In margine
Vondel benut Lucretius in Lofsang tot Venus, geboortklock 1626
P. Maxilianus1 vermeldt als oudste spoor van Lucretius bij Vondel het eerste motto van Harpoen, 1630: Tantum Relligio potuit suadere malorum, Lucr. 1.101. Het is echter waarschijnlijk, dat Vondel reeds in 1626, of daarvoor, kennis had gemaakt met Lucretius' leerdicht, althans met de beroemde aanhef daarvan. In die richting wijst het epithalaam, dat, in de Geboortklock van 1626, de minnegoden zingen ter ere van Frederik Hendrik en Amalia. Er is verband tussen het eerste deel van dit epithalaam (W.B. 2.784, vs. 413-445) en Lucretius' hymnische aanroeping van Venus als al-teelster en zijn bede tot haar om door haar macht over Mavors dezen tot vrede te bewegen, 1.1-23 en 29-40. Vondel geeft geen vertaling, maar de overeenkomsten zijn duidelijk en talrijk, en een enkele maal van die aard, dat Vondel, of een voorvertaler (een gedrukte Nederlandse vertaling uit die tijd is niet bekend), geacht mag worden de tekst zelf van Lucretius ingezien te hebben. Het sterkst in die richting wijst misschien vers 417, dat kennelijk een echo is van Lucretius vs 2-4:
Wie hemel aerde en zee ontsichelijck staegh vieren
caeli subter labentia signa
Quae mare nauigerum, quae terras frugiferenteis
Vondel, of zijn leidsman, lijkt hier verleid te zijn door concelebras, dat niet zij vieren betekent, maar gij vult, bevolkt en dat zee en landen als objekten heeft.
Hooft had Lucretius' hymne tot Venus reeds in Paris Oordeel van 1607 en in het Bruiloftsgedicht voor Adriaan Verheen en Katharine Kop van 1608 vrij benut (LSt 2.38.237-254 en 1.74.17-20)2. Hooft heeft de passage van Lucretius omgewerkt, de eerste regel van Lucretius gebruikend als slot en bekroning. Vondel, die, bij alle vrijheid van bewerking, de volgorde van Lucretius' verzen aanhoudt en die ook enige regels van Lucretius