[p. 329]

‘Enkelvoudige vormen’ en hun nawerking
K. Beekman

1.

In de moderne literatuurwetenschap doet men niet zelden een beroep op literatuurbeschouwingen uit vroeger tijd. Zo staat momenteel het Russisch Formalisme in het brandpunt van de belangstelling. Hetzelfde kan worden gezegd van het Strukturalisme. Binnen het kader van deze hernieuwde aandacht voor Formalisme en Strukturalisme valt de naam van André Jolles nogal eens. In hem ziet men een voorloper van deze vormen van literatuurbeschouwing. Men acht het van belang zijn literatuurwetenschappelijke ideeën te bediskussiëren. In het buitenland heeft dat zelfs tot een uitvoerig debat geleid1.. Inzet daarbij vormt Jolles' in 1930 verschenen publikatie Einfache Formen. Legende, Sage, Mythe, Rätsel, Spruch, Kasus, Memorabile, Märchen, Witz. Van Einfache Formen zijn, zowel in de BRD als in de DDR, diverse herdrukken verschenen2. In 1972 werd een Franse vertaling van het boek op de markt gebracht onder de titel Formes Simples en er staat een Amerikaanse vertaling op stapel. Internationaal legt men grote belangstelling aan de dag voor deze publikatie van Jolles. Daarvan getuigen niet alleen de herdrukken en vertalingen, maar ook de reakties die erop zijn verschenen van zowel Franse, Duitse als Amerikaanse zijde, te weten van Ducrot/Todorov (1972), Genette (1981), Hempfer (1973), Poser (1981) en Scholes (1974). Om deze reakties op Einfache Formen is het mij hier te doen. Ik ben geïnteresseerd in de wijze waarop de moderne literatuurwetenschap zich oudere standpunten eigen maakt. Daarover wil ik een aantal stellingen poneren. Als men in de huidige literatuurwetenschap een beroep doet op een oudere vorm van literatuurwetenschap, mag worden aangenomen dat dit gebeurt omdat men zo doende een literatuurtheorie meent te kunnen ontwikkelen. Er bestaat een zekere methodologische overeenstemming tussen het eigen concept en dat van een ‘voorloper’. Maar stel dat beider methodologie ondeugdelijk blijkt te zijn, wat is dan de winst van een dergelijk beroep op deze ‘voorloper’? Instemming met of afwijzing van specifieke uitspraken van de ‘voorloper’ blijven dan altijd gratuit. Dit probleem dringt zich op als men nagaat hoe de moderne literatuurwetenschap inhaakt op het werk van Jolles. Ik meen te kunnen verdedigen dat het daarbij niet kan gaan om het ontwikkelen van een literatuurtheorie. Men legitimeert alleen de eigen opvattingen en wel door deze in verband te brengen met bestaande opvattingen, in dit geval die van Jolles.

In het debat over de opvattingen van Jolles neemt men tegengestelde standpunten in, waaruit niet op goede gronden kan worden gekozen. Voor zover men zijn opvattingen afwijst, gebeurt dit op grond van bezwaren die een ad hoc-karakter hebben.

Over de ideologische waarde van de wetenschapsopvatting waarvan Jolles uitgaat, worden in de beschouwingen die aan Einfache Formen zijn gewijd, geen uitspraken gedaan. Als men zou afgaan op de beweringen van Maren-Grisebach over een dergelijke wetenschapsopvatting, zou dit wel mogelijk zijn. Ik wens dit te betwijfelen. Uit de beweringen van Maren-Grisebach blijkt dat de literatuurwetenschap er nog niet aan toe is sociologische analyses te plegen van het literatuurwetenschappelijke bedrijf. Deze analyses zijn overigens van belang om inzicht te krijgen in de wijze waarop allerlei opvattingen omtrent literatuur en onderzoek worden gelegitimeerd.

[p. 330]

2.

Zoals de ondertitel van Einfache Formen (1930) al aangeeft, meent Jolles negen eenvoudige of enkelvoudige vormen te kunnen onderscheiden: ‘Legende, Sage, Mythe, Rätsel, Spruch, Kasus, Memorabile, Märchen, Witz’. Al in Bezieling en vorm, een bundel essays die Jolles in 1923 publiceerde, was er sprake van enkelvoudige vormen, maar daar heette het nog zeer globaal: ‘Enkelvoudige vormen noem ik bijvoorbeeld: het spreekwoord, het raadsel, de spreuk, de kwinkslag, en vele andere’ (Jolles 1923:42). Jolles voegde daar in niet minder globale bewoordingen aan toe, dat de enkelvoudige vormen in een duidelijk herkenbare vorm een gedachte behelzen, ‘of een beeld, een vergelijking, een wijsgerige of moreele gevolgtrekking of iets dergelijks’ (idem:42). In 1930 was hij blijkbaar zekerder van zijn zaak en stelde hij dat er precies negen enkelvoudige vormen moesten zijn en dat het daarbij om een ‘kompleet’ systeem ging. De enkelvoudige vormen moeten als een ‘reeks’ worden gezien, meent Jolles: ‘Wenn wir von einer Reihe sprechen, so ist klar, das wir damit ein System im Sinne haben; eine abgeschlossene Reihe, dass also der Begriff der Einfachen Form - er ist so geartet, dass in jeder der Einfachen Formen sich die Welt in einer bestimmten Weise verwirklichen kann - nur eine begrenzte Zahl von Möglichkeiten zulässt’ (Jolles 1930:171).

De negen enkelvoudige vormen zouden te vinden zijn ‘in den tieferen Schichten’ van het zijn en van het bewustzijn, en verankerd liggen in de taal (idem:135, 262). Elk van de enkelvoudige vormen zou voortkomen uit een bepaalde ‘Geistesbeschäftigung’, een bepaald denkproces. De legende zou een antwoord zijn op het verlangen van de mens ideale gedragsvormen na te volgen (ibid.:36). De sage zou zijn gebaseerd op de realiteit, waarin familie, stam en bloedverwantschap centraal staan (ibid.:75). Het sleutelwoord voor het denkproces waaruit de enkelvoudige vorm ‘mythe’ voortkomt, is ‘weten’ of ‘kennis’. Bij de mythe zou het om een vorm gaan waarbij de mens de wereld ondervraagt en deze zich aan de mens openbaart. De vragen die de mens aan de wereld stelt, worden in de mythe door het orakel beantwoord. Mythe en orakel horen samen. Ze horen tot dezelfde ‘Geistesbeschäftigung’: ‘Beide sagen wahr’ (ibid.:97-98; 103-104). De mythe en het raadsel hebben gemeen dat het om vragen en antwoorden gaat. Alleen bij de enkelvoudige vorm ‘mythe’ wordt het antwoord weergegeven, terwijl bij de enkelvoudige vorm ‘raadsel’ de vraag wordt gepresenteerd. Er is iemand die het antwoord kent, welk antwoord men probeert te achterhalen (ibid.:128-129). Hebben de enkelvoudige vormen ‘mythe’ en ‘raadsel’ een ‘dialogisch’ karakter, vanwege het spel van vraag en antwoord, bij de spreuk gaat het om een bewering, de aard van deze enkelvoudige vorm is ‘aussagend’ (ibid:163). De enkelvoudige vorm ‘Kasus’ zou voortkomen uit een ‘Geistesbeschäftigung’, waarin handelingen aan normen worden gemeten en normen met normen worden vergeleken. Het kenmerkende van deze enkelvoudige vorm zou zijn dat daarin een vraag wordt gesteld en de antwoorden tegen elkaar worden afgewogen, zonder dat er een definitief antwoord volgt (ibid.:179, 191). De enkelvoudige vorm ‘Memorabile’ wordt geacht te zijn voortgekomen uit de ‘Geistesbeschäftigung mit dem Tatsächlichen’ (ibid.:211). Daarbij komt het op geloofwaardigheid aan (ibid.:216). De ‘Geistesbeschäftigung’ waaruit de enkelvoudige vorm ‘sprookje’ zou zijn voortgekomen, is de opvatting van de mens hoe het in de wereld zou moeten toegaan. Het gaat hierbij om een naïeve moraal, om een naïef-ethisch oordeel. De ‘Geistesbeschäftigung’ van het sprookje zou een dubbele werking hebben, het zou namelijk iets tragisch bevatten, dat tegelijkertijd wordt opgeheven

[p. 331]

(ibid.:238-242). De ‘Geistesbeschäftigung’ waaruit de enkelvoudige vorm ‘Witz’ - Jolles spreekt hier expliciet van ‘grap’ (ibid.:247), terwijl hij in Bezieling en vorm van ‘kwinkslag’ spreekt (Jolles 1923:42) - voortkomt, is het ‘komische’, waarbij iets wordt ‘gelöst’, iets ‘gebondens’ wordt ‘ontbonden’ (ibid:248, 252).

De negen enkelvoudige vormen die uit genoemde ‘Geistesbeschäftigungen’ heten te zijn voortgekomen, worden volgens Jolles gekenmerkt door bepaalde ‘sprachliche Gebärde’, door een bepaald gedrag dat zich in taal uitdrukt. Zo zou de enkelvoudige vorm ‘legende’ worden gekenmerkt doordat bepaalde ‘sprachliche Gebärden’ in deze verhalen over martelaars steevast terugkeren, zoals de foltering, de hemelse stem, een verschijning in een wit kleed die hulprijk de hand uitstrekt. Goden die worden aangesproken en de onderwerping aan het Kruis (ibid:46). Het sprookje, om nog een voorbeeld te noemen, ‘mit seinem tragischen Anfang, seinem Fortschreiten in der Richtung der Gerechtigkeit, seinen tragischen Hemmungen, seinem ethischen Schluss’, zou als ‘sprachliche Gebärde’ het tragische en het rechtvaardige in de zin van naïeve moraal hebben (ibid.:245).

Nu denkt men bij begrippen als ‘legende’ en ‘sage’, die in de literatuurbeschouwing als bestaande ‘genres’ een bepaalde betekenis hebben gekregen, waarschijnlijk minder gauw aan de abstrakte enkelvoudige vormen in de betekenis die Jolles daaraan hechtte. Daarom maakt Jolles een onderscheid tussen bijvoorbeeld de mythe als enkelvoudige vorm en ‘ihrer Vergegenwärtigung’: ‘Ich tue dass, indem ich Mythe und Mythus trenne: Mythe heisst die sich aus unserer Geistesbeschäftigung ergebende Einfache Form, dagegen ist die Form, in der sie vereinzelt jedesmal gegenwärtig vor uns liegt, Mythus oder ein Mythus’ (ibid.:100). Op deze wijze wil hij een onderscheid aanbrengen tussen de enkelvoudige vormen legende, sage en mythe en de representaties of realisaties daarvan: vita, saga, mythus (ibid.:108). Zo heet het spreeekwoord een ‘Vergegenwärtigung’ van de enkelvoudige vorm spreuk (ibid.:155-156), het krantebericht en het historische verslag realisaties van de enkelvoudige vorm ‘Memorabile’ (ibid.:209-210).

Tenslotte onderscheidt Jolles nog de zogeheten ‘Kunstformen’. In welke verhouding deze kunstvormen staan tot de realisaties van de enkelvoudige vormen, zou blijken uit wat Jolles zegt over de ‘Kasus’. De ‘Kasus’ heette een ‘Einfache Form’, de juridische verhandeling heet een ‘vergegenwärtigende Einfache Form’ van de ‘Kasus’, waarnaast ook nog een ‘Kunstform’ zou bestaan (ibid.:180). In het voorbeeld dat Jolles geeft van de realisatie van de enkelvoudige vorm ‘Kasus’, wordt een ‘ik’-figuur ‘in een drukke stad’ door een dief van ‘zijn’ portemonnaie beroofd. Over de tussen aanhalingstekens staande woorden merkt Jolles op dat het om ‘toevoegingen’ gaat, die ‘uitwisselbaar’ zijn: ‘Wir können statt “im Gedränge der Grossstadt stiehl mir ein Taschendieb” zum Beispiel sagen “ein Taschendieb stiehlt einem schlafenden Herrn, mit dem er sich im gleichen Eisenbahnabteil befindet, seine Brieftasche...”, ohne dass der Kasus sich dadurch ändert’ (ibid.:181). Terwijl ‘dief’ tot de enkelvoudige vorm ‘Kasus’ hoort, geldt dat niet voor ‘in het gedrang van de grote stad’; het laatste heet een kwestie van persoonlijke keuze (ibid.:181-182). Tot wat Jolles de ‘variabelen’ noemt, horen ook de ‘heler’, die een ‘helerin’ mag zijn, de hoogte van het gestolen bedrag en de ‘portemonnaie’, die een geldzak mag zijn (ibid.:182-183). Het uitwisselen van elementen, het toevoegen van iets persoonlijks nu zou een ‘Kunstform’ opleveren, zoals in dit geval een

[p. 332]

novelle (ibid.:182). ‘Wir verstehen unter Kunstformen solche literarische Formen, die gerade durch persönliches Wählen, durch persönliches Eingreifen bedingt sind, die eine letztmalige Verendgültigung in der Sprache voraussetzen, wo sich nicht mehr etwas in der Sprache selbst verdichtet und dichtet, sondern wo in einer nicht wiederholbaren künstlerischen Betätigung die höchste Bündigkeit erreicht wird’ (ibid.:182).

Bij een kunstvorm als de novelle zou het gaan om ‘Zubereiten’, bij een enkelvoudige vorm als het sprookje om een ‘Sichvonselbstmachen’ (ibid.:234). Bij de novelle zou het gaan om een deel van de wereld, die ‘fest, besonders, einmalig’ vorm krijgt, bij het sprookje behoudt de wereld haar ‘Allgemeinheit’ (ibid.:234). Deze tegenstelling tussen uniciteit en algemeenheid zou niet alleen gelden voor de novelle en het sprookje, maar voor alle kunstvormen en enkelvoudige vormen. Wat betreft het taalgebruik gaat het er bij de kunstvorm om ‘einmalig’ te zijn. Een kunstvorm kan uiteindelijk alleen door een ‘Dichter’ gemaakt worden. Daar tegenover blijft het taalgebruik bij een enkelvoudige vorm als het sprookje gelijk. Dat wil zeggen, het navertellen van een sprookje ‘in eigen woorden’, zou steeds op identieke wijze plaatsvinden. Zodra de enkelvoudige vorm sprookje zich ‘vergegenwärtigt’, gerealiseerd wordt, dreigt ze uniek te worden en iets van haar algemeenheid te verliezen. Dat leidt er dan weer toe, aldus Jolles, dat er verwarring dreigt te ontstaan met de uniciteit van de kunstvorm (ibid.:235-237).

Kunstvormen krijgen van Jolles een aparte plaats toegewezen. Soms brengt hij ze in verband met de enkelvoudige vormen, zoals de ‘Grosserzählung in Prosa’, waarvan Zola's Les Rougon-Macquart een voorbeeld is, die terug zou grijpen op de enkelvoudige vorm ‘sage’, die heette te zijn voortgekomen uit een denkproces waarin men zich bezighoudt met erfelijkheid en afstamming (ibid.:89-90). Zo ook wordt bij de enkelvoudige vorm ‘raadsel’ melding gemaakt van het detective-verhaal (ibid.:148-149). Volgens Jolles liggen enkelvoudige vormen echter niet alleen ten grondslag aan kunstvormen, maar ook aan bijvoorbeeld sportverslagen, waar ‘knock out’ één van de ‘sprachliche Gebärden’ zou zijn, die de verslagen over Nurmi, Dempsey en Schmeling gemeen zouden hebben (ibid.:60-61).

In Bezieling en vorm (1923) was sprake van een viertal enkelvoudige vormen - het spreekwoord, het raadsel, de spreuk en de kwinkslag -, maar Jolles meende toen dat er nog ‘vele andere’ moesten zijn (Jolles 1923:42). In Einfache Formen (1930) beweert hij, zoals gezegd, met grote stelligheid dat er hooguit negen enkelvoudige vormen bestaan. De bezorgers van de herdrukken en vertalingen van Einfache Formen menen echter over aanwijzingen te beschikken, dat Jolles na de publikatie van zijn boek twijfelde of er wel van negen enkelvoudige vormen gesproken moest worden. In het nawoord van de editie uit 1956 beweert Alfred Schossig op grond van een brief van Henrik Becker, hoogleraar aan de Universiteit van Jena, dat Jolles tijdens de laatste jaren van zijn leven erover dacht een tiende vorm toe te voegen en het geheel systematischer te organiseren. De fabel zou toen de tiende enkelvoudige vorm zijn geworden. Hoewel het hier om een uitermate vage aanwijzing gaat, wil ik dit vernieuwde ‘systeem’ van Jolles hier toch, zij het zeer kort, voorstellen, omdat het in verschillende buitenlandse publikaties is overgenomen of gekritiseerd. In het voorstel worden de tien enkelvoudige vormen in vijf paren verdeeld die zouden korresponderen met vijf spreekwijzen: vragende wijs, aantonende wijs, gebiedende wijs, wensende wijs en ‘stilte’. Elk paar zou weer in ‘realistische’ en ‘idealistische’ vormen

[p. 333]

verdeeld kunnen worden. Beckers ‘schema’ ziet er, ook in de Franse vertaling en bij Scholes (1974) als volgt uit:

vragende wijs aantonende wijs stilte gebiedende wijs wensende wijs
Realistisch casus sage raadsel spreuk fabel
Idealistisch mythe mémoire mop legende sprookje

Voordat ik aandacht schenk aan de literatuurwetenschappelijke reakties op het voorstel van Jolles om tekstsoorten als afgeleiden van enkelvoudige vormen te beschouwen, wil ik eerst nog iets zeggen over de door Jolles gehanteerde methode, om het debat over zijn voorstel beter te kunnen beoordelen.

3.

Jolles legde al vroeg belangstelling voor esthetische klassifikaties aan de dag. Dat blijkt uit het proefschrift waarop hij in 1905 promoveerde aan de Albert-Ludwigs-Universität te Freiburg-im-Breisgau: Vitruvs Aesthetik. Daarin betoogt Jolles dat men uit Vitruvius' de Architectura meer over de artistieke werkmethode van de Klassieke Oudheid te weten kan komen dan uit de ‘verstümmelten Aristotelischen Poetik’ (Jolles 1905:V). Hij probeert de preciese betekenis van de uitdrukkingen, begrippen en definities in Vitruvius' esthetica op het spoor te komen. Daarbij gaat hij uit van de zes kategorieën die in Vitruvius' esthetische indeling van de architectuur een rol spelen: ordinatio, dispositio, eurythmia, symmetria, decor en distributio (idem:V-VI). Hij vergelijkt deze bij Vitruvius voorkomende begrippen met die welke hij bij onder andere Plato en Aristoteles aantrof (ibid.:VI, 44 e.v., 51 e.v., 79 e.v.). Basis voor een dergelijke onderneming, zo stelt Jolles, vormen de kunstopvattingen van Plato en Aristoteles. Wel zegt hij het moeilijk te vinden Plato's ideeën over kunst tot een samenhangend systeem over kunst te verwerken (ibid.:51-52). Hetzelfde geldt voor de geschriften van Aristoteles (ibid.:79). Ook deze bereiden hem problemen bij de rekonstruktie van de bouw van een kunstwerk.

De kunstopvatting, eigenlijk het hele filosofische stelsel van Plato, zal een rol blijven spelen in Jolles' denken en dat blijkt, zoals we nog zullen zien, door de beschouwers van zijn werk te zijn onderkend. Overigens blijft Jolles ook Aristoteles in zekere zin trouw. In Bezieling en vorm (1923) zegt hij ‘de aristotelische eisch, dat een kunstwerk behalve begin en midden ook een einde moet hebben’, voor zijn rekening te willen nemen (Jolles 1923:178). Ook doet hij daarin een beroep op ‘den ouden Aristoteles’ wat betreft de eis van ‘bevrijding van gevoelens’ bij het lezen (idem:179). Deze eis brengt hem ertoe zich naar aanleiding van Strindbergs stuk Vader af te vragen of het wel levert wat Aristoteles ‘loutering’ noemde (ibid.:272).

Op de vraag binnen welke literatuurbeschouwelijke traditie publikaties als Bezieling en vorm (1923), Het sprookje in de wetenschap (1928) en Einfache Formen (1930) moeten worden gesitueerd, antwoordde Jolles: in geen geval de positivistische of geistesgeschichtliche traditie, waarbinnen zich de literatuurhistorici plegen te bewegen. Volgens hem zijn dergelijke literatuurgeschiedenissen namelijk aaneenrijgingen van biografieën. Of men zich nu beroept op een positivistische methode - de auteur als produkt van ras, tijd en milieu beschouwt -, of op een geistesgeschichtliche methode - de auteur als deel van de geestesgeschiedenis probeert te achterhalen via zijn werk -, steeds staat de auteur cen-

[p. 334]

traal. Als men een geschiedenis van de roman schrijft, gaat het altijd om ‘een aantal boeken van een zekere soort die tusschen Heliodorus en Galsworthy door de heeren A en B en de dames X en Y geschreven zijn’, meent Jolles. Anders gezegd, niet de produkten, maar de producenten staan centraal in literatuurgeschiedenissen, terwijl het Jolles juist om de taalprodukten te doen is (Jolles 1923:X-XII; 1930:4-5)3.

Zijn voorstellen dienen dus niet te worden bezien binnen een positivistische of een geesteshistorische, maar, aldus Jolles, binnen een morfologische traditie. Jolles pleit voor een morfologisch onderzoek, een onderzoek naar de vormen van verschijnselen. In een dergelijk onderzoek gaat het er bij de bestudering van afzonderlijke werken alleen om na te gaan in hoeverre deze tot een bepaalde vorm horen (Jolles 1930:6-7, 74). Voor het idee van een morfologisch onderzoek, dat uitgaat van de vorm van verschijnselen, is Jolles schatplichtig aan Goethe. In zijn voorrede bij Bezieling en vorm haalt hij Goethe aan als hij zich afvraagt waar beschavingsprodukten als taal- en letterkunde vandaan komen: ‘Goethe beschrijft het ergens...“wie aus dem Zusammentreffen von Notwendigkeit und Willkür, von Antrieb und Wollen, von Bewegung und Widerstand ein Drittes hervorgeht, was weder Kunst noch Natur, sondern beides zugleich ist, notwendig und zufällig, absichtlich und blind”. Wij kunnen hier nog aan toevoegen, dat dit “derde” zich in vormen vertoont, die constant zijn en die wij als zoodanig herkennen en onderscheiden kunnen’ (Jolles 1923:IX, XII-XIII). En Jolles citeert Goethe nogmaals met instemming waar deze stelt: ‘Gestaltung’, is, ‘die höchste Operation der Natur und Kunst’ (idem:XIII). Wat betreft deze kombinatie van natuur en kunst zegt Jolles zich ook aan te sluiten bij Shenstone, die dichtkunst zou hebben opgevat als ‘een organisch gewas; wanneer wij tot zijn wortels terugkeeren, doen wij dit niet uit louter wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar om zijn groeikracht opnieuw te verlevendigen (...)’ (Jolles 1928:239).

Voor zijn morfologische onderzoek acht Jolles de taalwetenschap onontbeerlijk (Jolles 1930:9). Hij heeft daar verschillende argumenten voor. Terwijl de literatuurgeschiedenis geïnteresseerd is in het bijzondere - zo worden genres daarin altijd in relatie tot bepaalde tijden en bepaalde personen beschouwd -, gaat het de taalwetenschap om algemene begrippen en zaken (Jolles 1923:X). Bovendien is het Jolles te doen om vormen die zich, zonder toedoen van auteurs, in de taal zelf afspelen, uit de taal voortkomen (Jolles 1928:72; 1930:10). De taal, meent Jolles, is te vergelijken met arbeid. Zoals de arbeid van de boer, de handwerker en de priester gekenmerkt wordt doordat de eerste uit de natuur schept, de tweede de natuur bewerkt en de derde daaraan betekenis geeft, zo geldt dat de taal iets tot stand brengt, omgevormd kan worden en betekenis wordt gegeven (Jolles 1930:11-17).

4.

In de beschouwingen die gewijd zijn aan het werk van Jolles, wordt diens methode op verschillende wijze aangeduid. Men neemt Jolles' eigen omschrijving over en spreekt van een ‘morfologische methode’ of een ‘morfologische poëtica’, waarin het gaat om de ‘Gestalt’, in de betekenis die Goethe aan dit begrip gaf (Striedter 1971:XXIX; Hempfer 1973:80-82). Maren-Grisebach stelt dat ‘morfologie’ letterlijk betekent: ‘Lehre der Gestalt’. Deze leer zou zijn terug te voeren op Goethe's Morphologische Heften (1817-1824), waarin verslag wordt gedaan van een onderzoek naar de organische natuur. Daarbij ging het Goethe om de ‘Eigenheit’ van de ‘Gestalt’, die hij meende waar te nemen

[p. 335]

en hij probeerde, ‘im Ausseren das Innere zu repräsentieren, das Innen ins sinnliche Aussen zu kehren’ (Maren-Grisebach 19753:68). In Metamorphose der Pflanzen verdedigt Goethe dat natuur en kunst een eenheid vormen (idem:69). Zowel dit ‘eenheidspostulaat’, als de opvatting dat ‘Gestalt’ meer is dan louter ‘vorm’, namelijk de eenheid van vorm en inhoud, als ook de eenheid van iets dat de kiem draagt van iets anders, zou in latere studies op morfologische grondslag worden overgenomen (ibid.:70-78). Hempfer meent dat aan het ‘Gestalt’-begrip een essentialistisch-platoonse opvatting ten grondslag ligt en ook Scholes is van mening dat het proces dat Jolles in Einfache Formen volgt, platoons is (Hempfer 1973:82; Scholes 1974:43). Op de instemming van Jolles met het platoonse denksysteem heb ik al eerder gewezen.

Behalve dat men Jolles' methode ‘morfologisch’ noemt, wordt deze ook wel als ‘formalistisch’ en ‘strukturalistisch’ aangeduid. Zo wijst Striedter er in Russischer Formalismus op dat Jolles' methode met het Formalisme in verband is te brengen. Hij zegt dit na eerst Propp's methode met het Formalisme in verband te hebben gebracht. Volgens Striedter voldoet Propp aan de eis van het late Formalisme: ‘Sprachkunst als ein spezifisches System mit spezifischen Strukturen sei auf ein übergreifendes “System der Systeme” und dessen allgemeine Strukturgesetze zu beziehen. Und gerade an diesem Punkt wird die Verbindung der “formalistischen” Methode Propps und ihren Methoden möglich’. Striedter acht dit, zoals gezegd, ook van toepassing op Jolles: ‘Das liesse sich aber auch im Hinsicht auf die “morphologische Methode” von A. Jolles und ihre Auffassung des Märchens als “einfacher Form” nachweisen’ (Striedter 1971:XXIX). Ook meent Striedter een overeenkomst te kunnen signaleren tussen Jolles' idee dat een enkelvoudige vorm als het sprookje zich uit de taal ontwikkelt zonder toedoen van een auteur met die van Sklovskij over de eigen wetten volgens welke talige processen zich zouden ontwikkelen. Striedter noemt deze overeenkomst zelfs ‘erstaunlich’ (idem:LV). Maar bij nader inzien verschilt Jolles' methode op dit zelfde punt ook weer van die van de Formalisten, aldus Sriedter. Zo stelt Jolles dat de taal zelf werkzaam is, terwijl de Formalisten van mening zijn dat er met taal gewerkt wordt. In Jolles' voorstel is taal een ‘wezen’, voor de Formalisten een ‘instrumentarium’ (ibid.:LV-LVI).

Anderen hebben geprobeerd Jolles in te lijven binnen het Strukturalisme. Hempfer spreekt bij Jolles' voorstel van ‘een soort pre-Strukturalisme’ en beargumenteert dit met de opmerking dat de basisideeën van Jolles, te weten het zoeken naar boventijdelijke ‘Gestaltungs’-mogelijkheden van het literaire discours en het zoeken naar een systematische relatie waarin deze ‘Gestaltungs’-mogelijkheden tot elkaar staan, overeenstemmen met die van het latere Strukturalisme (Hempfer 1973:80, 82). Evenals Sriedter, laat Hempfer het niet bij het signaleren van overeenkomsten, hij meent dat er ook een verschil bestaat tussen Jolles' methode en die van het latere Strukturalisme: bij Jolles zijn de enkelvoudige vormen wezensvormen, die onafhankelijk van het kennissubjekt zouden bestaan, terwijl de vormen bij een strukturalist als Piaget van het kennissubjekt afhankelijk zijn (idem:82).

Voor Jolles bestaat er al evenmin twijfel over de vraag of Jolles een voorloper van het Strukturalisme mag heten. Jolles is, aldus Scholes, ‘clearly structuralist - or protostructuralist - in nature’ (Scholes 1974:42).

Therese Poser tenslotte rekent Jolles, op grond van zijn uitspraken over het sprookje, tot de onderzoekers die een ‘geographisch-historische Methode’ voorstaan, dat wil zeggen een methode die ‘die Tradierung, Entwicklung und

[p. 336]

Variantenbildung des einzelnen Märchen verfolgt’ (Poser 1981:256). Tot deze onderzoekers zou ook Vladimir Propp horen met zijn Morphologie du conte (1928) (idem:257). Poser is trouwens niet de enige die Einfache Formen in verband brengt met het werk van Propp. Ook Hempfer legt een dergelijk verband als hij zegt dat Goethe's ‘Gestalt’-opvatting, waarin het heet dat het dieren- en plantenrijk op een oertype teruggevoerd kunnen worden, waaruit via verschillende ‘Abwandlungen’ diverse konkrete vormen tevoorschijn komen, invloed gehad heeft op zowel Jolles als Propp (Hempfer 1973:80-81). Ook door Lüthi werd een dergelijke overeenkomst gesuggereerd in zijn Märchen (1962).

5.

Dat men Jolles' voorstel in verband brengt met dat van Propp houdt op zichzelf al min of meer een positief oordeel in, als men bedenkt welk een reputatie Morphologie du Conte in de literatuurwetenschap geniet, waar men heeft geprobeerd op basis van het werk van Propp met behulp van de strukturele linguistiek (Greimas, Todorov) en met behulp van logica (Bremond, Van Dijk) verhaalstrukturen te karakteriseren. Een voorstel als dat van Propp heet aantrekkelijk omdat het de mogelijkheid zou bieden op systematische wijze de struktuur van een corpus teksten te beschrijven met behulp van bepaalde regels. Op basis van een dergelijk voorstel, menen sommigen, zou men zelfs een narratieve grammatica kunnen ontwikkelen.4 Maar misschien is men van mening dat het positieve oordeel over het voorstel van Jolles hier te impliciet blijft. Ik zal daarom nagaan welke expliciet positieve reakties Einfache Formen heeft opgeleverd, welke negatieve reakties erop zijn gekomen, op welke gronden deze oordelen worden geveld en of deze gronden aanvaardbaar zijn.

Voor Striedter geldt dat Jolles' voorstel ‘besondere Beachtung’ verdient, omdat daarin de enkelvoudige vormen als specifieke taalvormen worden opgevat (Striedter 1971:LV). Ducrot en Todorov menen dat Jolles een passend antwoord vond op de triade ‘lyrisch, episch, dramatisch’, waarmee de verschillende niveau's waarop bijvoorbeeld fabel, essay en legende zich zouden bewegen, niet verantwoord kan worden. Met het ‘pluridimensionale principe’ van Jolles zou dit wel kunnen (Ducrot/Todorov 1972:200-201). Hempfer wijst op het systematische karakter dat Jolles' voorstel zou kenmerken. Hij prijst hem omdat hij erin geslaagd zou zijn bij de karakterisering van de afzonderlijke enkelvoudige vormen aan te tonen hoe bepaalde ‘Sprachgebärden’ afhangen van een eenheid, een systeem. Verder wijst hij er nog op dat Jolles al vroeg inzag dat een historische vorm als de legende een ‘transformatie’ is van de enkelvoudige vorm ‘legende’ (Hempfer 1973:143-166). Scholes, die het voorstel van Jolles in één adem bespreekt met dat van Souriau, noemt beide voorstellen interessant omdat zij, ‘have proved stimulating to later writers and have remained very interesting in themselves, both for their insights into literary structures and for the light they shed on the opportunities and difficulties involved in approaching literature systematically’ (Scholes 1974:42). Hij vindt het voorstel van Jolles fascinerend en de negen enkelvoudige vormen die Jolles onderscheidt, heten ‘learned, humane, and full of insights’ (idem:42, 48). ‘His illustrations (...) are shrewdly chosen and effectively illustrative of the forms he considers’ (ibid:48). En: ‘Every form he treats is illuminated by his treatment’ (ibid.:48). Poser tenslotte laat zich positief over Jolles uit door op te merken dat deze terecht ‘die Märchenforschung von der Stoff- und Motivsuche weg auf das Wesen des Märchen gelenkt [hat]’ (Poser 1981:256).

Van strukturalistische, maar ook van tekstlinguistische zijde heeft men in be-

[p. 337]

paalde opzichten positief gereageerd op het voorstel van Jolles. Zo meende Hempfer dat Jolles moet worden nagegeven dat hij al vroeg heeft ingezien dat het bij literaire genres om ‘transformaties’ van linguistische vormen gaat. Eenzelfde positief geluid vernemen we van Egon Werlich in Typologie der Texte. Entwurf eines textlinguistischen Modells zur Grundlegung einer Textgrammatik. Als Werlich de term ‘Textformen’ introduceert - deze term staat voor aktualiseringen van groepen tekstkonstituenten die sprekers gebruiken en die enerzijds zouden moeten korreleren met teksttypische konstanten, anderzijds met bepaalde historisch gevormde, variabele genrekonventies -, valt de naam van Jolles (Werlich 1975:44). Bij Jolles zou namelijk in Einfache Formen achter het begrip ‘Form’ Werlich's begrip ‘Textform’ schuilgaan (idem:117).

Evenals Hempfer suggereert Werlich een uitermate globale overeenkomst die er zou bestaan tussen zijn eigen typologische voorstel en dat van Jolles. Wat de winst daarvan is, blijft onduidelijk. Verder zal blijken dat één van de zwaarwegende bezwaren tegen het ‘pre-strukturalistische’ voorstel van Jolles zich richt tegen het ontbreken van afleidingsregels, van regels op grond waarvan een ‘Geistesbeschäftigung’, ‘Sprachgebärden’, ‘Einfache Formen’, ‘Vergegenwärtigungen’ en ‘Kunstformen’ van elkaar zouden zijn af te leiden. Men mag verwachten dat literatuurbeschouwers in het eigen op Jolles' voorstel geënte ‘srukturalistische’ - of ‘tekstlinguistische’ concept dit soort regels wel geven. Dat is echter niet het geval. Zowel voor het teksttypologische voorstel van Werlich, waarin het heet dat teksttypen kunnen worden afgeleid uit een beperkt aantal syntaktische grondstrukturen, welke mogelijk hun oorsprong vinden in het menselijk denken of in het gedrag van sprekers, die zouden kunnen kiezen uit ‘idealtypische Normen’ (ibid.:39), als voor het pragmalinguistische voorstel van Hempfer (1977:1-26), waarin deze zegt drie typen spreeksituaties met behulp van transformatieregels te kunnen afleiden uit grondstrukturen, geldt dat er een regelapparaat met een ad hoc-karakter wordt gebruikt en dieptestrukturen als postulaat worden gehanteerd. Er mogen door Werlich dan wel analogieën worden getrokken wat betreft het ontstaan van ‘Textformen’ tussen het eigen voorstel en dat van Jolles, die op zijn beurt van een analogie tussen de autonome ontwikkeling van natuurvormen en taalvormen uitging, juist op die punten waar Jolles in gebreke bleef, namelijk het funderen van de analogie en het geven van afleidingsregels, blijkt Werlich zelf tekort te schieten. Een analogieredenering met het voorstel van Jolles zou alleen dan zin hebben, als het de literatuurbeschouwer op het spoor zette van een genretheorie, waarin men in staat is regels te geven en ontkomt aan wezensdefinities. In mijn voorbeeld is echter sprake van methodologische comptabiliteit tussen het voorstel van Jolles enerzijds en dat van Hempfer en Werlich anderzijds. In beide gevallen blijkt de methodologie ondeugdelijk. Het begrip ‘voorloper’ ten aanzien van Jolles heeft in dat verband weinig inhoud. Men meent zijn opvattingen te moeten legitimeren door ze in verband te brengen met die van Jolles, maar tot hardere resultaten heeft dit allerminst geleid.

6.

Tegenover de positieve reakties op Jolles' voorstel, waarin hij wordt gewaardeerd vanwege zijn beroep op de linguistiek, zijn streven naar systematiciteit, het zoeken naar het wezen van verschijnselen, zijn voorloperschap inzake het Strukturalisme, zijn transformatie-idee, de goede voorbeelden die hij geeft, de stimulerende werking die er van zijn voorstel uitgaat en de duidelijkheid waarmee hij zijn voorstel presenteert, staan een reeks negatieve. Deze hebben,

[p. 338]

althans voor een deel, betrekking op dezelfde punten.

Jolles mag dan verwijzen naar taalvormen, als hij het over enkelvoudige vormen heeft, hij blijft daarbij steken in verouderde ‘taalmetafysica’, menen sommigen (Striedter 1971:LVI; Hempfer 1973:166). Daarbij wensen zij de gedachte te bestrijden als zou het bij de taal om een ‘wezen’ gaan (Striedtler 1971:LVI; Hempfer 1973:82).

Bezwaren heeft men ook tegen het ‘systeem’ van Jolles. Zo wijst Scholes erop dat Jolles suggereert dat er zoiets als een grammatica of logica van enkelvoudige vormen bestaat, die het systematische karakter van de enkelvoudige vormen verantwoordt, maar dat Jolles deze grammatica of logica niet geeft (Scholes 1974:43). Scholes vindt het voorstel van Jolles weliswaar gewaagd en fascinerend, maar het faalt volgens hem, ‘as a closed system of simple forms’, ‘because it is neither closed nor systematic’ (idem:48). Hij zegt verder elke verantwoording te missen bij de bewering dat het om precies negen enkelvoudige vormen zou gaan, alsook dat het om juist deze negen vormen zou gaan (ibid.:43, 48). Eenzelfde kritiek treffen we aan bij Genette, die spreekt van ‘een naïeve opsomming’ van negen enkelvoudige vormen. Genette vraagt zich af waarom er eigenlijk van negen enkelvoudige vormen moet worden gesproken: ‘Omdat drie maal drie negen is? Omdat hij er één is vergeten?’ (Genette 1981:95). Ook volgens hem had Jolles dit aantal moeten rechtvaardigen.

Nu heeft men na de dood van Jolles, zoals ik heb laten zien, er wel naar gestreefd diens voorstel te kompleteren door een tiende enkelvoudige vorm toe te voegen en het geheel van enkelvoudige vormen in te delen op basis van een aantal spreekvormen en het oppositiepaar ‘realistisch versus idealistisch’, maar ook hiertegen heeft iemand als Scholes bezwaar. Het nieuwe voorstel bevat een paradox: terwijl Jolles de mémoire uit een realistische ‘Geistesbeschäftigung’ liet voortkomen, wordt deze nu in de kategorie ‘idealisme’ ondergebracht. Bovendien, meent Scholes, of men nu van negen of van tien vormen spreekt, men heeft nog altijd geen systematische relatie tussen de verschillende kategorieën aangebracht (Scholes 1974:49).

7.

De reakties op Jolles' voorstel laten zien dat men ten aanzien van bepaalde zaken een tegenovergesteld standpunt inneemt. Het blijkt niet goed mogelijk dit debat te beslechten. Dat is bijvoorbeeld het geval als het erom gaat Jolles' voorstel met dat van anderen te vergelijken en te klassificeren. Lüthi (1962), Hempfer (1973:80 e.v.) en Poser (1981:257) menen dat Jolles' concept overeeenstemt met dat van Propp. Scholes (1974) daarentegen deelt Jolles in bij Souriau en koppelt Propp aan Lévi-Strauss. Van klassificeren in de zin van beschrijven, is hier geen sprake. Nog altijd geldt wat Striedter (1971:XXIX-XXX) over de vooronderstelde relatie tussen de methode van Propp en die van Jolles opmerkte: een systematische vergelijking ontbreekt.

Terwijl sommigen zeggen ingenomen te zijn met de systematiciteit van Jolles' voorstel, met zijn wezensonderzoek van enkelvoudige vormen en zijn ‘afleidingen’ van deze vormen uit talige verschijnselen, menen anderen dat het om taalmetafysica, verouderd ontologisch onderzoek en een twijfelachtige vorm van systematiciteit gaat. Tegen beide standpunten kan men bezwaren aanvoeren. Ik kom daar nog op terug.

Voor zover er sprake is van een positief oordeel, is dit gebaseerd op methodologische overeenstemming die er zou bestaan tussen het voorstel van Jolles en de genreopvatting die de literatuurbeschouwer in kwestie zelf is toegedaan. De lin-

[p. 339]

guistisch georiënteerde Ducrot/Todorov en Hempfer, die zijn positie als ‘konstruktivistisch-synthetisch’ omschrijft en een beroep doet op de denkbeelden van Piaget, die van Searle over spreeksituaties en op Chomsky's taaltheorie, blijken positief te reageren omdat Jolles' voorstel ruimte bood aan een korrelatie tussen enkelvoudige spreekvormen en spreekwijzen en omdat de relatie tussen enkelvoudige vormen en hun realisaties door ‘transformaties’ zou kunnen worden ‘verklaard’. Zij die zelf veel zien in het Formalisme of het Strukturalisme, zoals Striedter en Scholes, accentueren het pre- of protostrukturalistische van Jolles' voorstel om aan te geven dat hij de moeite van het bestuderen waard is.

Van de kritieken op Jolles' voorstel kan men zeggen dat zij hier en daar wel juiste opmerkingen bevatten, maar dat de bezwaren een ad hoc-karakter hebben. Voor zover men kritiek heeft op het voorstel van Jolles komt deze voort uit een genreopvatting die wil konkurreren met die van Jolles. Ik wil proberen op systematisch-methodologische wijze kritiek te leveren op het voorstel van Jolles en na te gaan of er nog vanuit een ander kader bezwaren tegen zijn voorstel zijn aan te voeren.

8.

Bezwaren van methodologische aard worden nogal eens gepareerd met de woorden dat deze niet van toepassing zijn omdat de literatuurbeschouwer een wetenschapsopvatting huldigt, die zich aan dit soort bezwaren onttrekt. Nu hoort Jolles tot die beoefenaren van de wetenschap die zich niet aan eisen van methodologische aard willen onttrekken, in tegendeel, hij stelt eisen aan wetenschappelijk onderzoek die als minimumvoorwaarden daarvan zijn te beschouwen. Zo meent hij dat wetenschappelijke uitspraken in een systematisch verband met elkaar moeten staan en dat de gebruikte termen niet ‘vaag en onnauwkeurig’ mogen zijn (Jolles 1928:249-250; 1930:171-172). Ook moeten wetenschappelijke uitspraken gefundeerd zijn, meent hij. Het zou bij enkelvoudige vormen dan ook om herkenbare en waarneembare zaken gaan (Jolles 1930:80, 262). In hoeverre voldoet Jolles nu aan de door hem gestelde eisen?

Ten aanzien van de eis van systematiciteit van wetenschappelijke uitspraken zijn behartenswaardige dingen gezegd door Scholes en Genette. Jolles heeft noch verantwoording afgelegd voor het aantal, noch voor het soort enkelvoudige vormen, dat hij meende te kunnen onderkennen. Ook ontbreken in wat hij een ‘systeem’ met ‘afleidingen’ noemde (Jolles 1930:83) regels, op grond waarvan een ‘Geistesbeschäftigung’, ‘Sprachgebärden’, ‘Einfache Formen’, ‘Vergegenwärtigungen’ en ‘Kunstformen’ van elkaar zouden zijn af te leiden. Behalve dat deze regels ontbreken, blijft ook onduidelijk wat van wat heet te zijn ‘afgeleid’. Op de vraag hoe hij aan een enkelvoudige vorm als de ‘Memorabile’ is gekomen, merkt Jolles op: ‘Auch diese möchte ich unmittelbar aus dem, was wir täglich beobachten, ableiten’ (Jolles 1930:200). Met andere woorden Jolles is induktief te werk gegaan. Dat wordt nog eens bevestigd als hij zegt dat hij via de ‘Vergegenwärtigende Form’ en via de ‘Einfache Form’ tot de ‘Geistesbeschäftigung’ is doorgedrongen (idem:264). Hiermee in strijd is echter Jolles' bewering dat enkelvoudige vormen uit een bepaalde ‘Geistesbeschäftigung’ zouden zijn ‘af te leiden’ (ibid.:262). Zo komt Jolles in een cirkelredenering terecht.

Ook aan de eis dat de gebruikte termen nauwkeurig en helder moeten zijn, voldoet Jolles niet altijd. Zo bleek hij de enkelvoudige vorm ‘Witz’ nu eens als ‘kwinkslag’, dan weer als ‘grap’ aan te duiden, waarbij de aanduidingen van

[p. 340]

enkelvoudige vorm en de realisatie daarvan nagenoeg samenvallen. Dat geldt ook voor andere benamingen van enkelvoudige vormen en hun realisaties, al moet worden erkend dat Jolles ze soms wel uit elkaar houdt door uiteenlopende naamgevingen. Vaag en zonder enig fundament zijn de metaforische analogieredeneringen tussen taal en natuur, alsook de etymologische ‘verklaringen’ die gedane beweringen moeten steunen, zoals in het geval dat taal en arbeid met elkaar worden vergeleken en het heet dat de priester door betekenisgeving arbeid tot ‘heil’, dat wil zeggen ‘geheel, heel, heilig’ maakt (ibid.:14). Overigens moet Jolles worden nagegeven, dat hij soms wel heeft ingezien dat zijn begrippenapparaat meer dan vaag was, zoals in het geval van de ‘Sprachgebärden’, waarvan hij zegt dat zij verder moeten worden onderzocht (ibid.:265-267). Hij heeft alleen verzuimd aan te geven hoe dat onderzoek er zou moeten uitzien. Hoe weet men nu dat men met een enkelvoudige vorm heeft te maken? Een kwestie van herkenning, meent Jolles. Aan de ‘Gegenwärtige Form einer Sage’ zou men de ‘Einfache Form’ als zodanig herkennen (ibid.:80). Zelf zegt Jolles de enkelvoudige vormen op verschillende niveau's, zowel van het zijn, als van het bewustzijn, te hebben ‘waargenomen’ (ibid.:262). Criteria op grond waarvan een dergelijke waarneming en herkenning van enkelvoudige vormen zou kunnen plaatsvinden, worden door hem echter niet gegeven, zodat nooit kan worden uitgesloten dat dit een zuiver subjektieve en spekulatieve aangelegenheid blijft.

Voor zijn onderzoek gaat Jolles van het postulaat uit dat de enkelvoudige vormen een gesloten en volledig systeem vormen. In zijn morfologische methode worden natuur en kultuur als een onverbrekelijke eenheid voorgesteld en de induktieve en deduktieve methode die tegelijkertijd worden geclaimd, leiden tot een cirkel. Elke vorm van toetsing is hierbij uitgesloten. Het ‘systeem’ zelf staat niet ter diskussie, het kan hoogstens naar believen worden uitgebreid. Wat ook is gebeurd. Over deze uitbreiding is door Scholes al opgemerkt dat zij niet voor meer systematiciteit heeft gezorgd en paradoxen toestaat. Daar kan nog aan worden toegevoegd dat het onduidelijk is op welke gronden men de vormen in de kategorieën ‘realisme’ en ‘idealisme’ zou moeten onderbrengen, terwijl verder moeilijk valt in te zien hoe ‘stilte’ als één van de ‘spreekwijzen’ kan worden opgevat.

Ook het postulaat dat de te analyseren verschijnselen een wezen hebben dat de onderzoeker dient vast te leggen, is problematisch. Jolles zegt ‘das Wesen der Sage’ te willen bepalen, alsook het ‘Wesen’ van de mythe, de ‘aard’ van de spreuk, hij is op zoek naar het wezen van enkelvoudige vormen en naar wezensverschillen daartussen (ibid.:66, 95, 135, 163, 171). Het geven van wezensdefinities hoort echter tot een verouderde vorm van wetenschap. Het immuniseert namelijk tegen elke vorm van kritiek en gaat ten onrechte van de vooronderstelling uit dat verschijnselen zoiets als een wezen zouden bevatten dat achterhaalbaar is.

Minstens zo problematisch als wat Jolles over enkelvoudige vormen opmerkt, is wat hij over kunst- of literaire vormen te berde brengt. Of en hoe literaire vormen systematisch zijn te verbinden met enkelvoudige vormen, mag de literatuurbeschouwer zelf uitmaken. Voor Jolles staat zonder meer vast dat het bij kunstvormen om unieke werken gaat, waarop de persoonlijkheid van de auteur zijn stempel heeft gezet. Daarbij meent hij over criteria te beschikken om te bepalen wanneer iets ‘uniek’ is en wanneer iets ‘variabel’ mag heten. Uit niets blijkt dat hij inderdaad over dergelijke criteria beschikt. En als hij beweert dat

[p. 341]

het bij het sprookje om een enkelvoudige vorm gaat, omdat het navertellen ervan steeds op identieke wijze geschiedt, is dit een bewering die moeiteloos is te weerleggen.

Wie een literatuurtheorie wil ontwikkelen en zich daarbij meent te moeten beroepen op het voorstel van Jolles, zal zich ervan bewust moeten zijn dat hij of zij zich beroept op een voorstel dat, naar ik hoop te hebben aangetoond, in methodologisch opzicht ondeugdelijk is.

9.

In poëtica's van vooral avantgardistische auteurs wordt nogal eens gesuggereerd, dat er een relatie zou bestaan tussen genreopvattingen van auteurs en het wereldbeeld dat deze erop nahouden (zie: Beekman 1981 en 1982). In literairwetenschappelijke verhandelingen heeft een soortgelijk idee postgevat, namelijk dat er een verband zou bestaan tussen bepaalde literairwetenschappelijke benaderingswijzen en politieke ideologieën. Hier wil ik nagaan hoe een dergelijk verband wordt gelegd en welke konsekwenties dat heeft voor Einfache Formen van André Jolles.

Zowel Jolles zelf als verschillende beschouwers van zijn werk bleken de door Jolles in Einfache Formen gebruikte methode als ‘morfologisch’ te kenmerken. In Methoden der Literaturwissenschaft (19753) wijdt Manon Maren-Grisebach een afzonderlijk hoofdstuk aan deze methode en presenteert haar als één van de bestaande benaderingsvormen binnen de literatuurwetenschap, die wordt gekenmerkt door de afkeer van historische benaderingswijzen (Maren-Grisebach 19753:79). Wat dat betreft, lijkt de term ‘geographisch-historische Methode’ die Poser aan Jolles' methode hechtte, zacht gezegd, ongelukkig gekozen (Poser 1981:256).

Zoals eerder opgemerkt, verwijst Maren-Grisebach voor de oorsprong van het begrip ‘morfologie’ als ‘Lehre der Gestalt’ naar Goethe. De eerste die Goethe's opvattingen voor de literatuurwetenschap wilde gebruiken, zou Günther Müller zijn geweest en wel in 1942. Hoewel Maren-Grisebach wel Müller en Horst Oppel noemt, ontbreekt in haar reeks voorbeelden van studies waarin men van de morfologie uitgaat de naam van Jolles, die zich toch al in 1930 op de morfologie heeft beroepen. Wel zegt Maren-Grisebach dat zeer in het algemeen na 1920 en na 1940 een opleving van de morfologische methode is vast te stellen. Uitgerekend in 1942 en 1944 komt Müller met zijn morfologisch-literairwetenschappelijke beschouwingen. Maren-Grisebach accentueert deze jaartallen en voegt daaraan toe: ‘1942, also zu einem Zeitpunkt, an dem die Aufnahme derartiger Gedanken in vielem durch die politisch-ideologischen Zusammenhänge nur allzu vermittelt erscheint (...)’ (idem:69-70). In haar bespreking van de relatie tussen ‘Gestalt’ en ‘Form’, komt ze op deze politieke kwestie terug: ‘Die Differenzierung Gestalt-Form ist belastet durch ihre Entstehungszeit, denn sie weist auf die national-sozialistische Phase, in der die herrschende Ideologie das Formale, das Kunst als formalistische entwertete, das Asthetische als nutzlos Asthetizistisches verbannte. Scheinbar also handelten die Morphologen im Ungeist dieser nationalsozialistischen Weltanschauung: Form ist blutleer, Gestalt aber offenbart die irrationalen Kräfte des Blutes, des Volkes’ (ibid.:71). Zij die zich van een morfologische methode bedienden, onder wie Jolles, speelden de nationaal-socialisten in de kaart. Wie Jolles' levensbeschouwing en levenswandel kent, zal misschien helemaal overtuigd raken van het hier gesuggereerde verband tussen een bepaald literatuurwetenschappelijk concept en een bepaalde ideologie.

[p. 342]

Afgaande op Thys' beweringen, stond Jolles wat betreft zijn wereldbeschouwing aanvankelijk tussen het socialisme en de mystiek. Jolles zou wel iets hebben gezien in het katholicisme, maar blijkbaar ook in het socialisme. Dat moet blijken uit de aanhef in brieven van Coenen aan Jolles: ‘Den WelEd. geboren Heere André Jolles, Socialist te Florence’ (Thys 1955:159). Het is overigens niet uitgesloten dat we hier met een staaltje van ironie te maken hebben. Hoe dan ook, in 1899 ging Jolles naar Italië en van daaruit naar Duitsland, ‘studeerde er en bekleedde er verscheidene wetenschappelijke betrekkingen, liet zich tot Duitser naturaliseren, nam dienst in het Duitse leger, aanvaardde in 1916 een hoogleraarschap aan de vervlaamste Universiteit te Gent en in 1919 aan de Universiteit te Leipzig alwaar hij tot zijn dood (in 1946) verbleef (...)’ (idem:60). Aan de Universiteit van Gent liep Jolles tussen 1916 en 1918 rond in Duits officiersuniform (Thys 1954:128). En in het begin van de jaren dertig komt hij in het vaarwater van de nationaal-socialisten terecht. In die tijd, om precies te zijn op 22 juni 1931, schrijft hij aan Huizinga: ‘Ik ben tegenwoordig zeer in trek bij de “Hakenkreutzler” daar ik bij een college over “Begriff, literarischer Inhalt und Psychoanalyse” de laatste restjes van Freud in de prullemand gooi’ (idem:207).

Het zal niemand moeite kosten de politieke stellingname van Jolles op ethische gronden te veroordelen. Voor de literatuurwetenschap zijn daarmee echter bepaald niet alle problemen opgelost. Het blijkt op dit moment nog niet goed mogelijk een systematisch verband aan te brengen tussen de levensovertuiging van een literatuurbeschouwer en het door hem of haar gehanteerde literatuurconcept. Uit het door Maren-Grisebach gelegde verband tussen het nationaal-socialisme en de morfologische methode blijkt eveneens dat het nog niet goed mogelijk is een bepaalde literatuurwetenschappelijke methode op systematische wijze in verband te brengen met een bepaalde ideologie. Haar associatieve opmerkingen bij de termen ‘Gestalt’ en ‘Form’ kunnen moeilijk als zodanig dienen. Beide aangebrachte verbanden berusten op spekulatieve gronden. Wat dat betreft, is de literatuurwetenschap nog niet in staat gebleken het literatuurwetenschappelijke bedrijf aan een sociologische analyse te onderwerpen.

[p. 343]

Bibliografie

Beekman, K. 1981. Genreopvattingen van avantgardistische auteurs, in Spektator 10, nr. 6, p. 496-502.
Beekman, K. 1982. Vooronderstellingen bij het klassificeren van literatuur, in Handelingen van het 37e Nederlandse filologencongres.
Ducrot, O./Todorov, T. 1972. Dictionnaire encyclopédique des sciences du langage, Paris, Seuil.
Genette, G. 1981. Theorieën van literaire genres: inleiding in de architekst, in: M. Bal (red.), Literaire genres en hun gebruik, Muiderberg, Coutinho, p. 61-120.
[p. 344]
Hempfer, K. 1973. Gattungstheorie. Information und Synthese, München, Fink.
Hempfer, K. 1977. Zur pragmatischen Fundierung der Texttypologie, in: Walter Hinck (Hrsg.), Textsortenlehre - Gattungsgeschichte, Heidelberg, Quelle & Meyer, p. 1-26.
Jolles, A. 1905. Vitruvs Aesthetik, Freiburg i.B., Wagner.
Jolles, A. 1923. Bezieling en vorm. Essays over letterkunde, Haarlem, Tjeenk Willink.
Jolles, A. 1928. Het sprookje in de wetenschap, in: De Gids 92, dl. III, p. 235-250, dl. IV, p. 68-87.
Jolles, A. 1930. Einfache Formen. Legende, Sage, Mythe, Rätsel, Spruch, Kasus, Memorabile, Märchen, Witz, Halle, Niemeyer.
Lüthi, M. 1962. Märchen, Stuttgart, Metzler.
Maren-Grisebach, M. 19753. Methoden der Literaturwissenschaft, München, Fink.
Poser, T. 1981. Das Märchen, in: O. Knörrich (Hrsg.), Formen der Literatur in Einzeldarstellungen, Stuttgart, Kröner, p. 251-259.
Prick, H. 1964. Lodewijk van Deyssel en André Jolles, in: Lodewijk van Deyssel. Dertien close-ups, Amsterdam, Polak & Van Gennep, p. 103-121.
Propp, V. 1970. Morphologie du conte, Paris, Seuil.
Scholes, R. 1974. Structuralism in Literature. An Introduction, New Haven enz., Yale U.P..
Striedter, J. (Hrsg.) 1971. Russischer Formalismus. Texte zur allgemeinen Literaturtheorie und zur Theorie der Prosa, München, Fink.
Thys, W. 1954. Uit het leven en werk van André Jolles (1874-1946), in: De nieuwe taalgids 47, p. 129-137; 199-208.
Thys, W. 1955. De Kroniek van P.L. Tak. Brandpunt van Nederlandse cultuur in de jaren negentig van de vorige eeuw, Gent.
Verdaasdonk, H./Beekman, K. 1975. Vormen van literatuurwetenschap. V Taalkunde en literatuurbeschouwing, in: De Revisor 2, nr. 3, p. 56-62.
Werlich, E. 1975. Typologie der Texte. Entwurf eines textlinguistischen Modells zur Grundlegung einer Textgrammatik, Heidelberg, Quelle & Meyer.