De Nieuwe Taalgids. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 21. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1927  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 122]

De Nederlandse taal bij de onderwijzers-eksamens en onderwijzersopleiding. (Vervolg van blz. 89.)

Ook de opgaven van 1925 en 1926 vertonen dezelfde fouten. Het onderwijzersstaatseksamen gaf in 1925 o.a. voor Nederlands enige vragen naar aanleiding van Perk's ‘Eenzame eik’.

Eenzame eik.
 
I.
 
Hij is: Zijn armen zeegnen stilte en duister,
 
Die eeuwig woonden rond den reuzestam;
 
En in de wolken wiegt in kracht en luister
 
Een meir van loof, het graf der bliksemvlam.
 
 
 
II.
 
De profecij der eeuwen, hoor! zij ruischt er
 
Door 't bochtig hout, dat ketterzang vernam
 
En stil gebed en vloek en zoet gefluister;
 
En 't klimveil rankt om spichtig mos en zwam.
 
 
 
III.
 
En tusschen wortelknoest en stronk, die boren
 
Het hart der aard, knaagt vrij de schuwe muis;
 
De merl laat ver omhoog haar liedren hooren.
 
 
 
IV.
 
Wiens houwen zwicht ge eens stortend met gedruis?1)
 
Wien, eik! zult ge op de waterbanen schoren ...
 
Welk honderdtal wordt gij ten doodekluis?
I. 1.Geef den inhoud van de eerste vier regels met uw eigen woorden weer. Welken dienst doet de dubbele punt achter is? (regel 1).
2.Hoe kan de dichter het loof als het graf der bliksemvlam beschouwen? (regel 4).
II. 3.Hoe kan hij zeggen, dat de profecij der eeuwen door het bochtig hout ruischt? (regel 5 en 6).
4.Hoe verklaart gij, dat het bochtig hout ketterzang en stil gebed en vlock en zoet gefluister vernam? (regel 6 en 7).
[p. 123]
5.In de eerste vier regels beschrijft de dichter den trotschen, eenzamen eik; in de volgende vier vertelt hij van hetgeen deze meemaakte van de geschiedenis der menschen. Wat wil de dichter aangeven in de volgende drietallen regels?
III. 6.Wat is een wortelknoest en wat een stronk? (regel 9).
IV. 7.Verklaar regel 13 en 14.

 

Het begint dus weer met 'n klein parafraasje; het is moeilik z'n ouwe liefde geheel te vergeten, maar elke gedachte eraan vreet aan de gaafheid van het tegenwoordige geluk! De twede vraag is er een, die veel kandidaten de stuipen op het lijf joeg en veel eksaminatoren in verlegenheid bracht. Hoe moet nu 'n stadskind of 'n visserskind van de Noordzeekust in 's hemelsnaam weten, dat je bij 'n onweer niet onder een eik moet gaan staan. In m'n armelike onwetendheid, zei ik tegen een kind, dat me er naar vroeg: ‘Ja, waarschijnlik bedoelt die meneer, dat de bliksem licht in 'n boom slaat.’ Helaas, ik had 'n bok geschoten, die me m'n reputatie haast kostte; onder 'n beuk mag je wel staan in 'n onweer, onder 'n eik niet, want er bestaat een rijmpje:

 
Boeken moet men zoeken
 
En eiken moet men wijken,

en daaraan hadden de kandidaten moeten denken! Frankiese bosbewoners hebben dus bij dit eksamen fijn geboft1).

De vierde vraag is onoplosbaar zou ik zeggen, altans ik heb tot nu toe niemand ontmoet, die me kon ‘verklaren’, hoe het bochtig hout dat alles vernomen heeft. Me dunkt Perk zal dat ook niet graag hebben willen ‘verklaren’. Met evenveel recht zou de eksaminator kunnen vragen: Hoe verklaart gij - dat zijn armen de stilte en het duister zegenen, - dat de stilte en het duister eeuwig rond de reuzenstam woonden, - dat er in de wolken een meer van loof wiegt, - enz.

Vooruitgang in het eksamenwerk van 1926 is er niet te vinden.

[p. 124]
Sprokkel-vrouwtje.
 
I.
 
Arm vrouwtje-in 't bosch zaâlmt stil de dorre takken,
 
die storm van 't levend hout heeft weggesleurd,
 
om hen als dooden in de diept' te smakken;
 
in 't gansche bosch geen twijg ook om hen treurt.
 
 
 
II.
 
Zij bukt zich, om de sprokkels saam te pakken,
 
en als zij den dorren bundel beurt,
 
voelt zij hoe stram ze al is en oud, en 't snakken
 
naar aêm van de ingezonken borst zaagzeurt.
 
 
 
III.
 
't Geluk, dat zij ooit vond in 's levens woud,
 
het waren sprokkels, als die thans in de armen
 
zij draagt ... het was zoo'n takkenbos! ... En koud
 
 
 
IV.
 
doorhuivert haar een vlaag van zelf-erbarmen,
 
maar thuis zal toch de vlam van 't sprokkelhout
 
en 't denken aan 't gesprokt Geluk, haar warmen1).
I. 1.Geef den inhoud van de eerste 4 regels in eigen woorden weer.
2.Waarom is 't lidwoord weggelaten vóór ‘arm vrouwtje’? (regel 1).
3.Waarom treurt geen enkele twijg om de afgerukte dorre takken? (regel 4).
II. 4.Wat drukt het woord ‘zaagzeurt’ uit in het gegeven verband? (regel 8).
III. 5.Zeg nauwkeurig wat de dichter uitdrukt in de regels 9, 10 en 11.
IV. 6.Wat beteekent: ‘En koud doorhuivert haar een vlaag van zelferbarmen’? (regel 11 en 12).
7.Waarom wordt (in regel 14) gesproken van ‘'t gesprokt Geluk’?
8.Verklaar de regels 13 en 14.

 

Ook hier weer de parafrase-inzet. Tieperend voor de logiesgrammatiese opvatting is de tweede vraag: Waarom is het lidwoord weggelaten. In de geest van dit werk zou dunkt me het enige goede antwoord zijn: ‘Omdat de dichter hier 'n fout

[p. 125]

heeft gemaakt, want het valt onder geen der gevallen, waarvan het grammatikaboek zegt, dat je 't lidwoord mag weglaten’. Of de kandidaat, bang om 'n dichter een fout aan te smeren, zou kunnen antwoorden: ‘'t Is hier 'n dichterlike vrijheid, maar ik zou het niet mogen doen, want in m'n grammatikaboek staat niet dat je in dit geval 't lidwoord mag weglaten’.

We treffen dus geen enkele vraag in de besproken eksamenopgaven1), die de weg wijst naar het wezen der poëzie - ze sluiten volkomen aan bij hetgeen ik op blz. 88 over de mondelinge eksamens opmerkte: ouwe grammatika, etymologiese beunhazerij en onderzoek naar de ‘vokabulaire’2). Alles blijft niet alleen aan de oppervlakte, maar geeft eenzijdig inzicht als dierbare erfenis aan de jonge onderwijzers mee. Rest natuurlik de moeilikheid om vragen, die naar het wezen der kunst leiden in korte tijd schriftelik te beantwoorden.

Na een overzicht van het nieuwe werk der onderwijzerseksamens moeten we dus konstateren, dat de opleiding voor 'n groot gedeelte nog taaldressuur naar de manier der 19e eeuw moet zijn. Want immers als 't eksamen de resultante van alle opleidingskrachten is, blijkt de grootste kracht nog steeds te duwen in de richting van boekjestaal en boekjesvragen3). De opleiding is nog doortrokken van Brillstof, die als 'n hardnekkige ziektekiem blijft voortwoekeren. Het nieuwe geslacht evenwel hunkert naar verandering, onze kinderen vragen ander voedsel, want ze ademen in andere lucht en hun geestelike organisme kan alleen door andere voedingstoffen tot ontwikkeling komen. Deze worden hun echter nog van bijna alle kanten onthouden.

'n Blij teken is, hoe uit allerlei hoeken en gaten 'n heftig verzet tegen bekrompen vasthoudendheid losbreekt, blij vooral, waar dat verzet komt uit de kringen van de onderwijzers zelf. Dageliks kom ik in aanraking met jonge onderwijskrachten, die zuchten

[p. 126]

onder het juk van ambtelik konservatisme en hunkeren naar het ogenblik, dat ze werkelik taalonderwijs kunnen geven. Dat komt nu nog prakties neer op spellingonderwijs, zoals uit de meeste taalmetodes blijkt. Het entousiasme van deze jongeren kan ons alles geven, zo gauw ze maar niet meer door allerlei bindende leerplannen worden geremd en gesteund door de onderwijsautoriteiten. En ook daàr is er altans iets van een nieuwe geest, zoals blijkt uit nieuwe programma's voor het onderwijzers- en hoofdonderwijzerseksamen, die gelegenheid geeft modern taalonderwijs te doceren1). Bovendien kan veel stuwkracht uitgaan van Kommissies van Toezicht2). En dit alles in de eerste plaats voor de lagere school. Want het is in al z'n omvang waar, wat Simons schreef: ‘Zo is de lagere school de causa prima van alle onenigheden’3). Ik zou, wat hij hier speciaal zegt van letterkundigen, willen uitbreiden tot alle Nederlanders.

Het onderwijs aan onze lagere school moet zo veranderen, dat de leerlingen met een flinke dosis springlevende, gezonde, krachtige taal de wereld ingaan en we niet als voornaamste resultaat van ons onderwijs hebben te boeken, dat onze oudleerlingen hemel en aarde bewegen om de rechthebberij omtrent het schrijven van een buigingsvorm4), en menen, dat taal bestaat in het

[p. 127]

hanteren van een feilloos gespelde traditionele woordenschat.

Hoe ik me dat onderwijs dan denk? Niet anders dan op de wijze, zoals Schepers dat vaag aangaf en Sterringa duideliker afbakende1). Wij moeten aansluiten bij de kindertaal en daaruit opbouwen spreken, lezen en schrijven met respektering van vele groeps- en persoonlike eigenaardigheden. Die taak zal veel moeiliker zijn, dan de kinderen af te richten op wat grammatikale foefjes - maar zij zelf en de maatschappij zullen er oneindig veel meer aan hebben.

Maar daarvoor is dan ook onmiddellik nodig, dat onze kweekschoolopleiding 'n radikale verandering ondergaat. Onze onderwijzers moeten afgeleverd worden met inzicht in de levende taal, ze moeten kunnen spreken in klank- en schriftsymbool, en.. ze moeten kunnen lezen. Ze moeten oog en oor open hebben voor de fijne nuanceringen en zelf hebben kunnen zoeken in de richting, waarheen hun aanleg ze dreef. Prakties komt dat dus hierop neer: tot het hoofdonderwijzerseksamen moet gemetseld worden aan een zwaar en breed fundament taalbegrip, terwijl de bovenbouw dezelfde varianten moet vertonen als de karakters en verschillende aanleg der leerlingen, m.a.w. elke leerling moet gelegenheid worden gegeven in dàt onderdeel wat hem het meest aantrekt, verder te snuffelen en te werken. In dit artikel kan ik bestek en voorwaarden niet ter inzage leggen, maar moet er wel even op wijzen, dat een uniform schriftelik eksamen voor alle kweekscholen, zoals sommigen dat willen, bij een dergelike opleiding natuurlik de nekslag zou zijn voor elke persoonlike aanleg en juist de ontwikkeling daarvan is - wil men iets bereiken -absoluut nodig. Ik meen trouwens aangetoond te hebben, dat de onderwijzersopleiding veel te uiteenlopend is om - afgezien van de persoonlikheidsfaktor - een dergelike eenzijdigheidsproef zonder verspilling van levenskrachten te kunnen nemen2).

‘School en bureaukratie staan dikwijls aan één kant’ zegt Simons3). Inderdaad .... maar èn bij de één èn bij de ander is

[p. 128]

'n neiging om ‘naar de overzijde af te steken’. Laat ons hopen, dat ze niet te lang blijven treuzelen; jonge krachten, die aan de riemen willen hangen, zijn er genoeg. Laat de school en de schoolbureaukratie ze gebruiken om de hoge wal te bereiken - er is al veel te lang aan lager wal gemodderd.

 

Amsterdam.

R. Kuitert.