De Revisor. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Revisor, De


bron: De Revisor. Jaargang 1. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1974


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 44]

Anton Haakman
Alphonse van Worden in een doolhof vol spiegels

Ook al wekken titel en auteursnaam die indruk, Veertien dagen uit het leven van Alfons van Worden is niet het romandebuut van de jonge Nederlander Jan Potocki, maar een vergeten meesterwerk uit de fantastische literatuur, geschreven door een verfranste Poolse graaf die zichzelf bij voorkeur Jean en niet Jan noemde en die zijn Waalse hoofdpersoon de naam Alphonse, en niet Alfons, gaf.

Het boek is onder meerdere namen onbekend. De titel Manuscrit trouvé à Saragosse zegt misschien nog het meest, want een paar jaar geleden werd hier een verfilming - door de Pool Wojciech J. Has - vertoond onder die naam: de titel van de Gallimarduitgave. In 1972 werd het boek herdrukt als La duchesse d'Avila, naar aanleiding van een gelijknamige televisieserie. Toen ik na het zien van de film de Franse editie las, verbaasde ik me zo over het boek, dat ik dacht te maken te hebben met een ingenieuze mystificatie van Roger Caillois, die de uitgave verzorgd had.

Hoe kon de man die dit hoogtepunt van horror had geschreven, onbekend zijn gebleven? Hoe kon hij in zijn tijd een boek hebben geconcipieerd waarvan de opbouw eerder de indruk wekt dat de auteur een literair experimentator van nu is, een bewonderaar van de verhalen van Borges en de cacaobussen van Droste, dan een man die tweehonderd jaar geleden (1761) was geboren. Caillois' inleiding met biografie van de auteur was ronduit ongeloofwaardig. Potocki zou een Pools edelman zijn geweest die een hele reeks belangrijke historische, etnologische, archeologische, linguistische, en geografische boeken had geschreven, een graaf met jacobijnse sympathieën, die de halve wereld afreisde, op zoek naar de origines van de Slavische volkengroep en naar een model voor een politieke omwenteling in Polen. Hij zou revolutionaire pamfletten hebben gedrukt op een pers die hij in zijn huis had laten installeren, en hij zou een franc-tireursuniform hebben ontworpen. Tegelijk was hij afgevaardigde in de Poolse landdag, waar hij een onderwijshervorming wist door te drukken. Verder was hij een van de eerste ballonvaarders. De beschrijving die Caillois gaf van Potocki's spectaculaire zelfmoord in 1815, leek een duidelijke aanwijzing dat Caillois bij wijze van grap een karikatuur van een Romantisch schrijver had willen leveren: de geleerde graaf, die zich door het hoofd wilde schieten maar geen kogels voor zijn pistool bezat, zou de zilveren knop van zijn moeders theepot hebben afgezaagd, deze zolang hebben bijgevijld tot hij in de loop paste en hem vervolgens hebben laten zegenen door een priester alvorens zijn hersens ermee te verbrijzelen. En inderdaad, noch in de Winkler Prins, noch in de Encyclopedia Brittannica kwam de naam Jean Potocki voor, en ook Mario Praz vermeldde hem niet in The romantic agony. Maar de duidelijkste aanwijzing dat het boek recent moest zijn, lag in Potocki's beschrijving van een goddeloos man, die de natuur wilde verklaren zonder zijn toevlucht te nemen tot een schepper en die de theorie opstelde dat een oerzuur (nucleïnezuur!) verantwoordelijk was voor de overdracht van eigenschappen in levende organismen. Daar had hij de Nobelprijs voor kunnen krijgen.

Mijn bewondering voor Caillois was groot. De mystificatie paste uitmuntend bij de structuur van het boek, waarin allerlei afzonderlijke verhalen verpakt zijn in raamvertellingen die op hun beurt weer in het kader van de lotgevallen van Alphonse van Worden verteld worden. Van Wordens avonturen zijn weer ingelijst binnen het verhaal van een Franse officier die tijdens het beleg van Saragossa in een verlaten huis het manuscript vindt. Op een gegeven ogenblik is er sprake van een verhaal in een verhaal in een verhaal in een verhaal in een verhaal. En dat gebeurt dan weer binnen de fictie van Caillois, die vertelt hoe hij bij toeval de drukproeven van Potocki's vergeten roman ontdekte - dacht ik. Totdat ik in een negentiende-eeuwse Larousse de naam Jean Potocki wel aantrof.

 

Manuscrit trouvé à Saragosse is veel meer dan een verzameling verhalen binnen een raamvertelling, zoals 1001 Nacht, Decamerone of Canterbury Tales. De raamvertelling - het avontuur van Van Worden - en de verhalen die hij aanhoort zijn heel nauw bij elkaar betrokken.

Alphonse van Worden, piepjong officier bij de Waalse Garde, vertrekt in opdracht van Koning Filips V langs de kortste, maar gevaarlijkste weg van Cadiz naar Madrid, dat wil zeggen door de onherbergzame Sierra Morena, die Andalusië van La Mancha scheidt. Onderweg overnacht hij in een verlaten herberg waar het niet pluis is. Om twaalf uur 's nachts verschijnen hem twee Moorse schoonheden, die hem verleiden. Ze blijken familie

[p. 45]

van hem te zijn. Ook hij is van Moorse afkomst. Ze behoren alledrie tot het geslacht der Gomelez. De volgende ochtend ontwaakt hij onder een galg, tussen de kadavers van twee gehangen bandieten, de gebroeders Zoto. Daarna ontmoet hij bij een kluizenaar een van de duivel bezetene die soortgelijke avonturen heeft meegemaakt, en in de boeken van de kluizenaar komt hij verhalen tegen die ook al te maken hebben met zijn eigen ervaringen. Wanneer hij opnieuw op weg gaat, wordt hij gearresteerd namens de Inquisitie en in een cachot geworpen, vanwege zijn contacten met de twee prinsessen uit Tunis, die door een inquisiteur betiteld worden als ‘Infantes van het hof van Satan’. Wanneer de paters voorbereidingen treffen voor een gruwelijke foltering, wordt hij door de broer van de twee gehangenen bevrijd, samen met Emina en Zibeddee, de twee Moorsen, die hem een paar dagen later weer weten te verleiden: hij heeft van zijn vader geleerd, nooit bang te zijn. Ze worden betrapt door de sjeik der Gomelez, die hem dwingt, de gifbeker ter hand te nemen. Weer ontwaakt hij onder de galg, naast de gehangenen. Aan zijn andere zijde ligt de kabbalist, die ook al dingen heeft meegemaakt die sterk doen denken aan Van Wordens avonturen. Samen gaan ze weer naar de kluizenaarswoning, waar blijkt dat Pascheco, de bezetene, die nacht gezien heeft hoe de jonge officier geliefkoosd werd door twee kadavers. Van Worden vertrekt met de kabbalist naar diens kasteel. Vanaf het terras ziet hij de volgende

illustratie

dag een troep zigeuners. In hun midden meent hij Emina en Zibeddee te herkennen, maar als hij dichterbij komt, blijken ze er toch anders uit te zien. Misschien zijn het vampiers, die allerlei gedaanten kunnen aannemen. In de bibliotheek van de kabbalist leest hij weer een paar griezelverhalen, over mooie jonge vrouwen die de volgende ochtend duivels of vampiers of spoken blijken te zijn. Na een paar dagen gaan de boeken en de geleerde verhandelingen van de kabbalist hem de keel uithangen. Hij maakt kennis met de zigeuners en wordt gastvrij ontvangen door de hoofdman die soms Pandesowna en soms Avadoro wordt genoemd, en die nacht slaapt hij met de twee mooie zigeunerinnen. De volgende ochtend wordt hij niet wakker onder de galg, maar gewoon temidden van de zigeuners, die de kost verdienen met smokkel.

Pandesowna vertelt zijn levensverhaal, plus het griezelverhaal dat een zekere Romati hem heeft verteld, plus het verhaal dat de lugubere prinses van Mont-Salerno weer aan deze Romati heeft verteld. Een verhaal in de vijfde macht dus, het Saragossakader meegerekend. Het lijkt erop dat bij roverhoofdman Zoto en bij smokkelkoning Pandesowna de oorsprong ligt van het bekende verhaal zonder eind: Het was nacht, stikdonkere nacht. De roverhoofdman sprak: ‘Het was nacht, stikdonkere nacht. De roverhoofdman sprak: “Het was nacht... enzovoort”.’ Opnieuw belandt Alphonse bij de galg. Tussen de twee kadavers, die weer op de grond liggen, ziet hij nu Rebecca, de zus van de kabbalist. Wanneer zij bekomen is van de schrik, vertelt ze hem haar geschiedenis: weer een verhaal dat verwant is aan het zijne. Zij heeft in de herberg twee Turken ontmoet, die zij voor Castor en Pollux aanzag. Alphonse krijgt de indruk dat ze hem in de maling neemt, en dat alles wat hij heeft meegemaakt, misschien wel in scène is gezet om hem op de proef te stellen.

Hier eindigen de ‘Veertien dagen’. Potocki heeft een vervolg geschreven waarvan Caillois drie verhalen (die overeenkomst vertonen met die van de eerste reeks) in zijn uitgave heeft opgenomen, onder de titel Récits tirés de Avadoro, histoire espagnole. Deze drie verhalen zijn ook in de Nederlandse vertaling opgenomen, maar zonder de vermelding dat het hier om een selectie van Caillois gaat.

Hoe interessant de afzonderlijke verhalen mogen zijn, binnen het kader van Potocki's roman zijn ze veel meer waard. Ze staan niet op zichzelf, maar zijn heel geraffineerd met elkaar verweven, ze functioneren in relatie tot de raamvertelling en bovendien zijn het bijna allemaal variaties op één en hetzelfde thema. Sommige houden zelfs halverwege op, vóór de ontknoping, omdat alleen het begin een functie heeft binnen het grotere geheel. Soms herhaalt het ene verhaal het andere, maar vanuit een ander gezichtspunt. De bezetene geeft een andere versie van het incident met de sjeik dan Van Worden zelf. De verhalen worden onderling vergeleken. In de raamvertelling maakt Van Worden telkens opnieuw hetzelfde mee. Hij is op weg naar Madrid, maar ‘valt telkens terug’, als in een nachtmerrie. Hij doolt in cirkels rond, terwijl de gebeurtenissen zich

[p. 46]

herhalen. De tijd schijnt zich te herhalen, een thema dat later in de science fiction geregeld terug zal komen. In détails verschillen de gebeurtenissen. Wanneer Potocki de ontvangkamer van de prinses van Mont-Salerno beschrijft, geeft hij een beeld van de structuur van zijn boek. De vloer is ‘van lazuursteen, ingelijst met Florentijnse mozaieken (...) Het patroon had een algemene opzet en toonde een regelmatig geheel. Maar, als men de verschillende fragmenten ervan nauwkeurig bekeek, zag men dat de grootste verscheidenheid aan détails niets afdeed aan het effect van symmetrie. Hoewel het steeds hetzelfde patroon was, bood het inderdaad op de ene plaats een verzameling van de mooist geschakeerde bloemen; op een andere plaats waren het schelpen in de veelvuldigste kleuren; verder weg vlinders, elders kolibries.’

Herhaling, verdubbeling van motieven is tegelijk stijlelement en thema. De geliefde is haast altijd dubbel: Alphonse laat zich verleiden door twee zusters, die overigens wel weer in détails verschillen en beiden hun eigen rol spelen: ‘Emina las de Koran, Zibeddee was met parels en sjaals in de weer.’ ‘Zibeddee, die haar zuster graag aan het woord liet als het gesprek ernstig was, hernam haar rechten als het gevoel er een rol bij ging spelen.’ Emina is het verstand, Zibeddee het gevoel, lijkt het. Ook de bezetene heeft een relatie met twee vrouwen gehad, die ook veranderen in de kadavers van de twee gehangenen, de gebroeders Zoto. Bij die twee broers treedt een extra verdubbeling op: niet zijzelf blijken aan de galg te zijn gehangen, maar hun dubbelgangers: de Justitie van Granada had twee herders opgepakt die als de broers Zoto werden opgehangen.

De kabbalist is door zijn vader voorbestemd, te trouwen met de twee dochters van Salomon en de koningin van Saba. Zijn zus is bestemd voor de Dioscuren: Castor en Pollux. Beiden zien hun gelieven alleen in spiegels.

De zigeunerinnen zijn weer bedriegelijke dubbelgangsters van Emina en Zibeddee, die zich overigens op talloze manieren schijnen te kunnen verdubbelen.

De prinses van Mont-Salerno is een geval van ‘split personality’. Zij is tegelijk zichzelf en haar eigen hofdame en raakt verward in haar dubbelrol: ‘Ik was tien jaar... ik bedoel dat de enige dochter van de prins van Mont-Salerno tien jaar was, toen haar moeder stierf. Mijn opvoeding...’

Dan is er een verhaal over een meisje dat verliefd is op haar spiegelbeeld en de geschiedenis van een hertogin die een man beneden haar stand bemint en die daarom 's nachts speelt dat ze een ander is.

Voor de ‘goddeloze alweter’ is verdubbeling het oerprincipe van het leven. Eigenschappen worden gekopieerd door ‘het generatieve zuur, dat een eindeloze verscheidenheid kent, maar onveranderlijk dezelfde vormen voortbrengt.’ Zoals Rudy Kousbroek heeft opgemerkt (De verschrikkelijke pelgrim; Anathema's I) vertoont Hervas' zuur een frappante maar toevallige gelijkenis met het nucleïnezuur (de dubbele helix van Watson en Crick).

Waarom al die herhalingen, al die variaties? Wat er om Van Worden heen gebeurt, is telkens in hoofdzaken hetzelfde, maar zijn opvattingen maken een belangrijke ontwikkeling door, terwijl hij door deze doolhof van spiegels zwerft. Het labyrint fungeert ook hier als parcours voor een queeste, een initiatierite. Deze veertien dagen staan voor Van Wordens hele leven: naarmate hij het leven leert kennen, gaat hij er anders tegenover staan. Hij maakt zich los van de waarden van zijn opvoeding, leert ze althans te relativeren.

Wat die opvoeding aangaat: er worden nogal wat verhalen over vaders verteld, en meestal zijn ze tragi-komisch. Het voornaamste wat Alphonse van zijn vader heeft geërfd, is een belachelijk eergevoel. Zijn vader was een duelleermaniak die voortdurend ‘met grote fijngevoeligheid’ liep te speuren naar iets waardoor hij genoegdoening kon eisen, een man die op het eerste teken van lafheid zijn zoon aan zijn degen had willen rijgen. Maar bij de kluizenaar leert Alphonse dat eergevoel een wankele basis voor de deugd is, en wat de roverhoofdman Zoto zegt, geeft hem ook veel te denken: ‘Hij had voortdurend de eer, de fijngevoeligheid en de strikte rechtschapenheid geprezen van mensen voor wie ophangen nog een gunst zou zijn geweest. Doordat hij deze woorden zo overmatig en vrijmoedig gebruikte, raakten al mijn denkbeelden in de war.’

Zoto's vader had ook zijn eergevoel. Toen hij eens een vastgebonden vrouw moest doorsteken, weigerde hij met de woorden: ‘Mijnheer, u heeft u in mij vergist. Ik wacht mensen op de hoek van een straat op of ik val ze aan in een bos, zoals een man van eer past, maar ik neem niet de taak van een beul op me.’

De vaders hebben bij Potocki iets monomaans. De oude Avadoro was een ordelijk man: ‘Als ik u één van zijn dagen zou beschrijven, zou u meteen het verhaal van zijn hele leven kennen’ (Weer het leven als een eindeloze herhaling van identieke gebeurtenissen!) Ook hij is een snob. Hij weet zich een plaats in de schaduw van de grote geleerden van Madrid te veroveren door inkt voor hen te maken.

Van Worden en zijn dubbelgangers leren de normen van hun vaders - en van de tijd van hun vaders - relativeren. Hun ervaring (Potocki's grote ervaring) heeft hen geleerd dat die normen vaak berusten op een gebrekkige kennis van de wereld. De duivel vertelt Hervas junior over de betrekkelijkheid van goed en kwaad: ‘Zeer kleine insecten kropen op de top van hoge grassprieten. Een van hen zei tot de andere: ‘Kijk die tijger die bij ons ligt: dat is een allerzachtzinnigst dier, nooit doet hij ons kwaad. Het schaap daarentegen is een wreed dier; als er een kwam, zou hij ons verslinden, samen met het gras dat ons tot schuilplaats dient; maar de tijger is rechtvaardig, hij zou ons wreken.’

Alphonse van Worden is, net als Potocki, een man tussen Verlichting en Romantiek. Iemand die in sommige opzichten rationeler wordt naarmate hij meer ervaring opdoet en die zich afzet tegen de feodale moraal van zijn vader; maar tegelijk iemand die wordt aangetrokken door de natuur in zijn meeste romantische vormen. Op de vierde dag zegt hij, na een verge-

[p. 47]

zicht te hebben beschreven: ‘Ik merkte dat ik bezig was, van de natuur te gaan houden.’ Zijn stemmingen worden voortaan bepaald door het landschap. Op de negende dag levert hij zich over ‘aan de gevoelens die dit uitzicht bij me opriep. Het was geen droefgeestigheid, het was bijna het wegvloeien van al mijn vermogens als gevolg van de wrede onrust waaraan ik sinds enkele dagen was blootgesteld.’ Hij is zelfs bang, zijn verstand te verliezen. Op de tiende dag brengt de natuur hem tot rede: ‘De atmosfeer was kalm... De vrede der elementen ging over op mijn gemoed, en ik kon enigszins rustig nadenken over wat me sinds mijn vertrek uit Cadiz was overkomen.’ Dan zoekt hij voor het eerst naar een natuurlijke verklaring voor al die wonderbaarlijke gebeurtenissen. Op de elfde dag stelt Avadoro hem een uitstapje voor: ‘Als u belangstelling hebt voor een reis in deze bergen, beloven wij dat wij u zowel de mooiste als de afschrikwekkendste delen zullen laten zien, de lieflijkste plekjes met vlak daarnaast de zogenaamde mooie gruwelen.’

Potocki heeft ongeveer twaalf jaar aan zijn boek gewerkt, namelijk van 1803 tot 1815, maar het meeste wat in de Franse en in de nieuwe Nederlandse uitgave afgedrukt staat, dateert van voor 1805. In de latere verhalen komen minder vampiers, spoken en geraamten voor, minder occulte verschijnselen. Maar ook binnen de ‘Veertien dagen’ begint hij al met het bovennatuurlijke af te rekenen. Ze eindigen met de suggestie dat het allemaal in scène gezet was om zijn moed op de proef te stellen. Al aan het begin heeft Potocki gesuggereerd, dat Alphonse hallucineert als gevolg van de hitte en het drinken van Alicante-wijn. Misschien speelt de hele nachtmerrie zich in de loop van een paar minuten af: ‘Inderdaad merkte ik dat ik niet alleen hersteld was, maar me zelfs buitengewoon energiek en opgewonden voelde. De velden leken bezaaid met de meest levendige kleuren; de dingen om me heen schitterden voor mijn ogen als sterren in de zomernacht, en ik voelde mijn aderen kloppen, vooral bij mijn slapen en in mijn nek.’ Binnen deze hallucinatie vindt een tweede zinsbegoocheling plaats, wanneer hij de twee Moorse vrouwen ziet dansen: ‘Ik beschouwde ze enige tijd met een soort koelbloedigheid, tot uiteindelijk hun bewegingen, die heftiger werden met het ritme, het bedwelmende geluid van de Moorse muziek, de energieke toestand waarin het onverwachte eten me had gebracht, kortom alles in en buiten mij eraan meewerkte om mijn verstand te vertroebelen.’ Wanneer hij zich op de achtste dag voor de zoveelste maal in de herberg bevindt, komt hij op de gedachte dat hij deze nooit heeft verlaten ‘en dat de kluizenaar, de inquisiteurs en de broers van Zoto even zovele geestverschijningen waren.’

Potocki heeft zijn griezelroman het tegenwicht van een ironische toon gegeven. Hij speelt met bijgeloof en gezond verstand, met fantasie en ervaring, met illusies en natuurlijke verklaringen. Hij mag dan een romanticus zijn die is gefascineerd door het gruwelijke en occulte, tegelijk houdt hij zijn hoofd koel. Zijn gespleten personages, zijn dubbelgangers schijnen de twee kanten van zijn persoon voor te stellen. Net als Goethe heeft hij ‘twee zielen in zijn borst.’ Zijn ‘romantische’ zelfmoord was, hoe luguber ook, stoïcijns en beredeneerd. Twee jaar na zijn dood trouwde zijn vrouw Constance met zijn vriend Edouard Racynski, die zich in 1845 door Potocki's zelfmoord zou laten inspireren: hij schoot zich door het hoofd met een kanon. ‘Cette étrange imitation du premier mari de Constance donne beaucoup à penser sur la prédestination ou sur le romantisme’, schrijft Potocki's biograaf Edouard Krakowski (Le comte Jean Potocki, Parijs 1963).

Wat de Nederlandse uitgave betreft, dat is weer zo'n losbladige editie van Meulenhoff. De vertaling van Jeanne Holierhoek (die ik geciteerd heb) is goed, maar bij bladzijde 159 lag mijn met spuug gelijmde exemplaar zo uit elkaar dat ik maar weer ben overgestapt naar de Franse editie, die ik al tweemaal had gelezen zonder dat hij desintegreerde. De tekst volgt de Gallimarduitgave, maar helaas heeft men de inleiding van Roger Caillois weggelaten en vervangen door een jaartallenlijst (gemaakt door Laurens Vancrevel), waaruit blijkt dat Potocki drie jaar lang aan die knop van die theepot heeft zitten vijlen. Waar heeft Vancrevel dit vandaan? In de Verantwoording staat dat de biografische gegevens zijn ontleend aan het boek van Krakowski, maar waar Caillois en Krakowski verschillende gegevens opleveren, blijkt niettemin Caillois' inleiding tot de Franse uitgave te zijn gebruikt.

Op de flap staat onzin. Potocki was geen ontdekkingsreiziger, hij leidde geen Russische missie naar China en van twee gelieven aan een galg is geen sprake. Waarom laten ze zo'n tekst niet schrijven door iemand die het boek heeft gelezen? De Gallimard-uitgave met de inleiding van Caillois is verre boven de Nederlandse te verkiezen. Het is geen wegwerpartikel, maar een van de tien boeken die je meeneemt naar het onbewoonde eiland. In ieder geval is het de lievelingsroman van Luis Buñuel, die in zijn voorlaatste film, Le charme discret de la bourgeoisie, nu eens niet de verhalen, maar wel de wonderlijke opbouw van Potocki's boek heeft overgenomen.