[p. 28]

Vondel tussen Van Mander, Heinsius en Hooft
Marijke Spies

‘Een leergierige lette wel op de lessen en regels der kunste, gevonden uit het voorbeelt der treflijckste Dichteren’ schreef Vondel in zijn Aenleidinge.1 Men kan wel aannemen dat hij anno 1650 daarbij vooral de grote klassieke en moderne buitenlandse dichters op het oog had. Maar toen hij zelf nog een aankomend poëet was, heeft hij toch ook goed gekeken naar de coryfeeën in eigen land. In dit artikel wil ik ingaan op de voorbeeldfunctie die met name de poëzie van Van Mander en Hooft heeft gehad bij de ontwikkeling van zijn dichterschap in de jaren 1604-1620.

 

Op invloed van lyriek van Van Mander op Vondels eerste poëtische proeven is vaker gewezen. Al in 1912 signaleerde Burger in zijn grote artikel over Willem Bartjens de opmerkelijke overeenkomst tussen de lofdichten van Van Mander en Vondel op diens Cijfferinge (waarsch. 1604). Hij geeft ter verklaring dat beiden wel geïspireerd zullen zijn geweest door dezelfde titelprent, een veronderstelling die berust op het mythologisch-beschrijvende begin van de twee gedichten. Maar ook als dit waar is - de betreffende prent is bij mijn weten nooit gevonden -, dan nog is de overeenkomst, juist in poëtische dictie, te groot om niet tevens aan een onderlinge relatie te denken.

Een paar stukjes ter vergelijking:

Van Mander
 
Wat schoon bosch guld-appel drichtigh
 
Sie ick hier so groot en dichtigh
 
Daar Hesperi boom-hof soet
 
Soo heel voren wijcken moet?
 
Scheep-rijck Amstel in u vloeden
 
Vloeyt de goetheyt des algoeden,
 
[...]
 
Amstelredam ghy breydt heden,
 
Heel wijd uyt u groeysaam leden,
 
's Werelts ziel een-oogigh niet
 
Nergens als by u en siet
 
Sulck getal van schoon Pegasen,
 
Door Aeolus volck geblasen,
 
Vliegen uyt in menigh hoeck
 
Met so menigh Typhis kloeck
 
[...]
 
[...] u neeringh, u welvaren
 
Daar ontallijck volck by leeft
[p. 29]
 
Is Koophandel die God geeft:
 
[...]
 
Sy voor leyts-vrouw heeft besonder
 
d'Edel Cijpher-konst [...]
Vondel
 
Dees die met haar blont vercierssel
 
Reyckt aan 't uytgespannen swierssel,
 
Die azurigh sit verschoont,
 
En van d'Astren wort gekroont,
 
[...]
 
Dees, wiens speelgenoots met minnen
 
Sijn Zee-Goden en Godinnen,
 
Wiens vloeden heel vergult
 
Met veel rijckdoms zijn vervult:
 
Waar in swart-bepeckte vogels
 
Sweven met hen lichte vlogels,
 
Die Caucasi Dochters Roem
 
Lieflijck plucken als een Bloem,
 
[...]
 
Ghy o Cithon hoogh verheven
 
Van een hoogen Geest gedreven
 
[...]
 
In de Cypher-Konst beraden
 
Leert ghy jeught de rechte graden
 
Hoe den groen-geloofden krans
 
Kroont gerechtigheyts Balans,
 
Om de rekeningen slechten
 
En Koophandel uyt te rechten.
 
[...]

Het is niet alleen de opbouw van het ‘argumentum’ - een mythologisch ingekleed ‘beeld’ van Amsterdam, gevolgd door de lof op Bartjens, berustend op het belang van diens onderwijs, i.c. de rekenkunde, voor de koophandel - die beide gedichten zo op elkaar doet lijken. Ook de metriek, de woordkeus en de manier waarop de volzinnen enigszins stoterig over de versregels heen lopen, wijzen op directe verwantschap.2

Later wees pater Maximilianus voor wat betreft het Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn ((1605.) op Van Manders religieuze lyriek, een suggestie die door M.A. Schenkeveld-van der Dussen hard werd gemaakt in haar artikel in Visies op Vondel, waarin ze heel concreet de overeenkomst met een Epithalamium uit De Gulden Harpe annwees.3

Kijken we naar de andere gedichten van Vondel uit deze eerste tijd, dan blijkt Van Manders invloed zelfs overheersend te zijn geweest. Om te beginnen lijkt me niet alleen het Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn, maar ook het Niew-jaars Liedt van 1607 geïspireerd op teksten in De Gulden Harpe. Ter illustratie citeer ik het begin en het einde van een lied van Van Mander en een van Vondel:

[p. 30]
Van Mander
 
Abrahams God, waer op Jacob betroude
 
En al t'ghetal, der Heylighen vermaert
 
Een Borcht en Slot, waer op David aenschoude,
 
In noots toeval, hoe smal benout, beswaert,
 
Heere ghy waert, alleen sijn toeverlaet,
 
Gheeft troost en raet, dat niet en gaet, verloren
 
Abrahams zaet, Zion wedergheboren,
 
Want fellen haet, baert d'oude slange quaet,
 
Van hooghsten graet, o Bruydegom vercoren
 
V seer, teer, Bruydt, uyt ghenaden bystaet.
 
[...]
 
 
 
Dus verlost snel, o Coninc, Heer der Heeren,
 
V seer, teer, Bruydt, uyt lijden en ghequel.
 
O Coninck wijs, prijs weerdich Heer alleyne
 
In noots afgrijs, spijs, ende claer fonteyne,
 
Den strijt, in't crijt, helpt Zion campen hier,
 
Een listigh Dier, comt haer nu in 't gemoet,
 
Met hoorens soet, als t'Lam, maer sijn uytsprake
 
Luyt op den voet, van die verstoorde Drake,
 
Die haren bloet, uytschiet nijdigh onvroet,
 
Bruydegom goet, in dees groote nootsake
 
V seer, teer, Bruydt, uyt liefden bystant doet.
Vondel
 
De Doot//zeer snoodt// d'Aarde haar pijlen boodt,
 
D'ondeught// verheught// was met haar helsche scharen,
 
Deughd' // vloot // door noot // Dorst haer niet geuen bloot:
 
Haer vreucht// verjeught// veranderd' in bezwaren,
 
Omdat // den padt // der waerheyt wert bestreden
 
De Trouw // met rouw // zeer deerlijck was verplet,
 
Liefd's schadt // Godts stadt // de vrucht int lustich Eden,
 
Een vrouw// (te flouw// Eylaes) elck waas besmet.
 
[...]
Prince
 
Verlaat // dan t'quaat // ghy Princen metter daat:
 
Aansiet// verdreit// noch kruyc' om sijn herboren,
 
Al staat// s'vleesch-raat// en pooght na s'wereldts onmaat,
 
Rust niet // maar vliet // naar Bethlehem vercoren,
 
Beschreydt// v Leydt// soo comt v, mildt te baten,
 
t'Kindt kleyn// dwelck pleyn // v heerschen moet vooral;
 
Want scheydt // Goetheydt// van v (Door s' Deughts verlaten)
 
Dees reyn// Fonteyn/ v Hert' niet suyvren sal.

Inhoudelijk lijken deze twee liederen nogal op elkaar. De verschillen hangen in hoge mate samen met het feit dat het in het eerste geval om een gebedslied en in het tweede geval om een vermaanlied gaat en wellicht ook met een onderscheid tussen de vaak wat collectiever denkende Oude Vlamingen (Van Mander) en de wat individualistische Waterlanders (Vondel). Maar

[p. 31]

waar het mij in dit geval toch vooral om gaat is de stijl met de kunstige woekering van rijmen die het poëtisch gehalte van beide teksten uitmaakt. In De Gulden Harpe zijn ettelijke voorbeelden hiervan te vinden en in het geciteerde geval lijkt Vondel Van Mander zelfs nog te willen overtreffen.4 Het Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn en het daarmee corresponderende Epithalamium van Van Mander laten, naast een overeenkomende Natureingang, iets dergelijks zien. Het is een andere ‘poëtica’ dan die in de gedichten voor Bartjens, maar Keersmaekers merkte al terecht op dat die niet noodzakelijk ‘ouderwetser’ hoeft te zijn, ook al hebben wíj dan ook de neiging aan ‘rederijkerij’ te denken.5

Weer anders van poëtiek is het Oorlof Liedt uit Den Nieuwen Verbeterden Lust-hof van 1607. En ook dit heeft z'n pendant bij Van Mander, en wel in de vorm van een lied van zijn hand in dezelfde bundel. De inhoud is ditmaal nogal verschillend, maar dat doet de stilistische overeenkomst des te duidelijker uitkomen:

Van Mander
 
Jeught laet vreught nu blijcken
 
Phoebus heeft met macht
 
Boream doen wijcken
 
Dies de Lenten lacht
 
Siende oock des couden
 
Winters fel bedwangh// te niet
 
Daerom in de wouden
 
Een Victory sangh// gheschiet.
 
[...]
 
 
 
Driades Godinnen
 
Worden nieuw' becroont
 
In t' bewijs van minnen
 
Tot Adonis toont,
 
Venus soet van wesen
 
Haer bloet aende Roosen // root
 
Al dede Mars desen
 
Lyden een soo boosen // doot.
 
[...]
Vondel
 
D'wijl Saturnus vluchtigh
 
Die ons heeft vergaart
 
Ons nu scheyden zuchtigh
 
Doedt: gheheel bezwaart
 
Neem ick met verlanghen
 
Oorlof aan u mijnen// lust,
 
Gh'ebt mijn hart bevanghen,
 
Ick verwacht naar pijnen// rust.
 
[...]
[p. 32]
 
Noeyt minnaar ghestadigh
 
Als ick dynen knecht,
 
Min Hero weldadigh,
 
Die u hayren vlecht
 
Als Diana chierigh
 
My van ghelijcken// gheriefd',
 
Groeyt in liefde virigh,
 
Troost my laat blijcken// de liefd'.

Beide liederen zijn op dezelfde melodie geschreven (‘De reyn liefde virigh’), wat een deel van de overeenkomst verklaart, anderzijds zelf een indicatie van afhankelijkheid kan zijn. Maar beslissend is ook hier weer de ‘poëtica’ van beide versjes, die in dit geval ligt in het spel met een reeks mythologische figuren.6

De beide andere teksten van Vondel in Den Nieuwen Verbeterden Lusthof volgen in poëtisch opzicht niet alleen Van Mander, maar ook een paar gedichten van Heinsius uit diens Emblemata Amatoria.7 De Dedicatie Aende Ionck-vrouwen vant Nederlandt (resp. Vriesland ende Overyssel) put voor wat betreft de inhoud weliswaar uit Van Manders Wtlegginghe op den Metamorphosis Ovidii,8 maar het hele idee van een dergelijke opdracht moet teruggaan op Heinsius' Aen de Ionckvrouwen van Hollandt.9 Vorm en dictie hebben echter niets van Heinsius. Vondel schrijft een sonnet, tegenover Heinsius een lang verhalend gedicht, maar vooral mist hij het voor Heinsius zo kenmerkende nadrukkelijke ritme met zwaar aangezette cesuur en versregeleinde, en diens voortdurende herhalingen. De laght van Cupido is duidelijker Heinsiaans. Inhoudelijk lijkt het op diens Aen de Ionckvrouwen van Hollandt en vorm en dictie volgen diens Theocritus (-achtige)-gedichtjes Cupido Honich-dief en Het sterf-huys van Cupido, al herinnert de voorliefde voor mythologische namen toch weer aan Van Mander:

Heinsius
 
De soon van Venus soete man,
 
Die nimmermeer stil wesen kan,
 
Was opgestaen recht voor den dach,
 
Als yeder noch in ruste lach,
 
En ginck al heymelick bespien
 
De honich-korven van de bien,
 
[...]
Vondel
 
In het zoetste vanden tijd
 
Als Zephyrus Flora vrijd
 
[...]
 
Quam Cupido Venus zoon
 
s'-morghens tot sijns Moeders throon,
 
Eer Tithons Bruyt met verlanghen
 
Verthoond haar bloeyende wanghen.
 
Venus lagh in ruste zoet
[p. 33]
 
Die door Lethes wert ghevoed:
 
Cupido met heusscher spraken
 
Onverziens haar deed ontwaken,
 
Moeder riep hy slaapt ghy zaght:
 
K' neem oorlof ick ga ter laght.
 
[...]10

De zes gedichten waarvan tot nu toe sprake was zijn alle ondertekend met de zinspreuk ‘Liefde verwinnet al’ en vertegenwoordigen als zodanig de beginperiode van Vondels dichterschap.11 Hij richt zich in deze tijd geheel naar het voorbeeld van de meest gezaghebbende dichters uit zijn omgeving. Van Mander was geloofsgenoot, woonde vanaf 1604 tot zijn dood in 1606 in Amsterdam en stond daar blijkens wederzijdse lofdichten in contact met Bartjens en Zacharias Heyns, die op hun beurt bekenden van Vondel waren.12 En Heinsius' emblematabundel was uitgegeven door de Amsterdamse uitgever Hans Matthijsz en naderhand samen met Den Nieuwen Lusthof - aan de ‘Verbeterden’ heruitgave waarvan Vondel vervolgens zijn bijdragen leverde - uit het fonds van diens weduwe overgenomen door Dirck Pietersz Pers.13 Er zijn bij mijn weten in die tijd ook geen anderen wier werk Vondel zo nabij komt. Na 1607 verandert dat. Het eerstvolgende gedicht dat we van zijn hand kennen, waarschijnlijk van 1609, ondertekent hij niet alleen met zijn eigen naam, maar is ook heel anders van stijl en toon.

 

Rond 1610 komt Vondel in de ban van Du Bartas. Elders heb ik aangewezen dat het weer Van Mander was, die bij de verbreiding van de invloed van deze dichter op de Nederlandse poëzie een centrale plaats heeft ingenomen. Du Bartas' werk zal Vondel, en hem niet alleen, zo'n tien jaar lang blijven biologeren.14 Maar daarnaast maakt de invloed van Van Mander ook plaats voor die van andere, jongere, Nederlandse dichters. S.F. Witstein heeft indertijd aangetoond dat hij met de Wtvaert en Treur-Dicht van Henricus de Groote (waarschijnlijk van 1610) Abraham de Konings ‘tragedi-comedie’ over hetzelfde onderwerp volgt.15 Zijdelings zij opgemerkt dat hij het aan De Koning ontleende skelet vervolgens aankleedt met beschrijvingen en homerische vergelijkingen die de invloed van Du Bartas verraden. Belangrijker is echter, ook al in deze vroege jaren, de invloed van P.C. Hooft. Dat Vondel bij het schrijven van Het Pascha, omstreeks 1610, naast Du Bartas vooral Hooft voor ogen heeft gehad, is al aangewezen door W.A.P. Smit.16 Maar ook in het eerste gedicht uit deze nieuwe periode van zijn dichterschap is, als ik het goed heb, al Hoofts stem te horen. Het betreft hier beider gedichten op het bestand. Hooft schrijft zijn gedicht Op het Bestandt bij een door Willem Jansz Blaeu uitgegeven prent, die ter gelegenheid van de bestandssluiting verscheen.17 Vondel zal het zeker gekend hebben. Ik citeer een stukje uit de ‘peroratio’:

 
[...]
 
De wijse Vaders door lange' oeffeningh ervaren,
 
Die geenen kommer, moeyt, noch sware kosten sparen,
 
Maer waken, dagh en nacht, met hart, sin en verstandt,
 
Sorghvuldelijck beducht voor 't liefste Vaderlandt,
[p. 34]
 
Waer van sy het bestier met rijpe reden mennen;
 
Die grootelijcks van hem haer vryheydt waerd erkennen,
 
In haer gemoeden vol van heete danckbaerheydt,
 
Hem hebben dus een Beeldt te rechten toegeleydt.
 
[...]

Weer vormt niet zozeer de inhoud - die nu eenmaal bepaald was door de gelegenheid - een argument om aan beïvloeding te denken, maar de stijl. Zulke, in goedlopende alexandrijnen gevatte, natuurlijke volzinnen had Vondel nog niet eerder geschreven:

 
Den Heemel krijgens zadt, erbermt sich onser quaaten:
 
Kastiljen wort beweegt den Vreede ons aan te biên,
 
De Staaten leenen 't oor, dies wy verwondert, zien
 
Het vreedemaakend volk genaaken onze paalen.
 
[...].18

Vooral de gedragen, beschouwende toon doet aan Hooft denken. Du Bartas schreef zo niet en ook in Nederland zou ik - met uitzondering misschien van Abraham de Koning, van wie ik echter geen tekst van vóór 1610 ken19 - niemand anders dan Hooft weten van wie Vondel dit zou kunnen hebben geleerd.

Het blijft een enigszins wankele argumentatie, maar juist ook gegeven Hoofts invloed op Het Pascha denk ik toch dat we vooralsnog aan moeten nemen dat hij in deze tijd Van Mander aflost als Vondels belangrijkste nationale voorbeeld. Er komen natuurlijk ook anderen van wie hij de kunst afkijkt. Abraham de Koning, Roemer Visscher, wiens ‘typische conversatietoon’ Porteman beluistert in Den Gulden Winckel van 1613,20 Philibert van Borsselen, van wiens Strande (1611) Vondel gebruik maakt in zijn, waarschijnlijk eveneens uit 1613 stammende, Hymnus, ofte Lof-Gesangh, over de wijd-beroemde scheeps-vaert der Vereenighde Nederlanden.21 Vondel, dat is het beeld dat zich aftekent, zit met zijn neus boven op de nieuwste ontwikkelingen. Maar Hooft is facile princeps. Behalve Du Bartas en Van Borsselen volgt Vondel in de Hymnus over de wijd-beroemde scheeps-vaert de rede van de Vecht uit diens Geeraerdt van Velsen, die datzelfde jaar uitgekomen was.22 Daarnaast is Hoofts invloed aan te wijzen in het Zedigh Gedicht Vande Ydelheyd der Menschen en Wanckelbaerheyd der Koningh-Rijcken van ca. 1614, en in De Bruiloft van den Heere Iakob Iakobsz Hinlopen en Sara de Wael en het - bijbehorende? - Huwelijcks Lof van 1618.

Het Zedigh Gedicht behandelt in negentien vierregelige strofen het thema van de ijdelheid van aardse macht. In de eerste elf strofen worden de argumenten voor en tegen de wereldlijke macht afgehandeld. In de volgende acht wordt een beroep gedaan op de toehoorder om, indachtig de dood, af te zien van alle aardse ijdelheid en zich over te geven aan God. Als zodanig sluit het gedicht aan bij de humanistische schoolrhetorica. Ongetwijfeld heeft Vondel zijn argumenten daar ergens vandaan, uit Stobaeus' Florilegium, de Progymnasmata van Aphthonius, of een soortgelijk werkje. Het beweegt zich daarmee in dezelfde regionen als de reeks paradoxale lofdichten over rijkdom, liefde e.d. van Coornhert, Visscher, Spiegel en

[p. 35]

Bredero, waar ik eerder de aandacht op vestigde.23 Ueberhaupt krijgt men trouwens de indruk dat Vondel in deze jaren bezig is zich rhetorisch te scholen. De Hymnus over de wijd-beroemde scheeps-vaert getuigt daarvan en in nog sterker mate de Hymnus of Lofzangh vande Christelijcke Ridder (ca. 1614), al is de argumentele structuur daar in een allegorisch jasje gehuld. Ook Hooft voegt zich in de rij van paradoxale lofdicht-auteurs, en wel met het gedicht Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen, waarin hij op zijn beurt de rijkdom onderuit haalt. Qua onderwerp staat hij dichter bij Coornhert en Bredero, die over hetzelfde schrijven, dan Vondel. Wat Hooft en Vondel echter verenigt en hen tegenover de anderen stelt, is weer vooral de vorm: in plaats van de zesregelige strofen met het rijmschema aabccb die de anderen allen hebben, bij hen vierregelige strofen met gekruist rijm en die dan bovendien geschreven in regelmatige zesvoetige jamben:24

Hooft
 
Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen
 
Of bedde dat soo sacht als vaecke slapen doet,
 
Weet yemant beter smaeck in dranck, als dorst te wijsen
 
Of cooptmen dees om gelt, soo acht ick rijck sijn soet.
 
 
 
Indien de winter meer sijn handen vreest te sengen
 
Aen 't armelijnen voer, als aen een wollefs vel
 
Of kan een ruim palaijs veel meer gemacks in brengen
 
Als maetlijcks huis begrip, soo wenscht ick rijckdoom wel.
 
 
 
[...]
 
 
 
Maer soo de cleeren die vant goudt en silver craken,
 
Met glinsterich gesteent en perlen dicht beseijt
 
Sijn geen bequamer dracht, als sijd of wolle laken,
 
Dat met seer luttel, oft geen steecksel is benaeijt;
 
 
 
[...]
Vondel
 
Elck heeft gebiedens Lust, elck tracht naer hooge staten,
 
Na eenen Tytels glans, na Myters, Staf en Croon,
 
Na Bisdom, Graeflijckheyd, en Rijcken boven maten:
 
Elck wil als aerdsen God hier bouwen zynen Throon.
 
 
 
Indien sulcx heyl aenbrocht, ick wild oock daer na streven
 
Om 't ampt eens Vorsten, Graefs of Koninghs te bekleen,
 
Maer overmids sulcks heyl aenbrengen kan noch geven,
 
Verfoey ick 't al gelijck, en acht van allen geen.
 
 
 
[...]
 
 
 
De Croon al schencktse een Son van Gout en Dyamanten
 
Is haer een lastigh pack: de zyde en purper dracht
[p. 36]
 
't Lijf noopt met ongemack: de Dienaers en Trawanten
 
Haer 't harte beven doen, en sorgen dagh en nacht.
 
 
 
[...]25

Behalve de vormovereenkomst valt ook het vergelijkbare spelen met tegenstellingen op. Hooft doet dat veel eleganter, en wat bij hem uiteindelijk neerkomt op een liefdesverklaring:

 
[...]
 
 
 
In plaetse dan van een van Godes beste gaven,
 
Soud ick vercrijgen niet dan ijdelheit en rouw,
 
Indien dat ick verliet om overvloet van haven,
 
Om staet of swerelts eer, een waertverkoren vrouw.

loopt bij Vondel uit op een doperse vermaning:

 
[...]
 
 
 
Wech dan met d'ydelheyd! daer so veel duysent menschen
 
In stellen 't hooghste goet en 't alder-opperst heyl:
 
Wort Vorsten uws gemoets, wat wildy schoonders wenschen?
 
Dees deughd is ongemeen, nochtans voor yder veyl.
 
 
 
[...]
 
 
 
Verliest u selven dan en word uyt God geboren,
 
In dien ghy anders haet der sonden slaverny,
 
En uws Ziels vryheyd lieft, ghy werd als uyt verkoren,
 
Gesalicht en gesalft, tot sulcken heerschappy.25

Natuurlijk, een verschil in ideologie tussen de neostoïche Hooft en de doperse Vondel was vanaf het begin al aanwezig. In de gedichten op het bestand besluit Hooft met dank aan Maurits:

 
[...]
 
[wy] vieren in ons' hart met danck en lof, alsins
 
De weldaedt en de deught van den Nassauschen Prins

en Vondel met dank aan God:

 
[...]
 
Van vreugde golven vyers ten heemel opwaart vaaren,
 
Men offert lof en dank den Heere der Heirschaaren,
 
Die nu in loutre vreugt doet eyndigen ons leet.26

En terwijl de Vecht aan het slot van de Geeraerdt van Velsen oproept tot maatschappelijke deugd, eindigt de Hymnus over de wijd-beroemde scheepsvaert, die op de rede van de Vecht is geïspireerd, met een soortgelijke

[p. 37]

oproep tot bekering als het Zedigh Gedicht.27 Maar hier heb ik haast het gevoel dat Vondel Hooft kapittelt.

Het gedicht Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen was in 1611 gepubliceerd in de uitgave van Hoofts Emblemata Amatoria, Vondel zal het dus zeker gekend hebben. Hetzelfde geldt voor het lied Voochdesse der gemoeden, waarvan ik een zekere weerklank beluister in Vondels Huwelijcks Lof van 1618. Veel duidelijker echter is de invloed van Hoofts Bruyloftdicht ten Huwelijke van Adriaen Wouterszoon Verhee en Katharine Gerrits Kop - gepubliceerd in 1618 in de uitgave van Otho Vaenius' Emblemata - op Vondels gedicht De Bruiloft van den Heere Iakob Iakobsz Hinlopen en Sara de Wael, dat aan dit Huwelijcks Lof vooraf gaat.28 Met name in dit laatste gedicht wordt de indruk van kapitteling, of, minder extreem geformuleerd: van het poneren van een christelijk alternatief tegenover Hoofts zoveel aardser liefdesopvatting, nog veel duidelijker gewekt. Het Bruyloftdicht van Hooft begint, na een aanspraak tot de bruidegom, met een oproep tot de huwelijksgod Hymen om samen met Min aanwezig te willen zijn en een smeekbede aan Venus, als godin van de generatieve liefde, het paar te willen begunstigen:

 
[...]
 
Zijt gunstigh Hymen, stiert u gang tot dezer stede,
 
En brengt uw' broeder den gekruyfden Min doch mede,
 
Den Min, die, met u, uyt een moeders schoot gebaert,
 
Nae Vaeders strengheidt, en nae Stiejvaêrs hitten aert.
 
Ghy heilge Venus, o, die lieflijk doet verwoeden,
 
En laeft met hemels zap de blakende gemoeden
 
Der dieren, dien ghy 't hart met uwe kracht doorsnijdt!
 
't Gevogelt snaversnel, in 's jaers verjeughde tijdt,
 
Bevaên met minne, doet ghy quelen, tjilpen, schreeuwen;
 
En knoopt, door 't teelen, een eyndloozen draedt van eeuwen.
 
De struyrsse buyen zyn, Godin, voor u gedweegh,
 
En vlieden van uw' komst, en stuyven uyt den weegh.
 
[...]
 
O eewigh liefste lust van menschen en van Goden,
 
Zijt gunstigh aen dit paer, [...]

Vondel wijst, in het begin van zíjn huwelijksdicht, Hoofts conceptie, en de mythologische verbeelding daarvan, met zoveel woorden af:

 
De wulpsche en wufte Min, die dartele gemoeden
 
En onbeslepe jeugt beheerscht, en helpt aan 't woeden;
 
[...]
 
Ick mein Cupido (voor wiens boogh en schichten vloden
 
Misleide zielen, en belachelicke Goden)
 
Hier uitgesloten blijf. De kuische en eerbre Trouw
 
Kent hem noch Venus niet, noch eerde noit een vrouw,
 
Opborrelende uit schuim, en die, met natte bairen,
 
In't boot van parlemoer te Cypers quam gevaren.
[p. 38]

Hooft moge zijn verbeelding uit Lucretius hebben en Vondel uit Van Mander, dat maakt de onderlinge afhankelijkheid er niet minder duidelijk om.29 Dit mede gezien het vervolg van beider gedichten. Hooft beschrijft nu eerst de aankomst van Venus, die zich neervlijt in het gereedstaande huwelijksbed. De bruid echter stribbelt tegen:

 
[...] Wat's dit? Ghy sammelt schoone Bruydt,
 
Uw wakkre voetje sleept, en traentjens springen uyt,
 
Die't lieve blinken, van uw ooghjens heel beswalken.
 
Is't errenst? oft-geveynst, om 't zelschap te verschalken?
 
[...]
 
Van Moey en Moeder scheur 't op haer verslingert kindt,
 
Voor wien de bittre noodt een eeuwigh scheyden spint!
 
Dit roept uw droef gelaet: [...]

Bij Vondel is het niet Venus, maar ‘zuivre Liefde’ die het paar uitnodigt zich te verenigen, maar ook Sara de Wael wil niet. Bij haar is het de vader, die ze niet verlaten wil:

 
[...] De Bruit, aan't overwegen
 
Van dit gewightigh stuck, stont stom, en gansch verlegen,
 
En sprack ten lange leste: o droeve en leide Maar!
 
Mijn hals verworpt dit juck. dat pack valt my te zwaar.
 
Een andren aan te slaan: mijn vader laten varen,
 
Wiens drempel zedigh my betrouwt is te bewaren;
 
[...]

Bij Hooft volgt hierop een uitvoerige passage waarin allerlei klassieke en moderne filosofen worden aangehaald, blijkbaar een eerbewijs aan de filosofisch onderlegde bruid. Het beslissende argument echter dat haar tenslotte doet toegeven, is het te verwachten kindergeluk:

 
Indien ghy geene stut by henliên kunt bespeuren
 
Voor u beswijkend hart, het wellek yst te scheuren
 
Van Moeder en van Moey, zoo troost u hier dan meê;
 
Dat haest een Wouter, oft een jonge Jan Verhee
 
Uyt u verrijzen zal; [...]

Bij Vondel heeft de Liefde geen filosofen nodig om de bruid zo ver te krijgen, de verzekering dat de bruidegom tevens een vader voor haar zal zijn is voldoende. En de nakomelingschap wordt bij hem niet opgevoerd als belofte, maar als wens in de bede aan de ‘Alscheppende Natuur’, die, als alter ego van Hoofts Venus, al evenzeer ‘schakelde eeuw aan eeuw’. Maar belofte of bede, de bewoordingen zijn in hoge mate dezelfde als die van Hooft:

 
Begunstigh met uw gunst dit waarde paar, o vader,
 
[...]
 
En zegen het, dat, eer de zon de Maaght bestraal,
 
Vit deze twee verrijze een jonge Ian de Waal,
 
Of een Hinlopen, [...]30
[p. 39]

Ik geloof dat de gelijkenis in opbouw en bewoordingen voldoende groot zijn om te mogen stellen dat Vondel hier inderdaad Hooft volgt. Van de duizenden bruiloftdichten die er toentertijd geschreven zijn, heb ik er uiteraard maar een beperkt aantal kunnen bekijken, maar die ik bekeken heb - in de verschillende liedboeken uit het eerste kwart van de eeuw en in het (overige) werk van Hooft, Bredero, en Starter, alsmede de Neolatijnse poëzie van De Groot en Heinsius - trof ik niets aan dat dezelfde kenmerken heeft. Ook de genrevoorschriften voor het huwelijksdicht zijn niet specifiek genoeg om deze overeenkomsten te kunnen verklaren.31

Het is niet onwaarschijnlijk dat het lied Huwelijcks Lof door Vondel, gewoontegetrouw, geschreven is in aansluiting bij dit huwelijksdicht. Het staat op de wijs ‘Si tanto gratioso’, een melodie waar ook Hooft verschillende teksten op heeft gemaakt. Van een daarvan, Voochdesse der gemoeden, beluister ik iets in Vondels lied. Men oordele zelf:

Hooft
 
Voochdesse der gemoeden
 
Die sonder Circes crachtige venijnen,
 
En sonder gulden roeden,
 
Slaet met u oochs vermogen sonneschijnen,
 
Wie 't levend licht
 
Door sijn gesicht
 
Becoort wort in te suigen;
 
'T harte moet dalen
 
En voor de schone stralen
 
Willich buigen.
 
[...]
Vondel
 
Lof, lof, sy dees Godinne,
 
Die daeg'lijcks 'teen geslacht met t'ander strengelt,
 
En niet door gheyle minne,
 
Als Venus dee, het bloed der wulpschen menghelt,
 
Maer stedelijck, soo sedelijck
 
Kan door haer kracht beweghen
 
Die min verachten,, en echtelijck betrachten
 
s'Hemels zeghen.
 
[...]32

Op zichzelf is dit niet overtuigend, en in de volgende strofen is de overeenkomst nog veel geringer. Maar binnen het perspectief van de verwantschap der bruiloftsdichten geloof ik toch dat we wel mogen aannemen dat ook hier Hooft de inspirator is geweest, al was het maar van de melodiekeuze en de eerste globale aanzet.

 

Tussen de Hymnus over de wijd-beroemde scheeps-vaert en Den Gulden Winckel van 1613 en het huwelijksdicht en -lied voor Hinlopen schrijft Vondel vrijwel uitsluitend religieuze gedichten. Een uitzondering vormt

[p. 40]

alleen De Vorsteliicke Warande der Dieren, een opdracht van Pels, die trouwens eindigt met een vermaning aan de goddelozen.33 In 1618 is er even wat wereldser aandacht: Op de Ionghste Hollantsche Transformatie, àls dat al van dat jaar is, wat drempeldichtjes voor het Iournael van Willem Cornelisz Schouten en Het Licht der Zee-vaert van Willem Jansz Blaeu.34 Maar daarna is het in elk geval tot 1620 weer een en al religieuze aandacht. Daarbij is nogal wat directe belijdenisliteratuur, liederen vooral, geschreven binnen de traditie van de doopsgezinde zangbundels. Ook dáár ligt, naar vorm en inhoud, een nationale inspiratiebron van Vondel. Naar doperse gewoonte zijn deze liederen vaak geschreven op basis van een psalm- of evangelietekst die dan respectievelijk in Nieuwtestamentische zin wordt geduid en betrokken wordt op de gelovigen zelf.35 Zo de Jaerzang en de Hemelvaertzang, die de melodie en tekst volgen van respectievelijk psalm 9 en 8, en de beide Pinxterzangen, van welke de eerste vrij letterlijk de tekst van de handelingen der apostelen weergeeft en de tweede dit gebeuren betrekt op de gelovigen zelf en bovendien, behalve de melodie, ook in de verte de tekst volgt van psalm 100.35 Deze liederen zijn trouwens opgenomen in het doopsgezinde Boeck der Gesangen (Hoorn 1618). Hetzelfde is het geval in Vondels uitbreiding van psalm 122: Davids Lofzangh van Hierusalem, gepubliceerd achter de uitgave van zijn Hierusalem Verwoest (1620).36

Misschien is het deze gewoonte geweest die Vondel er toe heeft gebracht, méér dan alleen van Hooft de kunst af te kijken, hem ook in christelijke zin te willen aemuleren. Nog in 1620 doet hij hetzelfde in zijn Ode op de gheboorte van onse Hollandtsche Sappho Anna Roemers, waarin hij, naar M.A. Schenkeveld- van der Dussen heeft aangewezen, Heinsius volgt èn verchristelijkt. Ook mevrouw Schenkeveld vermoedt hier ‘een enigszins polemische teneur’.37 Zo maakt Vondel de lofprijzing van Rodenburg waar dat ‘hy zijn rymerijen besteed in godzalighe stoffen, en de Rijmkunst niet ont-eert noch verquist in wispeltuur'ghe veerskens’.38