|
|
|
| |
De beteekenis van roekeloos.
Antwoord op vraag 12: ‘Wat mag de eigenlijke beteekenis van
roekeloos, vroeger ook wel reukeloos geschreven, toch wel
wezen?’
Roekeloos behoort tot die afgeleide woorden onzer
tegenwoordige taal, welke voor de meeste lezers onverstaanbaar moeten zijn,
omdat hun wortelwoord in onbruik geraakt is. Het zelfst. nw. roek, dat
met den uitgang loos het bijv. nw. roekeloos heeft gevormd, is
thans geheel onbekend. Niet alzoo in het Nederlandsch van vóór
vijf, zes eeuwen. Dus schreef, om een enkel voorbeeld aan te halen,
Dirc Potter in zijn werk Der Minnen
Loep, B. I. vs. 3272:
Ten derden wil ic nemen roeck
Van ongheoirlofde minne te spreken.
en B. II. vs. 2326:
Hier after in dat vierde boek
Daer wil ick des nemen roeck.
Voor dit roeck nemen zeggen wij nu zorg nemen of
dragen, acht geven. Te regt omschrijft dan ook
Ten Kate, Anl. II. | | | | 682, roek,
in verouderden vorm ruke, door zorg, aandacht; waarmede overeenkomt de
beteekenis, door
Ziemann toegekend aan het middelhoogduitsche
ruoch. Het gemelde naamwoord is de wortel van het oudtijds evenzeer, ja
nog meer bekende werkwoord roeken, middelhoogd. ruochen, (onvolm.
verl. tijd rocht, verl. deelw. gerocht), dat is zorgen, bedacht
zijn, zich bekommeren. Zoo leest men in het boven aangeh. werk van
Potter, B. I. vs. 54:
Die Godlicheit te contempleren,
Dat laet ic den theologinen,
Ende den meysteren van medicinen
Sullen der siecken nutscap roecken.
d.i. de geneesheeren zullen acht geven op hetgeen den zieken
nuttig is. Ald. vs. 414:
Si claechde hoir leyt, als si best mochte,
Dat Demofon hoirs niet en rochte.
d.i. dat Demofoön zich om haar niet bekommerde.
Ald. vs. 926:
Weder si schanden hebben off eer,
Des en ruecken si min noch meer.
d.i. daaraan bekreunen zij zich niet. - Deze laatste plaats
geeft ons een voorbeeld van de verwisseling van de oe met de verlengde
u; eene verwisseling, in onze taal en hare verwanten zeer gewoon,
evenzeer als die van ue tot eu, zie
Ten Kate, I. 117, en
Huydec. Proeve v. Taal- en Dichtk. II. 526. Zoo
kennen wij nog tegenwoordig de vormen genoegen, genucht en geneugt;
boekenboom en beukenboom enz. Dat men oudtijds zoowel
ruekeloos en reukeloos als roekeloos schreef, heeft dus
zijn grond in een bloot verschil van dialect en is niets vreemds of
zonderlings, en nog minder iets verkeerds of berispelijks. Te onregt heeft men
derhalve den prins onzer dichteren,
Joost van den Vondel, gegispt wegens zijne
spelling van reukeloos, die hij met velen van zijne tijdgenooten, en
zelfs nog met latere dichters, met name
Antonides, gemeen had. Daaruit volgt evenwel
niet, dat de laatstgemelde spelling thans boven of nevens die van | | | |
roekeloos zou zijn aan te bevelen. De wortel van dit woord is in
al zijne vormen in onbruik geraakt. De gewone lezer, het woord reukeloos
ontmoetende, zou gevaar loopen, daarbij aan het naamw. reuk te denken,
dat wij voor geur kennen, en alzoo in een verkeerd spoor te geraken.
Onze Hoofddichter van den lateren tijd,
Bilderdijk, schrijft dan ook bestendig
roekeloos. Het ontbreekt echter niet aan verdienstelijke schrijvers, bij
wie men reukeloos aantreft, b.v.
Da Costa, De Perzen, bl. 35: ' Ja, een
helsche Godheid bracht hem tot die reukelooze daad.'
en
Wiselius, Mengel- en Tooneelpoezij, I. 115:
Waartoe van voor die spoorloosheden
't Gordijn zoo reukloos opgehaald?
Dez. Nieuwe Dichtbondel, bl. 28:
Verwerp niet reukeloos de u aangeboden eer.
ald. bl. 53:
- Maar spreek: wat bragt u in den zin
Te tarten reukeloos het doodsgevaar? -
Na het aangevoerde zal, voor de aanwijzing der beteekenis van
roekeloos, niet veel omslags noodig zijn. Het woord drukt uit, wat wij
anders zorgeloos, achteloos, plegen te heeten, hoewel het mij voorkomt,
dat bij deze laatste thans meer het denkbeeld van koenheid of vermetelheid
gemist wordt dan bij het eerste. Achteloos en zorgeloos bij
voorbeeld is hij, die uit zuimachtigheid, nalatigheid of traagheid zijn' pligt
verwaarloost; roekeloos is hij, die zonder nadenken en stoutweg
onderneemt wat boven of buiten zijne magt of bevoegdheid is.
A. d. J.
|
|
|