|
|
|
| |
Nog iets over den genitief veels.
Op bl. 309 van de Taalgids, D. I, wordt de meening bestreden,
dat veels in ‘veels te groot’ de genitief zoo wezen van een
substantief, en veels verklaard als een adverbium, dat
welluidendheidshalve eene s voor de t heeft aangenomen. Na het
voor en tegen nog eens overwogen te hebben, kan ik het gevoelen van den
geëerden schrijver nog geenszins deelen. Om alle misverstand voor te
komen, moet ik tot nadere toelichting mijner stelling dit aanvoeren, dat het
volstrekt niet in mijn bedoeling lag veels in het bewuste geval voor
iets anders dan een adverbium te houden. Veels is een bijwoord ten
opzichte van het gebruik in den zamenhang der rede en genitief ten opzichte
zijner afkomst. Wat zijn bijwoorden anders dan genitieven, accusatieven,
locatieven, enz., die absoluut of onafhankelijk in den zin gebezigd | | | | zijn?
Het verschil tusschen de beide opvattingen laat zich dus hiertoe terugbrengen,
dat volgens de eene veels een absolute, d.i. bijwoordelijke genitief is,
en volgens de andere een absolute accusatief, waarbij men ‘om de
uitspraak gemakkelijker te maken’ eene s heeft gevoegd.
Tegen de eerste opvatting valt wel iets in te brengen. Het zou toch
vreemd zijn, dat die genitief slechts in één geval voorkomt,
namelijk dan, als het woord te volgt. Maar daar tegenover staat
weêr de vraag, waarom zou de s alleen voor het woord te
ingelascht worden en niet voor andere woorden, die met eene t aanvangen;
zoo doende zouden we niet veel verder komen. Doch er zijn andere gronden, welke
men tegen de laatste opvatting en ten gunste der eerste kan aanvoeren. We zijn
namelijk niet gerechtigd de inlassching eener s aan te nemen, zoo het
bewijs voor de mogelijkheid van zulk eene inlassching enkel uit het
twijfelachtige geval moet geput worden; ten andere weten wij, dat in een
verwant dialekt, in het Gothisch, de genitief filaus juist in den zin
van ons veels gebezigd werd.
Noch het menschelijk spraakorgaan in het algemeen, noch ons
taaleigen in het bijzonder vertoont de minste neiging om tusschen l en
t eene s in te voegen. De meeste talen van onzen stam, en daar
onder eenige, welke op het punt van welluidendheid zeer fijngevoelig zijn en
aan de eischen hiervan toegeven ten koste der etymologie, dulden zelfs de
verbinding lst niet. De Duitsche talen, althans de hedendaagsche, zijn
voorzeker niet afkeerig van die verbinding, want hun tegenwoordig zamenstel
eischt, dat ze eerder de welluidendheid aan de etymologie, dan de laatste aan
de eerste opofferen. Ze schuwen dus de zamenkomst van lst niet, doch
hieruit volgt nog niet, dat ze voorliefde daarvoor zouden koesteren. Mij ten
minste is niet bekend, waaruit die voorliefde zon blijken; wel is het eene
eigenaardigheid onzer taal eene t tusschen s en r in te
lasschen, we zeggen stroop voor sroop, siroop, en astrant
voor assuraut, en stram voor sram enz. | | | |
Maar dat onze taal neiging zou hebben om tusschen l en
t eene s in te voegen, dat kan, dunkt me, louter en alleen uit
veels en als opgemaakt worden; doch juist in deze woorden moet de
inlassching worden bewezen.
We hebben hier eene onbewezene stelling, waarvoor het bewijs uit een
andere en bewezen stelling moet getrokken worden.
Voor de bewering, dat veels een genitief is, vinden we geen
geringen steun in het Gothisch, waar filaus = veels gansch niet
ongewoon is. Zoo lezen we in den IIden zendbrief aan de
Korinthiërs, VII: 13: ‘Inuh this gathrafstidai sium
aththan ana gathrafsteinai unsarai filaus mais faginodedum ana fahedai
Teitaus,’ d.i. ‘Daarom zijn wij vertroost, doch in onze
vertroosting verheugden wij ons veel meer in de vreugde van
Titus.’ De statenvertaling wijkt zeer van den Gothischen tekst af, zoodat
men beide vertalingen naauwelijks vergelijken kan; genoeg zij het op te merken,
dat hetzelfde Grieksche woord door Ulpihlas met ‘veel meer’ door
onze bijbelvertalers met ‘overvloediger’ is weêrgegeven. -
Andere plaatsen, waar filaus, steeds van ‘meer’ gevolgd,
voorkomt, zijn Kor. II: 8, 22; Skeireins V, c. en
VII, c. Nog eene plaats uit de Skeireins, waar
filaus van den comparatief ‘minder’ vergezeld is, moge hier
benevens de vertaling volgen Namelijk Sk. III, d. staat: ‘Svaei sijai
daupeins Iohannes ana midumai tvaddje ligandei, ufartheihandei raihtis
vitodis hrainein, ith minnizei filaus aivaggeljons daupeinai’, d.
i. ‘Zoodat de doop van Johannes in het midden van de twee is
gelegen, wel is waar de reinheid der wet overtreffende, maar veel minder
dan de doop des evangelies.’
Hoe het komt, dat in het Gothisch bij comparatieven de genitief
filaus staat, is licht te verklaren. De genitief vervangt in de Duitsche
talen, gelijk in het Grieksch, den ablatief van afstand. De afstand, die twee
voorwerpen scheidt, het verschil, hetwelk tusschen beide bestaat, wordt
aangeduid door den ablatief of genitief. Dus moet het woord, | | | | dat bij
comparatieven en positieven door te voorafgegaan, den afstand bepaalt,
in den ablatief staan.
We kunnen, meen ik, als uitkomst van ons onderzoek nu vaststellen:
Men mag de invoeging eener s tusschen l en t niet
aannemen, zoo lang een dergelijk verschijnsel nergens anders wordt waargenomen
dan in twee gevallen, waar de s even goed op andere wijze te verklaren
is, en verder: als in het Gothisch hetzelfde woord met dezelfde kracht in den
genitief voorkomt, is er niet de minste reden om onze taal het recht te
ontzeggen, van dien genitief gebruik te maken, waar het pas geeft.
|
|
|