De Nieuwe Taalgids. Jaargang 47


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 47. J.B. Wolters, Groningen, Djakarta 1954


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 281]

De felle doot, die nu geen wit magh zien.

De geschiedenis herltaalt zich, ook die van de tekstverklaring. In de Nieuwe Taalgids, 46e jg., p. 190 keerde zich Asselbergs tegen een Stelling bij het proefschrift van Drost, die onder afwijzing van een in de WB-uitgave gegeven uitleg het woord wit in Vondels uitdrukking geen wit mogen zien (‘De felle Doot, die nu geen wit magh zien’) wil verstaan zien als ‘doel’. De zegswijs zou moeten verklaard worden als ‘niet in staat zijn, zijn doel voldoende te onderscheiden’.

Dit is dan weer een - overigens niet gehéél nieuwe - opvatting, nadat Van Lennep de reeks geopend had met: ‘die met geen witte haren (grijze liên) te doen wil hebben’1).

Onder beroep op het beginsel dat Vondel uit Vondel dient te worden verklaard, wees Asselbergs op een plaats uit Harpoen (‘Wel moght hy wit zien, maer vermijde d'argernissen’) die onmiskenbaar de door Drost betwiste betekenis heeft: ‘vrolijkheid kunnen verdragen’. Echter in een positieve constructie, geen Aantekening verdient dat hier Van Lennep noteerde: Wit sien: ‘vrolijk, opgeruimd wezen’, zonder dat dit hem aanleiding gaf terug te komen op de bij hem in een vroeger Deel gepubliceerde Uitvaert van mijn dochterken.

De aard van een Stelling brengt mee dat zij argumentatie achterwege laat, maar dat haar auctor in dit geval zijn bewering zou kunnen waar maken, is inderdaad niet te verwachten.

Hij zou zich kunnen beroepen op een autoriteit als Brom, die in Vondels Geloof (p. 166) de opmerking maakt, dat de dichter hier speelt met de dubbele betekenis van doel en vreugde, bijgevolg de eerste althans óók erkent, onder verwijzing naar de WB, ‘waar de woordspeling niet is onderscheiden’. Intussen blijft ook deze auteur het bewijs voor zijn interpretatie schuldig, die ons kwalijk te stroken lijkt met aard en toon van het gedicht. Voor het overige, hoezeer het kennelijk is dat die tijd - en ook Vondel - genoegen schepte in woordspelingen, zo wil ons toch dunken dat een later geslacht er meer heeft menen te vinden dan ooit, zelfs door een man als Huygens, bedoeld zijn geweest.

Kan men het tegendeel bewijzen? Veelal niet, dat is de zwarigheid. Maar men heeft toch wel het recht, volgens de oude regel, het bewijs af te wachten van de heren die poneren. Intussen is ook daarmee nog dr. Drost niet gered, omdat buiten kijf staat, wat zulk wit zien, in de hoofdzaak althans, bij Vondel betekent.

Zo een dubbele zin heeft men, en dat met meer grond, onderkend in een strofe van de Speelstryt van Apollo en Pan (WB V 804):

 
Oock wou zyn zangk hunliên,
 
Oock wou zyn zangk hunliên bediên
 
Hoe zommigh slagh van beesten,
 
Tin tin tin tin tin tin,
 
Met kracht geen wit magh zien.
[p. 282]

Bij de laatste regel noteert de WB: ‘niet vrolijk kunnen worden’. Bergsma in zijn uitgave van de Hekeldichten verstond dit wit van het witte koorkleed, door de puriteinen gehaat1), hoewel hij de plaats in Harpoen met ‘vroolijkheid’ had verklaard. Noach (Vondelkroniek IX 196) aanvaardde dit als de letterlijke betekenis, maar voegde daaraan toe: ‘figuurlijk [doelt het] op hun afkerigheid van levensvreugde’. Nu is op zich zelf reeds een tweevoudige betekenis in een hekeldicht aannemelijker dan in de elegie op Saartjes dood, zulks te eer als men denkt aan de zeeslang wit van tong die zich wrong in de Uitvaert van Otfeus (Wittewrongel) en vele soortgelijke naamspelingen. Hier ter plaatse geeft afdoende bevestiging de aansluitende strofe, waar het heet van ‘een ander aert’ dat hij zich ‘stoot aen 't root’, de kleur van het bisschoppelijk gewaad. Uitgaande van de normale betekenis van wit zien moet men die ook hier voor de primaire houden, waaraan de occasionele wordt toegevoegd. Dat sluit in een ongewone verhouding tussen het letterlijke en het figuurlijke: in de gegeven omstandigheden is het laatste primair, terwijl het eerste een teruggrijpen is naar de grondbetekenis van wit. Het houdt tevens verband met de vraag, hoe in de uitdrukking wit zien de beide samenstellende delen moeten worden begrepen.

Evenwel, vooraleer dit te bezien, willen wij, ten bewijze dat de betekenis ‘geen vreugd kunnen aanzien’ ook van buiten Vondel kan worden gedocumenteerd, een plaats aanhalen uit het lied van niet minder dan tien strofen, dat de twee bedelaars zo lustiglijk zingen in het vierde Deel van Costers Teeuwis de Boer (vs. 1315 vv.):

 
De maeghdekens met ranckjes loont van pancoecken en vladen,
 
Waer me men haer verdiensten loont2), schaf op ghesoen, ghebraden,
 
En viert de Vastelavonts dach,
 
Want daer nae comt, met druck belaen, de Vasten aen,
 
Die gheen wit slen en mach.

Hier is toch al te klaarblijkelijk met wit ‘doel’ niets te beginnen, zelfs niet als tweede betekenis achter de hand. Van wezenlijk belang is dat Coster in ondubbelzinnige toepassing de negatieve constructie heeft.

Onnodig te betogen dat Vondel die betekenis van het woord degelijk heeft gekend. Daartoe volsta er aan te herinneren dat de dichter de vrede meer dan eens heeft genoemd het ‘wit der oorelogen’3). Uitdrukkingen als een wit beschieten, tot zijn wit komen, het wit treffen, het wit der wet kunnen bij hem worden aangewezen. Geen voorbeeld is ons bekend van een personifiëring als die Spiegel heeft: ‘doolt hier u wit?’ (Hsp. II 348). Maar dit alles kan verder terzijde blijven.

Nu is - en daarop doelde onze aanhef - wit zien c.a. reeds vroeger een punt van discussie geweest, en wel allereerst in het Bijblad4) voor Taal en Letteren I (1913), p. 37-39, in een kort opstel van Moller.

Als betekenissen van het bnw. wit werden daar aangewezen: ‘helder, lichtend’, vandaar ook ‘stralend, blij, gelukkig5). Wit zien in Harpoen was

[p. 283]

dan: ‘glanzen van blijdschap, een glans van genoegen op het gelaat hebben’, en Vondels vers betekent dus volgens Moller: ‘wel hield hij van vrolijkheid, wel mocht ie graag er vrolik uitzien’. De schrijver ziet in wit een bijwoord, gelijk in wit lachen, dat allicht, meent hij, het voorbeeld is geweest van wit zien. Hij wijst nog op wit lachen in het Raetsel dat begint met de woorden: ‘Gelukkig is Sint Lukas Kalf’ (WB X 679 v.):

 
Nu raet eens om, al lachtge wit,
 
Wat KALF, wat Velt-PLUVIER is dit?,

een plaats die sindsdien in de WB is toegelicht met ‘al lacht ge er genoegelik om’, vrijwel in overeenstemming met Mollers opvatting, die wit zien en wit lachen gelijkstelde: ‘Wit zien en wit lachen hebben dus juist dezelfde betekenis als onze nieuwere zegswijzen: glunder kijken, glunder lachen’.

Stoetts spreekwoordenboek kende gheen wit sien mogen uit Sartorius' Adagia van 1656, als weerslag van Queruli in amicitia. Stoett zag daarin een substantief wit in de zin van vreugde, vrolijkheid, zo ook in de regel van Vondels Uitvaert1). Desniettemin betwijfelde Moller het bestaan van een dergelijk znw., verklarend dat hij het nog nergens had aangetroffen. Hij vertaalde: ‘de felle dood2) die er nu heel grimmig uitziet’. Hij geloofde niet dat wit eigenlijk een znw. was, hoewel hij, om de toevoeging van geen in plaats van niet, moest erkennen dat Vondel het toch zo had opgevat3).

Enige jaren nadien, namelijk in de zesde jaargang van het Tijdschrift voor Taal en Letteren (1918) is de zaak weer aan de orde geweest4). Voor wit lachen werd een sprekende bewijsplaats aangehaald uit Huygens (Worp I 276): ‘Dat den Hemel witter lachte’; zo ook ‘een' witter dach’ uit de Mis-luckte Muydsche Reyse (Worp I 305). Met Stoett en Kalff werd Witte Thalia uit Hoofts rijmbrief opgevat als ‘schalk’. Bevestiging van adverbiale interpretatie van het woord niet alleen in wit lachen maar ook in wit zien werd geput uit suer sien, zoals het voorkomt in het vroeger niet uitgegeven gedeelte van de Scheepspraet:

 
Maer hij stond so dra an 't stuer niet,
 
'Tscheepje vlotte niet so dra,
 
Off de doot die altijd suer siet
 
Treften him mit niewe scha.

Dit suer sien, hier opmerkelijkerwijze ook in verband gebracht met de dood, kon gelden als een synonieme tegenhanger van de uitdrukking, door Vondel gebezigd.

Het was mijn gedachte dat Moller, toen hij een eigenlijk znw. wit ‘vrolijkheid’ niet erkende, de feitelijkheid enigermate opofferde aan de historie, omdat er immers in Vondels taalgevoel, en wel niet in het zijne alleen (vgl. nu de plaats uit Coster) een verschuiving had plaatsgegrepen. En men mocht toch zeggen dat er dan inderdaad een znw, bestond, zij het niet in het vrije gebruik. De plaats in Harpoen illustreerde de mogelijkheid daarvan, wellicht

[p. 284]

was de overgang daar reeds tot stand gekomen1). Behalve de toevoeging van geen in de Uitvaert en de Speelstryt bevestigt nu met name ook de secundaire zin in laatstgenoemd gedicht de aanwezigheid van het znw. in Vondels taalgevoel.

Achteraf bezien zou men dit in dubbele zin een lis de verbo kunnen noemen, als het niet was, dat Moller zijn mening, dat er geen eigenlijk znw. wit bestond, tot uitdrukking had gebracht in de door hem voorgestelde vertaling: ‘de felle dood die er nu heel grimmig uitziet’. Dit immers laat zich, wanneer men de samenhang in het oog houdt, moeilijk verdedigen. Men kan niet over het hoofd zien dat de aanhef van de Uitvaert reeds aanstonds preludeert op het partijdig, in zekere zin onnatuurlijk optreden van de dood, die de ouderdom spaart en de kinderen (het onnozel wicht, hier nog niet: Saartje) treft. Mollers vertaling verwaarloosde of op zijn minst verdoezelde deze tegenstelling, de thans gangbare doet haar recht. Ofschoon het verschil tussen ‘er vrolijk uit kunnen zien’ en ‘vrolijkheid kunnen zien, kunnen velen’ in de praktijk maar gering is, zouden wij om gelijke reden ook bij de plaats uit de Speelstryt de voorkeur geven aan de laatste vertaling boven die van de WB: ‘niet vrolijk kunnen worden’.

Wat wij destijds nog hebben opgemerkt over de latere betekenis van wit zien, wit(jes) lachen zullen wij niet herhalen, maar nog even herinneren aan een opstel van Heyer (Vondelkroniek II 113 vv.) over het pestbeeld bij Vondel. Deze schrijver meende in de aanhef van de Uitvaert en wel in de combinatie felle Doot een aanwijzing te mogen zien dat Vondels dochtertje aan de pest is gestorven. Zijn reconstructie van het pestbeeld, zoals het in de volksverbeelding leefde, uit een aantal teksten van Vondel biedt enkele interessante gezichtspunten, maar men begrijpt niet hoe, in dit geval, van de dood, indien daarmee op de gevreesde ziekte werd gedoeld, gezegd kon worden dat zij de gryze liên verschoont. Met meer recht heeft men gedacht aan een tijd van grote kindersterfte2), oorzaak van het schreien der droeve moeders.

Reeds eenmaal had Vondel, zij het in een vertaald werk, als in een onvermoede profetie van de rampen die hem in zijn gezin te wachten stonden, het grillig toeslaan van de dood aangeklaagd bij monde van Hecuba:

 
o dood moght: ghy my slechts gebeuren!
 
De jonge kinderen, de maeghden ghy verdoet
 
Met kraght, en over al met haestigheden woed:
 
Alleene schreumtghe my3).

In de Vertroostinge aan Vossius van hetzelfde jaar als de Uitvaert, 1633, hangt de schaal in evenwicht:

 
De doodt die spaert noch soete jeughdt,
 
Noch gemelicken ouderdom.

En in deze soete jeughdt, gecontrasteerd met de gemelijke ouderdom, valt een weerslag te zien van Saartjes witte kindsheid.

Nijmegen, Juli 1953.

L.C. Michels.