Taal en Letteren. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 8. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1898


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 401]

Nog een en ander over Vondel
Van J.A.F.L. baron van Heeckeren.
(Vervolg van blz 13.)

II.
Vondel als lofdichter.

In de laatste 40 jaren is, vrucht der keurige studie van Bakhuizen van den Brink,1) Vondel's roem als hekeldichter het minst aangevochten. Ook door velen, die hem uit de rij der treurspeldichters zouden willen verbannen, wordt hem deze lauwer niet betwist, maar toch is, naar ik meen, mijne bewering niet te stout, als ik zeg, dat zijne verdiensten als lofdichter voor 't minst even hoog geschat moeten worden.

Laat ik als bewijs daarvoor aanhalen eenige regels gewijd aan zijne beminnelijke beschermster Anna van Hoorn, echtgenoote van den Amsterdamschen patriciër Cornelis van Vlooswijck, in 1654 raad en oud-burgemeester van Amsterdam, heer van Vlooswijck, Diemerbroek en Papekop. Van alle vrouwen die door Vondel zijn bezongen heeft hij er geen enkele, zelfs niet de gevierde Tesselschade, in zulk een betooverend licht geplaatst. Hij had haar gekend in hare jeugd en haar als 18jarig meisje geteekend:

 
Met dien lieven rozemond,
 
Met die levendige zwieren,
 
Met dien diamant in de oogen.

Vaak had hij haar ontmoet op het hoogehuis te Muiden, waar het doorluchtig hoofd der Hollandsche poëeten ook haar soms als gast ontving, en zij droeg Vondel's poëzie eene warme bewondering toe. Zij was het, die hem op den ouden dag gered had uit nijpende armoede, en wij hebben aanleiding in overvloed om te onderstellen dat hier de lof Vondel uit het hart kwam.

Mogen wij eenig geloof slaan aan de zangen, haar door verschillende

[p. 402]

dichters toegebracht, dan moet zij een schoonheid van den eersten rang zijn geweest, en wij weten dat Vondel een te verstandig vleier was, om niet te begrijpen, dat alleen die vleierij, welke op een niet al te zwakken grond van waarheid rust, den verstandige kan behagen. Wij mogen dus wel aannemen, dat hare schoonheid, ook nog op rijperen leeftijd, boven die van velen uitblonk.

Vondel, wiens verzen soms wel wat al te veel doortrokken zijn met den geur van kleinsteedsche burgerlijkheid, wiens roskam, waar hij hekelt, wel wat al te onhebbelijk schuurt langs de huid zijner slachtoffers, weet tegenover haar zich voor te doen als een hoveling, doorkneed in de kunst der fijnste hoffelijkheden. Welk hoveling zou de door hem in stilte aangebeden vorsten met een aangenamer vleierij hebben kunnen streelen, dan Vondel zijne beschermster in een bruilofsgedicht ter eere van hare dochter Margaretha?

 
o Schoone dochter van een overschoone moeder!

Zoo spreekt hij daarin de bruid aan.

Vertrouwd als Mevrouw van Vlooswijck was met de klassieke letterkunde, moest zij hierin aanstonds eene navolging herkennen van een algemeen bekenden regel uit een der oden van Horatius; maar terwijl de Romeinsche dichter den prijs der schoonheid toekent aan de dochter, laat onze nieuwe Paris den strijd onbeslist. Voor de moeder, die toen den ouderdom van 46 jaren reeds had bereikt, moest zulk een onbesliste kamp met een 20jarige schoone reeds voor eene overwinning gelden.

In een ander gedicht, aan de zelfde dochter gewijd, noemt hij haar

 
De tiende zanggodin
 
Uit eene roos geboren.

Een mooie vrouw met een roos te vergelijken is op zich zelf zeker een zeer alledaagsch compliment; maar het vers, waarin deze regels voorkomen, betreft eene schilderij, waarop de dochter werd voorgesteld als zwevende op een regenboog en omhuld door een wolk van bloemen. Bij den eersten blik op die bloemen te denken aan de moeder als de koningin der bloemen, daarin steekt, naar mij voorkomt, eene zeer fijne galanterie. Het is alsof de dichter zegt: Zie, de schilder heeft u omgeven met bloemen, maar ik wijs u op de schoonste der bloemen, waaruit gij zijt voortgekomen, op uwe moeder.

Met nog fijner en geuriger specerijen kruidde hij de vleierij in een gedicht op een portret van zijne beschermster. Opzettelijk mengt hij in den lof, dien hij den schilder toezwaait, eene kleine blaam, om deze aan Mevrouw van Vlooswijck weder ten goede te doen komen. Apelles, zoo dicht Vondel, wilde de schoonheden van de drie godinnen, over welke Paris als rechter had

[p. 403]

gezeten, in één beeld vereenigen. Hij koos Anna tot model, maar ofschoon hij slaagde, toch was het stuk niet voltooid. Want toen hij hare van een hemelschen geest als doortrokken schoonheid op het doek wilde doen leven, fluisterde de natuur hem in:

 
Gij overlaadt uw geest. Het zware werk zal spatten;
 
Gij waart in 't scheppen van die schoonheid al te kiesch.
 
Gij vreesdet aan uw beeld den laatsten trek te geven:
 
Behaagt de schaduw reeds, hoe schoon is dan het leven?

Om volkomen te gelijken op het oorspronkelijk ontbrak dus aan het anders zoo fraaie portret de laatste en fijnste trek. Maar welke was dan toch de trek, dien Vondel in de schilderij miste? Hoe zou hij, indien Van der Hulst hem zijn penseel en zijne kunstgave had kunnen leenen, de gevierde Anna het liefst hebben afgeschilderd?

Zijne muse heeft eerst een aantal jaren later, toen zij het lijk der vereerde vrouw weenende naar den grafkuil volgde, dit ons meegedeeld. De schilder had bij de Juno-gestalte en de Venus-trekken, die hij Mevrouw Van Vlooswijck had gegeven, de Christinne over het hoofd gezien. Bij hare uitvaart roemde Vondel haar als de gasthuismoeder, als de barmhartige, die in het verplegen der kranken haar hoogste genot vond, en die zich door armoede, onzuivere lucht noch besmetting liet afschrikken van het leger der smarte, waar zij troost en verkwikking kwam brengen. Het gebogen hoofd van den christelijken deemoed, de altijd geopende hand van de christelijke weldadigheid, deze had hij vóór alles gewenscht in het afbeeldsel der vrouw, die door hare voorspraak hem eens gered had uit de klauwen der nijpende armoede. In Anna van Hoorn vereerde hij de gemalin van den Amsterdamschen burgemeester, de lieftallige moeder, de kunstlievende vrouw, maar boven alles de trouwe volgster van Jezus in nederigheid en liefde.

Laat ik nog op eene kleinigheid de aandacht vestigen, wanneer ik van Vondel als lofdichter spreek. Hij hield er, gelijk bekend is, een bizonder talent op na om de door hem bewierookte personen in hun eigendommelijk zwak te streelen, en verzuimde dan ook niet, zoo dikwerf hij hun een gedicht wijdde of een treurspel opdroeg, de namen hunner heerlijkheden aan hun familienaam vast te knoopen. En wat is nu opmerkelijk? In een gedicht aan den raadpensionaris Johan de Witt laat hij al diens heerlijkheden weg. In zulke kleinigheden komt niet alleen Vondel's menschenkennis uit, maar hoe weet hij door te zwijgen, te prijzen. Hij weet wie en wie niet behagen schept in den beker der ijdelheid, dien hij gereed maakt. Zijn tijdgenoot en mededinger in der regenten gunst, Jan Vos, scheert allen over den zelfden

[p. 404]

kam. In de rotsgestalte (naar Vondel's uitdrukkking) aan het roer van den Staat:

 
Bekoord door niemands gunst, geschend door niemands haat,

vermoedt hij de zelfde titelzucht als in sommige Amsterdamsche patriciërs. Hij is er druk op uit om het woonvertrek van den Hollandschen Cato, dat deze alleen wilde bekleed hebben met den burgerlijken eenvoud zijner levenswijze, te behangen met de wapenborden van gekochte heerlijkheden. En toch, o dichterlijke glazenmaker, dat men u niet te hard valle! Gij kondt den schoonzoon van een Amsterdamschen burgemeester niet goed zonder heerlijkheden voor den dag doen komen! Welk armzalig figuur zou hij, zonder eenigen titel, naast zijne geridderde schoonbroeders gemaakt hebben, en daarbij, gij hebt onze geschiedenis een werkelijken dienst bewezen. Wie zou, zonder u, onzen grooten raadpensionaris hebben durven begroeten als heer van Heekendorp en Snelderwaard? Door u weten wij, dat het geene gedwongen fraaiigheid, maar geheel uit vrijen wil was, zoo de staatsman, wiens raadselachtige macht in de weegschaal der Europeesche Staatkunde dikwerf zwaarder woog dan de koninklijke en keizerlijke kronen der Habsburgen en Stuarts, zich als een eenvoudig burger Jan de Witt noemde.

III.
Het tooneel, Vondel en de kerk.

De door Van Kampen gestichte en in 1637 voltooide schouwburg stond, gelijk men weet, op de Keizersgracht. Die gracht was in 1654 nog een alles behalve fatsoenlijke buurt. Zoo men mag afgaan op de getuigenis van Jacob Koeman, dien heftigen bestrijder van het tooneel ‘dan bevonden zich in de onmiddellijke nabijheid van den Schouwburg verscheidene drankwinkels, waarin zich de jongelieden bij het eindigen van het spel te goed deden, terwijl op naburige stoepen vrouwen van het slechtste gehalte en in grooten getale hare slachtoffers zaten af te wachten. Helsche harpijen noemde hij deze vrouwen, die na hare jeugd in ongebondenheid te hebben doorgebracht, thans naar ziel en lichaam bedorven, het kwaad door koppelarijen zoeken te handhaven.

 
De duivel ‘zegt hij: die niet rust eer hij zijn duister rijk
 
Geschraagd ziet, sleurt dit volk met koppels naar deez wijk
 
Om jeugd en onschuld te verraân.
[p. 405]

De predikanten, die in naam der heilige Drieëenheid van de kansels hun banvloeken over den schouwburg slingerden, waren voorzeker niet geheel in hun onrecht. De stichting, die naar Vondel's-droom de vrucht van zijn bijbelsche treurspelen zou zijn, zal bij de jongelieden wel bijna nooit tot rijpheid zijn gekomen. Bij de meesten zal zij wel verdronken zijn in de roemers wijn der drankwinkels of verstikt in de omhelzingen der harpijen. Maar het was niet alleen losbandige zedeloosheid, die hier haar bedwelmenden drank aanbood, ook godsdienstige dweepzucht gaf hier den dorstige te drinken uit haren bijna even gevaarlijken beker. Om de goedkoopheid van grond in deze nog half bebouwde buurt vond men er ook huizen van samenkomst voor vromen van allerlei secten. En die huizen werden druk bezocht. Het was zeker niet uit een verheven beginsel van godsdienstigheid en verdraagzaamheid, maar een verstandige en goede politiek, die de Amsterdamsche regeering volgde, toen zij de poort harer stad wijd openzette voor alle godsdienstige gezindheden. In den zoo schilderachtigen regel:

 
De vrijheid ga haar gang en vlieg met volle zeilen
 
Den IJstroom uit en in.

heeft Vondel in één trek den engen band geteekend die den Amsterdamschen koophandel en de algemeene godsdienstvrijheid te samen knoopte. Bij den gewetensdwang, die overal elders heerschte, moest de godsdienstvrijheid wel de machtige magneet worden, die de schepen aller stranden naar het IJ trok. Onder de schaduw dier vrijheid bloeiden en tierden de godsdienstige secten in bonte mengeling. Ieder die zich opwierp tot profeet vond geloovigen en de profetenmantel, waarmee men zich daarvoor moest tooien, was niet van de kostbaarste stof. Eenige bekendheid met de tale Kanaäns, wat zeggingskracht, maar vooral een werkelijke of gemaakte droefgeestigheid waren de eenige vereischten voor de wijding tot zulk een ambt. Goede smaak en wetenschappelijkheid waren veeleer beletsels dan aanbevelingen. Als een bewijs voor de treurige godsdienstige gesteldheid dier dagen kan gelden dat niet alleen lieden uit de volksklasse, maar ook wetenschappelijke en beschaafde mannen soms zulke profeten tot hunne leidslieden kozen.

Het was dan ook inderdaad een grijze najaarsnevel, die in den aanvang der tweede helft van de 17e eeuw over de heerschende Nederlandsche kerk hing. De Armeniaansche twisten hadden bij hun wegsterven een vergiftigd zaad achtergelaten. Al schenen ook, onder het gelukkig en verstandig bestuur van Frederik Hendrik, het bloed van Oldebarneveld en het leed der remonstrantsche martelaren, zonder boete en berouw verzoend - de straf op iedere onverdraagzaamheid gesteld, was wel opgeschort en uitgesteld, maar

[p. 406]

daarom nog niet kwijt gescholden. Niet de strijd tegen Descartes, niet het geharrewar tusschen Voetianen en Coccejanen, al heeft onze kerkgeschiedenis juist daarvan het meeste gewicht gemaakt, waren de zwartste vlekken. De ware ziekte der kerk (bittere vrucht van den triumf der verketterende rechtzinnigheid) was van een geheel anderen en veel meer gevaarlijken aard. Versteening in de vormen, wegsterving van alle gevoel en gemoedelijkheid, uitblussching van den ouden vurigen geest - deze waren de kankerwonden, die de kerk aan hare borst, achter het gladgestreken kleed van hare door allen beleden dogma's moest verbergen. Enghartige dagloonster in de steengroeve der leerstellingen, had zij in haren slavenarbeid haren boezem zoo zien verharden en vereelten, dat daarop geen zachte plek meer te vinden was, waar op het ach! vaak zoo moede hoofd harer kinderen in stilte kon uitrusten. Vruchteloos schreiden dan die ongelukkigen om lafenis en troost aan haren schoot. Was zij reeds stroef en hard in dagen van algemeene welvaart, geheel ontbloot van moederlijke barmhartigheid scheen zij in tijden, waarin de oorlog en de telkens terugkeerende pest hunne donkere schaduwen over het land wierpen. Steenen voor brood ontving dan de ter kerk snellende menigte. In plaats van woorden van opbeuring hoorde zij er bittere verwenschingen van anders denkenden; in plaats van vertroostingen, aanmaningen, even wreed als onmenschkundig, tot boete en berouw, als of het een eisch van Jezus godsdienst was het gekrookte riet te breken en de reeds ter aarde gebogenen nog dieper in het stof te vertreden. Was het wonder, dat velen het wankelende en geschonden gebouw verlieten om een schuilplaats te zoeken, dezen in de R.C. Kerk, genen in de wijsbegeerte, anderen zelfs in het joodsche geloof? Ook velen, die de kerk naar het uitwendige getrouw bleven, zochten in de sectendweeperij een surrogaat voor datgene, wat de kerk in hare onmacht hun niet geven kon. En het waren niet slechts de grove en onontwikkelde naturen, die troost zochten bij die dweeperij, ook de edelsten onder de edelen en de ontwikkeldsten onder de ontwikkelden persten, bij den brandenden dorst in hunne zielen, hunne lippen aan iederen beker, die lafenis beloofde. Een Zwammerdam onder de natuurkundigen, een Van Beuningen onder de Staatslieden, een Jan Luyken onder de kunstenaars, een Anna Maria Schuurman onder de geleerde vrouwen. Al die secten stemden met de strenge richting in de kerk overeen in vijandschap tegen het tooneel. Terecht schreven zij den treurigen toestand van den godsdienst toe aan de kwijning van den Calvinistischen geest. Maar de oorzaken dier kwijning zoekende, waar zij niet te vinden waren, wilden zij, op Calvijn's voetspoor, de wereld en het leven, zoo veel mogelijk van alle uitwendige schoonheid berooven. De pracht en kunstliefde der regenten waren hun dan

[p. 407]

ook ware steenen des aanstoots, maar bovenal verfoeiden zij het tooneel dat met zijn heidensche beelden, zijn muziek, zijn verleidelijke dansen en zijn schitterend gekleede spelers zich als een waren afgodstempel aan hunne oogen voordeed. Noch in het Oude, noch in het Nieuwe Te-tament vindt men ergens melding gemaakt van het tooneel, zoodat dan ook Vondel toen hij ergens m zijn bijbelsche tooneelspelen eene pleitrede voor het tooneel wilde inlasschen, die niet aan een bijbelsch personage, maar aan een afgodischen koning op de lippen legt.

Tegenover den dichter van de Lucifer was de gemoedelijke geest van de dweepzieke mijmerij even vijandig gezind als de zuivere en strijdlustige calvinistische richting. Het protestantsch mysticisme begreep niets van de geheimenissen, die Vondel in de gewijde symboliek der R.-K. kerk naspoorde en verheerlijkte. Volgens onzen dichter waren de boeken des Ouden Verbonds vervuld met voorafschaduwingen van gebeurtenissen onder de nieuwe bedeeling. In de geheele classieke geschiedenis zag hij eene voorbereiding van de feiten van het katholicisme Maar buiten die symboliek wilde Vondel op zijn beurt van geene geheimenissen in den godsdienst weten. Alleen de kerk was voor hem mysterie. In zijn afkeer van elk ander mysticismus ging hij zelfs zoo ver, dat hij in zijn Eenzame aandacht in de vasten de aanschouwing van de zalige engelen in den hemel, die aan een moeden kluizenaar te beurt viel, voorstelt als een verzoeking van den boozen geest. Vondel was een veel te practisch en een aan den geest der classieken te veel gebonden man, om behagen te vinden in het geheimzinnig gefluister met een onzichtbare geestenwereld. Bij hem, niet als bij Cats, een meestal wansmakelijke vergeestelijking van het Hooglied; niet als bij Lodenstein liefkozingen tusschen Jezus en de verliefde ziel; niet als bij Revius geestelijke worstelingen met Jehova, maar daarentegen ook geen nederdalen in de duistere gangen van het zieleleven; geen smachtende blik naar boven, geen verterend heimwee naar een eeuwig vaderland; geen vertrouwelijk gefluister met God; geen wegzinken aan Zijn boezem. En voor mij mist godsdienstige poëzie, waaraan dit mystieke ontbreekt, haar fijnsten geur. De vrijwillige overgave der ziele aan God, - ik geloof niet dat Vondel haar in hare volle kracht heeft gekend. Hij kende voorzeker gehoorzaamheid, zelfs blinde gehoorzaamheid aan Zijn wil; maar dit is toch nog iets anders dan het eenswillend zijn met den Vader, waarin het wezen van den godsdienst bestaat. Hij is dan ook meer theologisch en zedelijk, dan echt godsdienstig dichter geweest. Maar het gaat mij, als hij eens van zich zelven zeide:

 
Mijn ijver dwaalt van 't spoor, hij slacht den predikstoel!
[p. 408]

NASCHRIFT. - Ik besluit hiermede, althans voorloopig, de fragmentarische mededeelingen uit stukken van v.H. over Vondel. Ik meen dat naast de Vondelstudiën van den heer Koopmans, waarin Vondel's verchristelijking van de heidensche didaktiek met zoo groote zaakkennis wordt aangewezen, het eenvoudig woord van mijn vriend over Vondel als theoloog en Christen nog met belangstelling zal worden gelezen. Ik herinner dat het opstel, waaruit deze fragmenten zijn genomen, geschreven is in 1878.

T.N. van der Stok.