De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1919  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 273]

Jacob Steendam.

I.

Lucianus, meen ik, heeft in een van zijn Dialogen zijn lezers gewaarschuwd, dat alleen zij, die zich beijveren Diana of Pallas te dienen, of zich aan de Muzen willen wijden, vrij kunnen blijven van de Liefde. Diana weet de Min te misleiden door zich in de woudspelonken schuil te houden; Pallas houdt haar vrijmoedigheid op een afstand met het Gorgonen-gelaat; de Muzen maken de toesluipende Amor weerloos met haar liefelik zangkoor, en weten hem aldus te knevelen. Dat is alles heel mooi gezegd. Doch daar staat ook weer tegenover, dat Amor, wanneer hij de een of andere jongeling die zich aan zijn pijlen had blootgegeven, te kwetsen wist, hij de getroffene, zij 't soms onwillens naar de Muzen gedreven heeft, dikwels met het gevolg, dat het pad naar Hymens offertent er verder door veronachtzaamd werd. We weten allen, welke wonderen de Liefde kan doen. Ze zijn in alle toonaarden bezongen. De levendiger vloeiende sappen, zegt men, verlenen nieuwe symptomen: de vezelen rekken; de knoppen zwellen; en de eertijds kale stam doet zich lachend en stralend op als een in bloemendos prijkende boom, die naar alle zijden zijn weelde uitschatert van smetteloze geuren en kleuren. De ziel van de minnende jongeling, vervolgt een ander, gaat open: zijn zinnen verveelvoudigen zich, en in hun blijde ontvankelikheid herkennen ze het heelal als een feestelik getooide tempel, die het zo straks schroomvallig te naderen godinnebeeld in zich sluit. En zie, in al die opgewekte zielefazen, heeft de taal het vermogen gehad de equivalenten te geven voor de nieuwe aandoeningen en de nog nooit beleefde stemmingen; zij heeft de moeite, waarmee de gespannen geest de gevoeligste balans hield uitgestrekt, beloond met het vermaak der zelfbevrediging. Zo kon het mogelik zijn, dat bij de jongeling, ook na de uitbloei van 's levens eerste Mei, het besef werd gekweekt, dat in de richting van de kunst voor hem een eigen terrein was veroverd en bij voortgezette oefening een rijker gebied te bemachtigen viel; een besef, dat op het verder beloop van zijn leven van invloed moest zijn, waar, in een rustiger levensfeer, de arbeid van de geest een vermaak of een toevlucht zou worden. Maar, zoals het zo dikwels gebeurt, bij het toenemen der jaren wijzigen zich de inzichten. De grijsaard ver-

[p. 274]

geet wie hij als knaap geweest is, en verlochent de leidsman van zijn leerjaren. Wij weten het van de bedaagd geworden Cats, van de devoot geworden Luyken, van de vereenzaamde Six van Chandelier, dat zij het bedrijf van hun jeugd misprijzen, en corrigenda uitreiken van hun eenmaal uitgegeven levensboek. Bedenk, waarschuwen ze ons, niet die Eros is het geweest, die met schijnbaar vaste hand ons geleid heeft naar de Castaliese bron, en ons daar poëet heeft gedoopt! Let eens, achter de fladderende Cupido, op de ernstiger en dieper Geest, die voor uw ogen verrijst. Hij is het, die ons met zijn gaven heeft begiftigd, en slechts door middel van de schalkse en wufte Min onze dwaze en ijdele harten heeft willen beproeven, om na ons de holle waardeloosheid van de verwerpelike wereldse dingen te hebben leren versmaden, onze gelouterde zielen op te voeren tot verhevener denkbeelden, die hun verwerkeliking vinden in de Eeuwigheid.

 

Jacob Steendam geeft in 1649 en 1650 te Amsterdam, waar hij tijdelik vertoeft, onder de betieteling van ‘Distelvink, Eerste, Tweede en Derde Deel’, achtereenvolgens drie bundels gedichten uit, welke inhouden de verschillende categorieën ‘Minnesang’, ‘Segensang’ en ‘Hemelsang’. De eerste verzameling bevat de ‘opdrift’ van ‘Jonkheyt’.1) Doch als de ‘eerbare jonge Dochters, en Vrouwen’, aan wie zijn verzen zijn ‘ge-eygend’, een weinig tijds zullen kunnen wachten, tot zolang zijn ‘vinkje’ veren krijgt, zullen ze andere deuntjes komen te horen en ‘met het krachtiger gegroeide schepseltje, van de aarde tot de wolken stijgen’.

Uit deze inleidende woorden blijkt alvast duidelik, dat bij de samenstelling van de bundels een welberaamd plan ten uitvoer is gelegd. Ze zijn met opzet gesorteerd. Allerminst mogen we de ‘hemelsangen’ beschouwen als de overheersende gevoelens van een uitsluitend ernstige levensperiode, waarin de ernst de erotiese uitbotting van een vroeger en wereldser leven zou wensen te verlochenen. Steendam is, wanneer hij zijn eerste bundel uitgeeft, 33 jaar oud, en heeft schier alles wat hij in de drie bundels heeft openbaar te maken, in portefeuille. En de aard en de vorm van al die dichtproeven moge sterk uiteenlopen, bij de schifting gaan de ‘Minnedichten’ voorop. Het vederloos ‘vinkje’ acht hij nog zo min niet. Een ogenblik zou bij de lezer het vermoeden kunnen opkomen, dat bij de rangschikking spekulatieve bedoelingen kunnen hebben voor-

[p. 275]

gezeten, en dat de toon van ‘jolijt’ waarmee het ‘dartele’ vogeltje kweelt, de weg moet openen tot de meer ‘Hemelijke reden’ en de ‘Godsalige vaarsen’ der volgende bundels. Zo dit het geval ware, zou dit opzet, altans wat de geldelike overwegingen hierin belangt, op een misrekening zijn uitgelopen: de tweede bundel moest op kosten van de auteur zelf worden gedrukt,1) en voor de derde bundel moest naar een andere uitgever worden omgezien.2) Doch men kan dit vermoeden gerust op zij schuiven. De aankondiging van zijn minneverzen, waarin hij zijn werk warm in de aandacht van zijn lezeressen aanbeveelt, laat geen twijfel over, of hij wil - aldus de gehele Vrouwenwereld in het domein van de altijd belangwekkende Minnestrijd betrekkende, - met het loven der Liefde, onder jubelen weemoedsklanken, zijn hulde brengen aan de voeten van de ganse sekse, aan háár het machtig vermogen der Liefde toeschrijven. 't Is bij hem menens. Wij nemen aan dat deze opdracht geschreven is in een stadium van verering, waarin, aan de lichtkrans, die een of andere uitverkorene om de slapen is geworpen, het ganse vrouwengeslacht een gewijde glans ontleent. Dergelijke generalisaties komen meer voor bij zijn tijdgenoten,3) en ook de verdediging van zijn standpunt bewijst, dat hij de zoon is van zijn eeuw, die, mede op Bijbelse grondslagen, zich de verhouding tussen de seksen als een door Hoger hand gewijde voorwaarde wenst tot de verwezenliking van een wereldplan.4) Doch anderzijds moet worden toegegeven, dat

[p. 276]

het Goddelik scheppingswoord, dat de alleen-staande man als een onvolmaakt wezen veroordeelde en hem de maninne toeschikte, nooit anders als betreffende het individu en diens ‘wederpaar’ is bedoeld. Ook gaat een generalisatie als boven is aangeduid, - en ongetwijfeld bij een feestelike opbloei van het liefdeleven toelaatbaar, - bij een normaal verloop van het liefdeproces niet op; ook zelfs de zuiverste aandrift van de man voor de vrouw kan zich niet blijven uitstrekken over de ganse feminale wereld. Zo iets zou ingaan tegen de ethiek van de natuur, zoals ze in de praktijk tegen de draad van de werkelike afwikkeling der zaken zou inlopen. De twee zielen vinden ten slotte elkaar en juichen het van wederzijden toe, wanneer de overige exemplaren van de soort in hun aandacht terugwijken en zich als verder overbodig gaan beschouwen. Daarom kunnen wij het Steendam dan ook niet kwalik nemen, wanneer de kwalitatieve schatting van de vrouwenwereld zich bij hem wijzigt, en het dient er bij gezegd, zich spoedig wijzigt. Altans, zo we aannemen, dat de aanstaande, die in 1649 als een edelsteen, waarvan de facetten de onverderfbare glansen afwerpt over een geheel vrouwengeslacht, dezelfde is als de vrouw, die in 1650, het jaar van de uitgaaf der ‘Hemelsangen’, en niet minder een kostbaar gesteente, uit het slijk der vulgariteit is getrokken. Want ieder zal erkennen, dat de man van de praktijk zich bij de keuze van Sara de Rosschou, - zo is haar naam, - voor een ernstig alternatief zag gesteld. 't Is gewoonte geworden, - aldus opponeert hij tegen de tijdgeest,1) - dat bij 't kiezen van een vrouw, het ‘snoode geld’ hoger geacht wordt dan ‘de deugd’; dat ‘uiterlike pronk’, het ‘hoog opdoen’ van stand, en welke lokmiddelen er nog meer zijn, de zinnen der mannen moeten trekken, die om deze redenen, ijdel en vergankelik als ze zijn, vrouwen nalopen, die ze anders zouden schuwen. Maar zo deed hij, Steendam, niet. Hij heeft zijn hart laten kiezen. Zijn neiging werd bepaald, doordat ze, kuys en wel / Sich, na het trou-bevel / Van haren God wil voegen: / Om dat haar 's Wereld spel / Nimmer kan vergenoegen: / Noch diens gelel, gequel.

En vooral ook hierom, omdat ze waarheyd mind: / Na-speurd en onder-vind: / Om dat ze die verdedigd. / Om dat ze is gezind / Tot Godt volk: en bevrédigd / Vader en kind: en wind.2)

 

Steendam is, waarschijnlik ± 1615, geboren te Enkhuizen: altans

[p. 277]

hij heeft er een deel van zijn jeugd doorgebracht.1) Op ongeveer 20-jarige leeftijd zien we hem te Amsterdam; hij verbindt zich in de dienst der West-Indiese Compagnie,2) en begeeft zich, 25 jaar oud, als zieketrooster aan boord van ‘de Goude Ree’ naar Nieuw-Guinea.3) Uit deze eerste tijd, in Holland doorgebracht, zullen hoogstwaarschijnlik zijn eerste gedichten dagtekenen, waartoe ook enkele Bruilofts- en Zege-zangen, wellicht mede reeds enkele dichterlike verzen behoren. Maar dat de liefde hem tot de snaren gedreven heeft, staat wel vast. In deze periode is, even als in de bundel van Six van Chandelier, het beloop van de eerste blijdschappen over de reeks van beproevingen heen tot aan de gelaten berusting, goed te volgen. De eerste, aan wie hij, met name te noemen, zijn lier wijdt, - in een ‘Loflied ge-eygend de Geestrijke en in Deugd (en schoonheyt) uyt-muntende jonge dochter C.R.’ - is een Hoornse. Hier horen we de liefde in haar naieve tederheid en glasheldere onschuld:4)

 
Vriendin van mij verkoren,
 
Cieraad van onze jeugd,
 
O Horens-kind geboren
 
Van ouderen in deugd:
 
ô Edel Bloem der Vrouwen, ach!
 
Wanneer ik u aanschouwen mach,
 
Mijn harte is verheugd.
[p. 278]

Die verheugdheid heeft haar grond in de onvergankelike rijkdom van hoedanigheden, die haar boven de andere maagden doet uitstralen, en hem met een stroom van gouden zonnegloed bedwelmt.

 
Mits u veel schone gaven
 
Van God zijn toe-geleyd,
 
Die gij tracht hand te haven,
 
In alle eerbaarheyd:
 
Dat men in al de wereld niet
 
Een maagd daar mee bepereld ziet,
 
Als u ô brave meid.

Maar daardoor ook voelt hij de macht der bekoring, die van haar uitgaat. Zijn geluk voelt hij, alhoewel nog vaag, afhankelik gesteld van haar tegenwoordigheid of afwezigheid. Haar verschijning is hem alles: zijn ziel wentelt zich in een zee van geluk. Welk een nieuw leven!

 
ô Wonderlijke stelling,
 
Door liefdens mogentheyt:
 
Uw af-zijn baard my quelling,
 
Daar 't by-zyn vreugd bereyd.
 
Mijn ziel swemd in gestremde vreugd:
 
En is in haar getemde-jeugd
 
Schier van het pad geleyd.

Maar, voor zich zelf, is hij zich goed de voorwaarde bewust, waaronder dit ongekend geluk voor eeuwig te bestendigen zou zijn....

 
Mocht ik u maar genieten,
 
Door d' Echtelijke trou.
 
Geen leet zou mij verdrieten:
 
Om u mijn waarde Vrou:
 
Die door schoone leden toond,
 
Dat in u ziel de Reden woond:
 
Geheelyk so se sou.

Heeft hij zich uitgesproken? Heeft zij gevoeld, dat zijn liefde haar op een te hoog voetstuk plaatste? Voelt ze beklemming tegenover de ongewone vormen van een verering, die de aanbidding nadert? Kan ze niet geven, wat de dichter, in zijn al te hoge geestdrift, van zijn ideaal zou kunnen vergen, en wijkt haar geslotenheid voor zijn, hoewel zuivere, dan toch voor zijn hoog uitlaaiende offervlammen terug? Zo ja, dan zal hij zich zijn misverstand en het bedriegelike van zijn waan bewust worden....1)

[p. 279]
 
Het harde hart, verstaald:
 
Heeft met de minnevonkjes,
 
Mijn jeugdig-breyn bestraald:
 
En uyt syn steé gehaald:
 
So dat het heden dwaald,
 
En als uyt-sinnig maald,
 
Door d' an-gename lonkjes:

Waarom, - zo luidt zijn, door teleurgestelde minnaars, meer geuite, maar niet steeds zuiver gestelde vraag, - waarom heeft zij, die zich tans zo verhard toont, de wreedheid gehad, hem in Venus' net te verstrikken, en hem uit te tarten tot de hem verterende vlam? Want nu de twijfel hem de levensrust heeft ontnomen, hij, zich zelf ontvliedende, gejaagd door zijn bekommeringen, de eenzaamheid insnelt, immer tastende naar het grote geluk dat hij zich voelt ontglippen, steeds hoger schattende de waarde van 't geen hij staat te verliezen, nu wordt de drinkbeker hem te bitter:1)

 
Waar heen, alleen,
 
Te lopen door het ruige woud,
 
Rosa lief: ô! soete beeld:
 
Die mijn hart, mijn sinnen streeld?
 
Die - - - - - -
 
Mijn gevryde ziele heeft
 
- - - - - bedwongen
 
- - - - - tot u minne
 
Dat se schier de reên ontgeeft:
 
En nau weet waarom ze sweefd.

De felle brand verteert hem onmeedogenloos. En uit de ‘asch en mortel’ van zijn wezen voedt en sterkt een milde tranenvloed de oude wortel van zijn genegenheid: - En uyt het stof / Word ik van nuws geboren, / Gelijk den Phenix doet: / Waar uit, waar af / Myn onheyl is beschoren: / Mits 't eynd, 't beginsel voedt.

De vlam van het vernieuwde leven wordt hem een torment voor een nieuwe dood. Op het, onder jubeltonen ontstoken altaar der Verering, krimpt hij van weedom ineen als het zelf-gemartelde offer.2)

[p. 280]

Doch deze man zou zich nog moeten buigen onder een twede juk, en in de kortere, maar fellere kamp, die hij nog zou moeten doorstrijden, zou wederom de overwinning en de eer aan de zijde der vrouw, het besef ener vernedering aan de zijde van de man zijn.

 

Wat de nog jonge Steendam heeft bewogen, zijn fortuin te zoeken bij de West-Indiese Compagnie, is ons niet bekend; 't is mogelik dat zijn zwerfzieke aard hem heeft aangedreven, om op deze wijze in de gelegenheid te worden gesteld, vreemde volken en werelden te gaan zien; het is evenmin uitgesloten, dat hij, naast zijn nauwkeurige Schriften-kennis, tevens enige erf- of spaarpenningen rendabel heeft willen maken. Iemand als hij had zich genoegzaam inlichtingen kunnen verschaffen, hoe eentonig en zielloos het bestaan van een geestelike onder de scheepsbemanningen en de fortenbezettingen van de West-Indiese Compagnie, in het lage en loom-hete kustland van Guinea moest zijn. Spraken echter andere bijoogmerken mee, dan konden de te behalen voordelen de contractant met de debit-zijde verzoenen. En die voordelen waren niet uit te vlakken. De Maatschappij, in de oorlog geboren, maakte alleen, wat wij in de tegenwoordige tijd verstaan onder oorlogswinsten. En meer nog dan de Maatschappij zelve, deden dit de aandeelhouders, de kooplieden en de ambtenaren. Naar buiten een roversbent, was de Compagnie inwendig één gedrochtelik flessentrekkersgild.1) De dividenden bleven laag, waardoor de Directeuren onmachtig waren, een goed kontroleerend beheer in te voeren; terwijl juist het gebrek aan toezicht de kwaal in de hand werkte 't Was in een gunstige tijd, dat Steendam zich aan de dienst van de Compagnie verbond. Van uit Brazilië, waar zij vasten voet had gekregen, ondernam zij de verovering van de Goudkust op de Portugezen. Het hoofdkantoor St. George del Mina viel in 1637; zeven jaar later was met de val van 't fort San Antonio het veroveringswerk afgelopen; Steendam zelf maakt het laatste deel van den strijd nog mee: hij is getuige van de verovering van het fort Axim onder leiding van de directeur-generaal Jacob Ruychaver.2) Hier is voorlopig zijn domicilie. Hij betaalt er de tol, die schier elke Europeaan er in hevige koortsen moet kwijten. De blanken sterven er trouwens

[p. 281]

als muizen. Weinigen zijn bestand tegen de sterke afwisseling van hitte en verkoeling, tegen de kwaadaardige dampen, die er over de windloze kust tegen de bergen blijven hangen, tegen de verpestende atmosfeer, die er dageliks wordt vervuild door de stank van de rottende vis en van de excrementen der door en door vieze kustbewoners. Bovendien zijn de medicijnen er schaars; of wel, ze kunnen er niet vrij van bederf bewaard worden: vers vlees en groenten zijn er niet te bekomen; goed voedsel is er nauweliks aanwezig, terwijl velen er hun gezondheid ondermijnen door al te onmatig aan Venus en Bacchus te offeren. Bovendien is de onzedelikheid onder de inlanders er ongelofelik. Zij worden er dan ook bezocht door allerlei plagen en ziekten: de vrouwen, op haar twaalfde jaar nauwelijks maagd, verouderen er snel; niemand trouwens bereikt er een hoge leeftijd.1) In zulk een milieu komt Steendan terecht.

Past het ons te oordelen, wanneer, in dit verslappende klimaat en in een leven zonder verheffing, hij toegeeft aan een afglijding, en de tijdelik verzwakte wil geen weerstand biedt aan de sterke begeerte des vlezes? De half-bloed inlander, die hij op zijn weg heeft ontmoet, heeft hem bekoord door haar bevallig uiterlik, door haar heuse en gepaste begroeting en door de uitdrukking van haar stem en haar ogen. Hij heeft haar toegesproken, en de begeerte die zij in zijn woorden en in zijn blik kon lezen, heeft haar wangen met een zedige schaamte overtogen. Dit merkteken der eerbaarheid verhoogde bij hem de prijs van haar bezit, en versterkte in hem de verleidende drang naar een nadere gemeenschap. Veel toch, meende hij, moest er voor pleiten, dat zij zich bereid zou tonen, om hem ter wille te zijn. De stap, die hij van haar vroeg, gold in die streken voor geen overtred, nog minder voor zonde of schande; de gewone dagelikse gesprekken roemden er en maten er uit, wat de kuisheid gewoon is te blamen of te verzwijgen; daarbij was de vrouw, waar het om ging, zelf de uiterlik uitwijsbare vrucht geweest van overspel, en had zij dus allerminst fier te gaan op een scrupuleusheid, waaraan haar ouders vreemd waren geweest. De omstandigheid, dat zij gehuwd was, vermocht evenmin iets in de weegschaal te leggen: haar man was haar ontvoerd, het eindeloze oorlogspad op; het ongewisse van zijn lot, zo niet reeds zijn afwezigheid, zou haar vergrijp verschoonhaar maken.

[p. 282]

Bovendien was de man, die haar het aanzoek deed, niet de eerste de beste; hij was in zekere zin vermogend, had altans zich uit eigen middelen, of door toedoen van invloedrijke, misschien wel bevriende bewindvoerders, enig landbezit verzekerd, en kon het hier en daar grazende vee het zijne noemen. En desondanks heeft zij hem afgewezen, of liever nog, heeft zij van hem de vingerring geëist, opdat zij, bij 't baren van de vrucht, de persoon zou kunnen aanwijzen, die van haar schouders de schande op zich zou willen nemen, opdat aan háár de ere kon gegeven worden. Zo moest dus deze Christenvoorganger van de heidense Thamar vernemen, dat onderrichten en betrachten twee zijn. Doch de ethiese terugslag op zijn gevierde zinnelikheid bewerkt juist, dat zijn begeerte naar deze vrouw, des te sterker groeit, naarmate ze zuiverder wordt. De sterk-zedelike kracht die hij in haar herkent, schuift onder zijn losse drift het voetstuk der achting. Onmogelik valt te lochenen, dat de inlandse zich de meerdere heeft betoond. De verhoudingen worden van nu af evenwichtig. Doch het lot wil nu eenmaal zijn tragiek. Zij, als Heidense, en voor de buitenwereld een der soortgenoten van de perverse en beneden 't peil van aanraking staande Neger-creaturen, is voor hem, die als Europeaan en geestelik ambtenaar zich daar boven moet houden, als partij misplaatst; een wezen als zij, onkundig van het licht van Christus, zou met hem niet in de Heilige Echt kunnen worden verenigd: hij weet het, en moet, hoe zwaar het hem valt, in deze onmogelikheid berusten. Maar, hoe goed en werkheilig een Christen ook, hij is als mens oprecht en openhartig gebleven. Ook dan, wanneer hij, na zijn vernedering, zijn tijdelike val te boven is gekomen, zal hij, wanneer de tijd der loutering verstreken is, de kerkelik-verworpene zedelik-hoog blijven vereren als de vrouw; en hij zal zo eerlik zijn, het bijkomend-minderwaardige in die vrouw niet te boeken als een welkome debitpost ter kleinéring van haar waarde, maar hij zal het betreuren als te zijn geweest de onherroepelike slagboom, die een verdere toenadering langs de baan der kuisheid tot een echtelike samenwoning heeft belet.1) Hij heeft, dus doende, tegelijkertijd, evenmin zijn kerk gekwetst, als de herinnering aan zijn naam geschaad. Kuysheyts-kracht,2) betietelde hij de romance, die zijn wedervaren behelst. Zelf noemde hij zich Akóme; de halfbloed heet hij Abrobé.

[p. 283]
1.
Akóme jeugdig Harder
 
Dreef eens sijn schaapjes varder
 
Als in sijn eygen wey:
 
Wanneer hij sijn Geweten,
 
En Reden, had vergeten
 
Twee grote saken bey.
2.
't Was op de dorre-somen
 
Van d'Oceaanse-stromen
 
In 't goudrijk Africa,
 
Benoorden Phoebi-paden
 
Op d'hoogte van vijf graden,
 
Sloeg hij sijn Beesjes ga.
3.
Hij had een rijke stelling,
 
Omtrent een lage-delling
 
Beneên een roden-berg:
 
Daar hem een Nymph ontmoeten,
 
En heusselijk begroeten:
 
Eenvoudig, zonder erg.
4.
Haar liefelijke-reden
 
Haar welbevallig treden,
 
Met stemmigheyt gepaard,
 
Haar soet en aartig-wesen,
 
Heeft hem seer an-gepresen,
 
Haar in-geschapen aart.
5.
Hij kon (in dit an-schouwen)
 
Sich nauwelijks onthouwen,
 
Te roepen (als ontmand)
 
ô! Bloem, van mij verkoren,
 
Wat Vrou heeft u geboren,
 
In dit Barbaris land?
6.
Doch Abrobá an-hoorden,
 
Sijn minnelijke-woorden,
 
Met zedigheyt: en sey:
 
Akóme wild niet dwalen,
 
Maar desen roem bepalen:
 
Opdat ik mij niet vley.
7.
Haar neêr-geslagen oogen
 
Met schaamte overtogen,
 
Met 't soet-gelonk verzeld,
 
Begonnen hem te tergen,
 
Om haar tot Min te vergen:
 
Door minnaars sot-geweld.
8.
Sij worp hem (hierop) tegen,
 
Hoe 't met haar was gelegen,
 
(En sey) ik ben gehuwd,
 
Bellone heeft versonden
 
Mijn Helft, an mij gebonden:
 
Dus moet dat sijn geschuwd.
9.
Maar wat ze heuslijk seyde,
 
Akóme dus weer leyde:
 
ô Soete Abrobá
 
U Man van hier gedreven,
 
(Schoon hij noch is in 't leven)
 
Verwerpt gij al te spa.
10.
Sou ik in sulke handen
 
(Sey sij) mij self verpanden,
 
Tot spot van yeder een:
 
Ter tijd wanneer ik baarden:
 
Wild gij de vrucht an-vaarden?
 
(Geparst) misbruyckt de reên.
11.
Om dit dan te bereyken
 
Geeft mij tot pand en teyken,
 
U vingerling: voor al:
 
Op dat ik moet betoonen,
 
Dat u gedurig tronen,
 
Mij heeft gebracht ten val.
12.
Dees' listigheyt van Thamar,
 
Trof hem gelijk een hamer
 
Het gloênde ijser doet:
 
Dat hij begon te denken,
 
Sijn ziele so te krenken,
 
Te werpen in de gloet.
13.
Ben ik (sey hij) een Christen,
 
En oeffen sulke listen?
 
Foey, schande, 't is mij leet,
 
Een Vrou beschaamd mij heden,
 
In Eerbaarheyt, en reden,
 
Die nau van Christus weet.
14.
Want sy was wel t' ontschulden,
 
Had sij het willen dulden:
 
De redenen sijn veel,
 
Omdat ze 't in dees landen,
 
Kon plegen sonder schanden:
 
Beroofd van 't huwelijks deel.
15.
Van Man, en goed verlaten:
 
Gelokt, door 't vleyig praten,
 
Van mij so menig-maal:
 
Mijn macht, en hoof, an-siende,
 
't Geen haar in d'armoed diende,
 
Sprak van haar sonder taal.
16.
En kon haar licht verschonen:
 
Maar mij (daartegen) honen,
 
Om 't schandige bedrijf:
 
Ik wist des Heeren wetten,
 
Dat het mij sou besmetten:
 
Want, 't is een anders Wijf.
17.
Wil dan te rugge keren.
 
En van een Vrouwe leren:
 
Die d'aart, en zeden eerd:
 
Die door gevley, en dreygen,
 
Haar niet heeft laten neygen,
 
Tot 't geen het vlees begeerd.

Noch vaster’ is zijn devies, steeds volgende op zijn naam; noch vaster dan de stenen dam, die hij meent te wezen; en wel mag dit zijn wens zijn, waar hij beseft, dat de sterkte van zijn mannelike geest gevaar heeft gelopen schipbreuk te lijden, en tot tweemaal toe, zooals hij zelf erkent, te worden afgetapt door wat hij achteraf een ‘wind’ en een ‘waan’ noemt, en dat in 't licht van het voorafgaande, het tweemaal spaak gelopèn aanzoek, of liever, verlangen naar een vrouw is geweest, waar deze neiging berust heeft op een misverstand. De beide mislukkingen zijn voor hem een bron geweest van verdrietelikheden, en in zijn zelfverwijt, vindt hij de grond van zijn wedervaren in eene strafbare persoonlike ijdelheid. Het is zijn onverstand geweest, meent hij, dat hem in die mate heeft verblind, dat hij een even buitensporige als schuldige waarde heeft verleend aan een slechts toevallig opkomende neiging. Hij is geweest ‘Gelijk een kind, / Dat met zijn leuren speeld, / Die het bemind, / En dat sich self in-beeld, / Veel meêr te zijn / Als al des werelds goed: / Soo heeft een schijn / Verkeerd ook (syn) gemoed’. Maar voortaan zal hij zijn ‘reden’ leggen ‘de toom in de vuyst’. Voortaan zal hij zijn begeerten omschansen met een kuiser genegenheid, en de wensen van zijn hart vleien naar de geboden Gods en naar de verstandige raad van hen, die het wel met hem menen. Voor 't overige stelt hij biddend zijn vertrouwen op den Heer. Op dan, mijn ziel, besluit hij:1)

[p. 285]
 
Stuurd u gebed
 
Tot d' Opperste omhoog,
 
(Voor-zigtig) set
 
U sinnen, hart, en oog
 
Op zulken Maagd
 
Die zedig, kuys en stil
 
Gods-vrese draagt
 
In 't harte na syn wil.

Tans wordt ons tevens de bevrediging duideliker, waarmede hij zijn echte-vrouw Sara de Rosschou, (zie blz. 276) aan ons heeft voorgesteld.

Maar vooralsnog, in 't vooruitzicht van dit nieuwe geluk heeft hij de moed en de opgewektheid herwonnen, om het leven, evenwichtig, binnen de banen van zijn vaster geworden geestesrichting te leiden. Hij voelt zich daardoor in staat gesteld zijn vreugden en zijn teleurstellingen, als een kleurrijk boeket, in een harmoniese geestesschikking, op het altaar zijner Muze te leggen, terwijl de levenszon door de ramen van zijn heiligdom vrolik haar lichtende bundels werpt en het tempelruim met blijde zangen vervult.

Dan worden, in zijn nieuw gevoel, al de oude gevoelens nog eenmaal vernieuwd, en geldt de jubel van de offeraar de ganse vrouwen-Olympus:

 

Vermakelijke Jonkvrouwen, bevallige schepsels, aartige en levende beelden van d' aarde, en Hemelse schoonheyt, soete voedsters van deucht, en gesellicheyt, machtige dwingelanden der mannelijke kloekmoedicheyt, aangename heersters der dapperen, trouwe en nodige onderhoudsters van 's menschen leven, waarde gesellinnen, en lieve helften der mannen, vaste zuylen, stage-steunsels, en eygen verdrijfsters van haar verdrietige moeielikheden: die de geproefde, Minnelijkeliefde (gehuwt en schaamt en eerbaarheyt) als eygen in u huys-vest: houdende (in allen) de ware deucht tot een doelwit, baak, en grond-vest.

Ik vertoon en eygen u toe dit kleyne en geringe werk, als een opdrift mijner Jonkheyt: behelsende eerlijke Minne-sinne-beelden, Minnelijke, en lof-gedichten, harden-klachten, may-sangen, droevige en blijde liedekens: op verscheyden (oude en nieuwe) sang-konstige stemmen: so nu en dan, by my na voor-vallende gelegenheyt van tyt, en plaats, met lust gerymd. Op-gewekt en an-gelokt zijnde door u stralende gesicht, vriendelijke woorden, en andere hoedanigheden; vol krachtige, en antrekkende bewegingen: die ik eenichsins heb af-gebeeld, en voor-gestelt in dese mijne gedichten... die ik u (ô

[p. 286]

soet geslacht) voor anderen op-drage, op de hoochte1) van liefde: om dat de meeste stoffe daar van niet anders en is, als de krachten, werkingen, en toevallen, van dien u voor te stellen: die de rechte oorsaak en wortel daar van zijt. Want buyten u en is geen Minnelijke liefde, noch liefdelijke Minne, die de baar-moeder en voedster is van Echtelijke trou: het eenighste, en opperste menschelijk-verbond, boven alle verbonden. Verbindende tot eene ongemene gemeenschap die sich niet alleen tot bij-woning, goet en bloet, hart en wil: maar ook tot het verstand, en genegenheyt, ja tot het leven uytstrekt. Die de Minnelijke wellust wel tot een gesellinne, maar noyt tot een doel, en ooch-wit heeft. Is d' ervarenheyt hier van, niet voor d' ogen der verstandigen? is de Weerelt hier van niet vol geschiedenissen? bereyt dan tongen, vaardigt handen, scherpt de swaarden, en gy sult onmachtig blyven, twee harten (waarlijk in d' Echt verenigt) te kunnen scheyden....2)

(Wordt vervolgd).

J.K.