Taal en Letteren. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 7. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1897


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 265]

Het Nederlands aan gymnasia.

Het is, geloof ik, nodig de tegenwoordige toestand van het onderwijs in de Nederlandse taal aan onze gymnasia eens uiteen te zetten, omdat er zoveel zijn, die maar niet kunnen begrijpen, dat alles zo anders heeft moeten worden: die integendeel menen, dat veel van dat nieuwerwetse overdrevenheden zijn aan de jeugd eigen, en hopen dat zij mettertijd wel bekomen zullen om alles, zodoende, weer op de oude manier ingericht te krijgen. Laat mij hen maar dadelik teleur stellen: ‘die schönen zeiten sind vorüber’, onherroepelik zijn ze weggevaagd of op het punt om weg te gaan, net als de zwaluwen tegen de tijd van storm en regen. En het waren mooie tijden, vooral voor de docenten der oude talen, want men nam 'en spraakkunst, 'en grammaire raisonnée, waarin het levende Nederlands als 'en dode taal behandeld werd; de leraar dekreteerde van ziju plaats voor de jonges wat Nederlands was en wat niet; de jonges geloofden het of dèden ten minste zo - of wel ze lieten ook deze lessen in spraakkunst bij zich neer glijden: het liet hen volkomen koud, dat Nederlands. Ook de leesboeken waren geschreven in ‘behoorlik’ Nederlands en hadden dus hetzelfde sukses bij de lieve jeugd. Hierbij werden de Nederlandse docenten geholpen door de klassieke kollegaas, want het gelijkmatige, het aan een norm gebondene, waarbij voor iedere tijd en naamval één vorm was en deze alleen; dat was het juist wat hun te pas kwam bij het onderwijs. De jonge, die op de lagere school en in de eerste klas van 't gymnasium gewend was aan een paradigma van de man, des mans, den man(ne!), den man, die wist niet beter of in iedere taal was dat zo en in het Latijn en Grieks was het het allermoeilikst wel, maar daarom ook het mooist, als je der eerst maar achter was. Zo diende het Nederlands als een hulpvak van het Latijn, en of nu een gewone jonge z'n eigen denken in z'n eigen taal zo beschaafd op papier kon zetten als hij dat zeggen kon, dat kon niets schelen; want ook hierin, in het opstel, was iets artistiekerigs het mooiste; wie het beste een essay kon schrijven als een Hildebrand over het Water of Varen en Rijden, als een Jonathan over de Schaatsenrijder, die was wezentlik echt klassiek ontwikkeld en zelfs een spoortje van de navolging van die grote mannen verhoogde de waarde, als een fijn aroma

[p. 266]

een pudding in gastronomiese waarde doet stijgen. En hoe verder men zich afhield van het gesproken woord, hoe beschaafd dan ook, des te klassieker was het. En klassiek-zijn was de hoogste lof die er voor Nederlands proza te behalen was. Zover brachten jonges het natuurlik nooit, maar die grote mannen uit hun leerboeken, die zo ontzettend ver afstonden van hun gedachtenleven; die, als ze eens wezentlik de school waren binnengekomen, met genadige knikjes zouen hebben gekeken naar die lieve jeugd, bezig om te proberen hun manier van schrijven - na te apen; kortom die zo hoog en zo droog waren, ja die mannen, dat waren nu onze klassieken.

En zo ging het voort, ons schoolleventje, en de gewone jonges leerden een banaal, kleurloos taaltje schrijven, waarin een opstel net zo goed door de een als door de ander onder hun geschreven kon zijn, zonder de pit die er in iedere jonge zelf zit en die weer anders is bij allen; de artistieker ontwikkelden vonden hun eigen weg, sommigen mischien wel na heftige botsingen tegen de krietiek; maar de meesten met - ook zij noch - last van het laffe schrijftaaltje, dat hun eerste geestesvoedsel geweest was.

En ook toen Heemskerk z'n wet op het Hoger Onderwijs voor 'n twintig jaar aangenomen zag in de beide Kamers, had hij zeker geen iedee van de afwijking van het klassieke pad, die er het gevolg van zou wezen. En toch is hij en de voorstemmers voor die wet de oorzaak van deze tijd van overgang, die we nu beleven.

Wat toch was het geval? Er werd een doctoraat in de Nederlandse letteren geschapen en daarvoor werden andere eisen gesteld dan alleen op de hoogte te zijn van onze letterkunde. De beoefening van het Goties, de vergelijking van de Nederlandse spraakkunsten uit verschillende perieoden van onze taal waren studieën, die gedeeltelik buiten onze grenzen gingen; dit vóór het kandiedaatseksamen; daarna werd het taalgebied dat men doorkruisen moest noch ruimer en verloor het zich zelfs in een wazige verte: het veld van de vergelijkende taalstudie, nu niet alleen maar die van het Nederlands in verschillende tijdperken, maar van het geheel van Germaanse talen, tot men doordrong tot een mythies verleden, een Oer-Germaanse tijd; ja daarover heen noch tot in de wazige oertijd, toen de voorvaders van bijna alle Europese volken met die van Armenieërs, Perzen en Indieërs een volkstam vormden, hoewel ook toen reeds met verschil van taal in verschillende gedeelten van hun gebied. Terwijl hierbij terloops Grieks en Latijn behandeld werden - en dan noch uit een tijd vóór het klassieke, ja uit opschriften te bestuderen, en ook nà de klassieke tot de overgang in de Romaanse talen toe - dus overzien van een hoger standpunt dan de student vroeger op het gymnasium had ingenomen; terwijl, zeg ik, Grieks en Latijn daarbij niet

[p. 267]

bevoorrecht werden boven Slavies en Kelties, werd de kennis van een andere taal, het Sanskriet, wel vereist en daarmee deze minstens gelijkgerechtigd beschouwd als de oude klassieke talen. Dus er werd wel voor ruimte van blik gezorgd, en om nu toch niet geheel het biezondere voor het algemene te verwaarlozen werd de kennis geëist óf van het Middel-hoogduits met z'n rijke letterkunde óf die van het Angelsaksies. Koos men het eerste dan lag natuurlik een dieper gaande studie van het Oud-hoogduits voor de hand. Dat men toen geen kennis van een levend Nederlands diealekt geëist heeft in plaats van die buitenlandse, alleen uit boeken te kennen talen, mag niet als grief worden gebruikt tegen die wet, want juist dóór de vergelijkende taalstudie - maar ook niet eerder - is men aan die eis gekomen. Dus dat de wet in dit opzicht wijziging nodig heeft is eenvoudig een gevolg van de wet zelf.

Deze grieve nu daargelaten - ik hoop daar noch op terug te komen - welk een ander gezichtsveld lag daar voor onze ogen, toen we die hoogte beklommen hadden; ofschoon ik moet zeggen dat niemand van mijn kennis tot het ware besef gekomen is van het gebruik, dat er te maken was van die ruimte van inzicht, dan nà tot op de allerhoogste hoogte gekomen te zijn, pas na de promotie en dan noch niet eens allen. ‘En wat de ene zag, moest de ander toch ook zien!’ Men zou het zo denken, maar er zijn een groot aantal onder de weinigen die in de Nederlandse Letteren studeren, die het doen uit liefhebberij voor de Geschiedenis; die zoeken na hun promotie 'en betrekking in dat vak en zien dus 'en andere kant uit als die waar de voor hen vervelende velden van taalstudie liggen. Anderen zijn er die door het toeval geroepen worden om naast Geschiedenis ook Nederlands te geven aan 'en gymnasium in alle klassen; en zie! soms vallen hun dan eindelik de schellen van de ogen en zij overzien, wat zij nooit zo mooi gezien hadden, ja vinden - om in het beeld te blijven - in de streken rondom hen, aan hun voeten, noch veel meer moois dan ze vroeger in de wazige verte gezien hebben. En dan zijn er natuurlik ook die veel te bijziende zijn om dat te zien en zich maar gaan verdiepen in het verklaren van teksten, het gebrilde oog gebogen over handschriftfolieanten of leren kwartijnen.

Maar degenen, die nu wezentlik tot het besef gekomen zijn van het heerlike van dat hoge standpunt, zij moeten in de praktijk van hun onderwijs in botsing komen met de oude taalopvatting.

Zij hebben b.v. op hun colleges van vergelijkende Nederlandse spraakkunst bestudeerd de Middelnederlandse taal en gezien welk een massa vormen er voorkomen in de verschillende handschriften, al naar gelang de schrijver of kopieïst uit het Oosten, Braband, Vlaanderen of Holland

[p. 268]

kwam; een veelheid, waarin wel eenige eenheid te brengen is, maar toch geen absolute eenvormigheid. En bij nadenken zijn zij tot de gevolgtrekking gekomen: iedere schrijver schreef zo als hij zelf sprak, wat woordvormen en konstruksie aangaat; een kopieïst veranderde woorden of klanken, omdat hij schreef voor z'n eigen streek, waar het door de schrijver geschrevene vreemd klinken zou. Uit die veelheid van vormen en de geschiedenis vol strijd tussen de onderdeelen van die Lage Landen bij de zee, zou men niet eens de gevolgtrekking mogen maken dat er één beschaafde, algemeen begrepen spreektaal was. De eenheid onder de Boergondieërs zal ook meer eenheid gebracht hebben in het beschaafde gesproken woord.

Maar sla nu de grammatica van Vondel op, Vondel de bij uitstek klassiek ontwikkelde Amsterdamse burgerjonge, zelfs bij hèm vindt men geen eenheid, en wat lag nu voor de hand te konstateren? Dit: ook nu, nu wij leven, is er geen eenheid, wel een schijnbare in regels geformuleerde, in het schrijven, maar in het spreken absoluut niet. En bekijk die regels eens op de keper. Hoe komen de regelaars, vulgo spraakkunstschrijvers er aan? Door van elkaar af te schrijven, door willekeurig uit veelheid van vormen één te kiezen, ja door zich de duim in de mond te steken! Schrijvers, die elkaars regels tegenspreken; sprekers, die zich van een veelheid van vormen bedienen, maar die dan ook verstaanbaar overal, voor zover ze tot de beschaafde kringen behoren! Wat te kiezen? Ligt het niet voor de hand te gaan redeneren: wat is schrijven? Het in beeld aanduiden van de gesproken klank. Waar dus van uit te gaan? Van die klank en niet van het krabbeltje, vulgo letter.

Daarmee trad dus de docent niet meer op, als vroeger, als de wetgever op taalgebied, maar eenvoudig als de leider van de jonge om te leren uitgaan van de klank, waar hij vroeger, door langs de weg van de lettertekens te lopen in een dufriekend, naargeestig labyrinth was gekomen.

Maar er was noch meer: waar hij, de docent, zag dat de afwijkingen onderling van Middelnederlandse auteurs zich - zij het dan ook in mindere mate, omdat er meer eenheid gekomen was - herhaalden in onze bloeitijd en zelfs nu, nu er weer een vrijheidsoorlog op het kunstgebied is uitgebroken, tussen de schrijvers, die toch alle nagenoeg hetzelfde onderwijs genoten hebben; moest hij daar niet inzien - ook al was hij geen physioloog om het op grond van verschillende lichaamsbouw te doen - moest het hem niet in het oog springen, dat dat verschil een verschil van indieviedu was? En was datzelfde verschil nu niet op te merken bij zijn jonges?! Dus niet alleen van de klank uitgegaan, maar ook van het indieviedu! Maar in ieder geval: geen enge norm, waarbij de leraar de alleenzaligmakende taalpaus is. Het enige wat hij

[p. 269]

mag eisen is dat datgene wat z'n jonges schrijven algemeen verstaanbaar is voor beschaafden.

Met deze eis, die de leraar stellen moet, hangt nu samen de eis die 'en jonger geslacht voor 'en leraarsontwikkeling stelt en die zich uit als 'en grieve tegen de Wet op het Hoger Onderwijs. Waarom nu bij de studie voor het Doctoraat niet, in plaats van tot biezonder vak het Mhd. of Ags. te nemen, één van de nu in ons land levende streekspraken genomen? Waarom niet óf Fries, óf Saksies, óf Frankies en dan zoveel mogelik in alle perieoden van hun bestaan, om naast het vroeger-geschrevene voor kontrôle het nu-levende te kunnen plaatsen en het spreken-van-nù met z'n van het algemeen Nederlands afwijkende klinkers en tweeklanken te verklaren uit de oudere vormen of de analogie met andere noch levende. Die eis is, dunkt mij, niet ongegrond. De tijden zijn veranderd of bezig te veranderen, de wet moet 'en betere richting aanwijzen.

Maar plaats nu die leraar in z'n klassieke omgeving, waar het Nederlands altijd gediend heeft als hulpvak van het Latijn! Het gevolg zal zijn teleurstelling bij de leraren in oude talen over het verlies van hun assistent. Dat Frans, Duits, Engels andere regels hadden dan 't Latijn, daaraan waren ze gewoon; de heren die in die talen les geven, mochten gerust overgaan tot de dierekte klank-metode; zij, de klassieken, verloren er niet bij, maar nu ook voor het Nederlands de dierekte metode geëist wordt op wetenschappelike gronden, nu slaan ze de handen in elkaar van verbazing, dat zo iets mogelik is. Ergernis, ja strijd is er het gevolg van! En toch mogen wij niet anders handelen, ons wetenschappelik geweten verbiedt ons het Nederlands langer als een dode taal te behandelen. Wij moeten van de klank, van het indieviedu uitgaan.

Een paar staaltjes van die strijd. In onze spraakkunsten staat: het naamw. deel van het gezegde staat in de eerste naamval. Je moogt dus niet schrijven: hij is den soldaat, dien ik gezien heb. Het zou ook noch al dwaas zijn als iemand het dee, maar als meester baas is over de taal, slikt een kind ook zoo iets wel, al spreekt ook niemand zo. En toch als wij een van de weinige woorden, waarbij wij noch kunnen horen of we met 'en subjektsvorm te doen hebben of niet, gebruiken, dan zien we dit: ieder beschaafd Nederlander zegt: als ik hem was. Nu, en is dat nu een subjektsvorm? Is dan in hij is de soldaat enz., de soldaat een subjektsvorm? In het ene geval zo min als in het andere; maar dan mogen we ook niet schrijven de maar den! Juist, maar dit kleine voordeeltje hebben we nu aan het Latijn te danken - je mag er toch wel iets van hebben, niet waar! Immers in het Latijn staat het naamw. deel van 't gezegde in de eerste naamval, dus, zeggen de heren van de

[p. 270]

grammaire raisonnée, in 't Nederl. ook, - en als ik hem was, als ik jou was? Welnu, dat zijn uitzonderingen!! Zo is het dus gekomen, dat we toch wel in een niet-subjektsvorm de subjektsvorm zonder n mogen schrijven bij mannelike woorden. Genoemde heren doen buiten hun weten mee aan de vereenvoudiging van de schrijftaal. Leve 't Latijn!

'En andere kwestie: de hele Nederlandse niet-klassiek ontwikkelde burgerij zegt Kúpido, ook de jonges van de eerste klas, die bij het Latijn noch niet zo gauw aan Ovidius en z'n Amores toe zijn; de docent laat dat passeren op 'en publieke les in bijzijn van 'en curator. Die z'n klassiek gevormd hart berst van spijt over die verguizing van de heerlike talen der Oudheid. ‘U moest die jonges zulke dingen afleren!’ Jawel! om hen later ook met minachting op het grote volk van Nederland te doen neerzien, dat niet-klassiek ontwikkeld is, dat niet eens weet dat je moet zeggen Cupìdo! Nee, dat mag niet! Ze zijn Nederlanders en willen ze nu toch de Latijnse klemtoon overnemen, dat is hun zaak, maar de leraar in 't Nederlands moet er op wijzen hoe het aksent in de taal vaak verspringt, wanneer het buitenlandse woord genaturaliezeerd wordt;1) de tijd van dekreteren is onherroepelik voorbij, zelfs bij 'en andere soort van verschil in klemtoon als het veel gebruikelike notúlen naast het meer gewone nótulen, het aan 't Frans ontleende naast het klassieke aksent.2)

De gehoorzaamheid is aan de klassieken opgezegd en de opstand wint veld.

Zal die strijd ten nadele van het onderwijs komen? Ik geloof het niet, wanneer n.l. de klassieke leraren zich in de omstandigheden weten te schikken en dat zullen ze wel moeten.

Wanneer allerlei dingen, die voor het Latijn nodig zijn te weten, door ons niet meer tot ons vak gerekend worden, dan moeten zij ze zelf doceren, maar daar staat tegenover, dat nu het Nederlandse onderwijs 'en opfrissing is in de jonges hun eigen taal, in litteratuur die hen nader staat dan vroeger het geval was, en dat zal gunstig moeten werken op de vorderingen in andere vakken. Altijd n.l. wanneer onze kollegaas in de klassieke talen niet over onze slavenopstand blijven mopperen of zuchten, maar eenvoudig leren begrijpen, dat wij niet anders kunnen, niet anders mogen doceren. Dat ook deze nieuwe iedeën over onderwijs - in hoofdzaak altans - de gevolgen zijn van onze wetenschappelike opleiding.

J.B. Schepers.