|
|
|
| |
| | | |
Willem Wilmink
Liedjes uit de Stratemakeropzeeshow
Prikkebeen
Zo zie ik er heel mooi uit voor het feest.
Ik geloof dat jij wel het allermeest
van alle moeders druk bent geweest,
Die grappige broek die staat me heel goed,
maar als ik nou ook nog die hoge hoed,
die hoge hoed er bij dragen moet,
ik weet het wel, dan ben ik Prikkebeen,
maar het feest is voor ónze klas alleen,
en ik moet ook over het schoolplein heen,
Ónze klas heeft een verkleedpartij,
maar ik moet op het schoolplein kind'ren voorbij
uit ándere klassen. Die pesten mij,
Nou niet zo verdrietig kijken gaan.
Ik weet wel hoe je je best hebt gedaan,
maar dan kan ik die kleren hier thuís toch aan,
Dan is 't een geheimpje voor ons alleen,
voor mij en jou, en anders geen een.
Dan ben ik jouw eigen Prikkebeen,
| |
Martijn geeft een partij
Martijn geeft een partij.
En Koos je en John-David zijn er wel.
Ik zit hier in mijn eentje met een glaasje chocomel.
En moeder zegt dat ik het moet verdragen,
want dat ik óok niet iedereen zou vragen
Martijn geeft een partij.
En Koos je en John-David zijn er wel.
Ze doen nu met z'n allen vást een heel gezellig spel.
Ze zijn daar ook wel minstens met z'n tienen,
en als ik niet zo groot was, ging ik grienen,
Maar 'k ben al bijna acht.
Martijn geeft een partij.
En Koosje en John-David zijn er wel.
Wat heb ik ook te maken met dat rare, gekke stel.
En denk maar niet, dat 'k ooit met ze ga spelen,
dus laten díe zich morgen maar vervelen,
Martijn geeft een partij.
| |
| | | |
Pianospel
Oktoberavond. Schemeruur.
En als je stil bent, hoor je wel
door open ramen van een buur
Zacht weer vandaag. En buurman's kind
stuurt klanken door de schemering,
daar buurman dat heel nodig vindt
Ach, buurman's dochtertje Monique
speelt steeds de eerste helft maar van
steeds weer datzelfde stuk muziek,
Lieve Monique, hoe moet dat nou,
als later in de kranten staat
dat jij in het Concertgebouw
Dan hoort dat deftige publiek
met meester Krijt en dokter Zalf
tot 's ochtends vroeg éen stuk muziek
| |
Visite uit de hemel
naar een droom van Michiel
Ik ben een jongen uit de stad.
Ik heb een rare droom gehad:
ik droomde van een man die uit de hemel was gekomen.
Die bij ons op visite zat
en die een heel dun lichaam had,
dat was een vreemde man waar ik vannacht van lag te dromen.
Toen 'k hem gevraagd had, waarvandaan
hij naar beneden was gegaan,
zei hij: ‘kijk naar de lucht, dan zie je 't huis waarin wij wonen.’
En niet zo heel ver van de maan
zag ik zijn huisje duid'lijk staan:
een kleine boerderij met witte bloesems aan de bomen.
Daar was een weg met een heg vol bramen.
Daar was een weg waar heel weinig
Een geitje stond in het gras,
daar in de verte. Daar waar de hemel was.

|
|
|