Taal en Letteren. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 7. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1897


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 271]

Vondel's zang op Oldenbarneveld.
Fragment eener studie uit de portefeuille van J.A.F.L. Baron van Heeckeren.

De indruk, dien de dood van Oldenbarneveld op Vondel gemaakt had, werd een keerpunt in zijn leven. Van dat oogenblik is hij waarlijk Vondel en onze grootste en meest Nederlandsche dichter geworden.

Het kan toch niet ontkend worden, dat de romeinsche wapenrusting, die hij aan Virgilius en Ovidius ontleende, evenals P.C. Hooft die borgde van Tacitus, wel eens te zwaar bleek en hem belemmerde in zijne vrije bewegingen. Maar gelukkiger dan zijn zoo even genoemde groote mededinger, had hij een te opbruischend gemoed om niet tusschenbeiden, harnas en schild ter zijde werpende, zich te vertoonen in geheel zijn natuurlijke grootte en kracht. Hoe schoon komt dan zijn reuzengestalte uit; hoe vlug zijn dan zijn bewegingen, hoe vast is dan, om met Beets te spreken, de stap zijner knieën. En daar waar het godsdienstvrijheid geldt, stijgt het gemoed van Vondel steeds in laaie vlam op. In den grijzen staatsman meende hij den martelaar van de godsdienstvrijheid te zien. Waar het diens dood en de vrijheid van geweten geldt, daar is hij niet meer de naar schoone woorden zoekende dichter, niet meer de navolger van roomsche of grieksche zangers, maar de met den Heiligen geest vervulde vloekprofeet, die niet ophoudt het: wee u, wee u! uit te roepen over de bewerkers van gewetensdwang.

Zoo lang hij leefde heeft hij niet opgehouden te wijzen op den moord van Oldenbarneveld; waar hij sprak van diens dood, daar vond hij geen woorden krachtig genoeg om zijn afschuw uit te drukken; geen geesel scherp genoeg om ze te doen neerkomen op den rug der rampzaligen, die medeplichtig waren geweest aan die Staatsmisdaad. Evenwel had ook zijn ijver voor godsdienstvrijheid tijd noodig om tot volkomen wasdom te komen. Vreemd moge het schijnen dat de meeste en krachtigste gedichten, waarin hij den gewetensdwang bestrijdt niet van 1619, maar

[p. 272]

van 1626-1629 dagteekenen, doch het is een eigenschap van Vondel, dat zijn dichtvorm klaarblijkelijk tijd en oefening noodig heeft om zich naar zijn denkbeelden te voegen. Wie toch zijn gedichten bestudeerd heeft, weet dat van al zijn kunstgewrochten, die wij thans het meest bewonderen, de kiem en de gedachten reeds aanwezig zijn in vroegere gedichten en dat deze alleen in schoonheid van vorm voor de lateren onderdoen.

In verscheidene gedichten heeft Vondel den dood van Oldenbarneveld bezongen, maar hij heeft dit het schoonste gedaan in zijn Jaargetijde van wijlen Johan van Oldenbarneveld, Vader des Vaderlands. Wij willen de schoonheden van dit onovertref baar meesterstuk trachten te ontvouwen.1)

Allereerst zien wij in het dichtstukje een opeenvolging van handelingen.

Zie, daar treedt de grijsaard met zijn stoksken voor onze oogen, daar nadert hij het schavot; daar wordt zijn boezem opengescheurd; daar knielt hij neder; daar wordt het zwaard opgeheven; daar valt zijn hoofd; daar stijgt zijn geest ten hemel; daar ziet hij neder op de aarde; daar aanschouwt hij hoe zijn lijk mishandeld wordt. Is dit alles niet handeling? En in die handeling, welk eene schoone volgorde en welk eene treffende tegenstelling van het woelen en woeden der wereld, met de rust en vrede der ziel.

Eerst ziet gij aan de eene zijde het razen eener godlasterende synode, het woeden van een naar bloed dorstend gerechtshof, en aan de andere zijde het rustig voortstappen van een grijsaard, die zijn hoofd op een schavot moet neêrleggen, en dan weêr hoort gij het weeklagen des vaderlands, het jammeren van Europa, het tieren van een grauw, dat zijn handen wascht in het lauwe en versche bloed, en daarboven de vergevende stem eener in God gestorven ziel. Waar wij den veroordeelde aanschouwen, zien wij niets dan licht en grootheid; overal elders, nacht en boosheid.

Het dichtstuk bestaat uit coupletten van vier regels, bestaande uit zes lange en zes korte lettergrepen. De tweede en vierde regel zijn daarentegen verzen van drie voeten of van drie lange en drie korte lettergrepen. Het zijn dus eigenlijk halve alexandrijnen. In deze maat wordt de statigheid der alexandrijnen uitmuntend getemperd door de gebroken regels, die er op volgen.

Reeds in den aanhef spreekt de dichter tot ons gevoel en onze verbeelding als hij op den verjaardag van zijn dood ons voert bij het graf van den vermoorden staatsman.

[p. 273]
 
's Lands treurspel weer verjaart, om wiens gedoemde trouwe
 
Als wees en weeuw in rouwe
 
Bedrukt en troosteloos treurt Hollands goe gemeent
 
Op Grootvaers koud gebeent.

In de geschiedenis onzer letterkunde komen twee tijdperken voor van volk-opwekkend leven, het eerste viel in omtrent de jaren 1615 tot 1655, het andere tusschen 1785 en 1825. Beide tijdperken hebben groote overeenkomst met elkander. In beiden zijn godsdienstvrijheid en vaderland schering en inslag van de gedichten. In beiden nemen ook de zoogenaamde lierzang en het lierdicht de grootste ruimte in.

Maar bij veel overeenkomst is er toch ook menig verschil. Wat de lierzang betreft, zoo moet men aan het eerste tijdperk verre weg den voorrang toekennen. De volksaard leeft zooveel krachtiger. De lierzang is de uitstorting van het diep geschokt gevoel en daarom wars van alle gekunsteldheid en langgerektheid. Doorgaans verraadt de aanhef reeds aanstonds of het hart des dichters al dan niet werkelijk is aangedaan. Als hij eerst na lange omwegen komt tot zijn onderwerp, men kan verzekerd zijn dat zijn gemoed nog verkleumd is, zijn verbeeldingskracht nog sluimert en dat hij daarom beter gedaan had, vóór hij zijn lierzang begon, eerst de blazing der muze af te wachten. Naief genoeg erkennen de dichters uit het begin dezer eeuw dit zelf, als zij in den aanhef hun geest telkens aansporen om ten hemel te stijgen, hun eigen hart aanmoedigen om bedroefd te zijn, ja zelfs hunne oogen uitnoodigen om te schreien. Het is alsof ze, om het vuur van hun Pegasus aan te toonen, de lezers wijzen op de sporen en zweep, die zij noodig hebben en om hun droefheid aan den dag te leggen, het look te voorschijn halen, waarmeê zij hunne oogen aan het schreien zullen maken.

Maar Vondel behoeft zijn geestdrift niet uit te noodigen om uit te barsten, zijn zangster niet om te klagen.

Zie - om in de klassieke trant van Vondel te blijven -, daar treedt zij voor onze oogen, zijne muze. Zij is in rouw gekleed, hare wangen zijn bleek, maar hare oogen fonkelen, haar knieën knikken. Daar knielt zij neder voor een graf. Van wien? Zij begeert, zij behoeft ook niet den naam te noemen. Hollands goê gemeent, die naast haar knielt, als een weduwe en wees op het graf van haar eenigen beschermer en raadsman, kent dien naam maar al te zeer, want met bloedige letteren staat hij in haar hart geschreven. Een hulpelooze weduwe heeft in den vader van haar echtgenoot en den grootvader van haar zoontje haar laatsten en eenigen steun verloren; zult gij, als gij haar voor een versch gedolven graf ziet knielen, vragen, wien zij betreurt?

[p. 274]

Maar niet als de treurende weduwe blijft Vondels Muze in stommen weemoed gebukt bij het graf. Zij richt zich op, haar oog fonkelt van toorn, de woede klettert in haar stem, nu zij denkt aan de bewerkers van den moord. De toorn klatert haar uit de oogen als zij uitroept:

 
Zoo ras de aartslastertong van 't huichelaars synode,
 
Den aard des afgronds, Gode
 
Aanteeg en had Gods naam tot zuivering van haar zaak,
 
Gebrandmerkt op haar kaak.

De dichter voert ons in het midden van de vergadering der Dordtsche vaderen, welke is die vergadering? 't Is een synode van huichelaars, die aan een aartsvijand van God en de menschen haar lastertong heeft ontleend. Met die tong tijgt zij het Opperwezen den aard van een Moloch aan, immers zij is het, die op het voetspoor van Calvijn en Beza gepredikt en als een grondbeginsel van het Christendom heeft aangenomen, dat God van eeuwigheid sommige menschen heeft uitverkoren en anderen verworpen heeft; zij is het die heeft geleerd dat God het onschuldige kind van moeders borsten afscheurt om het in het eeuwige vuur te smakken; dat Hij als Herodes en Pharao behagen schept in het gejammer der onnoozelen; dat Hij de geweldenaar is, die tusschen zijn knieën den diamanten spil klemt, waar 't al om draait naar zijnen wil, en ofschoon Hij al die ellende heeft berokkend, toch versteenigd en verstokt blijft. Het is die synode, welke God heeft afgeschilderd als een geest des kwaads en wier misdaad grooter is dan van een openlijken Godloochenaar, die alleen het bestaan van God ontkent, maar Hem niet lastert, en toch zij is het die zich den schijn geeft van voor de eere Gods te strijden. Om hare zaak de geur van heiligheid te geven, heeft zij op haar voorhoofd den naam van God geschreven, neen! gebrandmerkt. Want die naam van God, waarmede zij pronkt, is het brandmerk der schande. Is het geen treffend denkbeeld, dat de huichelaar zijn kaak heeft gebrandmerkt met Gods naam? Is niet de naam van God, dien de huichelaar ieder oogenblik in zijn mond neemt, het bewijs zijner onwaarde? En is de huichelarij eens ontmaskerd, verandert dan niet iedere heilige naam, dien zij heeft geschreven op haar voorhoofd in een brandmerk, waaraan een ieder hare boosheid kan leeren kennen?

Zoo als de mensch is, zoo is zijn God, en zoo als zijn God is, zoo is de mensch. De synode, die een God heeft verkondigd, die zijn ongelukkige menschenkinderen naar willekeur zalig maakt of verdoemt, wil door het veroordeelen van onschuldigen toonen dat zij het voorbeeld van haar God navolgt. Om hare gruwelijke leer te bevestigen moet het

[p. 275]

bloed van den allervroomste stroomen. Zoolang die moord niet is ge pleegd, ontbreekt het zegel aan hare leer.

 
Ontbrak het zegel om dien gruwel kracht te geven!

Doch een protestantsche synode kan niet zelve den bloedigen scepter van het heilige gerechtshof in handen nemen. Nogtans vindt zij handlangers genoeg, die haar ten dienste willen zijn. 24 rechters vindt zij, die, schoon onbevoegd, op hare inblazing genegen zijn om het doodvonnis uit te spreken:

 
De basterdvierschaar dan, na 't schoppen van 's volks vaders,
 
Geschandvlekt als verraders,
 
Verwijst ons bestevaer met afgeleefde strot,
 
Te verven 't hofschavot.

Een bastaard verdringt den echten zoon uit het huis zijner ouders. Onbevoegden nemen de plaats in van de wettige rechters. Zij schoppen de vaders des volks van hunne zetels, schandvlekken hen als verraders, drijven hen in kerkers en ballingschap en verwijzen onzen bestevaêr, met afgeleefden strot, te verwen 't hofschavot.

Roerende omschrijving van het treurige vonnis! De grijsaard wordt genoemd bestevaêr, een teedere naam, dien kleinkinderen aan hun beminden grootvader geven. En die bestevaêr wordt gescheurd uit de omhelzingen van kinderen en kleinkinderen, om met zijn laatste druppelen bloeds een hofschavot te verwen? Een hofschavot? Ja, Oldenbarneveld zal sterven op een schavot, maar niet op een schavot dat de beleedigde maatschappij opricht om hare geschondene rechten te wreken, maar het is een dat daar staat ten dienste van het hof, van den man, die daar tuurt uit een venster, aan het Binnenhof, hunkerend naar het oogenblik, dat de grijze kop, 's lands uitgediend wettig gezag, zal nedervellen. Niet het welzijn van het vaderland, maar het welbehagen en de willekeur van het hof, hebben den dood des grijsaards gevorderd.

Rampzalig vaderland! Hebt gij daarom veertig jaren voor uwe vrijheid moeten kampen, opdat thans de willekeur van een hof in staat zij, het bloed van uw edelsten burger straffeloos te vergieten? Ondankbaar vaderland, konden dan de laatste druppelen bloeds van nwen verzorger en voorspraak niet beter worden besteed dan om een hofschavot te verwen! Maar wat deert het ook den zoo zeer gegriefden staatsman of een weinig meer of minder ondank hem treft? of hij een martelaarskroon erlangt in plaats van de zegekrans, zoozeer door hem verdiend?

Hoe dichter bij den dood, hoe nader bij het loon voor zijn moeiten,

[p. 276]

en het eenige wat de woede zijner vijanden vermag is, dat zij hem langs de trappen van het schavot te sneller de eindpaal zijner ellende doen naderen. Zijn vrienden mogen weeklagen, zijn vijanden razen, de goê gemeente moge met angst en ontzetting zijn geslagen, hij alleen blijft rustig.

 
Geduldig stapt hij met zijn stoksken naar het ende
 
Van doorgesolde ellende,
 
Van last en barenswee. o! Bank des doods, o zand!
 
Waartoe verzeilt ons land!

Het stoksken, waarop de grijsaard moet steunen, wat maakt het een treffend effect in deze schilderij!

 
Mijn wensch behoede u onverrot,
 
o, Stok en stut, die geen verrader,
 
Maar Hollands vader
 
Gesteund hebt naar het hofschavot.

Zoo sprak Vondel eens bij het aanschouwen van Oldenbarneveld's stok. En Vondel heeft er voor gezorgd, dat die stok onvergankelijk in aller gedachtenis leven zal. Dat stoksken teekent meer dan iets anders de noodelooze hardheid van het aan hem voltrokken vonnis. Waarom toch een man gedood, die reeds stond aan den rand van 't graf? Was die naar het lichaam geheel uitgeputte man zóo te duchten, dat zijn dood nog noodzakelijk was voor zijn tegenpartij?

Juist in die ter doodbrenging heeft de tegenpartij Oldenbarneveld's grootheid bewezen.

De dichter noemt het ten einde spoedend leven des staatsmans een doorgesolde ellende, een last en barenswee. In de rei van de Eubeeërs in den Palamedes schildert hij de moeiten en zorgen des staatsmans, die nimmer rust en genoegen heeft, altijd belasterd wordt en altijd door ondank wordt vervolgd, maar hoe schoon ook die moeiten daar worden beschreven, één trek wordt daarin vergeten, dien de dichter ons hier voor oogen houdt. Hij noemt dat zwoegen en sloven een barenswee. Al dat zwoegen en sloven was dus niet te vergeefsch, was ook niet geheel ontbloot van zalig gevoel. Al die moeiten strekten om iets groots voort te brengen, zij werden vergezeld van een gevoel gelijk aan dat, hetwelk de moeder ondervindt, als zij in haren barensnood denkt aan den kus, dien zij drukken zal op de lippen van haar eerstgeborene. En wie denkt hierbij niet aan de woorden van den Zaligmaker als hij zegt: Een vrouw heeft droefheid, dewijl hare ure is gekomen, maar wanneer zij het kind heeft gebaard, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer van wege de blijdschap, dat een mensch is ter wereld gekomen. Of zouden

[p. 277]

die woorden niet ter opbeuring kunnen strekken bij iedere pijnlijke taak, die ons op de schouders wordt gelegd?

Tot dusverre heeft de dichter de gebeurtenissen, welke Oldenbarneveld's dood voorafgingen eenvoudig vermeld, of als toeschouwer verhaald wat hij gezien heeft. Zijn aandoeningen daarbij heeft hij verzwegen. Maar nu daar de grijsaard de noodlottige zandhoop nadert, kan hij zich zelven niet langer inhouden: Die zandhoop aansprekende, roept hij uit:

 
o Bank des doods, o zand!
 
Waartoe verzeilt ons land!

Dichter van eene zeevarende natie, gebruikt hij bij voorkeur beelden aan de zeevaart ontleend. Hij noemt die zandhoop een zeebank, zoo noodlottig steeds voor schepen; hij noemt haar een bank des doods; een zeebank, waar allen, die daarop verzeilen, een onvermijdelijke schipbreuk wacht. En op die bank is thans het schip des Staats verzeild.

Vondel denkt alleen aan het vaderland, dat hij den ondergang nabij waant. Het patriottische, heroïsche gevoel heeft in zijn hart als het ware het menschelijke verdrongen. In het geheele dichtstuk beklaagt hij alleen het lot van den vaderlandschen staatsman; nergens dat van den vader, den echtgenoot, den mensch. Hij is ten dezen aanzien een type zijner tijdgenooten. Liefde voor vaderland en geloof is de voorname karaktertrek, die allen kenmerkt. Aan deze liefde hebben zij het zachtere menschelijk gevoel ten offer gebracht. Romeinen en Maccabeeërs geworden, zijn zij door die opoffering van het zachtere, 't verwijvende gevoel er in geslaagd als overwinnaars te treden uit den ongelijken kamp, dien zij voor godsdienst en vaderland hadden te strijden. Ook in het dichtstukje is dit gemis van het zachtere gevoel misschien een deugd, want allicht zoude dit het vaderlandsch gevoel, dat de dichter wilde opwekken, in den weg hebben gestaan.

Het beeld van een schip, verzeild op een zeebank, zooeven door den dichter gebezigd, roept eensklaps een andere treffende gedachte voor zijn geest. Denkende aan dat schip, denkt hij ook aan een ander hulkje, dat zeilree op het strand ligt, gereed om den onmetelijken oceaan, die zich voor hem uitbreidt, over te steken. Dat hulkje is de ziel des grijsaards, vertoevende aan den oever des levens en begeerig om den oceaan der eeuwigheid in te varen.

 
De ziel nu zeilree om door de aders uit te varen
 
Begrauwt de trage jaren
 
En noopt den ouderdom. Haar frissche, jonge moed
 
Wil bruisen door zijn bloed.
[p. 278]

Vondel laat het zooeven gebezigde beeld spoedig weêr varen, maar terwijl hij het beeld onvoltooid laat, gaat hij voort de gedachten te ontwikkelen, die hij er door wilde uitdrukken. Nog altijd stelt hij de ziel van den grijsaard voor als begeerig om het lichaam en het leven te verlaten; in dat schavot ziet zij de blijde eindpaal van haar lijden. Zij brandt van begeerte om de steile trappen op te snellen, maar het verstramde lichaam, waarin zij huist, kan niet zoo spoedig voort als zij wel wil. Dus begrauwt zij de trage jaren en drijft zij den ouderdom tot spoed aan. Of stelt u, lezers! nog liever de ziel van den grijsaard voor als een vurige, jeugdige in het wit gekleede maagd, zittende op een zegewagen. Voor haar oogen is de heerlijke martelaarskroon opgehangen. Haar hart brandt van begeerte om die te grijpen, maar de voor haar wagen gespannen paarden zijn door de jaren verstijfd en stram. Daarom tracht zij door woorden en berispingen hen tot grooteren spoed te noopen. Haar zweepslag klieft de lucht, maar helaas! de afgeleefde rossen kunnen geen spoed maken. O! Waarom kan zij den vurigen moed, die in haar zelve woont, niet meêdeelen aan hare paarden; waarom mag haar eigen frisch, jong bloed niet bruisen door het hunne. Die wensch van de eeuwig jeugdige ziel des grijsaards, dat, om waardig te sterven, haar frissche moed nog bruisen mocht door het bevrozen bloed des lichaams, wie zal die niet schoon en treffend vinden? Maar wat toch geeft aan den grijsaard die kalmte en dien stervensmoed? De volgende regels leeren het ons:

 
Na onschuld en gebed, getroost voor 't zwaard te bukken,
 
Bij boezems openrukken,
 
Zag elk in 't oprecht hart, dat allezins bestreên,
 
De maat sloeg als voorheen.

Het bcwustzijn zijner onschuld, gesterkt door het biddend opzien tot God, den eeuwigen beschermer van alle onschuld, boezemt hem die kalmte in. Al ligt het doode lijkblok reeds gereed, al scherpt men reeds de bijl, al scheurt men met geweld de kleederen van zijn hals en borst, hij blijft kalm en zijn hart blijft gelijkmatig slaan.1) Het is alsof

[p. 279]

Vondel wil zeggen: zoo dezelfde schendende hand, die nu de kleederen losscheurt, ook de borst zelf had opengescheurd, zou ieder aan dit dan blootliggend hart gezien hebben, dat het in deze oogenblikken even kalm en gelijkmatig bleef slaan als voorheen, in blijde dagen.

Maar het treurspel spoedt ten einde, want zie, hij knielt.

 
Ach, ach! Hij sneeft met sleep van nederlagen
 
En storting aller plagen.
 
De boôm van Duitschland kraakt en siddert overal
 
Van zoo vermaard een val.

De slag is gevallen, maar voelt gij den vaderlandschen bodem bij den slag niet sidderen en dreunen onder uwe voeten? Het vaderland trilt op zijn grondvesten, nu de zuil, waarop het zoo vele jaren mocht steunen, verbrijzeld is. Zoo had dan de godsdienstige en staatkundige twist aan het vaderland een zwaarder slag toegebracht dan al de macht en het geweld van Spanje hadden kunnen doen. Maar niet alleen Nederland, ook geheel Europa wordt van huivering aangegrepen bij den val van het eens zoo gevierde hoofd.

 
Van zoo vermaard een val besterft de vreugd en hope
 
In 't aanschijn van Europe.
 
Euroop gevoelt den slag; zij zucht en zit verdoofd
 
Om 't ploffen van dit hoofd.
 
Dat hoofd, dat heilig hoofd, dat spring op springvloed schutte,
 
Dat Nassau's glorie stutte,
 
Dat hoofd, dat Spanje, eer het sloot zijn gouden mond,
 
Op gouden bergen stond.

Wie merkt niet op, die schoone schildering van Europa's stomme verslagenheid bij het vallen van den slag, die als het ware, haar eigen hals schijnt te gelden? En hoezeer stemmen de toon en de klank dezer regels overeen met hun zin. De o's (vooral de korten), die volgens Kinker de somberste der vocalen zijn, worden hier, vooral in de vier laatste regels, opeengestapeld. In den aanvang worstelt die somberheid nog met minder droef gestemde tonen, maar de somberheid overwint, en ten laatste heerscht zij alleen in de woorden:

 
Om 't ploffen van dat hoofd.
[p. 280]

De indruk dier regels wordt nog verhoogd door de menigvuldige herhaling van het woord hoofd.

En hoe schoon weet de dichter de lof van den gevallen staatsman samen te vlechten met de teekening van dat neerploffende hoofd. Hij prijst dat hoofd, omdat het eens het vaderland bij springvloed op springvloed heeft beschut; hij vergelijkt het dus met een van die vaste dijken, welke het vaderland tegen de zee beschermen, ook als deze wordt opgeruid door getijen en noordwester stormen. Kan er een meer Nederlandsch beeld dan dit worden uitgedacht, om ons te melden, wat de staatsman geweest is voor het vaderland? Kent gij een schooner lofspraak voor een Nederlandschen staatsdienaar, dan dat hij vergeleken wordt met Holland's dijken, zonder welke, ons vaderland, althans voor een groot gedeelte, sinds lang een buit der golven zou zijn geweest? Ik kan niet nalaten hier bij te voegen, dat Vondel bij het bezingen van vaderlandsche zaken, meest altijd gebruik heeft gemaakt van echt Nederlandsche beelden. Zoo zingt hij o.a. in zijn gedicht op de verovering van den Bosch, den Frederik Hendrik:

 
Prins Wilhelm heeft den grond geheid,
 
Zijn nazaats vrijdom's muur geleid.

Of elders van de regeering van Amsterdam:

 
De vrijdom ga zijn gang en vlieg met volle zeilen
 
Den IJstroom uit en in.

Vaderlandsche gebeurtenissen en toestanden worden het best voor onze verbeelding afgeschilderd door nederlandsche beelden en vergelijkingen. Alle gezochte beelden uit Azië, Afrika of Amerika ontleend, zijn daarbij meestal misplaatst. En al moeten wij dan ook vulkanen en lavastroomen, woestijnen en brullende leeuwen, eeuwige ijsbergen en onpeilbare afgronden missen: wij kunnen genoeg op eigen bodem vinden. Ook in dit opzicht is de vaderlandsche grond rijk genoeg om in al onze behoeften te voorzien. Met een goed vaderlandsch beeld dringt men ook dieper in het wezen der zaak. Zelfs, als ik mij niet bedrieg, ligt er in de door Vondel gebezigde vergelijkingen een nauw verband tusschen beeld en zaak. Of is de uitgebreide Nederlandsche scheepvaart niet een der oorzaken van onze godsdienstvrijheid geweest? Moest Amsterdam, dat duizende schepen van alle natiën in en uit zijn havens zag gaan, de vrijheid van geweten voor allen daarom niet aanmoedigen? En zou er ook tusschen het taai geduld, waarmede de Nederlanders den bodem voor hunne huizen moeten heien of de dijken tegen de zee moeten op-

[p. 281]

richten en de standvastigheid, waarmede hun staatslieden steeds vreemde overheersching hebben bekampt, geen verband zijn?

De dichter gaat voort met den lof van het gevallen hoofd te vermelden. Het was niet alleen een dijk voor het vaderland, het was ook een zuil voor Nassau's glorie geweest. Vondel overdrijft hier niet, want prins Maurits had voornamelijk zijn verheffing en zijn meeste overwinningen te danken aan het beleid van Oldenbarneveld en de steeds door hem welvoorziene schatkist. Dat gevallen hoofd had ook een' gouden mond, welke, zoo al niet in welsprekendheid gelijk aan dien van den ouden kerkvader, die met dezen naam werd genoemd, dezen toch evenaardde in de krachtige uitwerking zijner woorden. Die mond kwam Spanje, eer het hem wist te sluiten, op gouden bergen te staan. Had Spanje dan dien gouden mond gesloten, en kwam haar dien dood op gouden bergen te staan?

Wat de dichter hier met halve woorden te kennen geeft, zegt hij elders in ronde taal. Meer dan eens beschuldigt hij met name Oldenbarneveld's doodsvijand, van Aerssen, heer van Sommelsdijk, van deze wandaad. Spanje heeft dus de rechters en tegenstanders van Oldenbarneveld omgekocht. Het zeggen van de vijanden des staatsmans, dat zijn mond was gestopt door Spaansch goud, was dus waar, maar in dien zin, dat zij zelven dat Judasgeld hadden aangenomen om den mond, die alleen voor het welzijn des vaderlands sprak, voor eeuwig te sluiten.

Doch het treurspel is reeds geëindigd: dat dan ook de toon der bittere staatkundige vijandschap zwijge! De ziel des edelen is reeds ontkerkerd uit de gevangenis des stofs. Zij is reeds gestegen ten hemel. Van daar ziet zij nog eens naar beneden. Hare oogen zoeken de plek, waar zoo straks het akelige drama werd gespeeld, zoeken naar het mishandeld stoffelijk omhulsel, dat zij heeft afgelegd.

En ze ziet haar lijk mishandeld door woeste barbaarschheid; de dolle moordlust speelt met romp en hoofd; het verblinde grauw wascht zijn handen in het nog versche en lauwe bloed; sommigen der aanzienlijksten doopen hunne zakdoeken er in; ja! wie kan het bijna gelooven, wreeder dan wolven, slorpen anderen dat bloed met gretige teugen op.

 
De geest ontkerkerd, zag van 's hemels hooge deelen
 
Den dollen moordlust spelen
 
Met romp en hoofd, en 't bloed verstrekken versch en lauw
 
Een roof aan 't plondergrauw.

En met welke gewaarwordingen aanschouwde de ziel des martelaars

[p. 282]

dat schouwspel? Brandt zij van verontwaardiging en toorn tegen die vloekwaardigen? Hoor, hoe zij spreekt tot die verblinden, die wolven, die hyena's:

 
Zoo kinderen!, riep hij, zoo, vermaakt u op mijn leste,
 
Ik offer 't lijf ten beste.
 
Mijn ziel ach! dat de Staat geborgd waar door mijn dood,
 
Vindt rust in Godes schoot.

Ja! zulke woorden voegen in den mond van een Christelijken staatsman, die als martelaar voor de goede zaak, die hij diende, sterven moest; zulke gezegden kon geen heidensch dichter leggen in den mond zijner gestorven helden; welk een verheven Christelijke geest ademt er niet in die woorden! Is het niet of wij hier een weerklank hooren van de beden, welke eens ontvloeiden aan de lippen van den stervenden Zaligmaker: Vader! Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, en, Vader! In uwe handen beveel ik mijnen geest.

Het is onzen grooten vaderen van de 17e eeuw dikwerf verweten, dat zij bovenmate hard waren in geloof en gevoelens: in menigerlei opzicht is dit verwijt niet ongegrond. De twee grootste staatslieden der 17e eeuw moesten beiden in een jammerlijken dood den dank hunner tijdgenooten voor al hun moeiten en zorgen inoogsten. En de dichters, die beider dood hebben bezongen, Vondel en Brandt, stellen hen voor als na hun dood met zegenende blikken nederziende op hunne verblinde moordenaars.

Is zulk een geest van Christelijke vergevensgezindheid en berusting werkelijk aanwezig geweest in het hart van Oldenbarneveld? Misschien niet in die mate als de dichter heeft geidealiseerd, maar toch rept de geschiedenis van geen enkel bitter woord dat in zijn laatste levensdagen van zijne lippen is vernomen. Zelfs heeft Vondel hem in een ander opzicht wellicht niet ten volle recht laten wedervaren. Oldenbarneveld droeg in zijn boezem een teedergevoeliger hart dan de dichter heeft vermoed. Hoe pal ook staande tegenover zijne vijanden, hoe fier ook tegen zijn rechters, die fierheid was even vreemd aan ongevoeligheid als aan kwetsende trots. Zijn zonen mochten, toen de vader reeds lang gekerkerd was, met vlaggen en wimpels den aanstaanden triomf hunner partij vieren, de vader bleef altijd stil en gelaten in zijne gevangenis, en de laatste roerende brief door hem aan zijn vrouw en kinderen geschreven, druipt als het ware van tranen. De daarin voorkomende slotwoorden: kust elkander ter mijner gedachtenis met den kus der liefde,

[p. 283]

neen! Zij verraden geenszins den stoïcijn, maar getuigen van een diep gevoelige ziel.

Doch, gelijk ik reeds gezegd heb, Vondel ziet in hem den mensch, den vader en den echtgenoot voorbij, om hem alleen als een ideaal van een Christen staatsman te bewonderen. Bij het scheppen van dat ideaal wordt de ziel des dichters zelve veredeld, want zijn het in den aanvang alleen felle partijzucht en bittere godsdiensthaat, die spreken uit zijn toon, aan het slot ruischen niet dan verdraagzaamheid en christelijke vergevensgezindheid uit zijn woorden.

Zoo had de dichter dan in zijne verbeelding den geest van den gestorvene gezien, zijne stem gehoord en had hem als een heilig verrezene uit de dooden zien verrijzen en gelijk dezen in Gods vaderschoot rust zien vinden. Maar de stem zweeg; de geest onttrok zich aan de menschelijke blikken; niets ziet de dichter meer dan het bloedige lijk, niets hoort hij dan de wind, die langs het zwart gevaarte huilt.

 
De schim was heen, de stem voor wind ook heengevlogen,
 
Wij klaagden 't aan onze oogen,
 
En 't oog was na dat licht in 't nare nachtgevecht
 
De vrijheid kwijt en 't recht.

Nu de geest des staatsmans voor altijd is geweken, heerscht in Nederland niets dan nacht. Wel mag dus de dichter zijne oogen beklagen, dat zij die schim voor het laatst hebben aanschouwd, want met dien geest zijn ook de vrijheid en het recht uit het land verdwenen.

Het woord oog moet hier echter niet alleen in eigenlijken zin, maar gelijk veelal bij Vondel, in figuurlijken zin worden opgevat: als het oog van de verzorgers en de bewakers des volks, van de regeering.

Na den dood van Oldenbarneveld bracht de goê gemeente te vergeefs hare klachten in bij de regeering. Die regeering had geen hart meer voor het volk, want in haar boezem was de liefde voor recht en vrijheid voor altijd gestorven.

 

Zoo eindigt dan het dichtstuk, somber als de laatste tonen van het geluid eener doodsklok, en gelijk die laatste tonen blijven voortgalmen in het hart van een zoon, die met strakken blik starende op het geopende graf van zijn vader, zich zelven verwijt, dat hij door lichtzinnigheid en wangedrag het meê heeft helpen delven, zoo ook moet de laatste toon van Vondel's lied voor altijd weergalmen in het hart van het verblinde volk, dat door zijn godsdienstig en staatkundig fana-

[p. 284]

tisme er toe gebracht werd de handen aan zijn trouwsten verzorger en bewaker te slaan.

1874.

Medegedeeld door T.N.v.d. Stok.

 

Vondel stelt zich als voorvechter van de vrijheid; maar onwaar zou zijn daaruit afteleiden, dat die tegenover Vondel stonden, ook tegenover de vrijheid zich stelden. Het tegendeel is eerder waar: werd Vondel ten slotte niet Rooms-katholiek? En dat voelden - als bij instinkt - de vrijheids veroveraars in de XVIIde eeuw. En daarom stelden ze zich tegenover Vondel. Zie ook de noot van V.H. zelf op blz. 278/79. En Koopmans in de Spectator van 1897, no. 6 (6 Febr.).

Red.