De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5. J.B. Wolters, Groningen 1911  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 38]

Een nieuw leven van Vondel.

Het Leven van Vondel, door Dr. P. Leendertz Jr. Geïllustreerd onder toezicht van E.W. Moes. (No. 3 van de Nederl. Hist. Bibl.) Amsterdam. Meulenhoff en Co. - 1910.

Een volledige, met vlijt en liefde, bewerkte biografie. Een arbeid, welke evenzeer de auteur als de dichter ere aandoet. Bij elke vermelding van 's dichters persoon of arbeid spreekt zich des schrijvers sympatie uit voor Vondels nobel hart, zijn gevoel van eer, zijn rusteloze ijver, zijn degelike kennis en bewonderenswaardige kunstvaardigheid, kortom voor zijn roem als mens en vaderlander. Wie 't boek neerlegt, voelt, dat hem op de adem van een warme waardering een belangwekkende persoonlikheid voorbij werd gedragen, en de hoge achting, die hij onze Dichtervorst toedroeg, zal door de lezing van dit werk bevestigd en versterkt zijn geworden. Ook doet het niet onaangenaam aan, dat de schrijver, blijkbaar iemand met een warme familiezin en van beproefde levenservaring, de echtgenoot en huisvader in Vondel met milde glanzen heeft zoeken te overstralen. In een sympatiek milieu misstaan die zachte tonen niet. Ook is Vondel zelf, bij de voorstelling van zijn vroegere omgeving, omringd door een liefhebbende moeder, een zorgzame echtgenoot, een veelbelovende broeder, lieftallige zusters en een aanvallig kroost, wat bij de lezer de herinnering aan 's dichters latere beproevingen en eenzame ouderdom wakker roept, met deze tragiese tegenstelling, ongetwijfeld gebaat. Maar in deze bevindingen worden onze sympatieën voor een dergelijke belichting gekruist door enige bedenkingen, welke deze wijze van levensbeschrijving bij ons oproepen. En 't is ook hiervoor, dat wij de aandacht van onze lezers moeten vragen.

Vooraf zijn we verplicht, betreffende deze biografie, bij de schrijver elke gedachte van inkonsekwentie af te wijzen. Integendeel, het boek is zo eerlik als de man zelf, wie 't verhaal geldt. De opzet en de behandeling is wetenschappelik. Ofschoon niet of spaarzaam gedocumenteerd1) is het een handboek. En 't is up to date. Nu er in

[p. 39]

de laatste jaren zoveel omtrent Vondel is gevonden en gerectificeerd, werd het een taak van eer en plicht, naast het eenvoudig werkje van Brandt een degelik herzien levensrelaas te leggen. En dit is Dr. Leendertz werk. Men kan er op bouwen. Wij vernemen er menige nieuwe wetenswaardigheid, omtrent zijn grootouders, zijn ouders, zijn kroost, zijn relaties. Van zijn levensomstandigheden, de datering van enkele feiten en gedichten, hebben we de meest recente gegevens. De kennislievende leek vindt er een veilige gids. Maar, ook voor hem alleen. Anders als met de leek, kon 't gaan met des leken nichtje. Zo de jongejuffrouw ietwat novellisties is aangelegd, zal zich voor haar het verschiet openen op de vaderlandse tamme Romantiek. Ze mocht menen, dat Vondel een Tollens is geweest. Van Tollens zal ze zich herinneren uit zijn familiezangen: ‘Triomf, triomf, de tand is uit! Laat dreunen nu de wanden!’ van Vondel moet ze tot haar leedwezen ervaren, dat al die gelegenheidsversjes spoorloos verdwenen zijn. Beklaaglik hoort ze 't van Leendertz aan.

Wat Mayken de Wolff betreft, verneemt ze: ‘Geen der vele gedichten, die hij haar zonder twijfel toegezongen heeft, zijn buiten den engen kring der familie gekomen’ (blz. 24).1) Omtrent zijn vrienden en bekenden: ‘Tal van bruilofts- en andere gedichten moeten verloren gegaan zijn, doordat hij er geen afschrift van hield of ze later niet de moeite waard vond te laten drukken’ (blz. 154). Aangaande zijn kleinzoon Joost: ‘vreemd, dat hiervan geen enkel gedicht is bewaard gebleven, terwijl hij daarbij toch niet gezwegen zal hebben.... Maar het is zo goed als zeker dat wij van Vondels bruiloftszangen slechts betrekkelijk een klein gedeelte over hebben, en dat die welke niet gedrukt werden, voor het meerendeel verloren zijn gegaan’ (blz. 284).2) En de reden van de schrale oogst van dergelijke haardpoëzie? ‘.... zijne bescheidenheid.... Wat voor belang nu hadden anderen bij hetgeen in zijne eenvoudige familie voorviel? Voor hem ontleenden bruiloftszangen hun beteekenis aan de bezongen personen.’ En de verdienste van dit zwijgen, bij de doorlopende ‘vreemdheid’, die de auteur er aan vindt, en bij al 't treuren, dat hij er om doet? ‘.... aan den anderen kant moeten

[p. 40]

wij ons misschien daarin verheugen, omdat nu geen zure of nijdige beoordeelaars de gelegenheid hebben de uitingen van innige teederheid te misduiden als bewijzen van een minder edel karakter.’

En wat heeft het mangelvrouwtje van de hr. Leek te maken met het door Dr. Leendertz opgeworpen probleem:

‘Was het een huwelijk uit liefde? Of had Vondel het oog op het kapitaaltje, dat de bruid, wier beide ouders overleden waren, misschien (!) medebracht? Wij weten er niets van....’

Wat een groot geluk is.1)

Er is voor alle dingen een grens. Aangenaam is het, van een tijdgenoot, die Vondel gekend, en op diens ouden dag met hem aan de haard heeft zitten praten, te horen vertellen, hoe Vondel er uitzag, hoe hij gekleed ging, hoe hij hele pozen kon zitten, zonder iets te zeggen, matig leefde, en zich aan tafel goed weren kon. Maar daarmee moet het dan ook uit zijn. Gissingen b.v. of Vondel al dan niet tafeldranken gebruikte, of hij zijn laken al dan niet uit de magazijnen van zijn kennissen betrok, of hij de zorg voor zijn zaak, geheel dan wel gedeeltelik aan zijn vrouw overdroeg, en zij winkelde, en hij reisde, beursde en boekte, zijn zaken op zijn domein, en moeten in werken als deze, in de hoogste nood geopperd, en dan nog in verre aantekeningen worden weggeduwd.

De zaak is, dat Dr. Leendertz, uit een verklaarbare liefde voor het onderwerp, dat hij onder handen heeft genomen, ondanks de gegevens, die hij weet te verschaffen, de grenzen van zijn bestek [zie Voorrede] te nauw vindt. Hij wil de ruimte in, over de grenzen van 't positief-historiese heen. Hij dwaalt in 't problematiese jenseits. De onbegrensde vlakte biedt verhevelingen. In de ijle lucht staan de beelden nù rechtop, dàn op de kop. Vandaar dat het beeldensnoer phenomenale kinken vertoont. 't Meest hindert dit, waar het Vondels persoonlikheid raakt. Wat maakt hij b.v. van Vondels bescheidenheid, een eigenschap, die wij, welbegrepen, gaarne aan Vondel, zo goed als aan elk zelfbewust karakter, dat ten slotte alleen op zich zelf weet te steunen, toekennen? Is het gebrek aan zelfgevoel, zich open barende in de onhandige bedeesdheid van de ‘toonbankfrik’, die zich

[p. 41]

maatschappelik en geëduceerd de achterstaander weet? Dr. Leendertz laat het ons gissen: ‘De groote bescheidenheid en teruggetrokkenheid van Vondel zullen hem wel (!), vooral in dien tijd van zwaarmoedigheid, verhinderd hebben eenigszins (!) vertrouwelijk om te gaan met zulke (nl. Hooft en Roemer Visscher) deftige menschen. Hij bewonderde en prees hen, maar hield zich als eenvoudig burgerman bescheiden op den achtergrond en achtte zich vereerd, wanneer ze hem aanspraken’ (blz. 66)1). Maar wie is de ‘burgerman’, die, blijkens de door Dr. Leendertz verschafte gegevens, een flink kapitaal omzet en voor handelszaken zo nodig, 't buitenland bereist? Zijn moeder is een mevrouw in bonis, zijn zusters trouwen met gegoede zakenmensen; zijn broer eveneens, gaat met heren als Baeck en Van Erp - geparenteerd met Hooft - op reis; Vondel zelf gaat om met Reael, is lid van een litteraire club, zat in 't kerkbestuur houdt colloquia met geleerden over taal en prosodie, vertaalt de Hecuba, heeft naam gemaakt met Hierusalem, dicht zijn Pascha, wordt overal aangezocht.... Maar lenen wij Dr. Leendertz zelf het woord, waar hij o.m. opmerkt: ‘... dat Willem zulk een reis kon ondernemen - hij bleef drie jaar weg, - bewijst niet alleen, dat de weduwe Vondel vrij vermogend was en groote waarde hechtte aan een breede ontwikkeling van haar zoon, maar ook, dat de familie zeer geacht was en meetelde.’

Maar was het Dr. Leendertz zelf niet, die 't tegenovergestelde liet vermoeden?

Het verschijnsel, dat Dr. Leendertz door middel van de bontste toevallige uitwendigheden wil influenceren op de indruk van massieve degelikheid, die de ernstige studie van zijn werken op zijn lezers maakt, is slechts een exponentsvorm van een voormalige litterairhistoriese richting hier te lande, die de grootheid der dichters, en die van de kunst in 't algemeen, bij voorkeur liet resulteren uit de belangrijkheid der polities-nationale en sociaal-economiese factoren. De quintessence van haar uitspraak was: Holland bloeide, ergo de kunsten bloeiden tevens: Holland verviel, en nu verviel het artistieke leven meteen. Maar in zulke sententies doezelt de vaagheid van de term de

[p. 42]

omtrekken van 't wezen weg. Zeker, is in de 17de eeuw het politieke Holland meer in aanzien; maar in de 18de eeuw is 't handelsleven van meer betekenis. Dan bereikt, in de 17de eeuw, de dichtkunst haar toppunt van bloei; in de 18de eeuw daarentegen, komt de wetenschap in stijgende beoefening. Maar waartoe dient de vergelijking? De ene eeuw ziet de Renaissance opbloeien en uitbloeien; in de daaropvolgende geeft men de diepte prijs en baant men zich de ruimte voor 't Verlichting-proces. Iedere tijd heeft zijn eisen: alleen 't zwaartepunt wordt verplaatst. Maar dàn nog. Bloeide in Spanje niet het litteraire leven onder het despotisme? Was in Frankrijk, onder een nooit gekende bedeling van burgerschapsrechten, het kunstleven niet dor? Was er een Duitse natie, een Duitse vrijheid, toen Göthe en Schiller bloeiden? Wat was het Italië van Dante? Is de ‘vrijheid’ voor de burger, voor de denker de ‘vrijheid’ voor de dichter? Is de ‘gemeenschap’ van de patriot de ‘gemeenschap’ van deze? Zijn voor hem de historie en de maatschappij in de eerste plaats componenten, of steunt hij, als Adam, op zijn onmiddellike genesis uit God? Komen de omringende dingen tot hem, of brengen de stromen van zijn eigen bron de dingen in levende trilling? Ons inziens, groeit de dichter zijn leven vol in elk milieu. De wereld biedt hem stof, maar hij zelf bezit het leven; en 't is zijn grootheid, die over hem zelve straalt. Boven politieke ‘vrijheid’, welstand, aandacht van de wereld, vraagt hij allereerst rust, de meest harmoniese rust, opdat in een onverstoorde stemming zijn luisterende zinnen de klanken mogen opvangen, waarin zijn uiterste zielewerking zijn visieën vertolkt.

Vondel kan het niet helpen, dat hij tot een averechtse opvatting voet heeft gegeven. Menig gelegenheidsdicht zal van zijn dankbaarheid getuigen, hoe heugelike gebeurtenissen zich bevorderlik tonen voor het herstel van een blijmoedig evenwicht. Maar 't pleit evenzeer voor Vondel als hij bij geboorten evenveel gezwegen als gezongen heeft. Men leest nu eenmaal zijn ontroering niet van de kalender. Beter dan Dr. Leendertz kunnen we in 't gemis van de door hem als eenmaal aanwezig onderstelde verzen berusten.1)

Ons viel nog iets op, waarmee Vondel, de historiese waarheid, en

[p. 43]

de degelikheid van Dr. Leendertz' arbeid allerminst gebaat zijn. Wij lezen:

‘Gedurende het bestand schijnt (!) Vondel zich nog niet veel met de politiek bemoeid te hebben. Waarschijnlijk (!) meende hij, dat dit een zaak van de “Heren” was, waar hij als burgerman en Doopsgezinde zich niet in te mengen had....1) Van den strijd tusschen Maurits en Oldenbarneveld heeft hij niets begrepen....2) Zelfs de staatsgreep van 1618, en de terechtstelling van Oldenbarneveld ontlokt hun geen enkele versregel’ (blz. 83).1) Wij wijzen niet langer op de ‘burgermans’-gissingen, die in hun tegenstrijdigheid elkander vermogen op te heffen. Het gebrek aan psychologiese zin openbaart zich wel 't meest in 't allerdwaast criterium, dat we telkens voorop zien stellen: ‘Heeft Vondel er van gezongen?’ Zo ja, hartelik? Dan zat hij er in! - Koel? Dan was 't op een ‘bescheiden’ afstand! - Zweeg hij er van? Dan kon hij er met zijn verstand niet bij!

Gelukkig, zal Dr. Leendertz genadig zeggen, heeft Vondel later zijn ‘verzuim’ hersteld, en in een hele plank boeken laten zien, dat hij er wèl wat van wist!

In zijn positieve gegevens betrouwbaar, maant het boek in zijn fantasieën aan tot voorzichtigheid. Zo ze enige grond hebben, dan zijn die gronden zo los, dat ze zich even goed lenen tot beweringen van een tegenovergestelde strekking. Zoals reeds gezegd is, is de schrijver conscientieus, en zoekt zijn uitspraken met modale halsters op stal te houden, als ‘zeker wel’, ‘zonder twijfel’, ‘hoogst waarschijnlijk’, ‘mogen aannemen’, ‘kunnen verwachten’, en dergelijke. Alleen waar de hypothese zich hult in 't gewaad van ‘'t uitgemaakte feit’, is het de taak van de kritiek, de fabel van de historie te scheiden. De ijver in Dr. Leendertz vermag beweringen te schrijven, die de wetenschappelike zin in hem, als bewijzen niet aanvaarden kan.

Het zij ons nogmaals vergund, in de eensdeels geconstateerde, anderdeels opgeworpen uiteengezette feiten en omstandigheden omtrent Vondel, een persoonlike opvatting te zoeken. Zij zou dan deze zijn,

[p. 44]

dat Vondel voor Dr. Leendertz in de eerste plaats is een eerzaam burger, een hartelike vriend, een zorgzaam huisvader en een nuttig en genietbaar vaderlander. Een man van christelike en maatschappelike deugden, zoals een Adriaan Loosjes van een Doopsgezinde van om en om 1800 verwachten kon. In dit teken wordt Vondels dichterschap verklaarbaar. Dichter is hij krachtens en na al dat andere pas. Wordt hij dichter boven al het andere uit, dan laat Leendertz hem los.1) Tot de dichter, los van zijn omgeving, zou hij niet willen komen. Doch ook van zijn ‘ontwikkeling’ tot wat hij als dichter worden zou, geeft de schrijver 't geringste deel. Hem lokte niet aan, een Vondel te schetsen, die in zijn kennis en in zijn kunst, het geestelik produkt is geweest van de ent der Renaissance op de nationaalpiëtistiese aanleg van deze pan-Germanist, en die in zijn taal een heel hoofdstuk vroeg voor de worsteling uit zijn Kamer-rethoriek tot het vrije en volle geluid. Heel kort, veel te kort, is in zijn ideeënleven de overgang tot het Katholicisme aangeroerd. En dit is te meer te betreuren, omdat hier blijkbaar naar een juist gezichtspunt gezocht is. Alleen, wat hier aan Vondel persoonlik toegedacht is, was het algemene verschijnsel van zijn tijd. Het Protestantisme van toen was niet het Protestantisme van heden. Het droeg nog geen gerijpt beginsel; de secten waren dolende dochters, die van de Moeder wel niet meer gediend waren, maar toch om de Moeder riepen. Het oude begrip ‘Kerk’ kon men niet prijsgeven, net zo min onze ‘Unie’ het jarenlang zonder denkbeeld aan een ‘Souverein’ stellen kon. Doch de tijden versomberden. Bij oude veten kwamen nieuwe geschillen. De 30-jarige oorlog, met zichtbaar politieke berekeningen uitgelokt en doorgezet, bracht de ‘vrijmaking’ op 't doode tij. Waar was de Christenheid, waar de Kerk? Alleen het Calvinisme vermocht zich te consolideren; maar was het niet eer een Rechter dan een Broeder? Men kent de feiten. Velen keerden terug naar Rome's kerk. Een algemeen verschijnsel zou ons de enkeling doen vergeten: Vondels dochter Anna ging vóór hem, zijn zuster Clementia nà hem over. Maar ook zijn weg was voorbereid. Zijn geloofsverandering is een logies verschijnsel in een lang proces, waarin zijn Doperse mildheid bij ruimer blik, bij rijper levenservaring, en dieper studie, voor zijn Christelikheid een breder universele basis vroeg. Dr. Leendertz roert het even aan, dat de geest der Renaissance Vondel over de Latijnen

[p. 45]

heen tot het Griekendom brengt; waarom dringt hij niet door, wetende dat 't Christendom der eerste eeuwen de Hellenistiese wedergeboorte werd van een Joodse ethiek? Naar die Oudheid stuurt hem, ter rechter tijd, het inzicht en de alles omvattende geest van Hugo de Groot. Wederom, Dr. Leendertz gewaagt er van, maar stelt het zich niet tot taak, na te gaan, wat Vondel, werkende en zoekende, onder zijn studieën vond. Hij vond de ‘Kerk’ terug. Begrijpt men, wat De Groot voor hem was? Enthousiast, die Vondel was, zou hij, zich zelf herkennende, veeleer zich aansluiten dan Grotius zelf; Grotius, beredeneerder, hield zich geïsoleerd, om het begeerde compromis der Christenkerken niet in de waagschaal te stellen. De een wilde winnen, de ander zou verwonnen worden. Naar 't ut omnes unum hadden reeds ieder voor zich gestreefd. Vondel, open en vurig, deelt zijn sympathie uit aan hen, die als De Groot, van uit het Protestantisme, zowel als aan hen, die als Isabella en Wladislaus van Polen, van uit de Katholieke wereld, de hereniging begeren. Maar de vragen worden dringender. Welke richting propageert in haar historiese logica meer de verbroedering der Mensheid, het Protestantisme of de Moederkerk? Is niet om praktiese redenen reeds raadzaam, met dat doel aansluiting te zoeken met de Katholieke idee? Want het doel van 't universum, had hij al lang gezien in de kosmogoniese bouw der wereld, in 't historiese plan van 't wereldbeleid. Hij wijst er op, en hij roemt er op. Het ‘Wereldlyck’ en 't ‘Kerckelyck’ beide, hadden hem door ‘haer klaerder blyck’ de ‘Perle’ getoond. Christus' Missie straalde door alle symbolen, reflecteerde in alle facetten. De projectie van zijn Nieuwlichterschap viel gemakkelik in de vormen van het Katholicisme; zijn werkplan vervlocht zich met het propageren van haar leer. Oude opvattingen worden van uit het nieuwe gezichtspunt, bijgewerkt, vervormd, of verworpen. Zijn inzichten worden dieper, zijn kunstdrift gewijder, zijn scheppingen geesteliker. Het Wie en Wat ter ere, komt steeds schoner en voller aan 't licht. De studie en de verheerliking van 't Hoogste Wezen volgen elkaar in stijgende ijver op. 't Is verheffend voor hem, die deze zanger poogt te volgen, hoe deze buitengewoon gezegende, geen dank genoeg weet in leven en lied, voor de ‘winst’, die hem in zijn Wedergeboorte ten deel is gevallen.

 

Staande op onze voeten, en kalm de dingen bekijkende, kunnen wij 't allen hierover eens worden, dat een studie van Vondel heel wat van de bewerker verlangt. Zo deze zelf geen dichter is, moet hij ‘de dichter’ verstaan, en zo niet, zich ontzien, zijn handen aan heilige

[p. 46]

dingen te slaan. Is hij geen geschoold kerkhistoricus en kerkelikmysticus, dan moet hij allereerst de apologetiek en patristiek studeren, en zo niet, ook de theoloog-historicus Vondel zetten op stal. Hij doe dan als Dr. Leendertz, die zo verstandig geweest is zich te beperken. Hij liet Vondel enkel ‘leven’, en telde tussen diens geboorte- en sterfuur, zijn dagen, zijn werken, zijn vrienden, zijn kennissen, zijn verhuizingen, zijn beschikkingen, ordende ze bijeen met de trouw van een notaris en lichtte ze toe met de gemoedelikheid van een oprecht Amsterdammer, en boekte ze, zonder ophef of pretentie in een histories werk, dat geregeld en boeiend van Vondels levensomstandigheden vertelt, wat er op dit ogenblik van te vertellen valt.

J.K.