[p. 345]

De hoofse wereld in de Beatrijs
R.M.T. Zemel

Eén van de meest opvallende aspecten van de Mnl. Beatrijs is de hoofs-literaire signatuur, die kenmerkend is voor het eerste gedeelte daarvan. In enkele studies werd dit reeds aangeduid1, voordat in 1963 de grensverleggende editie van F. Lulofs verscheen, waarin brede aandacht aan dit aspect besteed wordt2. In het volgende wil ik vanuit een enigszins andere benaderingswijze en optiek hier nader op ingaan. Ik hoop daarmee aan te tonen, dat het bij deze signatuur om wezenlijk iets anders gaat dan een hoofse amplificatie van verhaalelementen in ornamentele zin3 en tegelijk dat daarin voor een belangrijk deel het bijzondere karakter van de Mnl. versie van de zgn. ‘légende de la sacristine’ gelegen is.

Een belangrijke basis voor een dergelijk onderzoek is gelegd in de aan deze stof gewijde studie van R. Guiette, waaruit blijkt dat het Mnl. dichtwerk een aantal opmerkelijke ‘plot’-elementen bevat, die in andere versies niet voorkomen en daarom tot nader order aan de inventie van de Mnl. dichter toegeschreven mogen worden4. Uit deze studie kan men tevens enkele Ofr. versies van het verhaal destilleren, die in tegenstelling tot bij voorbeeld ‘De Beatrice custode’ uit de Dialogus miraculorum van Caesarius van Heisterbach in meer of mindere mate, o.a. door het gebruik van de versvorm en de wijze van uitwerken, een literaire dimensie vertonen. Aangezien dit duidelijk voor de Beatrijs geldt, ligt het voor de hand om bij een onderzoek, dat tot doel heeft het bijzondere karakter daarvan aan te tonen, vooral dergelijke versies als vergelijkingsobject aan te voeren.

1.

Om te beginnen vestig ik de aandacht op de eerste fase van de liefde tussen de hoofdpersonen, waartoe ik een drietal passages citeer. Allereerst de vss. 26-29, die handelen over de functie van de non en de tijdsduur van de uitoefening daarvan:

 
Ic wille u segghen van wat ambochte
 
Si plach te wesen langhen tijt
 
Int cloester daer si droech abijt:
 
Costersse was si daer5

Hierna de vss. 92-94, waarin de verteller over de gelieven meedeelt:

 
Sint dat si out waren .xij. iaer
 
Dwanc die minne dese twee,
 
Dat si dogheden menech wee

Vervolgens de vss. 120-124, die een gedeelte bevatten van de woorden van de jongeling tijdens het gesprek in het klooster:

 
Ghi wet wel lieve vriendinne,
 
Dat wi langhe hebben ghedragen
 
Minne al onsen daghen;
 
Wi en hadden nye soe vele rusten,
 
Dat wi ons eens ondercusten
[p. 346]

Een verbinding van deze passages leidt retrospectief tot de volgende voorstelling van zaken: Reeds op een jeugdige leeftijd verkeerde het tweetal in de ban van de liefde, die tot hun grote ‘dolor’ belemmerd werd door de intrede van Beatrijs in het klooster, maar ondanks een langdurige scheiding onaangetast bleef.

Het gegeven van een door externe omstandigheden verstoorde jeugdliefde wordt in een aantal teksten uit de hoofse epiek van de tweede helft van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw behandeld, zoals Piramus et Tisbé, Floire et Blancheflor, Aucassin et Nicolette, Galeran de Bretagne en L 'Escoufle van Jean Renart.

Hiervan kan vooral de Piramus et Tisbé als ‘model’ met de Beatrijs verbonden worden6. In het begin van deze Ovidiusadaptatie wordt beschreven, hoe de hoofdpersonen reeds voor hun zevende jaar genegenheid voor elkaar opvatten. Tot aan hun tiende kunnen zij van hun omgang met elkaar genieten, dan maakt Tisbé's moeder daaraan een eind, hetgeen nog gevolgd wordt door een conflict tussen de vaders van de kinderen. Doch ondanks deze volledige scheiding, die een aantal jaren duurt, neemt hun liefde in kracht toe, zodat zij het diepste lijden ondergaan: ‘Toute lor vie est en dolour’7.

Dit jeugdliefde-gegeven verleent in de Beatrijs aan de liefde van het tweetal een voorgeschiedenis en daarmee een bijzondere authenticiteit. Hierin onderscheidt de Mnl. tekst zich van nagenoeg alle andere versies van de ‘légende’8. Ter vergelijking wijs ik op de Ofr. Vie des Pères-versie9. Daarin is chronologisch eerst sprake van een devotie van de kosteres, die gericht is op God, Zijn Heiligen en vooral Maria, die zij ‘...d'enfance avoit amee’ (vs. 111). Zelfs vermag zij in een volgende fase op miraculeuze wijze zieken te genezen. ‘Lonc tans se tint en son bien fet’ (vs. 119), maar dan bewerkt op een gegeven moment de duivel een ommekeer door middel van een man, die haar het klooster uitvoert.

Een meer verfijnde voorstelling inzake de liefde treffen we aan in een qua ‘plot’ vergelijkbaar verhaal, dat omstreeks 1220 vervaardigd werd door de belangrijkste Ofr. dichter van ‘miracles’, Gautier de Coinci10. Daarin worden we geconfronteerd met een non, die evenals Beatrijs buitengewoon schoon en van adellijke afkomst is. Om zich geheel aan God te kunnen wijden was zij in het klooster gegaan, waarin zij evenzo haar liefdedienst richt op de H. Maagd. Haar abdis, een ‘haute fame’ (vs. 31), volgt de gewoonte om haar verwanten, ‘chevalier, dames, escuier’ (vs. 37), een verblijf in het klooster toe te staan. Eén van hen is een neef van de abdis, die door de werking van de duivel in liefde voor de non ontvlamt, waarna hij haar zo lang het hof maakt, dat zij aan zijn verlangen gehoor geeft. Dan stelt hij een tijdstip voor, waarop hij haar overeenkomstig haar voorwaarde als bruid naar zijn land zal voeren:

 
Une nuit terme li a mis
 
Qu'il l'en menra com vrais amis
 
En son païs mout richement.
 
La l'espousera hautement,
 
Si sera s'amie et sa fame11

Deze gegevens mogen illustreren, hoe Gautiers verhaal in een hoofse geest gestileerd is. Niettemin gaat het in beide Ofr. teksten om een qua chronologie en situatie zelfde voorstelling. In deze en ook in andere versies van de ‘légende’ verleent de volgorde van de verhaalfeiten namelijk de ‘eerste rechten’ aan de op God en de H. Maagd gerichte devotie, waarbij de pas in een veel later stadi-

[p. 347]

um en in een onoirbare situatie ontstane aardse liefde primair als een zondige intrusie verschijnt. In de Beatrijs leidt het op een hoofs-literair model terug te voeren jeugdliefde-gegeven tot een fundamenteel andere voorstelling: Wanneer de protagoniste uiteindelijk besluit om het klooster te verlaten, geeft zij zich niet over aan een plotselinge passie of aan de hofmakerij van een in het klooster voor het eerst in haar leven verschijnende jongeman, maar geeft zij na een langdurige tweestrijd (vss. 210-214, 228-230) toe aan een ‘oorspronkelijke’ beleving, waardoor zij en haar geliefde jarenlang beheerst zijn12.

2.

Vervolgens richt ik de aandacht op een aantal ‘plot’-elementen uit het gedeelte dat de vss. 74-190 omvat. Daarin lezen we, hoe Beatrijs, nadat zij tot het inzicht is gekomen niet langer aan haar liefde weerstand te kunnen bieden, via een bode een gesprek met de jongeling in het klooster arrangeert. Deze geeft hierin uiting aan zijn onbehagen over hun scheiding en getuigt van de standvastigheid van zijn liefde, waarna zij als reactie op een door hem geuite wens voorstelt, dat hij haar over acht dagen 's nachts in de kloostertuin zal opwachten om haar als bruid weg te voeren. De tussenliggende periode gebruikt hij om voorbereidingen voor de onderneming te treffen, waaronder het aanschaffen van kleding en het meevoeren van geld. Hiermee begeeft hij zich naar de afgesproken plaats.

Voor de beschrijving van dit geheel zijn geen parallellen in de andere, bekende versies van de ‘légende’ aan te wijzen13. Wel is het mogelijk om een tekst uit de profane literatuur als model aan te voeren, nl. de L 'Escoufle van Jean Renart, welke evenzo het gegeven bevat van een door externe omstandigheden verstoorde jeugdliefde.

In het eerste gedeelte van deze roman wordt beschreven, hoe Guillaume, de zoon van een Normandische graaf, die zich op een bijzondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor de keizer van Rome, en diens dochter Aélis van jongsaf onafscheidelijk zijn. Vertederd door hun idyllische omgang bewerkt de keizer, dat zijn vazallen toestemmen in het toekomstige huwelijk van de twee en daarmee in de troonsopvolging door Guillaume. Na de dood van Guillaumes vader breekt de keizer echter zijn belofte door het geijver van zijn vrouw en slechte raadgevers. Als gevolg daarvan maakt hij een eind aan de omgang tussen de gelieven door Guillaume de toegang tot het paleis te ontzeggen. Dan volgt het gedeelte, dat voor een vergelijking met de Beatrijs in aanmerking komt: Aélis besluit om zich niet bij de wil van haar vader neer te leggen. Daarop stuurt zij een bode naar Guillaume met het verzoek dat hij met spoed zich naar een heimelijke ontmoetingsplaats in het paleis begeeft, waaraan hij met vreugde gehoor geeft. Tijdens die ontmoeting geeft Guillaume uiting aan zijn verdriet over de scheiding en aan de oprechtheid van zijn liefde. Vervolgens verklaart Aélis, dat zij het paleis wil ontvluchten om samen met hem in Normandië als graaf en gravin te leven. Daartoe moet hij haar over vijftien dagen 's nachts in de paleistuin opwachten en de tussenliggende periode gebruiken om voorbereidingen voor de reis te treffen, zoals het aanschaffen van kleren en kostbaarheden. Guillaume gaat volgens dit plan van zijn geliefde te werk en verschijnt met het gevraagde op de afgesproken plaats14.

Bij deze identiteit vestig ik er de aandacht op, dat afgezien van accentverschillen in beide teksten de leidende rol door het meisje gespeeld wordt. Immers evenals haar literaire ‘prototype’ uit de L'Escoufle arrangeert Beatrijs de ontmoeting en ligt bij haar het initiatief tot de vluchtonderneming. Hierin wijkt haar hande-

[p. 348]

len af van dat van de non in andere versies van de ‘légende’, waarin deze namelijk doorgaans onder aandrang van de manlijke partner het kloosterleven vaarwel zegt15. In afdeling 4 zullen we zien op welk een subtiele wijze zij daarbij te werk gaat.

Voor de ‘vensterkijn’-scène uit het betreffende gedeelte van de Beatrijs (vss. 97-159) is tevens weer een verbinding mogelijk met de Piramus et Tisbé. Hierin wordt verhaald, hoe na een langdurige scheiding op een gegeven moment zich voor de gelieven een mogelijkheid voordoet om elkaar te spreken. De eerste keer wordt dit voortijdig door Tisbé vanwege haar geëmotioneerdheid afgebroken, terwijl de tweede keer een uitvoerig gesprek plaatsvindt. Daarin geven beiden uiting aan hun ‘dolor’ tengevolge van de scheiding, hetgeen uitloopt op het voorstel van Tisbé om elkaar 's nachts op een door haar aangeduide plaats te onmoeten.

Bij het eerste gesprek lezen we, hoe Tisbé overweldigd is door minne-emoties, waaronder het onvermogen om een woord uit te brengen, zuchten en van kleur veranderen. Daarna weet zij zich enigszins te beheersen, zodat zij in staat is om iets tot haar geliefde te zeggen16. In de scène van de Beatrijs wordt het liefdespaar evenzo door de genoemde emoties getroffen voorafgaande aan het moment dat de non het gesprek opent:

104
Menech werven si versochten,
 
Daer hi sat buten ende si binnen,
 
Bevaen met alsoe starker minnen.
 
Si saten soe een langhe stonde,
 
Dt ict ghesegghen niet en conde
 
Hoe dicke verwandelde hare blye.
 
‘Ay mi’, seitsi, ‘aymie,
 
Vercoren lief,...

Het gaat hier om een traditioneel element bij beschrijvingen van verliefdheids-symptomen in de hoofse epiek17, waarbij gezien de context vooral de Piramus et Tisbé geschikt is om als model aangevoerd te worden ter illustratie van de hoofs-literaire signatuur van de voorstelling in de Beatrijs.

Een specifiek punt van verbinding daarbij betreft de situering van het gesprek. In de Ofr. ‘novelle’ vindt dit plaats bij een gat in de muur tussen de paleizen waarin de gelieven wonen en in de Mnl. tekst bij een spreekvenster in het klooster van Beatrijs. In beide is aldus bij een idente liefdessituatie sprake van een ontmoeting aan weerszijden van een barrière, die een elkaar zien en spreken18, maar geen verder fysiek contact mogelijk maakt.

Een andere parallel van de gesprekslocatie komt voor in de Chevalier de la charrete van Chrétien de Troyes, nl. in het gedeelte dat voorafgaat aan de beschrijving van de liefdesnacht die Lancelot en Guenièvre in Gorre doorbrengen. Daarin stelt de koningin heimelijk aan haar redder en minnaar voor om elkaar 's nachts te spreken bij een venster van haar verblijfplaats, zodanig dat Lancelot zich aan de buitenzijde en zij zich aan de binnenzijde daarvan zal bevinden:

 
je serai anz, et vos defors
 
que ceanz ne porroiz venir19

Bij de beschrijving van dit liefdesgesprek deelt de verteller mee, dat het venster van stevige ijzeren tralies is voorzien:

[p. 349]
 
...la fenestre...
 
qui de gros fers estoit ferree20

In het Mnl. verhaal worden precies dezelfde details genoemd, die de barrièrefunctie van het venster benadrukken:

102
...tfensterkijn, dat met yseren banden
 
Dwers ende lanx was bevlochten.
 
(Menech werven si versochten,
 
Daer hi sat buiten ende si binnen

Verder wijs ik er in het algemeen op, dat een venster bij een liefdeshandeling in verschillende varianten in de Middeleeuwse profane literatuur voorkomt. Zo fungeert in de Laüstic van Marie de France het venster van het vertrek van de vrouw als locatie, vanwaaruit zij liefdesgesprekken met haar minnaar voert21. Ook kan met betrekking tot de scène in de Beatrijs gedacht worden aan een verbinding met het Hooglied. In het tweede hoofdstuk daarvan lezen we over een met de jongeling uit het Mnl. verhaal te vergelijken minnaar, die zich begeeft naar de verblijfplaats van de geliefde en zich opstelt achter een muur, ‘respiciens per fenestras, prospiciens per cancellos’, waarna hij haar opwekt om met hem mee te gaan22.

Wel is het overigens zo, dat het venster-gegeven in het Mnl. gedicht een reële achtergrond heeft, nl. een praktijk of voorschrift van een nonnenklooster23, doch waar het om gaat is de omstandigheid, dat voor zowel de situering van het gesprek als de context daarvan parallellen uit de hoofse epiek aangevoerd kunnen worden. Vanuit deze achtergrond kan dan gesteld worden, dat de Mnl. dichter als het ware een spreekvenster van een klooster, mogelijk verbonden met een beoogde verwijzing naar het Hooglied, heeft aangewend als een variant van een literaire liefdeslocatie.

3.

Een ander opmerkelijk element van de Mnl. tekst betreft de ‘foreest’-scène (vss. 328-397). In het eerste gedeelte daarvan, dat ik nader aan de orde wil stellen, speelt zich het volgende af: Tijdens hun vlucht bereiken de gelieven 's morgens een woud, dat in een lentesfeer gehuld is, hetgeen de jongeling ertoe aanzet om voor te stellen ter plekke de liefde te bedrijven. Beatrijs wijst dit verontwaardigd van de hand en verdaagt de bevrediging van zijn verlangen naar een moment, waarop zij in volgens haar daartoe passende omstandigheden zullen verkeren.

Deze handeling wordt ingezet met een relatief uitvoerige beschrijving van de locatie (vss. 329-339), die, zoals door Lulofs gedaan is, getypeerd kan worden als een ‘locus amoenus’. Aangezien dit aspect voor de jongeling een aanleiding vormt tot zijn voorstel, terwijl de aard van de plaats juist voor Beatrijs een reden is om dit in alle heftigheid van de hand te wijzen, kunnen we een betekenisvolle opzet van de kant van de dichter vermoeden, die voor de moderne lezer een commentaar verlangt24. Daartoe ligt het vanwege de aard van de tekst en de tot dusver geconstateerde signatuur daarvan voor de hand om na te gaan, hoe buitenlocaties bij een liefdeshandeling in de hoofse epiek voorgesteld worden. Dan blijkt, dat deze daarin gewoonlijk verschijnen als afgesloten en aangelegde plaatsen, die ook dikwijls deel uitmaken van een ‘gecivilizeerd’ complex, bijvoorbeeld een kasteel.

Ter illustratie wijs ik op de beschrijving van het liefdesdomein in het tweede ge-

[p. 350]

deelte van Chrétiens Cligés. Daarin wordt verhaald, hoe de held en zijn door de buitenwereld dood gewaande geliefde, Fenice, zich in Constantinopel terugtrekken in een ondergrondse toren, die van alle bij een ‘dame’ passend comfort is voorzien. Bij dit complex hoort een boomgaard, waarin de gelieven in een volgende fase toegang verkrijgen. Deze is afgesloten door een hoge muur, die met de toren in verbinding staat. Ook de wijze waarop de gelieven hierin samenzijn getuigt van een ‘gecivilizeerd’ karakter: Zij genieten niet zomaar in het gras van elkaar, maar nemen het decorum in acht om daarvoor een bed te gebruiken, dat Fenice onder een ‘gestileerde’ boom heeft laten plaatsen, die zich in het midden van de ‘locus amoenus’ bevindt25.

Vergelijkbaar hiermee is de gedragswijze van de hoofdpersonen in een episode uit de Tristan van Gottfried von Strassburg. We lezen daarin, hoe Isolt, wanneer de gelieven na hun verbanning aan het hof teruggekeerd zijn, op een warme dag in de boomgaard van het paleis een schaduwrijke plek uitzoekt, waar zij een bed laat plaatsen van koninklijke allure:

 
Si hiez ein bette dar zehant
 
riliche und schone machen:
 
kulter und lilachen,
 
purper unde pliat,
 
küniclicher bettewat
 
wart über daz bette vil geleit26

Hierop stuurt zij een bode naar Tristan met het verzoek bij haar te komen. Wanneer dit gebeurt laat haar dienares Brangäne alle toegangen tot de tuin afsluiten, waarna de gelieven zich aan elkaar overgeven.

Wat betreft hun kenmerken wijken deze volkstalige ‘loci amoeni’ o.a. af van de hiervoor gegeven modellen in de Mlat. ‘artes poëticae’. Zo gaat het in het eerste, uitvoerige model uit de Ars Versificatoria van Matthieu de Vendôme niet om een bij een ‘gecivilizeerde’ locatie aangelegde en afgesloten plaats, maar conform klassieke voorbeelden om een in de open natuur gelegen woudlandschap27.

Dit specifieke karakter van buitenlocaties, die in teksten van het genoemde type fungeren als liefdesdomein28, is in verband te brengen met een hoofs wereldbeeld als achtergrond29. Daarvoor is namelijk het ideaal van de ‘mesure’ kenmerkend. Dit brengt een ‘civilisatie’ van het ‘natuurlijke’ met zich mee, waarbij geldt dat wie deze ethiek volgen, als ‘cortois’ deel uitmaken van een voor oningewijden - ‘vilains’ - afgesloten beschavingswereld. Dit ziet men dan weerspiegeld in de uiterlijke vorm van de ‘vergier’30.

Vergelijkbare kenmerken zijn vast te stellen, wanneer bij een liefdesontmoeting sprake is van een andersoortige buitenlocatie dan in de variant van een met een kasteel verbonden ‘hortus conclusus’. Als voorbeeld noem ik die uit het begin van de Lanval van Marie de France. Daarin gaat het om een schitterend bed binnen een al even prachtige en kostbare tent, waarop de held van de liefde mag genieten met een fee31. Dat deze handelt volgens een hoofse gedragswijze blijkt o.a. uit haar opdracht om voortaan voor ontmoetingsplaatsen te zorgen, waar iemand ‘...puïst aveir s'amie / Sanz repreoce e sanz vileinie’ (vss. 165-166). Hiermee is dan het gegeven te verbinden, dat de eerste liefdeshandeling plaatsvindt op een ‘civilisatie’-object binnen een afgesloten plaats.

Dat hier een verbinding te leggen is tussen de aard van de locatie en een hoofs

[p. 351]

decorum kan nader geïllustreerd worden aan de hand van een vergelijking met een qua ‘plot’ aan de Lanval verwante ‘lai’, die dichter staat bij een te veronderstellen onderliggende mythe en in mindere mate het object is geweest van ‘une élaboration chevaleresque et courtoise’32. Dit betreft de Graelent, waarin de eerste ontmoeting tussen de fee en de held geheel anders wordt voorgesteld, o.a. wat betreft de situering: Graelent treft haar aan, terwijl zij naakt in een bron aan het baden is. In een volgende fase verzoekt hij om haar liefde. Wanneer zij afwijzend reageert, komt hij tot het inzicht dat met vragen niets te bereiken is, waarop hij tot handelen overgaat door haar zomaar ‘en l'espece de la forest’ te nemen33. Gezien de ‘rudesse primitive’ van deze voorstelling mag verondersteld worden, dat de tekst nog betrekkelijk dicht staat bij een archaïsche versie van het verhaal en dat Marie de France deze in de Lanval heeft geëlimineerd ‘...pour d'évidentes raisons de décence et de courtoisie...’, waarbij ‘...elle (a) transformé la scéne brutale du bain en une rencontre très courtoise...’34. Met dat verschil correspondeert een tegenstelling tussen de afgesloten, ‘gecivilizeerde’ locatie in de Lanval en het open, ‘natuurlijke’ (woud-)landschap in de meer ‘primitieve’ versie van de Graelent.

Hierbij past ook een constatering betreffende een correlatie tussen de aard van de ‘locus amoenus’ en de sociale positie van de vrouw in bepaalde Ofr. lyrische teksten: ‘Lorsque l'héroïne est une bergère, la scène se passe toujours dans un champ, au bord d'un chemin á la corne d'un bois, sur la berge d'une rivière, en un mot dans la campagne “ouverte”; au contraire, lorsque l'héroïne est une dame ou une demoiselle, le poète la rencontre le plus souvent dans un jardin ou dans un verger clos...’35.

Keren we nu terug naar de scène uit de Beatrijs, dan kunnen we in het licht van het boven staande vaststellen, dat de daarin beschreven ‘locus amoenus’ als ‘locus amoris’ van het onhoofse type is. Het gaat immers om een ‘ongecivilizeerd’, in de vrije natuur gelegen ‘foreest’-landschap. Het is dan conform daarmee, dat Beatrijs, ‘hovesche ende subtijl van zeden’ (vs. 19) als ze is, het van de hand wijst om daarin de liefde te bedrijven en in plaats daarvan haar partner een ander inzicht bijbrengt aangaande de functie van het natuurdecor:

355
Swighet meer deser talen
 
Ende hoert die voghele inden dalen,
 
Hoe si singhen ende hen vervroyen.
 
Die tijt sal u te min vernoyen.

Ook het verdere correctief dat zij de jongeling voorhoudt is in overeenstemming met de achtergrond van de genoemde voorbeelden. Zij gebiedt hem namelijk te wachten totdat zij zich ‘op een bedde wel ghemaect’ (vs. 360) zullen bevinden, dat is op een afgesloten en ‘gecivilizeerde’ plaats.

Vanuit dezelfde achtergrond is het feit te verstaan, dat Beatrijs de jongeling meteen uitmaakt voor ‘dorper’ en daarna nog tweemaal woorden gebruikt, die tot deze term te herleiden zijn:

346
‘Wat segdi’, sprac si, ‘dorper fel,
 
Soudic beeten op tfelt
 
Ghelijc enen wive die wint ghelt
 
Dorperlijc met haren lichame?
 
Seker soe haddic cleine scame.
[p. 352]
 
Dit en ware u niet ghesciet,
 
Waerdi van dorpers aerde niet!
 
Ic mach mi bedinken onsochte.
 
Godsat hebdi diet sochte!

Het Ofr. aequivalent van deze term luidt ‘vilain’, dat in de hoofse epiek een bekend invectief is36. Hierin komt een wereldbeeld tot uiting, waarvoor een scheiding tussen ‘dames’ en ‘chevaliers’ aan de ene en ‘vilains’ aan de andere kant kenmerkend is, waarbij de laatsten ook dikwijls het object vormen van spot en verachting37. Daarmee hangt een betekenisverschuiving van het woord ‘vilain’ samen. Oorspronkelijk was dit primair een sociale term ter aanduiding van iemand die behoorde tot de stand van de boeren, terwijl dit in de periode waarin de hoofse literatuur opkomt tevens een morele dimensie ontvangt38. Dit is allereerst het geval in de lyriek van een aantal troubadours, waarin de term ‘vilania’ gehanteerd wordt ter aanduiding van ‘...un ensemble de défauts et de vices...que l'on prêtait volontiers au “vilain”’39. Zo kan daarin de aanduiding ‘vilan’ gehanteerd worden met betrekking tot iemand, die deel uitmaakt van een hoofse samenleving en zich bezondigt tegen de conventies daarvan40. Iets dergelijks is het geval in de Beatrijs, waarin de jongeling zich in de ogen van zijn geliefde in morele zin als een ‘vilain’ gedraagt ondanks het feit, dat hij in sociaal opzicht tot eenzelfde wereld behoort als de hare. Wanneer Beatrijs hem dan met alle nadruk uitmaakt voor ‘dorper’, d.i. een ‘mot-clé pour la société courtoise’41, wordt zichtbaar, hoezeer zij uitgaat van een door een dichotomie ‘cortois’-‘vilain’ bepaald wereldbeeld, vanwaaruit bezien ‘vilains’ als lagere, verachtelijke wezens gelden en iedere inbreuk op een hoofse gedragscode als ‘vilenie’ gebrandmerkt wordt.

 

De ‘foreest’-scène is tevens vanuit een andere invalshoek, die overigens met het boven staande samenhangt, te benaderen, nl. vanuit de achtergrond van de ‘pastourelle’. In dit door hoofse dichters in de 12de en 13de eeuw beoefende genre treffen we de situatie aan van een man (ridder), die afkomstig is uit een aristocratisch milieu en in het door een lentesfeer beheerste vrije veld een herderin ontmoet. Met vleiende bewoordingen en vaak schone beloften vraagt hij om haar liefde, terwijl het hem in werkelijkheid erom te doen is om in het gras zijn sexuele behoeften te bevredigen, waarin hij in een aantal gevallen ook slaagt42. Verscheidene teksten van dit type beginnen met de voorstelling van een te paard rijdende ‘ik’, die zich in een toestand van ‘penser’ bevindt, bij voorbeeld als volgt:

 
L'autrier mi chivachoie
 
pencis com suis sovent43

Bezien vanuit de achtergrond van het hoofse canso / chanson duidt dit aan, dat de man zijn liefdedienst op een ‘dame’ gericht heeft, hetgeen voor hem vanwege haar distantie met lijden gepaard gaat44. De daarmee verbonden ‘gesloten’ hofwereld verlaat hij nu tijdelijk en komt terecht in een ‘...monde hors-la-loi - hors-la-loi des cours et des églises et de tous les lieux fermés où il faut savoir se tenir’45. Dit is, zoals blijkt uit het vervolg van het gedicht, de ‘open’ wereld van de natuur, waarin hij een ‘vilaine’ in de gestalte van een herderin ontmoet:

[p. 353]
 
...
3
leis un boix qui verdoie;
 
pres d'un preit lons de gent
 
trovai pastoure qui gardoit sa proie;
 
kant je la vix, vers li tornai ma voie

Bij deze gaat het niet zozeer om een herderin als zodanig als wel om een ‘...femme que l'on rencontre en pleine campagne, dans une nature plus ou moins sauvage, par opposition à la dame qu'on ne rencontre que dans un jardin clos et cultivé’46. Deze ontmoeting heeft tot gevolg, dat de ‘ik’ zijn hoofse liefdesdienst vergeet en ‘enivré d'amour par la nature qui le baigne’ zijn verlangen richt op de herderin. Voor hem is zij ‘...l'incarnation d'une journée de printemps, mais il l'aime aussi de ne ressembler en rien ni à lui ni à la dame qu'il oublie pour un instant, de tout ignorer des caprices et des interdits de l'éthique courtoise, d'appartenir à un monde si radicalement différent du sien qu'elle est pour lui une complète étrangère, un pur objet d'amour, sans âme...’47. Hierbij past ook de ongecivilizeerde wijze waarop de ‘ik’, indien hij geluk heeft, zijn verlangen bevredigt, zoals blijkt uit het slot van het volgende voorbeeld:

 
Lors l'ai enbraissie,
 
en la bouche la baixai
 
et sor l'erbe la getai;
 
si en ai fait mes voloirs
 
(XXXIX, vss. 47-50).

De jongeling uit de Beatrijs handelt op een vergelijkbare wijze. Evenals de ridder in de ‘pastourelle’ is hij afkomstig uit een hoofse wereld en komt op een gegeven moment terecht in een stuk vrije natuur, dat in een lentesfeer gehuld is, waar hij aangezet door de werking daarvan ter plekke de liefde wil bedrijven. Hij denkt blijkbaar, nu hij zich in een ‘monde hors-la-loi’ bevindt, voorbij te kunnen gaan aan een hoofse gedragscode. Dit zou op een probleemloze wijze kunnen gebeuren, indien zijn partner een ‘vilaine’ of een ‘meegaande’ jonkvrouw was. Beatrijs wenst echter ook in deze situatie daaraan vast te houden en de consequentie van een dergelijke optiek is, dat zij zich door zijn voorstel vernederd acht tot een lustobject, tot ‘un pur objet d'amour, sans âme’, en daarbij past het, dat zij verontwaardigd de beoogde handeling vergelijkt met die van ‘...enen wive die wint ghelt / Dorperlijc met haren lichame’ (vss. 348-349)48. Vanuit deze achtergrond is ook haar correctief nader te begrijpen: Zij wil niet als een ‘vilaine’ de liefde bedrijven, dat is, zoals in de ‘pastourelle’ geschiedt, op de wijze van een ‘vluggertje’, half ontkleed in het gras, maar in hoofse stijl, wanneer zij ‘ál naect’ is en zich bevindt op een bed, dat bij de staat van een ‘dame’ past.

Dit laatste brengt zij als volgt onder woorden:

359
Alsic bi u ben al naect
 
Op een bedde wel ghemaect,
 
Soe doet al dat u ghenoecht
 
Ende dat uwer herten voeght

Zij spreekt hier niet over hun beider liefdesverlangen, maar alleen over de begeerte van de jongeling, hetgeen in verband staat met de door diens voorstel ontstane conflictsituatie. Tevens hanteert zij bewoordingen, die de gedachte

[p. 354]

oproepen aan een puur sensuele behoefte naar bevrediging en daarmee een dédain ten aanzien van haar partner tot uitdrukking brengen. Dergelijke bewoordingen worden in de ‘pastourelle’ gehanteerd met betrekking tot de door lustgevoelens beheerste man. In de volgende passage wordt bij voorbeeld op een vergelijkbare wijze gesproken door een ridder, die met een herderin datgene deed wat hem ‘ghenoechde’:

 
Entre mes biaus brais la prix,
 
sors la frexe herbe l'aisis,
 
pues en fi
 
kenke moy cist,
 
toute ma pensee49

Verder wijs ik erop, dat de scène in de Beatrijs ‘smorgens’ (vs. 329) plaatsvindt, terwijl in de ‘pastourelle’ evenzo de handeling dikwijls in de (vroege) ochtend gesitueerd is50. Ook wordt in een aantal ‘pastourelles’ de lentesfeer op een meer gedetailleerde wijze opgeroepen door middel van een ‘Natuureingang’, die te vergelijken is met de ‘locus amoenus’-descriptie in de Beatrijs51. Op grond van het geheel van de totnutoe genoemde parallellen kan m.i. verondersteld worden, dat de Mnl. dichter in de voorstelling van de ‘foreest’-scène bij zijn publiek een verbinding beoogde met het genre van de ‘pastourelle’ om daarmee een nader licht te doen vallen op het handelen van de personages vanuit een gedragsethische optiek.

 

Wie deze scène vanuit de genoemde achtergronden beziet, zal ook des te meer oog krijgen voor een tegenstelling met een andere in een buitenlocatie gesitueerde scène, nl. die van de ‘vergier’ (vss. 249-287). Hierin wordt Beatrijs als hoofse bruid gekleed, waarna de jongeling ter bezegeling van hun verbintenis haar kust. Deze handeling draagt een ritueel en stijlvol karakter ondanks het gevaar van ontdekking, waarin de gelieven zich bevinden52. Bezien vanuit een hoofse norm is de aard van de plaats hiermee in overeenstemming. Het betreft immers een ‘aangelegde’ locatie, nl. een ‘vergier’, die deel uitmaakt van een ‘gecivilizeerd’ complex, nl. een klooster van jonkvrouwen53. Deze is dan ook door Beatrijs zelf als ontmoetingsplaats aangewezen54. De daarin door de jongeling verrichte handelingen ondergaat zij zwijgend, dat is zonder protest, aangezien hij ten opzichte van haar tactvol en ‘in stijl’ te werk gaat. In de ongecivilizeerde wereld van het woud wil hij daarentegen een hoofs decorum laten varen, hetgeen aan Beatrijs' mond een in heftige bewoordingen geuit protest ontlokt.

Dit verschil in handeling, dat samenhangt met dat tussen de aard van de locaties, is zo opvallend, dat aangenomen mag worden, dat de dichter bij zijn hoorders een verbinding tussen de beide scènes beoogde, zodat ook op deze wijze een nader inzicht in de gedragswijze van de personages kon ontstaan.

Richten we nu de blik op de andere versies van de ‘légende’, dan zien we, dat daarin noch van de ‘foreest’- noch van de ‘vergier’-scène parallellen voorkomen55. Hieruit blijkt dat de Mnl. versie niet alleen qua inhoud, maar ook qua ‘conjointure’ een unieke plaats inneemt.

4.

Het bijzondere karakter van de Beatrijs komt ook tot uiting in de spreekwijze van de personages. Vanuit de basis van die, welke in de ‘vensterkijn’-scène gehanteerd wordt, wil ik daarop vervolgens de aandacht richten.

[p. 355]

Het gaat hierbij om de volgende situatie: Blijkens Beatrijs' monoloog in de vss. 74-80 is zij tot het inzicht gekomen vanwege haar liefde ‘een ander leven’ te moeten leiden. Zij stuurt hierna een bode naar de jongeling met het verzoek om haar met spoed te bezoeken, waaraan de mededeling is toegevoegd, dat ‘daer laghe ane sine vrame’ (vs. 86). Dit loopt erop uit, dat zij tijdens het gesprek in het klooster direct een geconcretizeerd vluchtplan ontvouwt, wanneer haar geliefde daar voorzichtig om vraagt.

Uit deze gegevens kan opgemaakt worden, dat het zenden van een bode naar de jongeling een gevolg is van een door Beatrijs genomen besluit om het klooster te verlaten en dat zij er blijkens haar opmerking over zijn ‘vrame’ van uitgaat, dat dit hem aangenaam zal zijn. Opvallend is het dan om te constateren, dat zij van haar voornemen pas rept, nadat de jongeling zijn verlangen om met haar als bruid te vluchten heeft kenbaar gemaakt en dat zij het gesprek niet begint met een concrete opening van zaken, niet tot hem datgene zegt, waarin zijn ‘voordeel’ gelegen is, maar aan hem vraagt om iets tot heil van haarzelf te zeggen:

110
‘Ay mi’, seitsi, ‘aymie,
 
Vercoren lief, mi es soe wee;
 
Sprect ieghen mi een wort oft twee
 
Dat mi therte conforteert!
 
Ic ben die troest ane u begheert.
 
Der minnen strael stect mi int herte,
 
Dat ic doghe grote smerte.
 
In mach nemmermeer verhoghen,
 
Lief, ghi en hebbet uut ghetoghen’

Deze handelwijze is naar ik meen te begrijpen vanuit een ethiek, die in de hoofse epiek zijn neerslag heeft gevonden56. In een aantal teksten daaruit wordt in bepaalde situaties een spreekwijze met een specifiek hoofs karakter gehanteerd, dat in het geval van een dialoog tot uiting komt ‘...im distanzierten Sprechen, das heisst in der reflektierten Anwendung von Sprachmitteln, die die ursprüngliche Wortbedeuting überschreitet’. Deze ‘Distanz’ is te beschouwen als een ‘Grundmoment höfischen Verhaltens’, dat in de dialoog verschijnt als ‘...bewusst angestrebte Inkongruenz von Gemeintem und Gesagtem, von Intention und Ausdruck, als eine Art Sprechen auf zwei Ebenen’57. Hiermee is het bij voorbeeld mogelijk om van een gesprekspartner een begeerde uiting te vernemen zonder zichzelf bij het initiatief daartoe direct bloot te geven. Een voorwaarde is dan, dat de ander de verhulde opzet daarvan begrijpt, immers: ‘...die interpretierende Kombination der Ebenen (bleibt) Eingeweihten vorbehalten’58.

Richten we nu de aandacht op de woorden van Beatrijs, dan kunnen we allereerst constateren, dat deze ondanks haar geëmotioneerdheid, waarvan de voorafgaande verzen getuigen59 en de spanningssituatie van het moment ‘reflektiert’ zijn. Dit blijkt uit haar metaforisch spreken door middel van het beeld van de liefdespijl in de vss. 115-118. Daarbij past ook het gebruik van een hoofs vocabulaire, waarvan o.a. in de vss. 113-114 sprake is. Zo is de term ‘troest’ bekend uit de Dietse en Mhgd. minnelyriek60. Door de trouvères wordt de notie ‘consolation’ uitgedrukt met de woorden ‘confort’ en ‘conforter’61, welke in een dergelijke betekenis voorkomen in teksten uit de hoofse epiek62. Eén van deze termen hanteert Beatrijs in vs. 113, waarbij het gebruik van de

[p. 356]

Franse vorm illustreert, hoe zij qua woordkeus ‘in stijl’ te werk gaat63.

Het op deze wijze geuite verlangen is verbonden met het minimalizerende ‘een wort oft twee’ (vs. 112). Hierin vooral is de ‘Distanz’ van Beatrijs' woorden gelegen, waarbij conform de aangeduide spreekwijze gesproken kan worden van een bewust aangewende incongruentie tussen ‘Intention’ en ‘Ausdruck’. Immers qua ‘Ausdruck’ wekt zij de indruk een betrekkelijke kleinigheid te vragen, nl. een paar bemoedigende woorden ter leniging van haar liefdessmart, terwijl we op grond van de context mogen aannemen, dat het haar om een buitengewoon ingrijpend voornemen gaat, nl. dat de jongeling haar het klooster uitvoert om zijn verdere leven aan het hare te verbinden en haar op die wijze bevrijdt van de kwelling door ‘der minnen strael’. Uiting gevende aan haar gemoed zou zij zoiets gezegd kunnen hebben als: ‘Ik wil nu als bruid met je meegaan, want in het klooster houd ik het niet langer uit’64. In plaats daarvan horen wij, hoe zij de uiting van haar verlangen zodanig gestileerd en verhuld heeft, dat het ‘overschrijdende’ karakter daarvan door de uitdrukkingsvormen is opgeheven.

Tegelijk speelt zij hiermee als het ware de bal naar de jongeling toe om datgene aan haar te vragen, wat zij zelf nog niet in de mond wilde nemen. Ter vergelijking wijs ik op Chrétiens Cligés. In het eerste gedeelte daarvan lezen we, hoe Soredamor, die verliefd is op Alixandre, het onbetamelijk acht om als eerste een liefdesaanzoek te uiten. In plaats daarvan wil zij hem o.a. ‘par moz coverz’ op weg helpen, zodat hij zeker kan zijn van haar liefde en een aanzoek durft te doen65. Op een vergelijkbare wijze gaat Beatrijs als ‘damoisele’ te werk. zin zijn antwoord betracht de jongeling geen ‘Ausweichebene’ door conform haar ‘Ausdruck’ te reageren66, maar handelt overeenkomstig haar ‘Intention’ door in het vervolg van zijn reactie haar datgene voor te stellen wat zij verlangt. Hij kan dit doen, omdat hij blijkbaar beseft nu zonder risico van een afwijzing of een inbreuk op haar denkwereld zijn hartewens te kunnen uiten67. Hiermee toont hij aan evenals Beatrijs een ‘ingewijde’ te zijn wat betreft een specifieke hoofse spreekwijze.

Daarna gaat zij direct instemmend op zijn woorden in:

142
‘Vercorne vrient’, sprac die ioncfrouwe,
 
‘Die (sc. zijn aanbod van trouw) willic gherne van u ontfaen,
 
Ende met u soe verre gaen,
 
Dat niemen en sal weten in dit covent
 
Werwaert dat wi sijn bewent

Zij noemt dan tijd en plaats om dit te concretizeren en spreekt haar verlangen uit om hem als bruid te volgen waarheen hij wil (vss. 147-158).

Blijkens het onverhulde karakter van haar reactie is zij in deze fase overgegaan op een ‘normale’, ‘distanzlose’ spreekwijze, nu voor haar een ‘Verständigungsproblem’ is opgelost68 en zij met het aanwenden van een hoofse subtiliteit van een vragende een gevende partner is geworden.

 

Letten we nu nader op de woorden van de jongeling in deze scène, dan kunnen we constateren, dat ook zijn spreekwijze door ‘Reflektiertheit’ gekenmerkt wordt, maar dat deze van een andere signatuur is dan die van Beatrijs:

[p. 357]
119
Hi antworde met sinne:
 
‘Ghi wet wel lieve vriendinne,
 
Dat wi langhe hebben ghedragen
 
Minne al onsen daghen;
 
Wi en hadden nye soe vele rusten,
 
Dat wi ons eens ondercusten.
 
Vrouwe Venus, die godinne,
 
Die dit brachte in onsen sinne,
 
Moete God onse Here verdoemen,
 
Dat si twee soe scone bloemen
 
Doet vervaluen ende bederven

Hij gaat hierbij weloverwogen te werk door niet direct op Beatrijs' vraag in te gaan, maar dit te laten voorafgaan door een ‘narratio’, die impliciet een ‘argumentatio’-karakter draagt. Hij begint deze met een herinnering aan de tijdsduur van hun liefde, die de authenticiteit daarvan onder de aandacht brengt. Dit laat hij gepaard gaan met een waarschijnlijk bewuste overdrijving: Het ‘sint dat si out waren .xij. iaer’ (vs. 92) is namelijk geworden tot een ‘al onsen daghen’ (vs. 122). Vervolgens memoreert hij het feit, dat zij in al die tijd nog nooit gelegenheid gehad hebben om elkaar te kussen, waarachter de gedachte te beluisteren is, dat het redelijk zou zijn, indien aan die toestand een eind kwam. Deze situatietekening sluit hij af met een verwensing aan het adres van Venus69, die gepaard gaat met het beeld van de verwelkende bloemen. Hiermee stelt hij henzelf voor als slachtoffers van een hogere macht, terwijl de metafoor van de ‘twee soe scóne bloemen’, die vergaan, indirect fungeert als argument ter overreding, nl. om door middel van een vertrek uit het klooster een ‘opbloei’ te bewerken.

Deze gehele inleiding is door de jongeling met nadruk in de ‘wij’-vorm gesteld. Daarmee breidt hij als het ware de voorafgaande klacht van Beatrijs uit tot een gemeenschappelijke om te benadrukken, dat zijn ‘lieve vriendinne’ en hijzelf één zijn in ‘dolor’-gevoelens als gevolg van hun scheiding.

In deze spreekwijze komt een opzet tot uiting om Beatrijs ‘benevolens’ te stemmen voor het door hem te uiten verzoek en daarin is primair het ‘reflektierte’ karakter van zijn woorden gelegen. Daarbij gaat het echter niet om een ambigue uitdrukkingswijze, zoals zijn geliefde in het voorgaande hanteert. Dit zou immers een persuasieve opzet teniet doen.

Na deze voorbereiding stelt hij in een ‘petitio’ een uitweg in de sitatuatie voor en schakelt dan op het eerste gezicht over op een exemplarisch hoofs register. Hij zegt namelijk in antwoord op Beatrijs' vraag niet op een onverhulde wijze zoiets als: ‘Ik zal je het klooster uitvoeren’, maar gaat als volgt te werk:

130
Constic wel ane u verwerven
 
Ende ghi dabijt wout neder leggen
 
Ende mi enen sekeren tijt seggen
 
Hoe ic u ute mochte leiden,
 
Ic woude riden ende ghereiden
 
Goede cleder diere van wullen
 
Ende die met bonten doen vullen:
 
Mantel, roc ende sercoet

Deze woorden kunnen in het perspectief geplaatst worden van wat mevr. Nolting-Hauff aanduidt met de term ‘Selbstbegrenzung’. Dit betreft een hoof-

[p. 358]

se spreekwijze, waarbij men een verlangen zodanig verwoordt, dat dit ‘...nur vorgebracht, dem Angeredeten aber ausdrücklich die Entscheidung darüber gelassen wird: man vermeidet so weit wie möglich, einen Zwang auf ihn auszuüben oder ihn auch nur in irgendeiner Weise zu engagieren, und man sucht ausserdem noch einen Augenblick dazu aus, in dem er zur Kontaktnahme mit der Aussenwelt disponiert ist, und der ‘Einbruch’ nicht zu brutal ausfällt70.

Geïsoleerd beschouwd is deze typering van toepassing op het eerste gedeelte van de geciteerde woorden van de jongeling. Hij uit namelijk eveneens zijn verlangen op een moment, dat gezien de intentie van Beatrijs' vraag voor inwilliging geschikt is en evenzo vermijdt hij het om enige dwang op haar uit te oefenen. Hij kleedt zijn voorstel immers in met indirecte, in de irrealis gestelde bewoordingen, zodanig dat de beslissing tot de vlucht en het vaststellen van een tijdstip geheel aan haar overgelaten worden71.

Blijkens de belofte die de jongeling vervolgens aan zijn woorden verbindt gaat hij ervan uit, dat het voor Beatrijs een aanlokkelijk vooruitzicht is om in de stijl van een ‘dame’ gekleed te gaan72. In het uiten daarvan klinkt een ‘onthullende’ nuance mee, nl. een zijn partner toegedachte vatbaarheid voor uiterlijke en materiële zaken, waarop hij zijn woorden afstemt om zijn doel te bereiken73. Daarmee wordt de hoofse ‘Selbstbegrenzung’, waarvan de vss. 130-133 leken te getuigen, feitelijk opgeheven.

Hierna brengt hij opnieuw een modulatie in zijn spreken aan:

138
In begheve u te ghere noet:
 
Met u willic mi aventueren
 
Lief, leet, tsuete metten sueren.
 
Nemt te pande mijn trouwe

Met deze woorden, die klinken als de formule van een huwelijksbelofte74, verzekert hij ter afsluiting van zijn betoog haar van zijn trouw. Hierachter is de gedachte te veronderstellen, dat het bij een mogelijke terughoudendheid van Beatrijs vanwege haar positie als non voor hem zaak is om met nadruk van zijn trouw te getuigen. Daarbij past dan zeker geen spreken in de irrealis, op de wijze van een ‘Selbstbegrenzung’, die juist een ‘Engagement’ zoveel mogelijk onderdrukt, maar één die op de meest engagerende wijze van zijn kant een zekere toekomst tot uitdrukking brengt. Vandaar zijn overgang op een andere, daarvoor geschikte modus in vs. 138.

Vanwege de persuasieve structuur van de woorden van de jongeling is een vergelijking mogelijk met modellen uit de rhetorische literatuur, die inzake de liefde verbonden zijn met een Ovidiaanse benaderingswijze van de vrouw. Zo komt in de Flores dictaminum van Bernard de Meung, een invloedrijke magister op het gebied van de ‘ars dictaminis’ uit de tweede helft van de twaalfde eeuw, een door Piramus aan Tisbe gerichte brief voor, die qua inhoud en opbouw parallellen vertoont met het betoog van de jongeling. Piramus begint deze met een situatietekening om daarmee Tisbe ‘benevolens’ voor zijn verlangen te stemmen. Daarin legt hij de nadruk op het onmenselijke van hun lot, aangezien tengevolge van een gedwongen scheiding vanaf het begin van hun liefde nog steeds geen werkelijke ontmoeting heeft kunnen plaatsvinden. Hij acht het nu tijd geworden om aan deze ‘dolor’-situatie een einde te maken op een wijze die hun liefde toekomt. Hiertoe stelt hij haar in de ‘petitio’ voor om elkaar heimelijk op een aangeduide plaats te ontmoeten75.

[p. 359]

Gaan we dus uit van een onderscheid tussen een hoofs-exemplarisch spreken, dat ‘Intention’- verhullend is en een rhetorisch-persuasief spreken zoals o.a. in de ‘ars dictaminis’ gehanteerd wordt om een ‘seductio’ van een vrouw te bewerken, dan kunnen we met betrekking tot de ‘vensterkijn’-scène stellen, dat Beatrijs volgens het eerste model tewerk gaat, terwijl de woorden van de jongeling daarvan afwijken en raaklijnen vertonen met het tweede type76.

Een persuasieve spreekwijze hanteert de jongeling eveneens in de ‘dageraad’-scène (vss. 288-327). Daarin begint hij zijn reactie op Beatrijs' uiting van bange voorgevoelens aangaande de trouw in de wereld met een emphatische variant van zijn trouwbelofte uit de ‘versterkijn’-scène:

307
‘Ay, wat segdi, suverlike!
 
Ocht ic u emmermeer beswike,
 
Soe moete mi God scinden!
 
Waer dat wi ons bewinden,
 
In scede van u te ghere noet,
 
Ons en scede die bitter doet!

Dit wordt nog versterkt door een hyperbolische betuiging van zijn tot dusver betoonde trouw (vss. 313-321), waarna hij zijn claus afsluit met wederom een belofte van materiële aard:

322
Ic vore met ons ute ghelesen
 
.Vc. pont wit selverijn;
 
Daer seldi, lief, vrouwe af sijn.
 
Al varen wi in vremde lande,
 
Wine derven verteren ghene pande
 
Binnen dese seven iaren

In het uiten van dergelijke beloften met als doel om Beatrijs' terughoudendheid weg te nemen vertoont het optreden van de jongeling ‘Ovidiaanse’ trekken. In het eerste boek van de Ars amatoria wordt immers aangeraden om bij het veroveren van een meisje niet schuchter, maar met een vrijmoedige welsprekendheid te werk te gaan en daarbij rijkelijk en met nadruk beloften uit te spreken (vss. 443-446, 631-634).

Een dergelijk register wordt o.a. aangewend in de Rota Veneris van Boncompagno (ca. 1165-1240), een ‘ars dictaminis’, die geheel uit liefdesbrieven bestaat77. Ik noem dit voorbeeld, omdat het in een aantal daarvan gaat om een (a.s.) non, die door argumenten overtuigd wordt tot het aangaan van een liefdesverbintenis. Zo is in de eerste brief van die reeks sprake van een persuasief opgebouwd betoog van de manlijke partner, dat hij om voor het meisje een keus voor de liefde te vergemakkelijken afsluit met een belofte om haar te trouwen, wanneer zij maar wil78.

Op een vergelijkbare wijze gaat de ‘seductor’ in de ‘pastourelle’ te werk. Daarin belooft deze namelijk dikwijls aan de herderin geschenken, waaronder kleren die bij een ‘dame’ passen of rijkdom in het algemeen79 en ook komt het voor, dat hij een trouwbelofte hanteert. Van beide is bij voorbeeld sprake in de volgende woorden van zulk een ridder:

 
Ma fiance retenez,
 
k'avoc moi toz jors mainrez,
[p. 360]
 
se vos volez.
 
Totes avrez
 
vos volentez,
 
robes et biax joiaus assez
 
vos donrai c'onques n'en dotez
 
(XLIV, vss. 33-39)

Letten we nu bij de jongeling op het nakomen van de gedane beloften, dan blijkt dat hij op het punt van de trouw uiteindelijk in gebreke blijft: In de ‘vensterkijn’-scène horen wij hem beloven: ‘In begheve u te ghere noet’ (vs. 138), hetgeen hij herhaalt in de ‘dageraad’-scène: ‘In scede van u te ghere noet’ (vs. 311), maar wanneer de nood echt aanbreekt, lezen we: ‘Aenden man ghebrac dierste trouwe; / Hi lietse daer in groten rouwe / Ende voer te sinen lande weder’ (vss. 427-429). Hierdoor lijkt een betekenisvol verband beoogd te zijn tussen de spreekwijze en het ‘karakter’ van de jongeling.

Wel moet daarbij bedacht worden, dat de rol van de jongeling anders dan bij voorbeeld het geval is in de ‘pastourelle’ of in Mlat. ‘invitationes puellae’80 niet tot die van een verleiderstype te herleiden is. Hij is zijn geliefde toch jarenlang trouw gebleven en heeft er ook alles voor over om zijn verdere leven met haar te delen. Het is voor dit onverdachte doel dat hij zijn overredings-‘tactiek’ hanteert. Verder is het zo, dat Beatrijs niet als object of slachtoffer van zijn ‘Redegewandtheit’ verschijnt. Immers al voor hun eerste gesprek is zij tot het inzicht gekomen om het klooster te verlaten, terwijl ook geconstateerd kon worden, hoe qua intentie bij haar het initiatief lag tot het uiten van een voorstel om te vluchten. Waar het om gaat is de mogelijkheid voor de hoorder om vast te stellen, dat het spreken van de jongeling een persuasieve signatuur vertoont, hetgeen door een verbinding met modellen van het genoemde type als anticipatie op het vervolg de gedachte aan een incongruentie tussen belofte en praktijk kan oproepen.

 

Bezien we vervolgens het geheel van de scènes waarin de beide gelieven optreden, dan wordt niet alleen de gevariëerde opbouw daarvan zichtbaar, maar ook een geschakeerd beeld inzake hun relatie: In de ‘vensterkijn’-scène komen beiden door hun spreken tot een ‘gemeenschappelijk punt’. In de ‘vergier’-scène neemt alleen de jongeling het woord, terwijl Beatrijs een ‘beredtes Schweigen’ in acht neemt, dat gezien de context nog als instemmend geïnterpreteerd kan worden. In de ‘dageraad’-scène geeft Beatrijs uiting aan gevoelens van twijfel. Haar gedachten keren terug naar het klooster en zij spreekt vanuit een religieus perspectief over de ontrouw van de wereld. De jongeling voelt zich door dit laatste aangesproken en reageert met persuasief geweld om haar terughoudendheid weg te nemen, waarop geen verdere reactie van haar kant volgt. Tenslotte leidt het spreken in de ‘foreest’-scène tot een openlijk conflict.

Een ‘conjointure’-aspect op dit punt komt vooral tot uiting in éen tegenstelling tussen de eerste en de laatste scène van deze reeks: In de ‘foreest’-scène begint de jongeling het gesprek als volgt:

342
Hi seide: ‘Lief, waert u ghevoech,
 
Wi souden beeten ende bloemen lesen;
 
Het dunct mi hier scone wesen.
 
Laat ons spelen der minnen spel’
[p. 361]

Zonder het laatste vers zouden aan zijn woorden, die ook in de modus van een ‘Selbstbegrenzung’ gesteld zijn, nog een incongruentie tussen ‘Intention’ en ‘Ausdruck’ toegeschreven kunnen worden, doch de inhoud van vs. 345 doorbreekt dit. De uitdrukking ‘der minnen spel’ draagt namelijk een nauwelijks verhulde erotische connotatie en is daardoor moeilijk voor verschillende uitleg vatbaar te achten81. Dit betekent, dat de fase van het bewegen van de ander in de richting van een begeerd doel ‘par moz coverz’ is overgeslagen en dat voor deze ingeval van een afwijzing de mogelijkheid om zich door middel ‘...einer Art sprachlicher Ausweichebene’ teweer te stellen grotendeels is weggenomen. De tegenstelling met de spreekwijze in de ‘vensterkijn’-scène is dan als volgt te omschrijven: Toen opende Beatrijs het gesprek op een ‘distanzierte’ wijze, hetgeen de jongeling gelegenheid bood om een stap verder te gaan en conform haar verhulde intentie te reageren. In deze opzet slaagde zij, zodat op dat punt sprake was van een verstaansharmonie tussen beiden. Nu, in de ‘foreest’-scène, begint de jongeling het gesprek en uit op een onverhulde wijze zijn voorstel. Aangezien Beatrijs de inhoud daarvan volkomen normoverschrijdend acht en door de verwoording ervan zich moeilijk op een ‘distanzierte’ manier teweer kan stellen, is het gevolg, dat zij heftig tegen hem uitvaart, waaruit blijkt dat hun communicatieharmonie volledig verstoord is.

In het vervolg van de scène reageert de jongeling op Beatrijs' uitval met een emfatische spijtbetuiging (vss. 365-368) en deze ‘facundia’ draagt ertoe bij, dat hij weer met zijn geliefde ‘on speaking terms’ komt. De hoorder heeft dan inmiddels wel een zodanige ‘tale ende wedertale’ (vs. 397) gehoord, dat het moeilijk wordt om aan een zekere distantie ten aanzien van hun liefdeswereld voorbij te gaan.

5.

Het voorgaande vormt een aspect van de door de dichter van de Beatrijs gehanteerde vertelvormen. Daaraan wil ik nog enige nadere aandacht wijden.

Een voorlopig onderzoek laat zien, dat de tekst een weloverwogen dosering bezit wat betreft ‘epischer Bericht’ en ‘Personenrede’. Verder gaat in het eerste gedeelte van het verhaal een ‘szenische Darstellung’ gepaard met een overwegend ‘neutrale’ vertellershouding ten aanzien van de liefdeshandeling, terwijl een aanzienlijk percentage van in de directe rede weergegeven passages op een gevarieerde wijze een innerlijke dimensie van de personages tot uiting doet komen. Van dit laatste zijn in de voorgaande afdeling een aantal voorbeelden gegeven.

Voeren we op dit punt weer de Vie des Pères-versie van de ‘légende’ als vergelijkingsobject aan, dan valt een geheel ander beeld te constateren. Deze opent met een uitvoerige proloog, waarin de liefde voor God gesteld wordt tegenover die voor aardse zaken (vss. 1-61), gevolgd door een inleiding met een lofprijzing op de H. Maagd (vss. 62-76). Dan begint het eigenlijke verhaal, waarin verteld wordt, hoe de vrome kosteres op een gegeven moment met een man het klooster verlaat. Dit wordt door de verteller afgesloten met een moralizerend commentaar van de strekking, dat de non het licht voor de duisternis opgeeft (vss. 142-164). Dit eerste gedeelte van het verhaal omvat de vss. 77-164, dat is zo'n 19% van het totaal daarvan82. Het te vergelijken gedeelte van de Mnl. versie omvat de vss. 18-403, dat is ruim 45% van het geheel83. Deze relatieve uitbreiding is een gevolg van de gedetailleerde beschrijving van de afspraak en de voorbereiding tot de vlucht en van de inhoud van de ‘vergier’, de ‘dageraad’- en de ‘foreest’-scêne.

[p. 362]

Hierdoor is de structuur van het verhaal veranderd. Zo fungeert het eerste gedeelte van de Ofr. tekst als inleiding tot een stichtelijke kern, waarop de centrale aandacht gericht is, nl. de beschrijving van de terugkeer van de non en de rol van de H. Maagd daarbij. Het handelen van de personages is daaraan ondergeschikt gemaakt, over wier typering niet veel meer te zeggen is dan dat het gaat om een uiterst vrome Mariadevote, die op een gegeven moment het object wordt van de duivel en ‘uns hons’ (vs. 132), die haar het klooster uitvoert. In de Mnl. versie echter is het betreffende gedeelte door de genoemde elementen, die als geheel in vergelijking met andere versies zijn toegevoegd, tot een relatief zelfstandige liefdesepisode uitgewerkt, waarin de voorstelling van de personages in het geheel niet ondergeschikt is gemaakt aan de stichtende doelstelling van het gegeven. Bij voorbeeld: De inhoud van de ‘foreest’-scène is geenszins te beschouwen als een voor de ‘plot’ van het mirakelverhaal noodzakelijk element, zoals o.a. kan blijken uit de coupure hiervan in latere prozaversies van het gedicht84, maar staat geheel in dienst van een typering van de personages inzake hun beleving van de liefde. Hiermee hangt ook het in afdeling 1 geconstateerde feit samen, dat de traditionele opeenvolging van de verhaalfeiten doorbroken is door het verleggen van de liefdes-‘pool’ naar een vroeg stadium, waarmee de basis is gelegd voor een bijzondere aandacht voor de liefdeshandeling85. Met deze verschillen nu correleert de omstandigheid, dat in het eerste gedeelte van het Ofr. verhaal in tegenstelling tot het vervolg geen enkel vers in de directe rede voorkomt, terwijl dit in het corresponderende part van de Beatrijs in 176 verzen, dat is zo'n 45% van het totaal daarvan, het geval is, waarbij een speciale plaats door drie in de directe vorm weergegeven scènes wordt ingenomen86.

Een ander verschilpunt bestaat daarin, dat de Ofr. versie doortrokken is van de moralizerende optiek van de verteller. Dit blijkt naast het boven aangeduide bij voorbeeld uit de mededeling met betrekking tot de wending in het leven van de non, dat de duivel ‘...a un fol point la fist venir’ (vs. 122), waarop een passage aansluit met de strekking, dat een vrouw zich gemakkelijk begeeft op de weg van het kwaad (vss. 125-130). Illustratief is ook de volgende aanduiding van de verleider van de non: ‘...ses amis, / Amis non pas, mès anemis’ (vss. 183-184), terwijl deze verderop ‘li musart’ (vs. 221) genoemd wordt. Daarentegen spreekt de verteller van de Mnl. tekst op één van de weinige plaatsen, waarop deze in de beschrijving van de onderneming van het tweetal ‘tevoorschijn treedt’, op dezelfde wijze als de jongeling87 vanuit een zuiver profane ethiek, nl. wanneer Beatrijs haar kloosterkledij verwisselt voor die van een hoofse ‘dame’:

277
Twee cousen toech si ane
 
Ende twee scoen cordewane,
 
Die hare vele bat stonden
 
Dan scoen die waren ghebonden

In het eerder ter vergelijking aangevoerde nonnenmirakel van Gautier de Coinci zijn beide personages van edele origine en handelen ook dienovereenkomstig. Dit is evenwel niet verbonden met een geschakeerde gedragswijze op de manier zoals kenmerkend is voor het Mnl. dichtwerk. Verder wordt in het eerste gedeelte van Gautiers tekst weliswaar de directe rede aangewend, doch in een veel geringer percentage dan in de Beatrijs. Deze maken namelijk zo'n 15% van het totaal daarvan uit88, terwijl geen sprake is van in de directe vorm weergegeven

[p. 363]

dialoog-scènes. Ook is het zo, dat het bezien vanuit een liefdesoptiek meest interessante gedeelte, nl. dat handelt over de kennismaking van de non met haar aanbidder, zijn pogingen om haar als geliefde te verwerven en haar uiteindelijke bereidheid om met hem te vertrekken, op een relatief beknopte wijze samenvattend verteld wordt, waarbij geen enkel vers in de directe rede voorkomt (vss. 45-92). Evenzo staat Gautiers schepping tegenover die van de Mnl. dichter vanwege het feit, dat zijn verteller een onverhuld en eenduidig moralistisch perspectief hanteert. Dit blijkt niet alleen uit de omvangrijke ‘queue’ van de tekst (vss. 416-560), maar ook bij voorbeeld uit diens veroordeling van de gastvrijheid van de abdis van het klooster, tengevolge waarvan de non het object wordt van de verleiding door een neef van deze (vss. 31-44, 62-65).

 

Lijkt de dichter van de Beatrijs op dat punt geen rigorist te zijn, evenmin is hij een pleitbezorger zonder meer te achten van de liefdeswereld van zijn personages. Indirect komt dit tot uiting in de hiervoor besproken verschillen in handelen en spreken tussen de jongeling en zijn geliefde. Daaruit blijkt, dat er tussen beiden geen volmaakte harmonie bestaat, hetgeen als het ware zijn schaduwen vooruit werpt.

Wat betreft het gehalte van hun liefde kan dit geconstateerd worden aan de hand van de volgende passage uit het begin van het gedicht, waarin de verteller oordelend naar voren komt:

54
Noch vintmen liede soe ghestade:
 
Wat si hebben groet oft clene,
 
Dat hen die minne gheeft ghemene,
 
Welde, bliscap ende rouwe.
 
Selke minne hetic ghetrouwe.
 
In constu niet gheseggen als
 
Hoe vele gheluux ende onghevals
 
Uter minnen beken ronnen

Dit kan verbonden worden met noties, die bekend zijn uit de hoofse epiek, nl. dat de liefde zowel voor- als tegenspoed schenkt89 en dat een waarlijk trouwe liefde te herkennen is aan een gelijkelijk ondergaan hiervan. Dit laatste wordt bij voorbeeld op een vergelijkbare manier omschreven met betrekking tot het ideale liefdespaar uit de Amadas et Ydoine:

 
Tant par est leur amors loiale,
 
Sans faintise et sans teche male
 
Que l'uns ne puet sans l'autre avoir
 
Ne bien ne mal sans nul voloir,
 
Ne ja departison de rien:
 
Ensamble un mal, ensamble un bien;
 
Communax leur est a coustume
 
Maus, biens, doleurs et amertume;
 
De toute riens sont si a un
 
Que tout reçoivent en commun90

In de Beatrijs weet het liefdespaar anders dan het geval is in de Ofr. roman uiteindelijk niet aan dit minne-ideaal te voldoen. We lezen immers in het vervolg van het verhaal:

[p. 364]
425
Die aermoede maecte een ghesceet
 
Tusschen hen beiden, al waest hen leet

Het gaat hier om een verwijdering van béide kanten, welke uitloopt op het tekort schieten in ‘dierste trouwe’ (vs. 427) door de manlijke partner. Vanuit de geciteerde visie van de verteller verschijnt dit dan als een duidelijk manco in hun liefdesrelatie, nu materiële omstandigheden daarbij een rol blijken te spelen.

Bij deze afloop van de liefdesgeschiedenis is te bedenken, dat het ‘telos’ van het verhaal Beatrijs' terugkeer naar het klooster is. Dit wordt in het tweede gedeelte daarvan beschreven, waaruit blijkt, dat een hemelse trouw haar niet in de steek heeft gelaten. Hiermee is een structurele basis gegeven voor een afstandelijke benadering van de liefdeshandeling.

Een vraag is dan, hoe de presentatie van handelingsmomenten, waarin Beatrijs verschijnt als iemand, die een profane gedragsethiek volgt, te verstaan is binnen een geheel, dat door een ‘hogere’ ethiek bepaald wordt. Ik meen nu, dat deze uiteindelijk niet weergegeven zijn om met het oog op een hoofs publiek een volledige identificatie te bewerken, maar om een subtiele distantie ten aanzien daarvan op te roepen. In dat geval kan wederom gedacht worden aan een verbinding met teksten uit de hoofse epiek, nl. die welke bij de hoorder een reflexiedimensie veronderstellen, waardoor het handelen van de personages, o.a. wat betreft hun gebondenheid aan hoofse idealen, vanuit een zekere distantie te beluisteren is91. Het gaat hier overigens om een complexe materie, die een uitgebreid onderzoek zou behoeven. Het nu volgende kan daarom niet anders dan een voorlopig karakter dragen.

Een eerste voorbeeld betreft de wijze waarop Beatrijs in de ‘vensterkijn’-scène het gesprek opent. Eerder is geconstateerd, dat dit gekenmerkt wordt door een specifieke, ‘distanzierte’ spreekwijze. De hoorder kan dus vaststellen, dat zij hier op een exemplarische manier de ‘rol’ speelt van een ‘damoisele’, aangezien zij haar spreken normeert aan een hoofse gedragscode92. Vervolgens kan hij vanuit de achtergrond van de literaire voorstellingen hiervan bedenken, dat deze spreekwijze in een wel zeer bijzondere situatie gehanteerd wordt. Het is er haar namelijk niet om te doen om haar gesprekspartner tot een eerste liefdesverklaring aan te zetten, maar tot een verzoek om haar als bruid het klooster uit te voeren. Nu is het zo, dat Beatrijs vanwege haar positie primair aan een religieuze norm gebonden is. Zij is immers niet zomaar een hoofse jonkvrouw, maar tevens een moniale. Op dit punt onderscheidt zij zich van haar literaire prototypes en daarin ligt tegelijk een ‘tweepoligheid’ besloten, die op deze wijze in de hoofse epiek niet pleegt voor te komen.

Als een signaal voor een verstaanswijze in deze richting fungeert naar ik meen een tekstgedeelte uit de inleiding van het gedicht. Dit begint met een beschrijving van de wonderbaarlijke werking van de minne, die als geheel een antithetische structuur vertoont (vss. 37-53). Deze is op modellen uit de profane literatuur terug te voeren93, hetgeen in eerste instantie een verbinding daarmee oproept wat betreft de aard van Beatrijs' liefde. Hierop volgt de boven besproken vertellerswending (vss. 54-61), waarna op een geheel ander register overschakeld wordt:

62
Hier omme en darfmen niet veronnen
 
Der nonnen, dat si niet en conste ontgaen
 
Der minnen diese hilt ghevaen,
[p. 365]
 
Want die duvel altoes begheert
 
Den mensche te becorne ende niet en cesseert
 
Dach ende nacht, spade ende vroe
 
Hi doeter sine macht toe,
 
Met quaden listen, als hi wel conde,
 
Becordise met vleescheliker sonde,
 
Die nonne, dat si sterven waende

Met deze verontschuldiging roept de verteller alle begrip op voor de liefde van zijn hoofdpersoon. Tegelijk echter wordt hiermee de uit de profane literatuur bekende Minne ‘gedevalueerd’ tot een instrument van de duivel. Dit wijst dan niet op een gelijkberechtigd of geïsoleerd naast elkaar van een hoofs-profane en een religieuze norm, maar op een hiërarchische betrekking: Aangezien Beatrijs non is94, kan een toegeven aan haar liefde, hoe edel deze ook qua ‘oorsprong’ moge zijn, toch niet anders dan als zonde beschouwd worden. Hierdoor komt in vergelijking met een profane tekst een ander licht te vallen op een mededeling als: ‘Meneghe worpt si (sc. de minne) ondervoet’ (vs. 49). Nu een non hiervan het object is en daaraan toegeeft wordt dit tot een zware zonde, zoals ook Beatrijs zelf beseft, wanneer zij het klooster verlaat:

213
Minne worpt mi onder voet,
 
Dat ic der werelt dienen moet.
 
...
222
Ic moet in swaren sonden sneven

Wanneer dan de verteller in de ‘vensterkijn’-scène als commentator terugtreedt en het woord laat aan zijn protagoniste, is het aan de hoorder om vanuit de gesuggereerde optiek na te denken over Beatrijs' gedragswijze, hetgeen kan leiden tot een ironische of anderszins distantievolle perceptie. Vandaaruit bezien wordt haar spreken tot een zondigen ‘in stijl’. Blijkbaar acht zij het schandelijk om als eerste op een overhulde wijze haar verlangen te uiten, in plaats waarvan zij met succes een subtiele ‘manipulatie’ toepast. Hierin gehoorzaamt zij een specifiek hoofs gebod, maar dat wel in een situatie, waarin zij zich ernstig bezondigt tegen een voor haar bestaan wezenlijke, religieuze norm. Aan een beoogde distantie is ook te denken, wanneer men reflecteert over Beatrijs' verzoek om ‘troest’ / ‘confort’ in de vss. 113-114 van dezelfde scène. Zoals opgemerkt is maken deze termen deel uit van een hoofs vocabulaire en worden door haar ook geheel in die sfeer gebezigd. Tevens echter kunnen deze een religieuze connotatie oproepen95 en deze ‘tweepoligheid’ is in de Beatrijs geactualizeerd. Wanneer daarin voor het eerst sprake is van het ‘troest’-motief, wordt dit in een zuiver religieuze zin aangewend:

72
Gode bat si ende vermaende
 
Dat hise troeste dore sine ghenaden

Hier bidt Beatrijs God om steun tegen de bekoring van haar lichaam, anders zal zij niet in staat zijn om haar kloosterdienst trouw te blijven. In de ‘vensterkijn’-scène wendt zij zich voor haar ‘troest’ tot de jongeling, waarbij zij verlangt, dat hij haar úit het klooster voert, zodat duidelijk is, dat deze bede volkomen conflictueert met de voorgaande. Bezien we dit vanuit de norm waaraan zij gebonden is, dan wordt een descensie in haar spreken tijdens de

[p. 366]

ontmoeting in het klooster hoorbaar96. Daar ontheiligt zij als het ware de bede om ‘troest’ ondanks de stijlvolle wijze waarop deze geuit wordt, immers: ‘Where two dimensions can exist for the same term and even be seen in conflict, the secular function will be relativised by the religious one...’97.

Hierbij dient ook het tweede gedeelte van het verhaal betrokken te worden. Daarin wendt Beatrijs zich, nadat zij door de jongeling in de steek is gelaten, om steun tot Maria en getuigt op een gegeven moment, terwijl zij zichzelf ‘...een besondech wijf / Ende een onghetroest keytijf’ (vss. 525-526) noemt, van het inzicht, dat voor haar zieleheil alleen deze nog ‘troest’ kan bieden:

 
...
514
Nochtan en constic niet ghedoen,
 
Dat ic van sonden worde vri,
 
Maria, vrouwe, ghi en troest mi

Naderhand, wanneer zij in het huis van de weduwe verblijft, zegt een hemelse stem tot haar:

727
Ganc weder in dinen cloester
 
God sal wesen dijn troester.
 
Doet dat Maria u ontbiet!

Eerder had deze stem meegedeeld, dat Maria haar heeft ‘verbeden’ (vs. 675) en zich zulk een ‘vrient’ (vs. 693) betoont, dat zij al die jaren de kloosterdienst heeft waargenomen. Dit leidt dan tot Beatrijs' onbelemmerde terugkeer naar de staat van bruid van Christus, zodat het geheel van de vertelling demonstreert, hoe de ‘troest’ van God en Maria superieur is aan die van de aardse bruidegom, die juist verderfelijk is voor haar zieleheil en ook volgens aardse maatstaven onvolkomen is. Immers, wanneer de nood aanbreekt, laat deze haar in de steek, waarna blijkt, dat de ware ‘troest’ voor haar bij Maria te zoeken is, ‘die altoes ghetrouwelike / Haren vrient staet in staden, / Alsi in node sijn verladen’ (vss. 862-864)98.

Vervolgens de ‘foreest’-scène. Hierin vergelijkt Beatrijs verontwaardigd de door de jongeling beoogde handeling met de gedragswijze van een publieke vrouw:

347
Soudic beeten op tfelt,
 
Gelijc enen wive die wint ghelt
 
Dorperlijc met haren lichame?
 
Seker soe haddic cleine scame

In een latere fase van het verhaal acht zij zich niettemin gedwongen om haar toevlucht te nemen tot een dergelijke handelswijze:

448
Ic moet gaen dorden noet
 
Buten der stat op tfelt
 
Ende winnen met minen lichame ghelt,
 
Daer ic met mach copen spise

Ook al vanwege een gedeeltelijke identiteit qua woordvormen mag aangenomen worden, dat de dichter bij de receptie een verbinding tussen deze passages beoogde99. Dit bewerkt dan een ironie ten aanzien van Beatrijs' uitval tegen de

[p. 367]

jongeling en daarmee van haar streven om inzake de liefde volgens een hoofse code te werk te gaan100.

Ter vergelijking wijs ik erop, dat het prostitutie-gegeven bij voorbeeld niet voorkomt in de ‘literaire’ Ofr. versies van de ‘légende’, waarin een ‘damoisele’ als hoofdpersoon optreedt. Dit kan steun geven aan de veronderstelling om op dit punt de Mnl. dichter een specifieke opzet toe te schrijven.

Ook vanuit een ander gezichtspunt kan aan een distantie ten aanzien van Beatrijs' uitval gedacht worden: Aan de ene kant is het voorstel van de jongeling ‘onthullend’ te achten voor zijn ‘desmesure’, maar aan de andere kant is het opvallend, dat de verteller, die verder in deze scène terugtreedt achter zijn personages, hieraan de volgende mededeling vooraf laat gaan:

340
(Die ionghelinc sach op die suverlike,)
 
Daer hi ghestade minne toe droech

Dit accent lijkt beoogd te zijn om zijn gedrag in zekere mate te verontschuldigen en neemt in ieder geval de gedachte weg, dat zijn beweegredenen dezelfde zouden zijn als die van bij voorbeeld de ridder in de ‘pastourelle’. Tegelijk roept dit een nadere aandacht op voor het gedrag van Beatrijs, die juist allesbehalve verontschuldigend reageert. Daarmee wordt richting gegeven aan de perceptie, dat zij hier in haar rol van ‘dame’ op een krampachtige wijze vasthoudt aan een hoofse gedragscode en beheerst wordt door een ideologisch automatisme: Wie met een vrouw van haar stand in het open veld de liefde wil bedrijven moet ergo een ‘dorper’ zijn en wie als ‘dame’ daartoe aangezocht wordt moet zich ergo tot een lustobject gedegradeerd voelen. En dat de jongeling jarenlang op haar heeft moeten wachten, in de moeilijkste omstandigheden ‘ghestade minne’ voor haar heeft opgebracht en zijn normale bestaan opgegeven om met haar in ballingschap te gaan vormt voor haar geen reden om ook maar enige clementie in haar oordeel te betrachten.

Daarmee verbonden is, uitgaande van een religieuze optiek, een bespiegeling als de volgende mogelijk: Door haar reactie laat Beatrijs opnieuw zien, hoezeer zij ervoor beducht is om zich te bezondigen tegen een hoofse norm. Aangezien zij echter door haar verbintenis met de jongeling in zware zonden verkeert, is de manier waarop gezondigd wordt, ‘in stijl’ of op de wijze van een ‘vilaine’, als irrelevant voor haar zieleheil te beschouwen, immers: ‘...Nostre Sire ne garde mie a la cortoisie del monde...’101, en: Een toegeven aan het verlangen van haar partner acht zij een daad van schande, doch zelf heeft zij met haar vlucht een schanddaad bij uitstek begaan102.

Vanuit dit gezichtspunt is ook haar verwensing aan het adres van de jongeling onthullend te achten. Zij spreekt deze als volgt uit: ‘Godsat hebdi diet sochte’ (vs. 354). Hiermee zijn verwensingen uit de Ofr. literatuur te verbinden, waarin op dezelfde wijze Gods haat ingeroepen wordt, nl. met de formule ‘(mal) dehé ait’103. In hoofse teksten kan deze aangewend worden met betrekking tot iemand, die handelt in strijd met een hoofse ethiek en in een dergelijke situatie spreekt Beatrijs deze uit104. In een profane context plegen verwensingen van dit type primair te fungeren als een ‘onschuldige’ akoestische figuur ter bekrachtiging van een uiting105. In het geval van Beatrijs is hier echter meer achter te zoeken. Zij is immers gewoon om vanuit een religieuze beweegreden zich tot God te wenden en Diens naam aan te roepen106. Dit leidt tot de bevinding, dat Gods naam ‘ijdel gebruikt’ wordt nu zij Diens haat inroept tegenover iemand,

[p. 368]

die een vergrijp heeft begaan tegen een zuiver profane gedragscode. Bovendien zou zij zelf vanwege háár ‘mesdaet’ (vs. 221) meer reden moeten hebben om voor Gods toorn beducht te zijn.

Nadat de jongeling in het vervolg van deze scène zijn spijt heeft betuigd, schenkt Beatrijs hem vergeving: ‘Si seide: ‘Ic vergheeft u dan’ (vs. 369). In het licht van het voorafgaande biedt deze reactie de mogelijkheid tot verbinding met de rol van een ‘dame’, die als normerende instantie haar partner voor een begane ‘zonde’ absolutie kan schenken107. Bezien vanuit het geheel van het gedicht verschijnt dit evenwel anders dan het geval is in een profane tekst als een beperkt vermogen, aangezien zijzelf voor haar wezenlijke heil in een afhankelijkheidspositie verkeert ten opzichte van God, bij wie de ware vergeving te zoeken is. Reeds voor haar vertrek getuigt zij van dit inzicht, wanneer zij tot God bidt:

 
...
220
Soe moetti kinnen minen noet
 
Ende mine mesdaet vergheven

In het tweede gedeelte van het verhaal is van haar rol als ‘dame’ ook niets meer over. Deze is dan weggelegd voor de ware ‘Vrouwe’. We lezen namelijk, hoe vanaf het moment dat zij berouw ontvangt haar hele streven vanuit de nederige houding van een zondares erop gericht is om door bemiddeling van Maria bij God ‘ghenade’ voor haar overtredingen te verwerven.

 

Nu is het opmerkelijk, dat Beatrijs ook zelf in staat is om vanuit een religieuze optiek na te denken over haar spreken in de stijl van een profane cultuur. Hiervan is sprake in het laatste gedeelte van de ‘foreest’-scène. Daarin verklaart zij, dat indien ze duizend jaar in ideale omstandigheden met de schone Absalon zou kunnen leven, zij daar vanwege haar liefde voor de jongeling niet tevreden mee zou zijn (vss. 372-379), hetgeen zij nog versterkt met een wending van hetzelfde type:

380
Waric in hemelrike gheseten
 
Ende ghi hier in ertrike,
 
Ic quame tot u sekerlike!

Van deze hyperbool zijn in verschillende varianten voorbeelden aan te wijzen in de profane, i.c. hoofse liefdesliteratuur, die daardoor getuigen van de literaire signatuur van Beatrijs' uiting108. Zo komt in de Partonopeu de Blois een passage voor, waarin de verteller naar aanleiding van het liefdesverlangen van de held meedeelt, dat indien hij zich in het paradijs zou bevinden en zijn geliefde op aarde hem een teken zou geven om zich bij haar te voegen, hij daaraan meteen gehoor zou geven109.

In teksten van dit type roept een dergelijke wending geen reflexie op vanuit een religieuze optiek. In de Beatrijs ligt dit anders, zodat aan de geciteerde woorden een bijzondere pregnantie toe te kennen is, nu deze geuit worden door iemand, die als non bruid van de Hemelse Bruidegom was. Wie van daaruit Beatrijs' woorden nader overdenkt, moet wel het ‘gewaagde’ karakter van de feitelijke inhoud daarvan opvallen, waar het in een zuiver profane context om niet zoveel meer dan een stijlfiguur gaat.

Het is dan nu Beatrijs zelf, die zich dit realizeert:

[p. 369]
383
Ay God, latet onghewroken
 
Dat ic dullijc hebbe ghesproken!
 
Die minste bliscap in hemelrike
 
En es hier ghere vroude ghelike

Vervolgens stelt zij de hemelse vreugde tegenover de ellende van al het aardse en geheel vanuit dit inzicht beoordeelt zij haar handelen in de laatste woorden, die we haar in het eerste gedeelte van het gedicht horen spreken:

393
Diere (sc. de hemelse vreugde) om pinen die sijn vroet,
 
Al eest dat ic dolen moet
 
Ende mi te groten sonden keren
 
Dore u, lieve scone ionchere

Hetgeen zij zich hier realizeert kan de hoorder op een meer ingehouden en milde wijze overwegen, wanneer deze nadenkt over de manier, waarop de hoofdpersoon handelt en spreekt in de stijl van een profane ideologie.

De woorden die Beatrijs in het genoemde gedeelte uitspreekt horen evenals die uit de ‘dageraad’-scène over de ontrouw van de wereld (vss. 302-306) thuis in de sfeer van de ‘contemptus mundi’. Deze is o.a. kenmerkend voor de volkstalige legendenliteratuur110. Daarin kan dit gepaard gaan met de voorstelling van een vlucht uit een werelds samenlevingsverband in een toestand van armoede uit liefde tot God. Aangezien de desbetreffende woorden van Beatrijs juist tijdens haar vlucht geuit worden, biedt dit een aanleiding tot een verbinding met teksten van dit type, waaruit dan des te duidelijker zichtbaar wordt hoe haar vlucht precies het tegenovergestelde betekent van een specifiek religieus ideaal. Zij verlaat immers de dienst van God en vlucht uit liefde voor een aardse minnaar de wereld in. Daarbij verwisselt zij haar sobere habijt voor de modieuze en kostbare kleding van een ‘dame’, waarna zij jarenlang van een bestaan in weelde geniet.

Ook een verbinding van deze aard kan voor de hoorder een afstand ten aanzien van haar gedrag bewerken om dan in een volgende fase tot de constatering van een ‘overeenstemming’ te leiden, wanneer deze verneemt, dat Beatrijs als een arme bedelares (vss. 555-558) de ‘terugweg’ aanvaardt.

In de bloeitijd van de hoofse literatuur werden in aristocratische kringen niet alleen profane, maar ook geestelijke teksten zoals legenden begunstigd en beluisterd111. Een dergelijke receptiesituatie kan daarom een rol gespeeld hebben bij de schepping en het verstaan van de Beatrijs.

 

Om nu tot een afsluitende typering te komen keer ik nog éénmaal terug naar de Vie des Pères-versie van het mirakel. Met betrekking daartoe kan gesteld worden, dat de dichter daarvan vanuit een onverhuld moralizerende optiek een vollédige distantie beoogt ten aanzien van de liefde van de non en dat dit gepaard gaat met een voorstellings- en vertelwijze, die geen subtiele reflexie van de kant van de hoorder verlangt.

De Beatrijs verschijnt hierin als een tekst van een ander type, aangezien deze verbonden is met een mogelijke verstaanswijze, die een belangrijke activiteit aan de hoorder laat. Van daaruit zijn raakpunten te constateren met die teksten uit de hoofse epiek, die zowel een verstaan met het ‘oor’ als met het ‘hart’ verlangen112. Op grond hiervan ontstaat de indruk, dat het Mnl. dichtwerk primair bestemd is geweest voor ‘ingewijden’, voor literair geschoolde hoor-

[p. 370]

ders113. Wat betreft de liefde van de personages konden zij dit beluisteren met sympathie vanwege de edele oorsprong daarvan, met begrip en herkenning vanwege de stijl, waarin de hoofdpersoon te werk gaat, maar ook konden zij zelfstándig nadenken over de hoofse wereld van Beatrijs om vooral vanuit het licht van een hogere wereld oog te krijgen voor de beperktheid daarvan.

Zo doet zich het bijzondere feit voor, dat één van de weinige Dietse teksten, die zich op het niveau van een hoofse cultuur bevinden en voor een literair geschoold publiek bestemd geweest lijken te zijn, ‘een scone mieracle’ betreft, gedicht ter ere van Maria.