Taal en Letteren. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 8. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1898


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 353]

Vondel-studieën.
II.
De verchristeliking van de heidense epiek.

 
‘Verbasterden van Godt,’

dus spreekt Vondel in De Heerlyckheit

der Kercke tot de Heidenen, nadat hij ze eerst roem laat dragen op de oudheid van hun afgodiese dienst,

 
‘Verbasterden van Godt, gij stut met hals en schouder
 
Uwe afgoôn, doch vergeefs. De waarheid is veel ouder
 
Dan uwe logentaal, en al wat gij verdicht
 
Van uw gevloeckt altaer de hel ten prijs gesticht.’1)

En zo dachten er van z'n tijdgenoten meer over. Maar toch, zeiden ze, was 't noch wel te zien, dat de luister van de Goddelike Waarheid, hoezeer dan ook verbasterd, 'n glansje had gegeven aan de Griekse Olympus. - ‘Enig begrip van de Drieëenheidsleer altans,’ meende er een,2) ‘viel in geen geval bij hen te ontkennen. Vanwaar anders de drie-puntige bliksem, die Jupiter voerde, en de drie tand in Neptunus z'n hand? Vanwaar die éne Godheid met drie namen: Apollo, Liber en Sol? En dan Diana met de drie aangezichten? En de drie-koppige Cerberus?’

‘Zeker,’ zei 'n ander,3) - ‘hebben de Heidenen de Triniteit gekend, al begrepen ze de Waarheid niet ten volle. Want kijk eens aan: Vereerde men niet in Jupiter, Juno en Vulcanus, de Zon, de Maan en het Vuur? - Nu, dat is nu het leerstuk in z'n verbasterde vorm! En dan redeneerden die Heidenen zo. Jupiter is niet alleen de God van de Zon, maar ook

[p. 354]

van de Hemel. En Juno is niet allen de godin van de Maan, maar ook van de Lucht. Kijk, zeiden ze dan, nu hangt de hemel over de lucht, waaruit blijkt, dat de hemel en de lucht man en vrouw zijn, en dus Juno de gemalin van Jupiter is. Ook zijn, vertelden ze dan, de hemel en de lucht uit 't zelfde zaad gekiemd, vandaar de broederlike verwantschap, of liever, - want Juno was 'n vrouw, - de verwantschap van broeder en zuster. En ze noemden daarom Juno 'n zuster van Jupiter. - In zeker zin hadden nu de Heidenen 't aan 't rechte end met hun broederschap; God en Christus zijn toch even oud en even eeuwig. Maar ze zagen niet in, dat Christus niet als 'n vrouw onder God berust, maar als 'n zoon onder hem staat. - En wat het vuur betreft: de Ouden lieten Vulcanus spruiten uit de verbintenis van Jupiter en Juno. En dit beteekent van zelf niets anders dan de Heilige Geest, die ook in onze voorstelling als 'n vuur is, dat zichtbare stralen uitzendt.’

 

Dit staaltje moge volstaan om te laten zien, hoe in de 16e en 17e eeuw herhaald en voortgezet werd, wat het vroegste Christendom had begonnen. De oudste litteratoren der Kerk, hadden, voorzover ze niet kortweg de heidense schrijvers verstieten, in sommige wijzen en dichters der klassieke oudheid mannen menen te zien, die aan de deur der Waarheid hadden geklopt; zieners zelfs, aan wie op hun kloppen was opengedaan. En vlijtig ging men uit die Ouden verzamelen, wat ze voor de ‘Waarheid’ hadden ‘getuigd,’ niet slechts om de aanvallers uit 't heidense kamp met hun eigen wapens af te slaan, maar ook om de tegenstanders te winnen voor 'n Evangelie, waarvan de sporen en de voorspellingen zich in hun eigen literatuur lieten vinden. De klassieke Oudheid werd de dienstmaagd van de Christelike apologetiek.

Later was de Renaissance gekomen, die de Oudheid van het Christendom had losgemaakt en als iets op zichzelf staande had leren kennen. Doch ondanks deze grote kultuur-omwenteling, bleven de mystieke geestes-stromingen der latere M.E. ook in de Nieuwe Geschiedenis bestaan, en werden in de eerstvolgende eeuwen noch verbreed door de overal ontwakende zucht naar kennis, en verdiept door de verinnerliking van 't godsdienstig leven, alsmede door de geleerdheid en werkzaamheid der Jezuïeten. Het allegoriezeren zat bijwijlen in de lucht. Protestanten en Katholieken deden er aan; historici en andere wetenschappelik gevormden evenzeer als theologen van beroep. In 't biezonder legde men er zich op toe, de Heidense mythologie christelik te verklaren. Kon men eenmaal aantonen, dat de Christelike waarheden, schoon dan ook verbasterd, door de Heidenen bewaard, heilig gehouden en geleraard waren geworden, dan zou dit pleidooi niet alleen de verheerliking van het

[p. 355]

Christendom als de oudste, enigste en zuivere Godsdienst tot resultaat hebben, maar ook aantonen, dat de bewondering voor 'n dergelik verbasterde wereld niet kon samengaan met de onvermoeide toewijding, die de Ware dienst uitsluitend voor zich vroeg. Een slotsom dus, die lijnrecht inging tegen de draad van het opkomend Klassicisme, en daarom voor de studie over de Geestes-worsteling in die tijden, zooveel te meer onze aandacht voor deze mystieke beweging inroept.

Bij dergelike exegeten van de Heidense Oudheid, moeten we zo wijs zijn, n christelik-allegoriese opvatting van het Oude Testament te veronderstellen. Op hun mening toch, dat het Woord Gods, in Christus vlees geworden, in oude tijden al aan Hebreeuwse uitverkorenen was geopenbaard, was het, dat hun bewering zich grondde, als zouden ook de grootste heidense geesten deel hebben gehad aan de voor-christelike Gods-openbaring. Hij, die de band vormde tussen 't Jodendom en 't Heidendom, en de Goddelike ‘Wijsheid’ van de Hebreeuwen aan de omliggende volken had overgeleverd, was - om alleen de voornaamste te noemen - 'n alleen bij tradiesie bekende, maar toch veel-aangehaalde Trîsmegistes.1) Door Abraham de aartsvader ingewijd in de Goddelike geheimleer, bracht hij de Oer-christelike Waarheid naar Egypte over, vanwaar Mozes ze ongerept mee naar Kanaän nam. Andere heidense volken, zoals de Grieken, hadden ze onbegrepen aanvaard, en met afgoderij besmet, zodat de Waarheid ternauwernood herkenbaar onder 'n polytheïstiese dwaalleer verscholen bleef liggen en vergeten werd. Wel hadden enkele grote geesten de ware zin van hun verbasterde kultus gevat, maar de tijden waren er niet naar geweest om voor de herstelling van de aloude dienst in de bres te springen. Zo wisten goede verstaanders in Homerus de werking van de Heilige Geest na te speuren; anderen bij Sokrates, meer noch bij Plato; biezondere aandacht trok de boven allen uitblinkende Aristoteles; en van de Romeinen heetten Ovidius, maar vooral Virgilius met de ware Goddelike wijsheid begiftigd te zijn. Betreuren deed men 't wel, dat de Mantuaan, wiens werken de inhoud van zulk 'n zuivere ziel vertolkten, geleefd had onder de heerschappij van valse Goden, - niettemin gedacht men hem vooral als de Christenprofeet; geen wonder waarlik, zo reeds geesten als Grotius, op 't voetspoor van tal van eeuwen, in de 4e Eeloge door Virgilius de komst zagen aankondigen van Christus, als de verwekker van 'n nieuwe gelukkige tijd.2)

[p. 356]

Vondel was in 't begin van z'n dichterloopbaan al van top tot teen Bijbelallegorist. Men neme z'n eerste de beste bruilofts-refrein;1) men ga, steunende op de aan 't Pascha voorafgaande Klinckerts, van Brerô en anderen, aandachtig de inhoud van z'n eerste Tragi-comedie na; men leze Het Inhoud en de tekst van 't door en door mystieke Heerlyckheyd van Salomon naar Bartas; men beoordele het merkwaardige en leerrijke Voorbericht2) op de Helden Godes,3) om tot de overtuiging te komen, dat de dichter in Israëls aartsvaders, richteren, koningen en profeten 'n wolk van Christusgetuigen heeft gezien, allen dragers en verkondigers van het Goddelik Mysterie. En dit verkerstenen van de Joodse historie en literatuur nam bij Vondel toe, naarmate hij in kennis won en hij met de jaren z'n inwendig sterk-godsdienstig leven voelde verdiepen. Zo elk huwelik toch door God bedoeld was als 'n voorbeeld en naverhaal van de vereniging van de mensheid met Christus; zo elke geboorte 'n inzetting was, die de Wedergeboorte en de opname in 't Eeuwige leven afschaduwde, moest dan 't aardse leven zelf, de historie der volken, al 't eindige ten slotte, niet beschouwd worden als 'n symbool van het Oneindige? - en moesten dan niet in de Heilige bladen der Goddelike Geesten de aanwijzigingen schuilen dat ook zij de dingen dezer wereld als afdrukselen van dieper en doorluchtiger heerlikheden hadden betekend? In deze zoeklijn van Vondel lag z'n Katholicisme; meer noch dan de Bijbel zouden de apokriefe boeken hem Geest-verwanten tonen; meer noch de kerkelike tradiesieën en de uitspraken der Heilige vaders; en zo deze hem niet konden bevredigden, konden mischien het de erfgenamen der Parijse scholasten doen, en zo nièt, dan de nièts ontziende hermeneuten onder de geleerde Jezuïeten. Daar zoù en daar moest 'n alles doorzielende Gods-openbaring zijn; het minste als het meeste moest het heil aanbrengend Geheimnis omsluiten.4) En hoe wijd de Moederkerk haar muren ook heeft uitgezet voor

[p. 357]

hem en zijnsgelijken, de blijdschap over z'n rijke vondst was te groot, of z'n trots, te kunnen anticipéren op de zege der Waarheid, te hoog, om niet als 'n wijze Trismegist 't kleinood voor zich zelf te bewaren.1) Terwijl z'n tijdgenooten hun betoog en strijd in 't Latijn voerden, ging Vondel tot de menigte spreken, en even ongezouten vrijmoedig als Maerlant, maar van z'n tijd en z'n volk hoe langer hoe verder verdwalend, begon hij dingen te verkondigen, waarvan z'n Protestantse omgeving de schrik op 't lijf kreeg en waarover z'n geloofsgenoten van de tegenwoordige tijden, zo niet al uit zijn eeuw, het hart zouden vasthouden. Juist dat wat de Roomsen aan de Hervormden verweten, als zouden ze Gods woord, ieder op z'n eigen gezag, met menselike tongen vertolken, - juist ditzelfde eigendunkelik interpreteren van oorspronkelik anti-Christelike stoffen was de vereerders van 't zuivere Evangelie 'n soort van ergerlike heiligschennis, en 'n werk des Duivels. Wat daar noch bij kwam, was, dat Vondel in het omsmeden van de Heidense stof in Christelik-apologetiese wapenen, biezonder eigendunkelik te werk ging. Alsof in 't verliezen de eer lag van 't wagen, en in de neerlaag die van de martelaarskroon, zo luchthartig geeft hij aan z'n onchristelike argumenten 'n christelike draai, om ze ten slotte noch, scheef te zien stoten tegen de sterke muren van 'n goed afgeronde en ratieonalisties verdedigde Protestantse theologie. Wat gaf het hem daarbij, of hij z'n aanval met zwaar geschut begon, en Trismegist in 't front, Lactantius en Augustinus op de vleugels, benevens de overige - Heidense - ‘wijzen’ in massa liet optreden, om voor z'n verdere operasieën de nodige ruimte te maken! Voor de tegenpartij was 't een kanonnade met los kruit; men sprak nu eenmaal tweeêrlei taal; en Vondel, alleen zich zelf gerechtigd achtend tot spreken, omdat hij, met de 'Geest' begiftigd, de ‘Waarheid’ herkend had, - achtte zich niet verplicht, rekenschap aan zich zelf of aan anderen te geven omtrent 'n gezichtspunt, dat voor de ‘vervormden,’ zoals de Katholieken ze noemden, in hun dwaling en blindheid ten enemale duister was. Zo isoleerde hij zich hoe langer hoe meer; elk toneel-‘Berecht,’ dat, 't zij dan ook perifrasties, z'n wijze van zien ontvouwde, joeg plotseling 'n drom van voorvechters van 't Calvinisme in 't geweer, als ware hun 'n oorlogsverklaring voor de voeten geworpen; en Vondel kon 't verdriet niet ontgaan, dat z'n tegenstanders, hun voordeel doende met hun posiesie en met de historie, hem in z'n toch in elk geval onschuldig Katholicisme, als behept met onnasieonaal gedoodverfde simpatieën belas-

[p. 358]

terden.1) We spreken niet eens over de aanvallen, die hem in z'n persoon en naam aantastten, welke uit z'n eigen plaagzucht verklaard mogen worden; z'n kracht, scherpte en geest had z'n tegenstanders meermalen gegriefd, en hun weerzin tot haat gedreven.

Een karakteriezerend staaltje van Vondels apologetiese poëzie, met z'n kracht of zwakheid van bewijs, - al naar men wil, levert het betoog over het vóór-Christelik begrip van de Drieëenheidsleer bij de Joden en de Heidenen, een betoog, dat thuis hoort in de ‘Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst,’ maar vóór dat het lijvige leerdicht in 't licht kwam, afzonderlik (in 1659) werd uitgegeven onder de tietel: ‘Onderwijs van het Geloofspunt der H. Dryeenigheit.’ De argumenten zijn weer geheel andere dan die we in 't begin van 't opstel door anderen lieten aanvoeren. Vooraf gaat de bewering, dat de Zoon en de Geest even goddelik, en evenzeer onze verering waardig zijn, als de Vader. - ‘Waarom zou 't niet? - heet het verder, -

 
De Joodsche Filo bouwt de Dryheid op dien gront.
 
De groote Maimon spreekt met hem uit eenen mont.
 
Zij stellen een' die kent, gekent wort, en de kennis;
 
Waerin hen Albo volght, en natreet, zonder schennis.
 
Zij geven Godt den Zoon den titel van Godts Woort,
 
Daer Godt het al door schiep, en dat van geen geboort,
 
Gelijck de Vader, weet, die met dit Woort quam teelen
 
Naer menschelijcken stijl. Zoo veel Rabbijnen scheelen
 
In Christus Godtheit, noch Messias titel niet.
 
Dit is d' aertsengel, Godts gezant, die wijt gebiet,
 
Verlosser, Bethels Godt, aen Amrams zoon verscheenen,
 
Uit eene doorne haegh; een engel, die voorheenen,
 
Hen uit Egypten leidde, en met zijn aengezicht
 
Voorheentrock: die genaeckt het heilige gesticht
 
Des tempels. Vraegh 't vernuft der schranderste Kabaelen:
[p. 359]
 
Zij onderscheiden Godt in dry doorluchte straelen,
 
Den Vader, en den Zoon, of 't Woort, en oock den Geest.
 
Zij zien de mooghlijckheit dat Godt zich op de leest
 
Des menschdoms passe, en zich met ons natuur bekleede.
 
De Talmud eigent hem Godts hooghsten titel mede,
 
Den naem, bij geen Hebreen te noemen onverschoont;
 
En ziet den tijt die Godt met zijnen vinger toont.
 
Hoe kan d' erfvyant der Dry-eenigheit met reden
 
Dan drijven dat dit punt der Dryheit den besneden
 
Ten aenstoot dient, en van Messias kroon vervremt;
 
Naerdien de Kabalist, en Talmud dit bestemt,
 
En menigh grijs Rabbijn, die blijde op Davids zangen,
 
Messias tegengaen, op 's vaders troon ontfangen,
 
Aenbidden. eeren, en hem offeren, terwijl
 
De jongste Joden stout veraerden van dien stijl.
 
 
 
Fermeel1) uit Plato stelt, door 't helder licht van reden,
 
In een' die 't al regeert, dry eveneeuwigheden,
 
Het goet, 't verstant, en oock de ziel van 's weerelts kloot.
 
Bij 't goet verstaet hij Godt, den Vader, die dit groot
 
Gebouw van hemel, aerde, en zee, en alles stichte,
 
Eenvouwigh, onbeweeght, en boven al 't verlichte
 
Verstant gerekent, rijck in alles, overvloeit
 
Van goedertierenheit; 't verstant, dat eeuwigh bloeit,
 
Ontspringt oirsprongkelijck van dezen goeden vader;
 
Gelijck een glansrijck licht, uit aller glanssen ader,
 
De zonne, en dit verstant is een verstandigheit,
 
Die, goddelijck van aert, met reden wort gezeit
 
De beste zoon te zijn van 't beste goet des grooten.
 
De ziel der weerelt, uit 't verstant van 't goet gevloten,
 
Gelijck een strael van 't licht, straelt sterck met haeren strael
 
Door alles, onderhoudt, en zielt het altemael.2)

Dat Maimonides afwijkt van Filo, doet minder af. Dat Albo Maimonides verkettert, wordt ook niet geteld. Dat de drie grondstellingen des

[p. 360]

geloofs van Albo heel wat anders zijn dan het drieënig Godsbegrip van de Christen, betekent weer niets. In alles beslist de Drie-heid, het sybboleth van de 'Geest.' Uit de Heidense en Joodse stoffen, uit de Talmud, de Rabijnen en de Kabbalisten, speurt hij het heilig wezen der Godheid; en tegenover 't gevonden ware Licht, zinkt al de overige stof, als logen en dwaling, in 't waardeloze Niet terug. Hoe leert ons 'n dergelijke arbeid, met welk 'n voorzichtigheid we deze dichter moeten lezen en verklaren; en hoe omzichtig we te werk moeten gaan bij 't bepalen van de plaats, die in de rij onzer 17de eeuwers, aan Vondel als klassikus en als vaderlander toekomt. We gaan begrijpen dat iemand, die in Plato bewijzen zoekt voor de Triniteit, en in Ovidius' Metamorfozen de Bijbelwoorden 't zij dan ook in heidense mythen verscholen, herhaald ziet, meer in z'n mars heeft; en we haasten ons de verzen te vervolgen, waarmee we ons opstel inzetten, maar waarvan we ons tot het maken van 'n paar opmerkingen lieten afvoeren. In die verzen zullen we ons vermoeden bewaarheid zien.

Tegen de Heidenen dan gaat het:

 
‘Verbasterden van Godt, gy stut met hals en schouder
 
Uwe afgoôn, doch vergeefs. De waerheit is veel ouder
 
Dan uwe logentael, en al wat gy verdicht
 
Van uw gevloeckt altaer, de hel ten prijs gesticht,
 
Toen Ninus Belus rijck en Asie regeerde
 
Zijn' vader tempels boude, in beelt en offer eerde,
 
En eerst d' afgodery in zwang bracht, en haer' smoock;1)
 
Waer op de helsche geest in d' afgoôn school en doock;
 
Den menschen, die door dwangk voor d'outers nederlaegen,
 
Met zijne oraklen diende, en antwoorde op hun vraegen,
 
Tot dat hy d' offereer, den hooghsten dienst van Godt,
 
Zich toege-eigent had, geholpen door een rot
 
Van logendichtren, en vernuft van kunstenaeren,
 
En offerschouweren en vogelwichelaeren.
 
De weerelt, onder 't juck der afgoôn, steende vast,
 
Te jammerlijck verdruckt, en zagh van dezen last
 
Zich niet t' ontslaen, noch dorst een woort hier tegens spreken,
 
Tot dat een Epikuur het hooft quam op te steecken,
 
En, zonder maghten of schynheiligheit t' ontzien,
[p. 361]
 
Der valsche goden Faem en maght het spits durf biên,
 
Om 't menschenofferen, en andre gruwelwetten
 
Te stuiten by den Grieck, door redelijcke wetten,
 
En 't licht van vrou natuur; gelijck al voor een wijl
 
De leitsman der Hebreen, doch met onfaelbren stijl,
 
En uit den naem van Godt, zijne uitgevoerde Joden
 
Den dienst der afgoôn streng verleert had, en verboden;
 
Een' godeloozen dienst, daer d' oude Trismegist,
 
Voor Nume en Cecrops tijt, al van te tuigen wist,
 
Hoe d' ouders, van Godts eer verbastert, Goden schiepen,
 
Door hun vernuft en kunst;
 
 
 
Oock zagh hy in 't gemoet
 
Een andre tijt, wanneer een godtsdienst zou verschijnen,
 
Waer voor de godtsdienst van Egypte most verdwijnen;
 
Voorspelling die zoo net op Christus heileeu slaet,
 
Die 't menschelijck geslacht herstelde in beter staet,
 
En al wat Zonnestadt Athene en Rome slooten
 
Door ootmoedt wonderen en lijden om quam stooten,
 
 
 
Noch kan men onder u een ry van wijzen noemen,
 
Die alle uit eenen mont aenbidden eenen Godt,
 
Een wezen, een', die 't al betoomt door zijn gebodt,
 
Regeert, en onderhoudt: en uw Sibillen zingen
 
Van eenen waren Godt, den oirsprong aller dingen;
 
Bestraffen Griecken, dat den grooten Godt verlaet,
 
Den doôn en afgoôn vee en wieroock offren gaet;
 
Behalve dat doorgaends haer goude vaerzen donderen
 
Van Christus kruis, en doot, verrijsenisse, en wonderen,
 
En hoogen rechterstoel, waer uit de majesteit
 
Van 't lang beschimpte kruis, voor dwaesheit uitgeschreit,
 
En 't lang gekruiste licht uw nacht zal overtuigen,
 
Die zich, uit hoogmoedt, schaemt in Jesus naem te buigen,
 
Voor wiens almogentheit, en godtheit en schabel
 
Zich buigen alle kniên, in hemel, aarde, en hel.1)
[p. 362]

Tot die rij van wijzen nu, die één God aanbidden, - mannen als Homerus en Sofokles mogen er niet in ontbreken, - rekene men vooral Virgilius. En wat de Sibillijnse uitspraken betreft, naar veel ‘gouden verzen’ hoeft men niet te zoeken: het bekende Alexandrijnse Acrostichon en de vierde ecloge kunnen volstaan in de profeetsie van Christus' dood en ‘hoogen rechterstoel’. Op meer dan deze twee uitspraken toch, - de eerste voorspellende de terugkomst van Christus tot het wereldgericht, de andere de terugkeer van de gouden eeuw bij de geboorte van 'n knaap, - grondde zich ook niet het betoog van keizer Konstantijn, op de bekende kerkvergadering, over het bestaan van Joodse en heidense voorzeggingen omtrent Jezus' komst. En 't is vooral in z'n studieën over Konstantijn en z'n tijd, - Grotius was hier de wegwijzer, - dat Vondel, voor de epiese verheffing van de eerste Christenkeizer, aan de Niceese rede 'n biezondere waarde heeft moeten toekennen, om in z'n held de bevorderaar van de Christelike kerk te schetsen, de handhaver van 't orthodoxe geloof en de ijverige verdediger van de aloude Waarheid der nieuwe leer. Wat meer is, z'n held was 'n voorvechter, 'n gekroonde ‘Christelike Ridder’, daarbij stoutmoedig-allegories, en dus 'n man naar z'n hart. Wiet ziet niet in, dat deze oud-Christelike literatuur vol geestkracht, geloofsmoed en werkijver, met die blik en dat waagstuk, om de oudheid assimilerend te veroveren, aan Vondel 'n krachtige stoot heeft moeten geven over het glijdende vlak, op welks verleidelike helling hij zich met z'n mystieke aanleg gewaagd had? En hoe laat het zich horen, dat hij in die voorstudieën daarbij ging leunen tegen Lactantius, de leermeester van Konstantijn's zoon Crispus; de vurige strijder, wiens 'Geest' Virgilius' ecloge tot de proporsieën opjoeg van 'n profeetsie betreffende de terugkomst van Christus tot het Laatste Oordeel!1) Wanneer, volgens 's dichters voorspelling, - ‘de aarde de schoonste vruchten uit eigen beweging zou leveren, de bergklippen drupplen van honig, de beken vloeien van wijn, de rievieren vol melk. Wanneer de wereld zich zou verblijden, de natuur gaan jubelen, bevrijd van de kluisters van doling en zonde. Zo geen roofdier zich langer zou voeden met bloed, geen vogel van roof, maar alles zou leven in rustige vrede. Als de leeuw met het kalf van 't zelfde voer zou eten, de wolf zou liggen naast 't lam, het kind met de slang zou spelen. Als,’ - dus eindigt Lactantius, de beelden uit de H. Schrift betreffende 't Messiaanse rijk samen latende vallen met de beschrijving van de gouden eeuw, - als na de ‘verdelging van de afgodendienst en na de onderdrukking van de zonde,

[p. 263]

de aarde onderworpen zal zijn aan God, dan’ - en hiergaat hij over op de bekende ecloge,

 
Cedet et ipse mari vector, nec nautica pinus
 
Mutabit merces: omnis feret omnia tellus1)
 
etc.

Edoch, - afgescheiden van 'n diepe studie van de oud-christelike literatuur en van de Kerkelike geschiedenis, - werkte de tradiesie der eeuwen ook noch langs 'n andere weg in mannen als Vondel. Het Christendom had niet alleen de kosmos en de historie van meet af, in overeenstemming gebracht met 't Joods-christelik monothoïsme; de Bijbellezers, ook die der M.E., hadden in Israëls boeken ook geleerd, hoe ze de geschiedenis voortaan moesten beschouwen. Zoals de Joden zich zagen tegenover God, zo deden het ook de Christenen; en ook bij hen was het gezang ‘in exituto Israel de Egypto’ de symboliese hymne van de teruggewonnen mensheid geworden.

Van dit standpunt uit moesten in de beschouwing van de wereldgeschiedenis vooral die momenten op de voorgrond treden, die tot de voorstelling bijdroegen van het Godsrijk op aarde, waarin heel de mensheid verzameld was tot één kudde onder één herder, verlicht en gezegend door de genadevolle dood van Christus. Vooreerst lieten zich vóór alles, twee belangrijke perieoden onderkennen, 'n lang tijdperk van dwaling en 't andere van reinheid en waarheid. In 't midden stond het kruis van Golgotha. Beide momenten groepeerden zich om twee metropolen, het Jeruzalem der Joden en Christenen, de stad van 't verleden, en Rome, de zetel van Christus' stedehouder, het heilige middelpunt van de levende Christen. Zeker, in 't tijdperk van dwaling was naast de ontkenning, 'n verwijderde overeenstemming of voorbereiding van de Waarheid te zien. En zeker, feestelik was 't ogenblik der historie, toen beider geschiedenis samenviel in Christus' geboorte en leven, en 't eerste apostelschap. Maar 't hoogst sympatiek was toch 't ontwaken der wedergeboren wereld, de kamp van de martelaars, en de trieomf van de Kerk. De kroon op dit alles zette het christelik-keizerlik Rome. Het pausdom, de kerkvaders, de overwinning en de bloei van de kerk straalden met legendaries toverlicht op dìt deel der historie af. Toen werd vervuld, wat God, volgens de geloovigen door eeuwen had laten voorbereiden; toen smolten samen de twee machten, die 300 jaar te voren, de godsdienstige in Christus, de polietieke in Augustus, naast elkander waren opgeroepen; toen trad

[p. 364]

het Godsrijk in, dat Christus had ingesteld, en dat Octavianus, door de Goddelike wil bewust van 't einde van de Romeinse veroveringstaak, na de eeuwenange staatkundige voorbereiding, met het afkondigen van de wereldvrede had ingewacht.1)

Noch lang na 't zinken van de polietieke macht van Rome bleef de zetel van de vertegenwoordiger Christi het middelpunt van de wereld. Alleen de omstandigheden veranderden: in de plaats van 't keizerrijk trad het pausdom en de Kerk, in haar karakter, doel en instellingen de tradiesieën van het keizerschap bewarende. Zo werd ze in de plaats van 't Rijk de eerste macht ter wereld. Maar ze bleef 't niet alleen, die 't abstracte denkbeeld van 'n keizerlike wereldheerschappij voortzette. Rome's kroon werd ook het iedeaal der wereldlike groten, en de Frankiese Karel nam hem knielend aan uit de handen van de Paus. Doch niemand na hem kwam hem in rijksgebied nabij, en toch, hoe verder men van 't iedeaal ener wereldheerschappij af stond, hoe begeriger men 't vasthield. Wel gingen zich de nasieën in staatkundige groepen verdelen en eigen literaturen scheppen; wel stonden de germaanse volken door hun histories verleden en in gegronde antipathieën gescheiden van de romaanse; doch altijd blijft Rome de ‘caput mundi,’ waarin bijeenstromende pelgrims het palladium van de maatschappij en 't Christendom zien, waarvan begeesterde schrijvers spreken als van de ‘Wonderstad,’ waarop de volken met achting en eerbied terugzien, en die de duitse keizers, zich roomse noemende, in woorden, daden en gedachten gedenken. Een iedeaal, waarvan de verhevenheid niet is te miskennen, en die in z'n poëzie dichters vervoerd, in z'n omvang de daden der vorsten geleid heeft! Doch de zieners ebben, als de tijden vloeien. De indieviedualieteit der volken verbood de ineensmelting tot 'n organies geheel. De praktijk bereidde 'n nieuwe tijd voor; het voelen en denken der samenleving veranderde; en bij 't terugblikken op de antieke wereld en in 't streven haar te herstellen, had er in de schijnbaar dode ME. 'n revolusie en 'n vooruitgang plaats, die in betekenis, omvang en levendigheid mischien alleen de wederga heeft in de dagen die we heden tegemoet gaan.

Voor de M.E. Keizers-iedee en haar vertegenwoordigers in de Renaissancetijd is Virgilius natuurlik de meest geliefde dichter. Hij was 't, die 't romeins

[p. 365]

gevoel tot de hoogste uitdrukking bracht, en in 't oor van de lezer klonk z'n woord als 'n historiese echo. En dan de tijd, die hem had voortgebracht! Zijn eeuw was 't schitterendste en meestbekende middelpunt: de aanvang van de keizerlike heerschappij en de nabijheid van Christus' geboorte gaven hem 'n beroemdheid, die aan z'n poëzie, vooral die de wegbereider Augustus in apotheose hield, de kracht van 'n profeetsie, Christus en 't Godsrijk voorspellende, verleende.

 

Bij Christus' gewelddadigde dood treedt Jeruzalem van 't wereldtoneel af. Het ligt gevonnist, en de edele Titus voltrekt de straf. Zo dachten de Middeleeuwers, zo dacht ook Vondel. In z'n treurspel ‘Hierusalem verwoest,’ dat in toon en strekking de vorige eeuwen na-volgt, zullen we leren, ‘wat het kost den Vorst des levens te dooden en het bloed, dat genoeghzaem is tot een ranssoen voor des geheelen weerelds zonden, op zoo geringe weerdije te stellen.’1) Maar 't stuk is meer dan Middeleeuws: de oud-Christelike geest spreekt er uit in 's dichters apocolyptiese-verklaringszucht. Het 5de bedrijf is de knoop van 't spel. De aartsengel Gabriël verschijnt aan enige teruggekeerde Christenen, herinnert ze eerst aan 't vonnis, dat de Hemel verbolgen over 't ontaarde Jodendom streek, redeneert noch eens wijdlopig over het tema: ‘Waerdeert het beeld geringer Als 't leven daer 't op heeft gewezen met de vinger,’ weidt uit over Christus' bespotting en kruisiging als de kroon op 't Hebreeuwse lasterwerk van eeuwenlange Wetsverkrachting, en eindigt met de voor de kennis van de dichter zo leerzame aankondiging:

 
In dees vertooninge, en beschreyelycke ellende,
 
Als in een tafereel, oock aller dingen ende
 
Word levend afgemaelt, enz.

waarna in apocalyptiese stijl, het laatste Gericht door Christus, de plaatsing der uitverkorenen aan Z'n rechterhand, en 't vernietigend oordeel over de afgevallen zielen, tot 'n waarschuwend voorbeeld, aan alle leergrage geesten vertoond wordt. Bij 't verpesten der lucht, het stijgen der zeeën, het beven der aarde en 't vallen der lichten des hemels, -

 
Dan zal de Reye der Aertz Eng'len dalen af,
 
En met bazuyngeklangh verwecken uit het graf,
 
En dagen voor 't gericht de dooden langh ontslapen,
[p. 366]
 
En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,
 
En braecken lyven uyt die schuurden haren grond,
 
En die verzwolgen zijn van visschen groot van mond.
 
Het aerdrijck zal zijn doon, de zee haer lijcken geven,
 
En Adam al zijn zaed zien voor hem staen en leven.
 
De Caesars zullen uyt haer tomben hemelwaert
 
Een grooter Caesar zien, en vluchten al vervaert
 
Voor zyn strengh aengezicht: de Vorsten eyslijck huylen:
 
Ach bergen valt op ons! versteeckt ons helsche kuylen!
 
't Geslacht der Joden met verwonderingh zal spreken:
 
Dit 's hy wiens zyde met een yzer wierd doorsteken:
 
Dit is hy die betrad de dorpels van ons huys,
 
En hingh op Golgotha gedoemt, en storf aen 't Kruys:
 
Waer bergen wy ons ziele! het dun getal der vromen,
 
Dat Christus door 't geloove heeft vrolijck aengenomen,
 
Dat Christen hoopken zal ter rechterhand vooraen
 
Geplaetst zijn lichten blyde op zynen Heyland slaen,
 
En vliegen Hemelwaert nae boven, als 't zal hooren
 
Die vreughdenrijcke Stem: Komt hier mijn uytverkoren:
 
Ziet hoe verbaest voor hem
 
De Goddelooze vlie'n dees donderende Stem:
 
Vervloeckte gaat van my! 't berouw komt hier te spade
 
Geen aflaet geeft men hier: hier schenckt God geen genade:
 
Ziet hoe al 't Helsche Spoock met zeldzaem gekrioel
 
Met zynen peckstock stormt de Zielen in den Poel.
 
Ziet hoe Beëlsebub zijn kerckers en zijn holen
 
Met zwavel propt, en met onlesschelijcke kolen
 
En pijnt de naeckten met een endelooze dood:

Deze allegoriese verklaring van Jeruzalems ondergang heeft voor ons daarom zo veel waarde, omdat dit treurspel, daargelaten noch het kneden van de dramatiese stof naar Seneca's Troïade, - onder het motto Urbs antiqua ruit geheel als 'n parallel bedoeld is naast de verwoesting van Troje. Eigelik komt het er maar op aan, - volgens de dichter, - in te zien, wat van deze twee 'n beeld, en wat de werkelikheid is, en welke van die twee gebeurtenissen het meest waardig is, tot vermaning en stichting op het toneel gebracht te worden. Is de gelijkenis niet treffend, en de superiorieteit niet zichtbaar? - heet het. Zo de dochter Sions niet voor Hecuba wijkt, Jeruzalem doet niet onder voor tien Trojes. Ginds was Minerva's tempel; hier

[p. 367]

het Heiligdom des Heren, de lust en de faam der wereld. Daar stond het Palladium; hier school de Ark des Verbonds. ‘Oock is de Jordane die den Israeliten week en de Beke Cedron over de welcke Jezus gingh meerder dan Xanthus. Davids burght gaet Ilium te boven. Zij hebben het Griecxscheleger, wij de Roomsche heyrkrachten aengevoert. - - Laetze al haer best Laomedon, Priamus en Hector roemen: ick zal Josua, Gedeon, David, Salomon, en de andere Koningen en Helden prijzen. Willenze met de Amazone, Penthesilea proncken: ick zal met Debora, Judith en zulcke Heldinnen brageren. Zij hebben de Rhaeteesche heuvelen bewandelt van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen: wij de heylige bergen, vaeck betreden van zulcke, die, haer werck onder maen verricht hebbende, als blixemen door het azuyr en het goud des blinckenden Hemels nae den vrolijcken stoel Gods opvoeren. Wederom, die verzierde twist rees uyt Paris oordeel: deze uyt Pilatus vonnis. Gene Scheydsman oordeelde Venus te gevalle om de schoone Helena: deze Rechter den Joden om de Keyzerlijcke gunst. - - Cytherea behield op Ida den zege: Christus wierd op Calvarien gedoemt. Dit dan aldus tegen malkanderen overwogen, zoo zietmen met een half oogh welcke stoffe van beyden meest weeght, en hoe de Zonne des Heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet.’1)

 

Wat het Voorbericht op ‘Hierusalem Verwoest’ geeft te gissen, blijkt ons duideliker elders: Vondel houdt het verhaal van die ‘zekere’ Aeneas tevens voor 'n fiksie.2) De waarde van het door hem zo hoog geprezen heldendicht ligt dan ook bij hem ongetwijfeld in de profetiese stelling van 't stuk. Reeds in de ‘Hierusalem’ had hij vermaand: ‘Rome heeft den roem weghgedragen van tot den grond en ondersten wortel toe uytgeroeyt en verdelght te hebben

[p. 368]

een ouwde Koningh en Priesterlijcke Stad,’ - en in 't profetiese Virgiliusepos werken en wijzen Goden en Noodlot allen in dezelfde richting, en is 't de toekomstige grootheid van 't Romeinse wereldrijk, dat de drijfriemen spant en de raderen stuwt. Orakels en visieoenen herinneren elkander het Doel: Jupiter in de Hemel tot Venus; Creüse in Aeneas' vlucht; Anchises in de onderwereld; Vulkanus op 't schild van Aeneas; vooral in de cumäiese grot de Sibille, wier uitspraken hij belooft in z'n rijk te bewaren; en eindelìk komt als de kroon op dit alles, de verheerliking van het Juliese geslacht in Augustus als de scepterdrager in de Heils-eeuw. In zìjn Ryk en zìjn Tijd zullen de dagen worden vervuld. Alle schaduwen en beelden zullen dan eindigen. De wereld zal staan na eeuwen van arbeid. De gouden tijd zal weer komen.

 
Jam nova progenies caelo demittitur alto.

Onze gissing, dat Vondel in Virgilius' hoofdwerk de profeetsie heeft gezien van de ondergang van 'n Oude Wereld en de stichting van 'n Godsrijk, - een wereld-metamorfoze, die z'n afschaduwing vindt in de historie der mensheid, en 't aangrijpendst wordt weergegeven in de val van 't uitverkoren Jodendom en de stichting van 'n Rooms Christenrijk, - deze opvatting wordt gesteund door Vondels steeds sterk uitgesproken Keizers-iedee. Altijd blijft bij hem de belichaming van z'n Iedeaal-mogendheid het ‘Heilige Roomse Rijk’1), het Aardse beeld van 't Hemelse Sion. Hier terecht nomen est omen. De Keizers zijn tiepen, Heiligen haast. Worden ze al niet, zoals hun stamheer Augustus, in de Hemel opgenomen, 'n apotheose in 'n opdracht aan 'n Ferdinand of 'n Leopold blijft niet achter.2) Overkomt het iemand als Johan Maurits, om als gedelegeerde van een der Keurvorsten mee te doen in 'n Keizers-keuze, dan schijnt hij door een straal van 'n Heilig vuur getroffen, die aan de gelukkige 'n wijding en bewieroking voor z'n leven geeft.3) Keulen is in driedubbele zin 'n Goddelik uitverkorene; en Amsterdam, dat toevallig het geluk heeft gehad, door een der Keizers haar drie kruisen met de ‘Roomse kroon’ te zien

[p. 369]

bedekken,1) deelt mee in de glans van 'n Licht, dat de kinderen der duisternis, 't zij de Hunnen in Rome en Keulen, of de Turken voor Weenen, nooit hebben vermogen te doven.

 

Aeneas tot stamvader te hebben, was het iedeaal der Middeneeuwse vorstengeslachten.2) Vooral Karel de Grote vond, als zoon van de usurperende Merovingiese hofmeier, voor 'n Keizerrijk door Gods genade, 'n afstamming van het trojaanse koningsbloed, biezonder gewenst. Vandaar z'n bemoeingen met de romeinse en griekse literatuur, z'n ondersteuning van de romeinse historie-beoefening, z'n kunstgewrochten in romeins-byzantijnse stijl. Hofgeleerden noemden zich Menalcas en Daphnis; Hagen van Tronije had zich als de germine Trojae verklaard; Karel zelf wordt in oude kronieken betieteld: filius Pippini, filii Anchisi, filii Arnolfi, enz.3). Godfried van Monmouth heet de Britten naar Brutus, Ascanias' zoon, en Cornwallis naar Corineus. Maerlant laat de Turken afstammen van Turcus, zoon van Troïlus. Een oude overlevering, - bij Fredegarius 'n feit der historie, - noemt heel het Frankiese volk het nageslacht van Hectors zoon Francio, en als de eerste koning van 't Frankenrijk 'n zekere Priamus. Op die Frankiese sagen nu steunt de Franciade, het heldendicht van Ronsard, die noch in de 16e eeuw de Franse koningen van Iliums' bloed laat stammen. Wie weet, wat 'n warm bewonderaar van Ronsard hier te lande op 't altaar van Virgilius aan epiese vinding zou hebben geofferd, zo niet Hooft de spelbreker was geweest, door Rome links te laten liggen, en z'n stamvolk, zoals 't dan ook hoorde, uit Germanje te laten komen. Spelbreker dáárom, omdat het resultaat van z'n arbeid zo stevig stond, vooreerst door z'n Bacto, hoewel zelf als held 'n fiksie, te laten steunen op onverdachte historiese gegevens, maar vooral, omdat z'n drama 'n apologeties-juridies betoog is voor het goed recht van 'n staatsregeling zoals die door 'n toevallige loop van omstandigheden in de Republiek was geworden, maar die door de auteur 'tendentieus', om polietieke redenen, bij 't Germaanse oer-volk als reeds bestaande werd ondersteld.4) Vrijwel dus 'n arbeid in 't literaire, zoals Grotius die had volbracht

[p. 370]

in 't staatsrechterlike: de verdediging van de Opstand; de ontvouwing van 't bestaan van 'n vrije oud-Nederlandse oer-staat.1)

Een Nederlands epos nu kon bij deze stand van zaken, eerst dan kans van slagen hebben, zo het zich bewoog in de lijn Baeto-Velzen-Ned.-Historieën,2) en 'n nasieonale Virgilius zou bij 't zoeken van z'n Aeneas moeielik de voortreffelike vorstenzoon Baeto ter zijde kunnen stellen.3) Het raamwerk was zo goed als gegeven, de naam van de balling, in 't etymologies verband, reeds 'n voorschrift. Maar hoe nu - en dit moest bij 'n Virgiliusvereerder als Vondel zwaar gaan wegen,4) - bij 't inachtnemen van dit voorbehoud5) het parallelisme met de Aeneïde te bewaren? Zo men aannam, dat in 't gedicht van de ‘Goddelike Maro’ 'n Christelik-profetiese zin lag verborgen, - waar dan in navolging van dit onaantastbaar6) werk, in de oudnederlandse geschiedenis het naterieaal te vinden, met behulp waarvan aan de menigte de betekenisvolle inhoud verbloemd en leerrijk kon worden vertoond?7) In de ‘Velzen’ had Hooft zich Maro's profetenmantel omgehangen; en door 'n oude vloedgod ‘Vechtstroom’, toegerust met 'n sibillijns vermogen, de toekomst te laten voorspellen, had hij de nasieonale iedee met het gezag van de Oudheid geschraagd. Welnu, Amsterdam zou het Morgenrood, het Rome aan de Tiber zijn. De historie scheen toch hier de proef op de som

[p. 371]

te geven. - Maar wie was Aeneas? De Baeto van ginds, uit Hessenland? Doch onaangezien dat de Germaanse voortijd moeielik de mise-en-scène van 'n Stortend Rijk kon geven, - zou 't dan voor de aanschouwelikheid van 't spel en 't krachtiger tragies effekt niet verkiesliker zijn, 't Symbool van de Val op Hollands terrein te zoeken, desnoods - en de gelegenheidsdrang pleitte er voor1) - er de naam van de Amstelstad aan te knopen? En zie, - wat het kompromies tussen Latium en Germanje zoveel te nauwer mogelik maakte, zò dat de nasieonale iedee er door bevestigd en voortgedragen werd, en aan de andere kant de Landshistorie kon opgaan in 't grote Mysterie van de Goddelike Virgilius, - in de ‘Velzen’ was Gijsbrecht van Amstel de wedergeboren 'Baeto', de erfgenaam van de staatsrechterlike princiepes van onze volks- en staats-stichter, de man van stavast in de driedubbele storm van vorstendespotisme, adeltrost en volkshartstocht2) Deze Gijsbrecht was de aangewezen balling, de vroede en vrome leider van 'n heldenschaar,3) het Stamhoofd van 'n rij van Senatoren.4) Al de konsekwensieën van deze beschikking zijn door de dichter aanvaard. De naneven van Gijsbrecht, de Graven, de Boelensens, de Bickers, de Hoofden, en zo vele meer, zijn even zo veel Romeinse groten,5) wier trouw, deugd en dap-

[p. 372]

perheid even vast staat als twee maal twee vier is; door wie elke daad in de 17e eeuw dààrom alleen reeds roemruchtig is; en die zich op hun beurt, zoals Augustus de hulde ontving van z'n hofpoëten, even genadig op Amstels Kapietool laten bewieroken door de verheffer van hun geslachten.1) Maar toch, welk 'n vreemd kontrast moest in de praktijk de uitwerking van de herhaalde Regenten-apotheose opleveren met de dichterlike Iedee! Boven elke opdracht en elk lofdicht, dierekt of indierekt aan 't adres van de Amsterdamse Senatoren, welft 'n Virgiliaanse versregel, als waren de feiten der vaderlandse geschiedenis aan een te schakelen tot 'n Symbool, te dekken en te heiligen door de sentensieën van 'n onwrikbaar vast, te voren aangekondigde Goddelik Mysterie.2) En terwijl Vondel de 17-eeuwse Regentengeschiedenis hoe langer hoe vaster tracht samen te snoeren met de Wereldallegorie, in Rome gefiegureerd, dragen de Amsterdamse Burgemeesters, tot het iedealiezeren van hun Nederlandse voorvaderen, aan Flinck, Ovensz. en Lievensz. op, om vooral op de doeken van 't Raadhuis te willen vereeuwigen, de anti-Romeinse Claudius Civilis en Julius Paulus, waardige nakomelingen van 'n Germaanse Baeto. -

[p. 373]

Vondel is in merg en been Christen. Het tragiese lot van de sterveling, die in Adam door hoogmoed valt, en slechts door ootmoed de Hemel kan herwinnen, is de grondtoon van heel z'n dichterlik denken en arbeid, en de ‘neerlaagh’ van Adam, gestort uit de Heerlikheid van 't Paradijs, peilt ons de oneindigheid van de Genade, die we in Christus herkrijgen. Op de leest van dit ‘aller treurspelen treurspel’ is bijna alle dramatiese arbeid van Vondel geschoeid. Lucifer valt, Salmoneus en Faëton; Salomo, David, Adonias, Samson, Sauls zonen vallen; wie eigenmachtig Gods woord verklaart, is als Jefta 'n vallende ketter; Euripides is hem sympatiek om z'n Thebaansche Gebroeders, Sofokles om z'n Herkules. En omdat boven de toekomst van 't Nieuwe, ook in de Aeneas hem de val van 't Oude hem 't meest te genieten geeft,1) zal ook - al is 't voor 'n feestelike gelegenheid - niet de Opkomst van 't Amsterdams Rome de stof voor z'n toneelspel zijn, maar het voor hem onontkombare Urbs antiqua ruit, en Gijsbrecht wordt de drama-held van 'n nieuwe Troje-brand in 'n een daarvoor voldoend toegerust Amsterdam. Fluks wordt tot dat einde het vissersdorp van de 13e eeuwse Gijsbrecht, van wallen, grachten en poorten voorzien; kathedralen worden gebouwd zo groot als Trojaanse tempels; Raadhuizen als koningsburchten; de Haarlemmers en Kennemers krijgen de allures van de Dolopieërs en Myrmidonen; het rijsschip zal 't verraad verbergen; 'n toekomstig geslacht van Gijsbrechtjes is verzekerd in de stamhouder Ascanias-Venerik. Alles is navenant. En als dan in de ‘histories’ in elkaar gezette Amstelstad - Vondel weet wel wat hij doet - de vlam uitslaat, de tempels worden ontwijd, en 't bloed de rokende puinhopen drenkt, is 's dichters taak volbracht en kan hij sluiten met 'n parafrasties verhaal van al die ongelukken, op het sedert ‘Jerusalem’ opgeborgen, maar voor de ‘Inwijding’ weer voor den dag geroepen motief:

 
Quis cladem illius noctis, quis funera fando
 
Explicet? aut possit lacrymis aequare labores?
 
Urbs antiqua ruit, multos dominata par annos:
 
Plurima perque vias sternuntur inertia passim
 
Corpora perque domas, et religiosa deorum
 
Limina.

Dat is:

 
Wie zal de lijcken, wie de ne'erlage ons verklaren
 
Van die vervloeckte nacht? of konnen evenaren
[p. 374]
 
Met tranen al het leed? die ouwde stad die stond,
 
En had zoo langh 't gezagh, stort plotzelingh te grond.
 
Veel olick volcxken men alsins ter ne'er doet stromp'len,
 
Langhs straet, in huys, en op der Goon gewijde dromp'len.

Doch niemand kan ongestraft twee goden dienen. Dezelfde Aeneas, die naar de volmaaktheid van 't tot het einde toe trouw gevolgde model, z'n brandend Troje moet ontvluchten, om elders aan de mond van de Oder of de Weichsel 'n nieuw Rome te stichten, moet in z'n nakroost weer naar 't pas verlaten gevallen Verleden terug, om daar ter plaatse z'n geslacht in roem te zien stijgen. Zoals de Romeinse held er uit moet, even zo goed moet de Germaanse er weer in. Door dit vergelijk breekt het spiegelglas der profeetsie over de te hoog gehouden eis, en valt naar twee kanten af. Het kerstenen van de Creüse-geest in 'n aartsengel kan de breuk niet goedmaken. Rafaël mag aan de Gabriël in de ‘Jeruzalem’ herinneren, de apocalyptiese uitlegging blijft achterwege. Trouwens, waartoe zou hij recht van bestaan hebben! Het Protestantse Amsterdam in Vondel's oogen, dat als de Stad der profeetsie tegenover het 13de eeuwse gesteld zou moeten worden, was veel minder dan de 't Jodendom vervangende Nieuwe Wereld in Rome, het Iedeaal van 'n Gods-stad, waarin Heidenen en Joden zich voor de voeten van de Verlosser zouden werpen; en de Republiek, niettegenstaande de roem en de glans die uitstraalde van de Kapietool-Regenten, op verre na niet 'n Christenrijk, waaruit de Wereldvrede alle aardse twisten, oorlogen en vervolgingen om den gelove, had verbannen. Wat meer is, het Hervormde Nederland had juist door z'n breken met het Katholicisme 'n Christelike éénheid, voorloopig altans, onmogelijk gemaakt. Het enige wat de Hemelbode in deze zou kunnen doen, zou dan zijn, de nakomelingen er op opmerkzaam te maken, dat het zonder 't Oude Geloof niet gaat. Vooralsnoch echter houdt hij z'n woorden in,1) voorspelt alleen de verandering in de godsdienst zelf, en wist de kleurloosheid van de blote mededeling weg met het vleiend vleugje, dat in al die lotswisseling de Amstelstad er zich boven op bleef werken. Een passen en meten, dat het vrij krachteloos resultaat oplevert:

 
O Gijsbrecht, zet getroost uw schouders onder 't kruis
 
U opgeleit van God. 't Is al vergeefs dit huis
[p. 375]
 
Verdaedight; hadden wij 't in ons behoed genomen,
 
't En waer met Amsterdam zoo verre noit gekomen:
 
Dus wederstreef niet meer uw trouwe gemaelin.
 
Verlaet uw wettigh erf, en quel u nergens in.
 
Al leit de stad verwoest, en wil daer van niet yzen:
 
Zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen:
 
Want d' opperste beleit zijn zaecken wonderbaer.
 
De Hollandsche gemeent zal, eer drie honderd jaer
 
Verloopen, zich met maght van bondgenooten stercken,
 
En schoppen 't Roomsch autaer met kràcht uit alle kercken,
 
Verklaeren 't graeflijck hoofd vervallen van zijn Recht,
 
En heerschen staetsgewijs; het welck een bits gevecht,
 
En endeloozen krijgh en onweer zal verwecken;
 
Dat zich gansch Christenrijck, te bloedigh aen wil trecken.
 
In 't midden van den twist, en 't woeden nimmer moe,
 
Verheft uw stadt haer kroon tot aen den hemel toe,
 
En gaet door vier en ys een andre weereld vinden
 
En dondert met geschut op alle vier de winden.
 
Uw afkomst midlerwijl en zal niet onder gaen
 
Maer eeuwigh adelijck en eerelijck bestaen,
 
Op sloten en in steên, en loffelijck regeeren,
 
En Aemstels oude naem en zal geen roem ontbeeren;
 
 
 
Schep moed, en wanhoop niet,
 
Maer volgh gehoorzaem na het geen u God gebied.
 
Zijn wil is, dat ghy treckt na 'et vette land van Pruissen,
 
Daer uit het Poolsch geberght de Wijsselstroom koomt ruisschen,
 
Die d' oevers rijck van vrucht genoeghelijck bespoelt.
 
Vertrou u daer en wacht tot dat de wraeck verkoelt.
 
Ghy zult in dit gewest, een stad, Nieuw-Holland, bouwen,
 
En in gezonde lucht, en weelige landouwen,
 
Vergeten al uw leet, en overbrogten druck;
 
Waer door uw nazaet klimt den bergh op van 't geluck.1)

't Spel is opgedragen aan Grotius, die met de Virgiliaanse en de Bataafse draad beide, aan 't stuk vastzit. -

[p. 376]

Vondel is Nederlander, wordt beweerd, en leeft mee met het wel en het wee van ons volk. En zeker, in de verheerliking van Amsterdam, haar Beurs, haar Stadhuizen en Blokhuizen, haar wasdom en wereldverkeer, uit zich 'n hart, dat de bloei van z'n Stad en z'n Land met innige blijdschap voelt. Maar deze Godsman ziet er iets anders en beters in ook noch. Geeft dit aan de ene kant aan z'n loflied de trilling van de ingehouden jubel, en 'n stemminghoogte, die hem boven anderen tot 'n warm patrieot verheft, aan de andere kant echter zien we door de gloed van z'n bezieling heen de helle glans van 'n alles-Verlichtend Iedee. De tochten naar Noordelike en Zuidelike kusten, de veroveringen in Oost en West bepalen 'n Doel; het stichten van Vrede en 't herstellen van 't Evenwicht in 't Europees verband, omschrijven 'n Taak; Holland doet in 't Westen, wat Polen in 't Oosten en Venetië in 't Zuiden doen: waakzaam zijn en strijden aan de voorposten; de weg bereiden tot het eenmaal verhoopte Wereld- en Vrede-rijk. Straks komt 'n Medicis, 'n Stuart, zelfs 'n Gamarra, bij vreedzame intocht en pralende glans de Neerlandse palen binnen, en Vondel stemt z'n snaren. Straks binden huweliksbanden Europa's vorstenhoven, en Vondel ontroert. Dan komt de Zweedse Christine en buigt in Rome biddend het fiere hoofd; bergen hoog stijgt z'n loflied bij de Hogere staat, die zij boven 'n troon verwacht. En in dat hopend toeven op de Vrede in 't aardse Kerstenrijk, gaat hij de volken leren en wijzen op 't Eeuwig Symbool, in Christus besloten: de Val en de Zege; de Val in 't mensenlot en de Historie; de Zege in de Toekomstige Gods-Stad. 't Liefst is hem daarbij 'n didakties herhalen en verwerken van het met Goddelike inblazing door Virgilius 't heerlikst uitgebeeld motief; maakt, om voor de menigte aanschouwelik te zijn, van de zo tastbare en door de ‘wijzen’ zo geprezen leerwijze der dramatiek gebruik; neemt in de ‘Gijsbrecht’ vaderlandse stof, ontbindt ze van de werkelikheid, brengt ze voor 't Virgiliaanse toverlicht, en groepeert de aldus verkregen silhouetten op de kunstafstanden van 'n stereoskoop. Doch 't zou onbillik zijn, aan Amsterdam alleen, haar jaarliks aanstaren van 'n Eerste Werelds Ondergang als de boete voor 'n misvatting aan te wrijven, waar het als de tol van 't dankbaar nageslacht is bedoeld. Gans het volk werd het slachtoffer van z'n nasieonale ijdelheid, toen Vondel na z'n Oude Stad te hebben laten vallen, de nieuwe geschiedenis liet opkomen in Rome's stijl en Rome's overlevering. Noch altijd met de Toekomst van 't Wereldrijk-in-hope voor ogen, heft hij de daden en mannen der 17de eeuwse Regentschappen, ze los makend van hun historiese plaats, op tot 'n onwezenlik Schijnbeeld, 'n Ridder-Senaat op Romeinse leest, met aristokraties-Bataafse tradiesies. Zo losten zich, als alle historie, ook de feiten van 't heden, hier schemerend, daar duidelik, als beelden op in de

[p. 377]

heilige Geheimnis, zoals het bij Goddelik raadslot was neergelegd in Joodse en Heidense daden en woorden. De Profeten van 't Oude Verbond genoegen de dichter niet meer; de antieken in 't Christendom te assimileren, kan niet meer volstaan; wissels trekkend op 'n Toekomst, die hij zwijgend verhoopt, wijdt hij zich, onder 't slingeren van sibillijnse sentensieën om z'n zangen, tot 'n door God begenadigde geest; niet tot 'n hoogmoedige Ziener, maar 'n Godskind, die trillend van dank zich in eerbied voor z'n Schepper noch te kort voelt komen. Bij hem staat de Nederlander in dienst van de Romein; beide gaan op in de Christen-Symbolist.

 

J. Koopmans.