[p. 17]

Nederlandse deverbatieven op -(e)ling: een geval van tematische motivering*
Johan Taeldeman

0. Inleiding

In het moderne Nederlands komen heel wat gelede woorden voor die bestaan uit een ‘basis’ + het suffiks -(e)ling. De vorm van het suffiks is normaal -eling, maar -ling verschijnt na een basis op -r (b.v. leerling, huurling). Op enkele uitzonderingen na (b.v. de adjektieven/adverbia halveling, mondeling, plotseling) zijn deze afleidingen substantieven die bijna altijd levende organismen benoemen1: planten (b.v. peperling = soort zwam, strepeling = appelsoort, winterling = dolle kervel), dieren (vooral vissoorten: b.v. grondeling, serpeling, smeerling) en vooral personen.

Bij de persoonsnamen op -(e)ling kunnen we naar gelang van de grammatikale status van hun basis drie soorten onderscheiden:

 

(a)afleidingen van werkwoorden: b.v. beginneling, bekeerling, huurling, nakomeling, sterveling, verstekeling, vluchteling, zendeling
(b)afleidingen van adjektieven: b.v. jongeling, lammeling, lieveling, naïeveling, stommeling, vreemdeling, woesteling
(c)afleidingen van substantieven: b.v. dorpeling, hoveling, kloosterling, stedeling.

 

Van de drie types is (c) het oorspronkelijkste. Het suffiks -ling is immers een sekundaire uitbreiding van -ing, dat aanvankelijk vooral diende om patroniemen af te leiden2: c.f. Merovingen, Karolingen, Vlamingen en de vele plaatsnamen op -(e)gem, die teruggaan op [persoonsnaam + ing + a (gen. pl.) + hem] (b.v. Adegem < Ad-ing-a-hem, Bavegem < Bāv-ing-a-hem = respektievelijk de woonplaats van de lieden van Ad(d)0 en Bavo). Door metanalyse van sekwenties als [...l] + ing ⇒ [...l] + ling (b.v. edelingedel-ling) ontstond sekundair het suffiks -ling, dat nu ook aan substantieven gehecht werd om herkomstnamen te vormen: cf. hoveling, kloosterling, oosterling en ook Bruggeling, Ieperling.

Waarschijnlijk via afleidingen als vremdelinc (= persoon afkomstig ‘uit den vreemde’) werd -ling vervolgens ook aangehecht bij adjektieven om eigenschapsnamen te vormen: b.v. lammeling, lieveling, stommeling, wekeling, zwakkeling. Hoewel deze afleidingen aanvankelijk wellicht een neutrale konnotatie hadden (cf. jongeling, lieveling), zijn er mettertijd vooral negatieve eigenschapsnamen ontstaan. Van een eigenschap of toestand naar een passieve rol bij een menselijke interaktie is maar een kleine stap. Aldus ontstonden er ten slotte ook -ling-afleidingen van werkwoorden. Aanvankelijk moeten ze niet-handelende personen aangeduid hebben: enerzijds

[p. 18]

personen die een handeling ondergaan (b.v. huurling, verstekeling, vondeling), anderzijds die aan een (verandering van) toestand onderhevig zijn (b.v. sterveling). Later zijn daar ook enkele afleidingen van handelingswerkwoorden met een ogenschijnlijk aktieve betekenis bijgekomen: b.v. biechteling, smekeling, vluchteling.

In wat volgt gaan we nader in op allerlei aspekten van de persoonsaanduidende deverbatieven op -(e)ling in het moderne Nederlands. We onderzoeken achtereenvolgens (1) de semantiek van die afleidingen, (2) hun produktiviteit en (3) de manier waarop die afleidingen in een generatieve grammatika van het Nederlands verantwoord moeten worden. Daarbij zal ik aantonen dat deze deverbatieven niet uniform in syntaktische termen te karakteriseren vallen, zoals deverbatieven op -er in Booij (1986), maar uitsluitend in semantische termen. In het algemeen is deze bijdrage een pleidooi tegen de stelling (cf. o.a. Moortgat & Van der Hulst 1981 en Beard 1984) dat vorm en betekenis in de morfologie van elkaar losgekoppeld moeten worden.

1. De semantiek van persoonsaanduidende deverbatieven op -(e)ling

Al vroeger (Taeldeman, 1979 en 1985) ben ik ervan uitgegaan dat de elementaire semantische kontoeren van deverbatieven samenvallen met een semantische rol die inherent met het basiswerkwoord samenhangt. (In een Fillmoriaanse grammatika zou men b.v. kunnen spreken van een kasus die tot het kasuskader van het basiswerkwoord behoort.)

Na een onderzoek van alle in Van Dale (1984) opgenomen deverbatieven op -(e)ling blijkt dat ze uiteenvallen in vier fundamentele semantische kategorieën:

(a)Kontra-agentieven (levende wezens waarop de handeling van het basiswerkwoord zich richt): b.v. banneling, bekeerling, dopeling, huurling, kwekeling, leerling,3 verstekeling,3 vertrouweling, zendeling. Hun grammatikale funktie is die van direkt object bij het (transitieve) basiswerkwoord.
(b)Benefaktieven (levende wezens die indirekt bij de handeling betrokken zijn): enkel het purisme bestemmeling (= geadresseerde). De grammatikale funktie is hier die van indirekt objekt.
(c)Experiencers (levende wezens waaraan zich een (verandering van) toestand voordoet): sterveling, mislukkeling. Deze deverbatieven hebben de grammatikale funktie van subjekt.
(d)Agentieven (levende wezens die de handeling van het basiswerkwoord verrichten): b.v. beginneling, boeteling, nakomeling, smekeling, volgeting, vluchteling, zuigeling.4 In elk van die gevallen is het agentiefkarakter zo zwak, dat we in (3) zelfs voor een fundamenteel andere verantwoording zullen opteren. Hun grammatikale funktie is die van subjekt.

Meteen is duidelijk dat zelfs op het elementaire semantische vlak de persoonsaanduidende deverbatieven op -(e)ling als een geval van polysemie te beschouwen zijn. Hoe we die polysemie uiteindelijk ook verantwoorden in onze grammatika (cf. hoofdstuk 3), konceptueel is ze vrij gemakkelijk te verklaren: van de prototypische betekenis ‘persoon die een handeling

[p. 19]

ondergaat’ is het maar een kleine, zelfs niet haarscherp af te bakenen overgang naar ‘persoon die aan een (verandering van) toestand onderhevig is’ en ten slotte naar ‘persoon die nauwelijks aktief bij een (zwakke) handeling betrokken is’. Typerend voor die laatste stap zijn de afleidingen volgeling en vluchteling: die duiden eigenlijk meer op een toestand/status dan op een handeling. Een volgeling is veelmeer een aanhanger van iets of iemand dan een persoon die (letterlijk) de handeling van het volgen verricht. Voor dat laatste heeft zich in het Nederlands trouwens een apart, specifieker agentief op -er ontwikkeld: volger.5 Ongeveer hetzelfde geldt voor vluchteling, dat veelmeer naar een permanente toestand/status van voortvluchtigheid verwijst dan naar de konkrete handeling van het vluchten (cf. de uitdrukking ‘politiek vluchteling’). Met een veel zuiverder agentiefbetekenis heeft zich daarnaast trouwens vluchter ontwikkeld.6 Een ander mooi voorbeeld is inwijkeling: dit woord verwijst eigenlijk niet naar een ‘persoon die de handeling van het inwijken verricht’, maar wel naar ‘iemand die ingeweken is’ en die bijgevolg ‘niet-autochtoon’ is. Een laatste sprekend voorbeeld is loteling: strikt genomen is dat iemand die deelneemt aan een loting (nl. om te weten of hij al dan niet in militaire dienst moet, maar uiteindelijk duikt hier veelmeer het idee op van iemand die zich (vrij passief) aan een lotsbeschikking moet onderwerpen.

De polysemie van deverbatieven op -(e)ling verklaren we dus voorlopig door uit te gaan van één prototypische betekenis (b.v. kontra-agentief), waaruit de andere, minder prototypische betekenissen afgeleid zijn via ekstensieregels. Deze regels impliceren een geleidelijke overgang van meer naar minder prototypische kategorieën.7 Voor (e)ling kan dat ekstensie-schema er b.v. als volgt uitzien:

kontra-agentief > experiencer > (schijnbaar) agentief

Op het denotatieve vlak valt aan de deverbatieven op -(e)ling verder op dat ze heel vaak (b.v. huurling, zendeling, sterveling, loteling, volgeling, zuigeling) opmerkelijke idiosynkratische betekenisverschuivingen ondergaan hebben (m.a.w.. ze zijn heel sterk geleksikaliseerd). Zo is een zendeling niet zondermeer een uitgezonden persoon, maar heel bepaald een geestelijke die naar ‘heidense’ landen trekt/gezonden wordt om de bewoners te ‘bekeren’ Een zuigeling is niet zomaar iemand die zuigt of gezoogd wordt, maar wel een zeer jong kindje (dat vaak nog gezoogd wordt). Sterveling betekent niet letterlijk ‘iemand die sterft’, maar verwijst algemener naar de (= iedere) mens, die sterfelijk is. En zo zouden we nog tal van andere sterk geleksikaliseerde deverbatieven op -(e)ling kunnen aanhalen. Aronoff (1976) poneert - heel terecht - een kausaal verband tussen idiosynkratische betekenisontwikkeling (= leksikalisering) bij de output van een woordvormingsregel (verderop afgekort als WVR) en onproduktiviteit van een WVR. Van het standpunt van de taalgebruiker is dat ook gemakkelijk te begrijpen: wanneer hij/zij konstateert dat de ‘bestaande’ woorden van een bepaald morfologisch type (b.v. deverbatieven op -(e)ling: b.v. huurling, kwekeling, zendeling) heel eigen, onvoorspelbare betekenisaspekten vertonen, heeft hij geen enkele garantie meer dat het

[p. 20]

‘nieuwe’ woord dat hij aldus wil vormen (b.v. opvoedeling, bedriegeling, ontvoerling), door anderen ook helemaal juist geïnterpreteerd zal worden. Bijgevolg zal hij dergelijke nieuwvormingen vermijden.

Hiermee is dus al gesuggereerd wat in het volgende hoofdstuk ook konkreet aangetoond wordt: deverbatieven op -(e)ling zijn niet meer produktief in het hedendaagse Nederlands.

Ten slotte nog een korte opmerking over de konnotatieve status van de deverbatieven op -(e)ling. Oorspronkelijk moet die neutraal geweest zijn (cf. Middelnederlands leerlinc, ervelinc, inwoonlinc), maar uit de betekenis ‘persoon die iets ondergaat’, moet er zich geleidelijk een ietwat negatieve konnotatie van zwakheid (en bijgevolg geringschatting) ontwikkeld hebben zodat -(e)lingweldra vooral (maar niet uitsluitend, cf. leerling, vertrouweling, zendeling) aangehecht werd bij werkwoorden met een intrinsiek (vrij) negatieve konnotatie: cf. banneling, drenkeling, verstekeling, verschoppeling, verstoteling. Diezelfde verschuiving konstateren we trouwens ook bij de afleidingen van adjektieven. Aanvankelijk waren die neutraal (cf. edeling, jongeling, lieveling / Eng. darling < dear-ling), maar al gauw kregen ze bij voorkeur een negatieve konnotatie. Vandaag de dag worden ze dan ook vooral van intrinsiek negatieve adjektieven afgeleid: cf. lammeling, naïeveling, slappeling, stommeling, woesteling, zwakkeling.8 De konnotatieve parallellie tussen deverbatieve en de-adjektivische afleidingen op -(e)ling wijst erop dat mettertijd -(e)ling op zichzelf die negatieve konnotatie kon gaan dragen.

2. De produktiviteit van persoonsaanduidende deverbatieven op -(e)ling

Produktieve WVR's bieden de taalgebruiker de mogelijkheid om spontaan volgens het door de WVR bepaalde procédé nieuwe gelede woorden met een voorspelbare (basis) semantiek te vormen. Als we dat nu toetsen aan de WVR [[X]V+ (e)ling] N (persoon) dan komen we tot de bevinding dat dit voor geen enkele (hierboven besproken) semantische kategorie (nog) mogelijk is:

kontra-agentief : oafdankeling, oaftroeveling, oontvoerling, oopvoedeling, oschakeling, oplageling, overradeling, overwerpeling.9
benefaktief : ogeveling, overkopeling
experiencer : oopbloeiling, ostinkeling, overdwijneling, o(in)woonling
(schijnbaar) agentief : odromeling, obuweling/trouweling, ostakeling, otreurling.

Dit is een duidelijke indikatie dat er in het Nederlands van nu geen nieuwe deverbatieven op (e)ling meer gevormd worden. Deze konstatering geeft aanleiding tot twee vragen: (a) hoe lang is dat al zo en (b) welke woordvormingsmiddelen zijn er in de plaats gekomen? Om een idee te krijgen van de ouderdom van de bestaande -(e)ling- deverbatieven hebben we het Middelnederlands Woordenboek en het Woordenboek der Nederlandse Taal nagekeken.10 Daarbij is gebleken dat een kleine minderheid

[p. 21]

van die afleidingen (vooral kontra-agentieven) al in het Middelnederlands voorkwamen (b.v. ballinc, huurlinc, leerlinc, verstekeling, nacomelinc, drenkelinc)11 maar de grote toevloed is duidelijk in de 17de à 19de eeuw te situeren (b.v. aankomeling, beginneling12, beschermeling13, biechteling, boeteling, dopeling, kwekeling, loteling, opstandeling, pandeling, smekeling,14 sterveling15. In 1847 schreef Te Winkel (1847) dan ook dat het suffiks - (e)ling nog heel levenskrachtig was. Dat is zelfs amper driekwart eeuw geleden nog uitvoerig bevestigd door Speyer (1913):

‘De levenskracht van onzen afleidingsuitgang d.w.z. -(e)ling is nog even frisch als ooit, zijn scheppend vermogen onverzwakt. Niets getuigt hiervan beter, dan de vele neologismen, die zonder schroom hunne intrede doen en zich met meer of minder geluk handhaven.’
(Speyer, 1913:41)

Speyer citeert ook werkelijk een aantal eigentijdse neologismen (met bron): b.v. zakkeling (= iemand die voor een eksamen gezakt is), hechteling (< Duits Häftling?), verplegeling, berechteling, afhangeling, enz. Alleen al het feit dat geen enkele van deze nieuwelingen nog in het hedendaags Nederlands voorkomt, wijst erop dat het in deze eeuw wel pijlsnel bergaf moet zijn gegaan met de produktiviteit van onze WVR [[X]V+(e)ling] N (persoon)

 

Zo'n stroomversnelling is enkel mogelijk als de ‘aflossing van de wacht’ al een hele tijd bezig is. Kijkend naar het Nederlands van nu hebben we het niet moeilijk om die aflossers/vervangers aan te duiden:

- Met de betekenis van kontra-agentief (= direkt object) is -(e)ling nu vervangen door het gesubstantiveerde voltooid deelwoord: cf. afgedankte, bedrogene, ontvoerde, geschaakte, verdoemde (arch. verdoemeling), verworpene (vroeger verwerpeling).

De WVR [[V.D.] + e ] N (kontra-agentief persoon) is bijzonder produktief in het hedendaagse Nederlands. Enkel door de relatieve kracht van ‘blocking’ (zie Taeldeman, 1985) kunnen - voorlopig? - een aantal kontra-agentieven op -(e)ling overleven. Die met een heel speciale betekenisontwikkeling (b.v. huurling, leerling, zendeling) hebben zelfs een ruime kans om zich definitief te handhaven.

- Met de betekenis van experiencer of (schijnbaar) agentief (= subjekt) heeft -(e)ling nu de plaats moeten ruimen voor WVR [[X]V + er] N (persoon):

(experiencer)   laatbloeier, stinker, inwoner
(semi-agentief) : aankomer (voorlopig (?) enkel Zuidnederlands), beginner (naast beginneling), slaper (naast verouderd slapeling), smeker (naast smekeling), staker, trouwer, zwerver (naast verouderd zwerveling).

Waar de afleiding op -(e)ling geen idiosynkratische betekenis ontwikkeld heeft, zal ze het mettertijd moeten afleggen tegen haar jongere konkurrent op -er, ook al kan ‘blocking’ die vervanging hier en daar enigszins vertragen.16

[p. 22]

Booij (1986) wijst dan ook terecht op een zich uitbreidende produktiviteit van -er naar die gevallen waar de genoemde persoon (of zaak) een subjektsfunktie heeft. Uitzonderlijk treffen we -aar (allomorf van -er) ook aan in plaats van -(e)ling in kontra-agentieve afleidingen: gijzelaar (= gegijzelde) en martelaar (= gemartelde + specifieke betekenis-elementen)17 Hier kan er echter geen sprake zijn van een recente aflossing van -(e)ling door -aar/er. Ten eerste behoren deze afleidingen niet tot het grammatikale domein van -er(het zijn immers direkte objekten), ten tweede zijn ze al in het Middelnederlands geattesteerd (cf. Middelnederlands Woordenboek). De verklaring ligt hier in een oude fonologische restriktie op WVR [[X]V + (e)ling] N (persoon)

in die zin dat -ling niet (meer) aangehecht werd bij basissen die zelf op - l eindigen.18 In zulke gevallen schakelt men over op een qua semantiek enigszins verwant patroon, in casu op ww.stam + er, dat eveneens persoonsnamen aanduidt.19 Aan de ambiguïteit van gijzelaar in het hedendaagse Nederlands en aan de relatie tot het jongere gegijzelde zijn er enige tijd geleden twee korte bijdragen gewijd: Vervoorn (1974) en Godschalk (1976).

Samenvattend kunnen we stellen dat

WVR [[X]V + (e)ling] N (persoon)
in de loop van deze eeuw volledig op non-aktief geplaatst is. Na een periode van strijd heeft hij het volledig moeten afleggen tegen andere procédé's:
kontra-agentief (objektfunktie) ⇒ [[V.D.] + e] N
experiencer/semi-agentief (subjektf.) ⇒ [[X]V + er] N

Door de relatieve kracht van ‘blocking’ blijven tal van -(e)ling-deverbatieven voorlopig (?) buiten schot van de konkurrentie (b.v. banneling, beschermeling, verschoppeling, mislukkeling, boeteling) maar in vele andere gevallen verliezen ze zienderogen veld tegenover hun jongere konkurrenten (b.v. verdoemeling/verdoemde, beginneling/beginner, smekeling/smeker, zwerveling/zwerver). Uiteindelijk zullen wellicht enkel die deverbatieven op -(e)ling overleven, die een totaal idiosynkratische betekenis ontwikkeld hebben: b.v. huurling, kwekeling, leerling, zendeling, sterveling, loteling, vluchteling, volgeling, zuigeling. In dat geval kan er immers sprake zijn van een zinnige koëksistentie met de jongere afleiding (cf. vluchteling/vluchter, volgeling/volger).

3. Verantwoording in een (generatieve) grammatika van het Nederlands.

Aangezien de hedendaagse Nederlandse taalgebruiker (nog steeds) in staat is het residu van de deverbatieven op -(e)ling als zodanig (in hun morfologische en semantische geleding) te herkennen, dient een moderne Nederlandse grammatika één of meer - weliswaar onproduktieve - WVR's m.b.t. deze deverbatieven te bevatten. We hebben slechts één WVR nodig als we de -(e)ling-deverbatieven onder één gemeenschappelijke grammatikale noemer kunnen brengen.

[p. 23]

Randall (1984) signaleert twee fundamentele types van grammatikale informatie waarop een WVR kan ingrijpen: grammatikale funktie en tematische rol. De eerste soort is overwegend van syntaktische aard: ze geeft aan wat de syntaktische funktie van de afleiding in een zin met het basiswerkwoord zal zijn.

cf. verstoteling : direkt object
  bestemmeling : indirekt objekt
  beginneling : subjekt

De tweede soort is van semantische aard: ze geeft aan wat de tematische rol van de afleiding zal zijn in een zin met het basiswerkwoord.

cf. verstoteling : kontra-agentief
  sterveling : experiencer
  beginneling : semi-agentief

Bij z'n onderzoek naar Ndl. deverbatieven op -er komt Booij (1986) tot de bevinding dat ze heterogeen zijn wat de tematische rol betreft:

cf. speler : agentief
  opener : instrumentalis (door reïnterpretatie uit agentief)
  meezinger : objektief (affektobjekt)20

Op het vlak van de syntaktische funktie echter vertonen ze alle (met uitzondering van sommige objektieven als aanrader, bijsluiter, doordenker, overgooier, enz.) het kenmerk dat ze in een subjektpositie t.o.v. het basiswerkwoord verschijnen:

cf. arbeider : Hij arbeidt
  opener : Hij opent de fles
  meezinger : DAT LIED zingt makkelijk mee (medio-passief).

Booij (1986) komt dan ook tot de konklusie dat we het hier - wegens die homogeniteit qua syntaktische funktie - fundamenteel kunnen stellen met één WVR:

[[X]V + er] N = subjekt

De afleidingen zijn immers alle ‘subject names, because the basic effect of the suffix -er is that it binds whatever θ-role is linked to the subject position of the base verb’ (Booij, 1986: 507). De polysemie verantwoordt hij door op de prototypische betekenis ‘Personal Agent’ de volgende ekstensieregel toe te passen:

Personal Agent > Impersonal Agent > Instrument

[p. 24]

Intuïtief kan men geneigd zijn om de deverbatieve afleidingen op -(e)ling als de objekttegenhangers van die op -er te beschouwen, maar hierboven is duidelijk gebleken dat ze een erg heterogene groep vormen qua syntaktische funktie.21 Voor de afleidingen op -(e)ling kan dan ook slechts een verantwoording via één WVR overwogen worden op grond van een eventuele homogeniteit qua tematische rol.

Als we - zoals hierboven - met min of meer klassieke semantische rollen blijven werken, dan ligt die semantische homogeniteit niet direkt voor de hand (cf. kontra-agentief, benefaktief, experiencer en (semi-)agentief).

Laten we echter de (primaire) semantiek van de -(e)ling-deverbatieven nog even opnieuw bekijken en onze bevindingen vervolgens konfronteren met andere voorstellen (binnen de generatieve semantiek) m.b.t. tematische rollen van NP's.

De grote meerderheid van deze deverbatieven noemen een persoon die een handeling ondergaat (b.v. bekeerling, dopeling, kwekeling, verstoteling, zendeling) of aan een (verandering van) toestand onderhevig is (b.v. sterveling, mislukkeling). Daarnaast/daartegenover (?) staan nog een 15-tal afleidingen van handelingswerkwoorden die op het eerste gezicht een agentiefrol aanduiden (hierboven semi-agentief genoemd): aankomeling, afstammeling, beginneling, biechteling, boeteling, inwijkeling, loteling, nakomeling, opkomeling, slapeling, smekeling, vluchteling, volgeling, zuigeling en zwerveling. Gaan we echter wat dieper in op de semantiek van de laatste 15 afleidingen, dan blijkt dat de meeste veelmeer naar een ‘persoon in een bepaalde toestand/met een bepaalde status’ dan naar een handelende persoon verwijzen:

b.v. aankomeling : (1) die pas aangekomen is, nieuweling, beginner (in een wetenschap/ambacht)
  (2) jongeling, jong meisje
  beginneling : beginner/nieuweling in een vak, iemand die voor het eerst/
  onervaren in de openbaarheid treedt
  inwijkeling : (purisme voor immigrant) iemand die niet autochtoon is
  nakomeling : persoon die afstamt van iemand anders
  opkomeling : purisme voor parvenu
  vluchteling : cf. supra
  volgeling : cf. supra
  zuigeling : (1) kind dat nog gezoogd wordt
  (2) zeer jong kindje
  zwerveling : iemand die geen vaste woonplaats heeft

Een beperkter aantal duidt op (de bereidheid tot) onderwerping aan een rituele handeling:

b.v. biechteling : iemand die zich onderwerpt aan het sakrament van de biecht
  boeteling : iemand die zich aan boete wil onderwerpen/die een straf ondergaat
  loteling : iemand die zich voor de militaire dienst aan een loting moet onderwerpen (of dat gedaan heeft)

[p. 25]

In al die gevallen is de notie ‘handelende persoon’ dus wel erg ver op de achtergrond geraakt.

In feite duiden alle deverbatieve afleidingen op -(e)ling op EEN PERSOON DIE EEN HANDELING ONDERGAAT OF AAN EEN (VERANDERING VAN) TOESTAND ONDERHEVIG IS. Dat is precies het domein waaraan generativisten als Gruber (1965), Jackendoff (1972) en Anderson (1977) de semantische/tematische rol van ‘theme’ (in tegenstelling tot ‘agent’) toegekend hebben.

Op die manier is het dus toch mogelijk de Ndl. persoonsaanduidende deverbatieven op -(e)ling onder één semantische noemer te vatten: het zijn tema-woorden voor personen.22 Bijgevolg zijn ze te verantwoorden via één WVR van het volgende type:

[[X]V + (e)ling] N (persoon, tema)23

Meteen hebben we een globaal kader geschetst waarbinnen de polysemie van deze afleidingen te situeren is. Uitgaande van de prototypische betekenis ‘persoon die een handeling ondergaat’ kunnen we door ekstensie komen tot de andere, hierboven gesignaleerde basis-betekenissen. De polysemie gaat echter nergens de semantische rol van tema te buiten.

De hierboven geformuleerde regel heeft echter, zoals al gezegd werd, nog enkel een terugkijkende/analytische funktie. Als bron voor de vorming van nieuwe Nederlandse woorden heeft hij uitgediend. De behoeften waarin hij tot voor vrij korte tijd (gedeeltelijk) voorzag, worden nu gedekt door twee andere, produktieve WVR's, waarvan het domein primair vanuit de syntaktische funktie af te bakenen is: de nieuwe(re) subjektwoorden zijn nu steevast van het type ww. stam + er(b.v. aankomer, beginner, laatbloeier, zwerver), terwijl de nieuwe(re) objektwoorden nu alle uit het voltooid deelwoord afgeleid worden (b.v. bedrogene, ontslagene, ontvoerde, verdoemde, verworpene). Een primair semantisch gemotiveerd afleidingstype is vervangen door twee primair syntaktisch gefundeerde types!

[p. 26]

Bibliografie

Anderson, S.R., (1977): Comments on the paper by Wasow. In: P.W. Culicover - T. Wasow - A. Akamajian (eds.): Formal Syntax (1977), p. 361-377.
Aronoff, M., (1976): Word Formation in Generative Grammar. Cambridge (Mass.)/London, The M.I.T. Press.
[p. 27]
Beard, R., (1984): Generative Lexicalism. In: Quaderni di Semantica 5, p. 50-58.
Booij, G.E., (1986): Form and Meaning in Morphology: the Case of Dutch ‘Agent Nouns’. In: Linguistics 24, p. 503-517.
Geeraerts, D., (1982): Prototypes en stereotypes. In: Forum der Letteren 23, p. 248-258.
Godschalk, M.C., (1976): Nog eens: gijzelaar. In: Onze Taal 45, p. 67-68.
Gruber, J.S., (1965): Studies in Lexical Relations. Bloomington, I.U.L.C.
Hoekstra, T., (1984): Transitivity. Grammatical Relations in Government and Binding Theory. Dordrecht, Foris.
Jackendoff, R.S., (1972),: Semantic Interpretation in Generative Grammar. Cambridge (Mass.)/London, The M.I.T. Press.
Moortgat, M., H. Van Der Hulst, (1981): Geïterpreteerde morfologie. In: Glot 4, p, 179-214.
Nieuwborg, E.R., (19782): Retrograde woordenboek van de Nederlandse taal. Deventer/Antwerpen, Kluwer Technische Boeken B.V.
Putnam, H., (1975): The Meaning of ‘Meaning’. In: K. Gunderson (ed.), Language, Mind and Knowledge (Minnesota Studies in the Philosophy of Science, VII), p. 131-193.
Putnam, H., (1978): Meaning and the Moral Sciences. London.
Randall, J.H., (1984): Grammatical Information in Word Structure. In: Quaderni di Semantica 5, p. 313-330.
Schultink, H., (1962): De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands. Den Haag, Van Goor Zonen.
Speyer, J.S., (1913): Eenige opmerkingen omtrent de Nederlandsche substantiva met het suffix -ling. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 32, p. 35-46.
Taeldeman, J., (1979): Aronoff's Theory of Word Formation and Deverbal Nominals in Dutch. In: M. Van de Velde - W. Vandeweghe (Hrsg.), Sprachstruktur, Individuum and Gesellschaft (Tübingen, Niemeyer), p. 163-176.
Taeldeman, J., (1985): Afleidingen van het type [GE + ww.stam] in het Nederlands: semantiek en produktiviteit. In: J. De Caluwe en J. Taeldeman (red.), Leksikaal-semantische aspekten van de Nederlandse woordvorming (Studia Germanica Gandensia nr. 3), p. 34-69.
Te Winkel, L.A., (1847): Over de woorden met den uitgang -ing en derzelven geslacht. In: Archief voor Nederlandsche Taalkunde (verzameld door A. de Jager), deel 1 (1847-48), p. 89-122.
Van Dale, (1984): Groot woordenboek der Nederlandse taal. Utrecht/Antwerpen, Van Dale Lexicografie.
Van den Berg, B., (1972): Retrograad woordenboek van het Middelnederlands. 's-Gravenhage, M. Nijhoff.
Van Loey, A.,(19708): Schönfeld's historische grammatica van het Nederlands. Zutphen, Thieme.
Vervoorn, A.J., (1974): Wie is de gijzelaar? In: Onze Taal 43, p. 59-60.
Vossen, J., (1982): Het suffix -er in Nederlandse deverbatieven. R.U. Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling.