogopslag taxeerde Bustos de waarde van het geheel, een laatste opflikkering van het talent dat hem rijk had gemaakt.
‘Vijfhonderd dollar,’ zei hij. En hij trok zijn portefeuille tevoorschijn en telde het bedrag in de hand van de verbouwereerde man uit.
‘Dat geld is voor jou,’ zei Bustos, kalm voor zijn doen, ‘en eigenlijk is het huis ook van jou. Ik ben toch maar een oude, stervende man, wat moet ik met zo'n huis.’
Bustos' stem was nu opmerkelijk zacht geworden, maar de gedrongen man, die hem niet goed kende, was helemaal niet verbaasd toen Bustos zich liet zakken en huilend zijn knieën omvatte.
‘Als ik hier maar rustig de pijp uit mag gaan bij jou,’ snikte Bustos.
Voor het eerst leek er iets van belangstelling in de ogen van de ander op te flikkeren.
‘De pijp uit?’ waren de eerste woorden die hij sprak.
‘Jazeker,’ jammerde Bustos, ‘ik lijd aan een dodelijke ziekte, beste man, maar ik kan geen rust vinden om me neer te leggen.’
‘Dat zal je slechte geweten wel zijn,’ antwoordde de man, terwijl hij uit Bustos' omhelzing stapte.
Van enige afstand ging hij verder, terwijl Bustos moeizaam opstond en het stof van zijn pantalon veegde: ‘Je kunt dit huis niet kopen, maar dit geld is van mij. In ruil daarvoor zul je niet aan je ziekte overlijden. Integendeel, je zult eeuwig leven en er zal je geen haar gekrenkt worden.’
Bustos stond perpleks. Hier stond iemand die hem tegensprak, hem tutoyeerde en bovendien genezing beloofde.
Zonder plichtplegingen haalde de man een blikken trommel uit een zware kleerkast, waaruit hij een in wit papier gevouwen poeder nam.
‘Hier heb je een gram van het poeder van de steen der wijzen,’ zei hij. ‘Verlaat nu dit huis en loop een half uur in oostelijke richting. Dan zal de zon ondergaan. Je beklimt een heuvel en zorgt dat je boven bent, voordat je het koud krijgt. Dan zoek je een beschut plekje, vanwaar je een mooi uitzicht hebt op de ondergaande zon. Probeer niet een gesprek aan te knopen met degenen die je tegenkomt, zij zullen je geen antwoord geven. Ik raad je aan intens te genieten van de natuur om je heen en ik raad je aan met volle teugen te genieten van het schouwspel van de zon. Dan, als de zon achter de heuvels verdwenen is, neem je dit poeder in. Je laat het smelten op je tong en zegt dan hardop:
Steen der wijzen, al heb ik uw bestaan ontkend,
wil mij op mijn laatste moment
Laat mij in mijn laatste kwartier
voor eeuwig bestaan hier.’
De man zweeg en Bustos merkte dat hij zich het vers zonder moeite kon herinneren, alsof het in zijn geheugen gegrift was. Sterker nog, hij herinnerde zich niets anders meer dan de woorden van de man.
‘Maar wat gebeurt er dan?’ wist hij met moeite uit te brengen.
‘Dan ga je terug in de tijd,’ antwoordde de man, ‘en zul je niet sterven.’
Baas Bustos merkte dat er een goed pad in de aangeduide richting ging. Hij had het papier met het poeder in zijn portefeuille geborgen en begaf zich welgemoed op weg. Pas na tien minuten begon hij zich af te vragen of hij wel in oostelijke richting ging. Dwars door zijn twijfel heen, klonk helder de formule in zijn hoofd: ‘Laat mij in mijn laatste kwartier voor eeuwig bestaan hier.’
Toch begon Bustos sneller te lopen, toen hij voor zich een gestalte ontwaarde, die zich langs hetzelfde pad spoedde. Na een ogenblik haalde hij de man in en hij tikte hem op de rug. Toen de ander niet reageerde, barstte hij los:
‘Zeg, verdomde idioot, kun je geen antwoord geven? Is dit de weg naar het Oosten?’
En toen ook dat niet hielp, greep Bustos hem vast en wilde hem tot stoppen dwingen. Maar tot zijn verbazing hield de man geen moment zijn pas in onder Bustos enorme gewicht, hoewel hij nu toch letterlijk aan hem hing. Het was of een onweerstaanbare kracht de tengere man voortdreef, alsof een onzichtbare kabel hem langs het pad omhoog trok. Na een ogenblik liet Bustos hem los. Stomverbaasd bleef hij hem na staan kijken, tot de ander uit het gezicht was verdwenen. ‘Wil mij op mijn laatste moment het eeuwige leven geven,’ neuriede hij opeens, toen de woorden hem weer te binnen vielen. Hij zette zich in beweging. De zon raakte de hoogste heuvelrug al, en Bustos begon snel te klimmen. Zonder stil te houden haalde hij zijn zakhorloge tevoorschijn. Er waren vijfentwintig minuten verstreken. Hoewel hij nog lang niet op de top van de heuvel was, keek hij verlangend om zich heen, naar een zacht plekje voor een sigaar. Hij vergat de zon. In zijn hoofd zoemde het versje: Steen der wijzen, al heb ik uw bestaan ontkend...
Toen hij goed en wel zat op een platte steen, de slippen van zijn jas zorgvuldig opzij gevouwen, zag hij dat het half uur verstreken was. De zon was nu ook verdwenen, en de wind stak op. Snel haalde hij het poeder tevoorschijn.
Hij schudde het achter op zijn tong, en wachtte tot het in zijn speeksel zou zijn opgelost. Intussen knipten zijn handen bijna automaties de punt van een sigaar. Hij sprak op plechtige toon
| | | | de formule uit, stak de sigaar in zijn mond en streek een lucifer aan. Een vreemde suizing doofde het vuur, en voordat hij een trek van de tabak kon nemen, was hij niet meer op dezelfde plaats.
Hij liep op het pad, en voor zich ontwaarde hij een gestalte, die zich langs hetzelfde pad spoedde. In zijn hoofd klonk helder de formule: Laat mij in mijn laatste kwartier voor eeuwig bestaan hier. Na een ogenblik haalde hij de man in en hij tikte hem op de rug. Toen de ander niet reageerde, barstte hij los:
‘Zeg, verdomde idioot, kun je geen antwoord geven? Is dit de weg naar het Oosten?’
En toen ook dat niet hielp, greep Bustos hem vast en wilde hem tot stoppen dwingen. Maar tot zijn verbazing hield de man geen moment zijn pas in onder Bustos enorme gewicht, hoewel hij nu toch letterlijk aan hem hing.
Het was of een onweerstaanbare kracht de tengere man voortdreef, alsof een onzichtbare kabel hem langs het pad omhoogtrok. Na een ogenblik liet Bustos hem los. Stomverbaasd bleef hij hem na staan kijken, tot de ander uit het gezicht was verdwenen.
‘Wil mij op mijn laatste moment het eeuwige leven geven,’ neuriede hij opeens, toen de woorden hem weer te binnen vielen. Hij zette zich in beweging. De zon raakte de hoogste heuvelrug al, en Bustos begon snel te klimmen. Zonder stil te houden, haalde hij zijn zakhorloge tevoorschijn. Er waren vijfentwintig minuten verstreken. Hoewel hij nog lang niet op de top van de heuvel was, keek hij verlangend om zich heen, naar een zacht plekje voor een sigaar. Hij vergat de zon. In zijn hoofd zoemde het versje: Steen der wijzen, al heb ik uw bestaan ontkend...
Toen hij goed en wel zat op een platte steen, de slippen van zijn jas zorgvuldig opzij gevouwen, zag hij dat het half uur verstreken was. De zon was nu ook verdwenen, en de wind stak op. Snel haalde hij het poeder tevoorschijn. Hij schudde het achter op zijn tong en wachtte tot het in zijn speeksel zou zijn opgelost. Intussen knipten zijn handen automaties de punt van een sigaar. Hij sprak op plechtige toon de formule uit, stak de sigaar in zijn mond en streek een lucifer aan. Een vreemde suizing doofde het vuur, en voordat hij een trek van de tabak kon nemen, was hij niet meer op dezelfde plaats.
Hij liep op het pad, en voor zich ontwaarde hij een gestalte, die zich langs hetzelfde pad spoedde. In zijn hoofd klonk helder de formule: Laat mij in mijn laatste kwartier voor eeuwig bestaan hier. Na een ogenblik haalde hij de man in en hij tikte hem op de rug. Toen de ander niet reageerde, barstte hij los:
‘Zeg, verdomde idioot, kun je geen antwoord geven? Is dit de weg naar het Oosten?’
|
|
|