Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6. E.J. Brill, Leiden 1886  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

De latijnsche vertaling van Cats' Trou-ringh.

Dat Latijnsche gedichten in het Nederlandsch werden vertaald, was, vooral in de 17de eeuw, zeker geene zeldzaamheid. Maar dat een Nederlandsche bundel in het Latijn werd vertolkt, kwam minder dikwijls voor. Het is echter het geval geweest met het werk van Cats, 's Weerelts begin, midden, eynde, besloten in den Trou-ringh, met den proef-steen van denselven. In de collectie Papenbroeck op de Leidsche bibliotheek berusten eenige onuitgegeven brieven van Cats aan van Baerle, die over die vertaling handelen. Zij leeren ons niet alleen, hoe zij tot stand kwam, maar gunnen tevens een blik in de wijze van werken van den pensionaris van Dordrecht, en verdienen ook daarom het licht te zien. Wel is de stralenkrans, die zoo langen tijd zijn hoofd omzweefde, verdwenen, maar Cats is bij zijn leven een zeer invloedrijk man geweest in de republiek der letteren.

[p. 19]

Dit moge het uitgeven der bovengenoemde brieven en de bespreking der Latijnsche vertaling van den Trou-ringh billijken.

Cats was een eerzuchtig man. Hij heeft jaren lang eene hooge staatsbetrekking bekleed, waarvoor hij niet geschikt was. Hij had als dichter naam gemaakt. Maar het was hem niet genoeg door zijne landgenooten gelezen te worden; hij streefde er naar zijn roem ook buiten de grenzen van zijn vaderland te verbreiden. Zoo kwam hij, toen hij in 1633 begonnen was aan een nieuw werk van grooten omvang, op de gedachte om dit in het Latijn te doen vertalen. Hij richtte zich eerst tot Johannes Westerburgh, een Dortsch predikant, die Latijnsche verzen heeft geschreven. Deze nam een deel der vertaling op zich, en thans werd hetzelfde verzoek tot van Baerle gericht. Van Baerle, die voor twee jaren een professoraat te Amsterdam had aangenomen, was in dezen tijd één der meest beroemde onzer vele Latijnsche dichters. Hij werd buiten 's lands met lof genoemd en stond met vele vreemdelingen, die zich in poëzie of wetenschap hadden onderscheiden, in betrekking.

Aan hem schreef Cats den 7den November 1633 dezen brief:

 

Mijn Heere!

Ick bekenne dat ick uijt sonderlinge insichten in UE. ten hooghsten ben gehouden, ende evenwel en hebbe ick noijt de eere gehadt UE. met kennisse te sien, veel min te spreken, ende noch minder metter daet te mogen bewijsen in wat achtinge U.E. bij mij over lange is geweest. Ick hebbe een lange wijle gelegentheijt gesocht om in kennisse U.E. te mogen naerderen, ten eijnde als vooren; ende nu bij desen hebbe ick goet gevonden eenige inleijdinge daer toe voor te slaen. Tis dan sulex, mijn Heere, dat het de goede Godt gelieft heeft mijn lieff geselschap tot hem te roepen ende mij te laeten in een eensaem bedde, daer in ick mijn kleijn deel levens (dat mij noch overigh soude mogen wesen) van meijninge ben (door des Heeren genade) over te brengen, en opdat sulex niet verdrietelick ende met verknijsinge mijns selfs en soude geschieden, soo heb ick

[p. 20]

sedert mijn gedachten veel besigh gehouden met de oefeningen van poetische vermaeckelickheden, et (vt tuis vtar verbis) Quoties animum a cogitatione graui et solitudine (quae duae sunt nutrices dolorum) abducere studeo, paratius nihil ocurrit, quam vt incundissimâ Musarum consuetudine et comumercio fruar: maer dit alles alleen in onse Nederlansche tale van welcke mijne maniere van doen ick U.E. wel eenmael bij gelegentheijt reden en rekenschap soude willen geven, wetende dat U.E. derhalven wat anders is gevoelende. Ick hebbe ten voorsz. eijnde onder andere ondernomen soo uijt de Hl. schrift als andere oude ende nieuwe schrijvers te verkiesen eenige sonderlinge huwelicx-gevallen ende de selve nae mijn geringh begrijp poëtice verhandelt hebbende, trecke ick daer uijt verscheijde bedenkingen nae gelegentheijt vande stoffe, te weten off dit off dat beleijt in eenigh huwelick wel en loffelick int werck is gestelt, dan niet; voor hebbende door dien middel de soetste ende bijsonderste bedenkingen ende waernemingen over huwelicksche saecken soo vande rechsgeleerden ende vande Theologanten (niet sonder vermaeckelicheijt) onse lantslieden deelachtigh te maecken. ende alsoo U.E. best mijn ooghmerck sal konnen sien uijt eenigh exempel soo hebbe ick goet gevonden ijet van die stoffe hier bij te laeten gaen, hebbe van gelijcke mijn Clerq brenger deser (die wel bewust is van mijn voor-nemen) gelast mondelinge U.E. breder openinge te doen. Hier over is mij te binnen gecomen (nademael onse taele sich niet seer wijt uijt en streckt) dat in gevalle dit werck bij eenige snege latijnsche penne wel werde verhandelt dat het selve vrij een ruijmer loop soude gewinnen, en in andere landen oock met aengenaemheijt soude mogen werden gelesen, te meer alsoo ick voornemens ben het selve werck te doen verlustigen met verscheijde afbeeldinge in copere platen vande beste meesters die ick sal weten te becomen, gelijck ick daer toe alreede goede stoffe hebbe beginnen te versamelen, niet dat mijn voornemen is, dat ick ijmant die dit werck in latijnsche veerschen soude comen te vervatten een wet soude willen stellen, om iuijst mijn invallen te moeten volgen, en

[p. 21]

alsoo alleen een oversetter te wesen; geensins, maer mijn ooghmerck hier in is alleenlijck dat de stoffe alleen soude verhandelt werden op de gronden bij mij geleijt, laetende vorder het geheel verhael ende ommeloop vander saecken tot beleijt van die het selve in latijnsche veerschen soude doen spreken; ita vt poësi latinae libera facultas luxuriandi minime praecluderetur. Als ick nu bij dese gelegenheijt mijn oogen om liet gaen om te sien wien ick hier toe best soude mogen versoucken, die mijn voornemen nae eijsch van saecken soude mogen beantwoorden, soo en hebbe ick geen penne bequamer daer toe geoordeelt als de uwe (mijn Heere) die van haer de gansche werelt soo roemelijck heeft doen spreken ende gevoelen; dan alsoo ick beducht was dat het U.E. mochte vervelen lange met dit werck besigh te sijn, soo heb ick mijn voornemen deelachtigh gemaeckt aen D.D. Johannes Westerburgh ende sijne E. versocht eenige stucken in vougen als vooren versu heroïco vel elegiaco pro re natâ, te willen doen spreken, twelck sijn E. vlijtelick en met genegentheijt heeft aengenomen te doen op een voet naerder bij ons onderlinge geraemt. Nu soo is mijn ernst en gedienstigh versouck dat U.E. mede sijn penne op dese stoffe woude laten spelen, met soodanigen vrijheijt, als hier vooren is geseijt, doch gelieve te verstaen mijn voornemen niet te wesen U.E. geestenarbeijt in desen te willen gebruijcken gelijck ick weet dat somtijts plagh te geschieden, geensins, Mijn Heere, maer om ront en hollants te spreken ick ben genegen U.E. derhalven rechte vergeldinge te doen het sij dan in fraijicheden boucken, silverwerck, ofte de weerde selfs, nae U.E. welgevallen, oock (soo U.E. sulcx goet vint) ben te vreden bij voorbespreck daer in te gaen, nolo enim quo ad me in hoc genere dici, studium quid inutile tentas? U.E. gelieve noch te letten dat het altemael vermaeckelicke stoffe is daer toe ick U.E. penne ben versouckende, die ick weet dat U.E. gemackelick sal uijt vallen als ijet dat U.E. voor desen ter hant hebt genomen. Hier op Mijn Heere en.... het gene dat mijn Clercq U.E. naerder mondelinghs sal mogen openen versoucke ik gans gedienstcliek U.E. antwoorde

[p. 22]

te verstaen, vertrouwende dat de selve mijn verwachtinge sal beantwoorden1).

Vale. in Dordrecht.

den 7den novembris 1633.

U.E. gans Dienstw.

J. Cats.

de wyle ick van nederlantsche poesie, daerin ick mij een wyle vermaeckt hebbe, ben.... hebbe goet gevonden den desen in die tale toe te laeten comen.

ignosce si amanuensis meus in quibusdam peccaverit.

 

Van Baerle antwoordde terstond2). Hij maakt Cats complimentjes, stelt hem tegenover de Amsterdamsche dichters, die steeds verheven onderwerpen bezingen, roemt zijne nuttige verzen, die de plaats van preeken kunnen innemen, vertelt, dat zijne vrouw altijd zijne spreuken in den mond heeft en verheugt zich, dat er weder een nieuw boek van hem het licht zal zien. Maar hij slaat het verzoek van den pensionaris af. Hij zou naast de Zon nauwelijks Mercurius zijn. Hij kan zich niet goed binden aan een opgegeven onderwerp. Hij behandelt liever geene liefdesgeschiedenissen en wordt afgeschrikt door de grootte van het werk.

Cats gaf zijn plan echter niet op; hij nam nu zelf de pen ter hand en schreef den 11den November den volgenden Latijnschen brief:

 

Clariss: Amp. D.D. Caspari Barlaco Jacobus Catszius S.D.P.

 

Tuas, Vir maxime, libens vidi; sed priusquam ad responsum

[p. 23]

accingar, paucula de Instituti mei (de quo scripsi) ratione (cum bonâ tuâ veniâ) hîc praefabor; nec enim quid velim, aut quorsum tendam satis liquido ex meis percepisse mihi videris. Varios Amantium casus congerere, et poëticis commentationibus illustrare non mihi (ne fallaris) in animo est. Juventuti illa relinquenda iam dudum censui. Sed cum ante-hac de matrimoniorum ratione, deque mutuis coniugum officijs quaedam vernaculâ linguâ nostratibus in manus dederim, idque non omnino ingratum fuisse viderim; Exemplis illustrandi ea quae regulis et praeceptis tradita erant, desiderium me coepit; ad exemplum magni istius Lipsij qui post Politica exempla ac monita scribere agressus est. Exordium feci a coniugio Adami omnium matrimoniorum stirpe ac principio, Addidi nuptias Jacobi cum Leâ ac Rachaële, Atnielis (sive Athonielis) cum Ascha, Dauidis cum Abigaele, raptum Beniamitarum in filias ac virgines Siloensium, ac nonnulla alia ex Sacris litteris. Deinde abeo ad historias antiqui, medij, et nostri aevi: Et tandem concludo in Mijstico illo Christi cum Ecclesiâ coniugio, cui et hijmnum illum eximium Salomonis; Canticum, inquam, canticorum inserui. Narrationes nostrae sunt plus minus viginti, ex quibvs (vt ego quidem mihi persuadeo) omnes fere amoeniores ac vsitatiores matrimoniales quaestiones elici, in rem praesentem adduci et solutâ oratione tractari per modum Censurae in dictas narrationes non difficulter poterunt. Et eo modo nostrates narrationum non insulsâ suauitate illectos ad meliora vocari ac sensim adduci posse mihi fit verisimile. Jam ex ijs quae dixi opus in partes commode diuidi posse spero te perspicere; Ita vt vnâ parte narrationes ex sacris litteris, aliâ ex historiarum monumentis antiquis, aliâ ex medij aevi et nouis, alia denique mijsticum illud Coniugium tractari possit. Vides (credo) instituti nostri scopum, nunc ad excusationes tuas quod attinet pauca subiungam. Et primo quidem quod paginam tuam nostrae coniungere, famae tuae obfuturum ominaris, hoc habe. Fieri id posse, sed non co modo ac sensu quo tu id objicis. de quo alias. quod ego, pro modulo meo vernaculâ linguâ cecini id simplici, rudi, imo plebeio stijlo

[p. 24]

factum, lippis et tonsoribus noto, id est plane vulgari. Tu vero latio isto eminenti et vniverso orbi admirando calamo rem pertractans infra te videbis omnia, nosque in humili puluere volutantes ex editiori parte Parnassi tanquam ex serenâ nube prospicies. Quantum enim plus valeat poesis illa Romana tuis manibus vibrata quamque altius assurgat nostra ista plebeiâ et mihi (etsi sacris istis parum initiato) non est obscurum. At Animum in omni praescripto argumento languere scribis; Ego quidem non eo inficior (?) (si pes tibi ponendus in alienis semper vestigijs) quin molestum hoc et indignum ingenijs istis heroicis. Atqui ego nullâ te orbitâ inclusum velim, argumentum tantum retinens libere vbique exspaciaberis prout dia Poesis tibi dux aut comes. Quod ab amoribus te auersum illubenter ad genus attingere te testaris, me non mouet, nec enim te amores sed serias narrationes matrimoniales et vnde illustres decisiones dependeant tractare velim, et poteris tales Casus tibi assumere, vbi ne guttula istius succi amatorij, argumenta, inquam, Cothurno digna. Nec id quidem necesse est, vt tui labores ac lucubrationes cum alienis confundantur; distincti sunt tractatus vt ex supra-dictis potes conijcere; quam vellem coram tecum diffusius et clarius agere super hac re, Jam credo votis nostris annueres. Operis magnitudinem non est quod verearis, illud enim Martialis tibi occino:

 
Si nimius videar serâque coronide longus
 
esse liber, legito pauca libellus ero.

Ego, si paucas sumas narrationes, et in quibusdam argumentis periculum facias, isti obiectioni occursum esse puto, liberum erit, nisi arrideat subiectum, vnâ atque alterâ narratione pertractatâ finem isti operae imponere manumque de tabula retrahere. Ego igitur vt finem et ipse faciam renouo petitionem et vt argumenta saltem aliqua pertractes etiam atque etiam rogo, et quia ad pacta descendere non libet cum Ingrato rem tibi non fore, volo vt confidas. Interea musas nostras non in privata

[p. 25]

tua sed etiam in publica commoda peccare (vxore tuâ auctore) sane doleo. Sed de hoc illa tua heroina viderit, ego

 
non hos inuentum munus in vsus

enixe assero sed de his forsitan alio tempore commodius. Tu libellum hunc nouum, et id quod isti adiunctum vides isti generosae tuae meo nomine offerre non dedignaberis, vt spero; illa vt quidquid id est munusculi in sinum suum placide vt accipiat, et ex calathis musarum depromptum arbitretur toto animo opto et precor. Vale, vir ter maxime, et ieiunum hune stijlum ac desuetudine plane torpentem boni consule. Dordrechti XI die novemb. 1633.

 

Ad maiorem nostri scopi cognitionem, haec habe. Titulum operis hunc facio,

 
Toets-steen
 
vanden
 
Trou-ringh.

Is non amores nos agere, sed an rite matrimonium contractum sit, an in aliquo peccatum fuerit, fidem faciet.

Est mirabilis historia, Decreto Senatus Tholosani celebrata, referente Johanne Corasio, quam breviter Johannes Paponius tractat lib. Arrest. 22. tit. des adulteres et fornications. 9. Arrest 20 fusius ipse Dominus Corrasius singulari tractatu qui nil in omni antiquitate simile reperiri asserit ibi quidam pseudomartinus guerra in alienum thalamum miris artibus irrepit, successu tragico, narratio digna quae insigni carmine celebretur. ea videre poteris in Arrest. Pap. num placeat.

Est historia quaedam ex hispanorum monumentis depromta lectu amoena ob varios euentus: Doctor Potzzo hispanice dicitur eam descripsisse, quem autorem tamen non vidi. habet quaedam similia cum narrationibus Heliodori. argumentum est nobilis quidam hispanus amore illectus Aegiptiam puellam (quam nos heijdens vocamus) per longum satis tempus sequitur, vitam illam rudem, mendicam et rusticam tolerat, et mores sordidos istius hominum generis, tandem agnita fuit ista Aegiptia pro virgine nobili et hinc foelix matrimonium.

[p. 26]

Matrimonium Hipparchiae cum Crate philosopho dignum relatu mihi videtur in gratiam eorum qui Philosophiam omnibus externis praeferendam censent. de eo Laertius et alij. Coniugium Aspasiae virginis rusticae ac plebeiae cum Cijro, relatum ab Aeliano lib. Var. hist. 12. cap. 1. musis tuis dignum mihi videtur.

Quin et aliud de quo idem Aelian. lib. 13. cap. 33.

Si in haec vel alia argumenta poëticas nostras commentationes forte requiras, vt quem in scopum nitendum melius videas, non deerit mihi amanuensis meus, quin celeriter ista describat. Sed finio et responsum foelicius exspecto1).

 

Barlaeus was nog niet voor het plan gewonnen. Maar den 1sten December schreef Cats nog eens en zond tevens een paar gedeelten van zijn nieuw werk over, nl. het ongelijck houwelick van Crates en Hipparchia, en Twee verkracht, en beyde getrout2). De professor was zoo vol bewondering, dat hij beloofde navolger te zullen zijn en in de kerstvacantie, die ophanden was, de hand aan het werk te zullen slaan. Hij hield woord en zond in Februari 1634 het vers Rhadamanthvs mollior, Sive de Raptore duarum Virginum Melitensium, Tryphosae et Jocastae Judicivm3), terwijl waarschijnlijk het gedicht Cynismvs, Sive Cratis

[p. 27]

Thebani, Cynici Philosophi, et Hipparchiae Thebanae, Cynicam Philosophiam amplexae, nuptiae reeds in handen van Cats was. Deze was zeer met die vertalingen ingenomen, zooals uit den volgenden brief blijkt:1)

 

Amplissimo spectatissimo doctissimoque viro D. Caspari Barlaeo

Jacobus Catsius S.D.P.

Clarissime ac celeberrime vir,

Nouam te tuaque admirandi occasionem nactus sum ex Rhadamantho tuo. quam exosculatus sum nobile illud ac mobile, id est vndequaque elegantissimum ingenium tuum! quam decenter omnem personam sustines et imples! Sed de re ipsâ, et anne tam sophisticen agat Jocasta, quemadmodum tu arbitrari videris, alias videndum. gratum fuit adiectum in litteris tuis Hieronimi de raptarum coniugio indicium; multa huiusmodi mixti sunt fori, nos in plurimis Theologiam et Jurisprudentiam coniungi debere liquido videmus. vtinam de his tecum conferendi et coram colloquendi facultas! id breui futurum Dei opt. max. beneficio speramus. Citius respondissem sed Rhadamanthus iste tuus Hagae incuriâ famulorum neglectus iacuit, dum eo reuersus eundem hisce diebus ibi repperi, et mecum abstuli Dordrechtum vt nouam aliquam narrationem tibi mittendam curem. En igitur tibi historiam quam ex hispanorum monumentis hausi, siue illa vera, vt isti affirmant, siue ficta, siue noua, siue ex antiquitate deprompta, non admodum curo; narratio est rara et amoena, ego rudi Minerua eam tractaui, tu contrahere, omittere, noua inserere, prout videbitur, poteris. locus communis hic in Censurâ esse poterit. An ab (?) hominibus diuersi orbis, et omnino a nostris moribus, religione, modo viuendi discrepantibus recte matrimonium contrahatur, et similia. Addo

[p. 28]

historiam Eginardi et Emmae filiae Caroli magni. an ad gustum tuum haec futura sint ignoro. Est mihi tertia historia, vera et fere nostri aeui. suppositius martinus guerra, vxore veri martini guerrae abutitur, conuincitur, punitur. Sosiam et Mercurium apud Plautum, et hic videas. Si videbitur et eam ad te mittam, sed tum demum cum videbitur. Interea historiam hanc videre poteris Aux Arrests de Jean Papon et in tractatu quodam peculiarj D. Corrasij iuris consulti et ex eo iudicare poteris an argumentum placeat. Vxori interea hoc instrumentum conuiuiale (quod nos Schenk-taillor vocamus) mitto; breui, vt spero, filiabus missurus instrumentum illud Musicum, quod puellae Clavecijmbalum vocitant idque antwerpiense et notae melioris. Vtrisque meo nomine salutem.

Vale Vir vndequaque elegantissime, et si quid, quod exspectationi tuae non respondeat, mittam, postea emendabimus, vbi datum fuerit alternas audire ac reddere voces. Dordrechti 20 february 1634.

 

narrationes, quas amanuensis meus et ego misimus, proximis tuis, si placet, ad me remittas, et ne in manus alicui incidant etiam atque etiam rogo. rudes sunt, secundas exspectant et requirunt curas.

In nominibus si quid mutare tibi visum, non refragabor; teutonica disponam vt potero; minima mutatio tamen optima.

 

De wensch van Cats om Barlaeus eens te spreken werd spoedig vervuld, want van Baerle bracht de Pinkstervacantie te Dordrecht ten huize van Cats door, waar hij zeer vriendelijk werd ontvangen1). In November 16342) werkte hij aan de ver-

[p. 29]

taling van het Gront-Houwelick, dat is: beschryvinge van d'eerste bruyloft, gehouden in den Paradyse, tusschen Adam ende Eva, Eerste Voor-Ouders aller Menschen, dat werd overgezet als Paradisvs, sive Nuptiae primorum parentum, Adami et Evae. Er kwam echter een klein verschil van opvatting tusschen den dichter en den vertaler. Dit blijkt uit een brief van 4 December, die reeds gedrukt is1). Van Baerle antwoordde wel, maar liet de quaestie onaangeroerd, zoodat Cats hem nog eens aan de zaak herinnerde op de volgende wijze:

 

Clarissimo Doctissimo amplissimoque Viro D. Caspari Barlaeo professori Philosophiae J. Catsius s.d.p.

 

Domum reuersus pridie festum Natalitium Redemptoris, Amplissime Vir, statim de te cogitare coepi; sed ilico gelu superueniens quod in mente erat vt facerem, statim impediuit. Aëre iam mutato fidemi meam liberare instituo. mitto igitur ad vxorem porcellanas, quas vides, Item Salinum argenteum, vt adiungatur alteri quod ante a me missum est, vt duo coniuncta mensae largiori inseruire possint. Vt boni ista consvlat Vxor etiam atque etiam rogo. per innumeras occupationes quibus hic et Hagae, praesertim nuper, obrutus fui, de re Poëtica cogitare non fuit integrum: illa inter tam ardua et a Musis prorsus aliena tractari non vult. Illud tamen notavi te posterioribus tuis non respondisse ad quaestionem quam inieceram occasione nuptiarum Adami et Evae, nimirum sicubi tibi lectumi Adamum vxore vsum etiam ante lapsum, et in Paradiso. Judica adhuc, si placet, cum commodum erit. Quod hijmnum in coniugium mijsticum Christi et Ecclesiae concinere non detractes, est quod gaudeam. Scripsi tibi quid ego in isto argumento (meo modulo)

[p. 30]

tractaverim, alys te non grauabo; sed vt tuo genio obsequaris in toto hoc postremo opere libere permitto, imo precor. gratum erit etiamsi nihil meae inventionis aut ordinis tibi sequendum proponas, modo argumentum ipsum tractes; nec tempus tibi certum praescribam, vt hymnum absoluas; vel totam hiemem tibi largior, si videbitur. Vide quam nolim tibi grauis esse, Vir vndique elegantissime, vt ne lassus carminum totum helicona aliquando relinquendum censeas. Vale et vxori lectissimae et Filiabus salutem plurimam. Dordrechti 9o January 16351).

 

Van Baerle zou dus in dezen winter de vertaling voltooien. Maar de winter ging voorbij en in het voorjaar2) zond hij de Faces Sacrae, sive Hymnvs Salomonis; Quo sub Typo Nuptiarum Salomonis et Filiae Pharaonis, Nuptiae Christi et Ecclesiae adumbrantur. Den 19den Juni 1635 stierf de vrouw van Barlaeus. Cats schreef een brief van rouwbeklag en zond tevens een stuk, waarvan van Baerle waarschijnlijk later gebruik heeft gemaakt voor de voorrede van de Faces avgustae. Die brief luidt aldus:

 

Clarissimo ac nobilissimo Viro D. Caspari Barlaeo Professori Jacobus Catzius s.p.

 

De obitu carissimae tuae coniugis per tuas et ante per nobilissimum virum D. Mijlium certior factus sum. doleo tuam vicem, vir celeberrime, et non ignarus mali huiusmodi, eodem affectos miseratione prosequor: scio quam sit acerbum a dimidio sui auelli, et quam alte haereant istiusmodi sagittae. At tibi vt iam ne desint rationes et monita quibus ante alios solatus es, etiam atque etiam rogo; nolim enim heroicos istos animi tui motus diuturno luctu contabescere. Elegos meos recepi, sed be-

[p. 31]

neficio tuo alios, ac auctiores: nondum eos euoluendi data est occasio quippe in Musarum sacraria me ingredi non patitur inquietum hoc ac tumultuosum vivendi genus, et variae distractiones. Dabit Deus his quoque finem. Cum Dordrechtum, cum bono Deo, rediero de operâ hac tua et te cogitabo. Ad nuptias Christi et Ecclesiae quod attinet, scripsi quidem antea hac de re, sed nouo et arduo opere nolim te grauare, sufficiet mihi hijmnus quem misisti, sed vbi animus tibi paulo serenior, aliud habeo quod a te petam. Monita nimirum super casibus nostris Matrimonialibus, idque oratione solutâ, mittam tibi (cum commodum erit) specimen vernaculâ linguâ a me tractatum, non vt pressim istis ve[....]ijs insistas, sed vt viso fine in quem nitendum genio tuo libere vtaris.

Vale, Vir ornatissime, et ne tibi desis, et ex antiqua formulâ, ne cor edito. Hagae 9o die Julij 1635.

 

Er is thans geen sprake meer van een medewerker en de predikant Westerburgh wordt niet meer genoemd. Zeker heeft van Baerle dezen op den achtergrond gedrongen. Westerburgh had zich in een Latijnsch vers, dat achter stellingen van Polyander was gedrukt, heftig uitgelaten tegen de remonstranten en ook tegen den Amsterdamschen magistraat. Dit was in 1631 gebeurd en had de verontwaardiging van Barlaeus opgewekt1); het was natuurlijk, dat deze beide mannen moeilijk konden samenwerken in eene zaak, die gemeenschappelijk overleg eischte.

Uit de brieven van Cats blijkt op welke voorwaarden Barlaeus den arbeid had ondernomen. Cats had de keuze gelaten tusschen cadeaux van boeken en kostbaarheden of geld, en de professor kiest huishoudelijke dingen. De meisjes krijgen eene piano en de echtgenoote van den hoogleeraar komt in het bezit van een fraai meubel, terwijl zij ook haar zilverkast aanvult.

Na dien laatsten brief van Cats duurde het een geruimen tijd, voordat er weer over het werk werd gesproken. De dichter

[p. 32]

werd intusschen in 1636 raadpensionaris en gaf in 1637 zijn Trou-ringh uit1). Van Baerle schijnt geen lust te hebben gehad de vertaling te voltooien en zoo bleef het boek onafgewerkt liggen.

Een ander nam nu de taak op zich, nl. Cornelis Boey, een Zeeuw van geboorte, advokaat in den Haag en later werkzaam in verschillende hooge rechterlijke betrekkingen. Boyus, die zijn vrijen tijd aan letterkundigen arbeid wijdde en als Latijnsch dichter is opgetreden, kende Cats en is waarschijnlijk door den raadpensionaris aangespoord de vertaling te voltooien. Wanneer hij hiertoe is aangezocht, is niet bekend. Maar hij kwam in 1637 met Barlaeus in aanraking, doordat hij hem de Vrbivm Zelandiae Comitatum constituentium et reliquarum encomia2) opdroeg, eene navolging van Van Baerle's Vrbium praecipuarum Hollandiae encomia3). Dit bracht de beide mannen in briefwisseling, en hunne correspondentie is voor een deel bewaard gebleven4). Toen de rechtsgeleerde den 16den November 1638 in het huwelijk trad5) met Anna van Blocklandt, schreef Barlaeus een bruiloftsvers6) en drie jaren later maakte hij een bijschrift op het portret van Boyus7).

Deze was intusschen met de vertaling begonnen en had in het najaar van 1638 den professor een stuk er van toegezonden8). Het was de bewerking van de Maeghden-roof van de

[p. 33]

Benjamyten, te Scilo, die door Barlaeus werd geprezen. Het werk was op dat oogenblik ter perse en van Baerle had aan Cats eenige verbeteringen in één zijner gedichten opgegeven. In Februari 1639 schrijft Boyus aan Barlaeus1): ‘Opus nostrum commune, quod Dordrechti imprimitur, in voluminis formam excrescere incipit. tua omnia absoluta sunt, sequantur mea, ut merito, sic et loco.’ Maar nu kwam de uitgever tusschen beide, zooals blijkt uit een brief van Cats, in het bezit van Mr. de Jonge van Ellemeet2), die mij met de meeste heuschheid een afschrift er van heeft verschaft en mij toestond hem uit te geven. Die brief luidt aldus:

 

Clarissime Vir

Gratias ago ter maximas de Mediceâ hospite opere insigni et magnifico ad me transmisso, quod iam a me lectum et perlectum foret nisi me dies octauus hujus mensis lugdunum euocasset ad Academiae Solennia. Reuersus de te cogitare coepi. Casus Matrimoniales tuis praecipue versibus illustrati Dordrechti sub praelo sunt, sed haeret tijpographus et monet iustum opus non fore nec libellum conficere posse tuos et D. Boij labores, nisi addantur octo aut decem folia. Eâ de re certior factus D. Beverwyckius paratum se dicit oratione solutâ addere dissertatiunculas per dialogismos, meo exemplo, super omnibus vel singulis narrationibus vel ex sese exempla similia ex nouis et veteribus aliquot addere pro re natâ, ut eo modo tot paginae repleantur quot requiri Tijpographus asserit, ad iustam libelli magnitudinem. Boius in eundem finem aliquot adhuc carmina et prefationem longam vel epiloghum offert. Ego cum nil horum inconsulto te tentandum putem (cui totum illud opus se ipsum debet) haec te scire operae pretium arbitratus sum. Presertim cum antehac

[p. 34]

de prefatione ad id opus praeparandâ ad te enixe scripserim. Jam itaque ex te per hasce quaesitum velim, primo an res tuae ac valetudo tale quid possint permittere ut conficiendae dictae prefationi possis et velis vacare, Secundo quid de oblatâ operâ D. Beverwici et Boij tibi videatur. breve, si placet, ad utrumque responsum. Interea duo haec candelabra argentea nunc modo confecta, quae tibi in lucubrationibus vel alibi usui esse possunt, tibi habe, et vale, A

Tuo et Tuo (?)

Jacobo Catzio

Haghae 14 die Februarij 1639.

 

Zoo werd er dus, terwijl het boek al zes jaren onder handen was geweest, wederom een spaak in het wiel gestoken. Van Baerle heeft misschien afgeraden de hulp van Beverwyck in te roepen en beloofd zelf nog eene bijdrage te zullen leveren, doch hij was waarschijnlijk ontmoedigd en men verneemt dan ook in den eersten tijd niets meer van het werk. Er wordt niet over gesproken in brieven van hem aan Cats1) en evenmin in een brief van Boey aan van Baerle2). Maar in 1641 kwam Barlaeus eenige malen in den Haag3) en sprak Cats, die hem zeker nog eens aanspoorde. Barlaeus had toen een aanvang gemaakt met de samenspraken, die, in Latijnsch proza geschreven, allerlei huwelijkszaken behandelden4). In Augustus is van Baerle in de hofstad bij Cats; hij is zoo vol van de wijze, waarop de huishoudster van den raadpensionaris, Cornelia Havius, die later door dezen zoo goed in zijn testament is bedacht5), de tafel had aangericht, dat hij daar een gedicht op maakte6).

[p. 35]

Dat hij daar echter niet alleen heen gegaan was om een paar dagen prettig te logeeren schijnt men te mogen opmaken uit een brief aan Wicquefort van 2 Augustus1). En de volgende maand moest hij Cats alweder een bezoek brengen2). De beide dichters hebben toen zeker met elkander een plan gemaakt, hoe die Dialogi zouden worden ingericht, wie er als personen in zouden optreden, welke quaesties er zouden worden besproken en op welke wijze.

In den loop van 1642 hooren wij weer niets van het werk; alleen is bekend, dat Barlaeus in April het versje op prinses Elizabeth dichtte, dat in de uitgave onder haar portret is geplaatst; hij zond het aan Huygens3). Ook Boyus was toen weer aan het werk4). In Mei 1643 bevond Barlaeus zich weer in den Haag5). En eindelijk in het laatst van dit jaar - het privilege is van 7 December - vond de uitgever het boek dik genoeg en kwam het uit6).

Er waren juist tien jaren verloopen, sedert van Baerle met de bewerking was begonnen.

 

En thans het werk zelf. Eerst vinden wij een Latijnsch gedicht van Boyus op den verjaardag van Cats, dan het portret van Elizabeth met het gedicht van Barlaeus en een langer vers van de beide bewerkers, gevolgd door eene opdracht in proza en een Latijnsch gedicht van Daniel Heinsius op de werken van Cats. Dan komen de bewerkingen der verschillende gedichten van Cats zij worden opgeluisterd door enkele, niet zeer fraaie,

[p. 36]

gravures. Eerst de Faces Sacrae van Barlaeus, met afzonderlijke pagineering, dan de Paradisvs, eveneens van hem, en de Patriarcha Bigamos, de vertaling van het Houwelick van drien, dat is: de versaminge in echten-staet van Jacob met Lea en Rachel door Cats zelf. De Raptus Benjamitarum van Boyus wordt gevolgd door Van Baerle's Pharmacevtria en Damon (beide bewerkingen van de Spoock-liefde, besloten met het houwelick van Cyrus en Aspasia), zijn Cynismvs, Rhadamanthvs, Cheiromantis (het Spaens Heydinnetje). Virgo 'Άνδρоϕόρоϛ (Mandragende maeght) en Amphitrvo Tholosanus (Trou-geval sonder exempel geschiet in Vranckrijck in het jaar MDLIX). Nu komt Boyus met Rhodope, E tvmvlo thalamus (Graf-houwelick) en Venvs orta mari (Liefde gekocht met gevaer des levens). Hij droeg elk van deze gedichten met een vers op aan Cats, Cornelis van Beveren, Huygens en Willem van Muylwyck. Dit gedeelte van het boek eindigt met van Baerle's Elegia, in Jocostae et Thryphosae nuptias, dat bij den Rhadamanthvs behoort1).

Van de 29 verhalen, die de Trou-ringh bevat, zagen dus 13 in een Latijnsch kleed het licht. Van vertaling kan men eigenlijk niet spreken. In de opdracht zeggen de bewerkers dan ook: ‘Ita enim statuimus, casus hosce matrimoniorum illustres, dignos esse, in quibus se poëtices studiosi exerceant, et rapta per commenta sua et discursus mens feratur. Debere etiam illa tractari liberiore animorum motu, ut retento argumento pro lubitu vagarentur inventis suis, non impediti aut astricti Belgicis versibus Musarum mystae.’ Dat dit geheel in de bedoeling van Cats heeft gelegen, blijkt, behalve uit zijne brieven, uit zijne eigene bijdrage, die volstrekt geene vertaling kan genoemd worden. Zij wordt dan ook in de voorrede vermeld met de woorden: ‘Alicuius casus paraphrasin sibi imperavit Vir Nobiliss. ut sopitas aliquandiu Musas Latinas suscitaret.’ Het zou na het aangehaalde de moeite niet loonen om verschillende

[p. 37]

plaatsen uit het oorspronkelijke en uit de bewerking met elkander te vergelijken.

Achter de gedichten volgen met afzonderlijke pagineering Casparis Barlaei Dialogi Aliquot Nvptiales, Quibus Quaestiones quaedam de Nuptiis et Conjugio, à Nobilissmo. Dno. Jacobo Catsio, Eq. et Praepot. Hollandiae Ordd. Supremo Syndico, nuper Belgico idiomate pertractata, jam Latino latius explicantur. Die samenspraken zijn zes in getal en behandelen de vragen, of het huwelijk van Adam en Eva boven onze huwelijken is te stellen, over de noodzakelijkheid van het huwelijk, over de polygamie, over tweede huwelijken, of men eene schoone vrouw moet trouwen, en of een wijsgeer wel moet huwen. In alle is Barlaeus één der sprekers, terwijl Wicquefort, Hooft, Mostart, Huygens, Cats en Petitius in de verschillende dialogen optreden. Wat de bedoeling dezer samenspraken was, blijkt uit de voorrede: ‘Deinde liberiore stylo et Dialogis Controversiae matrimoniales expenduntur, non quaevis, sed ex ipsa historia ultrò efflorescentes. Loquuntur in Opere Catsii Belgico Sophroniscus et Philogamus, quorum hic discentis, ille docentis partes sustinet. hic amantium officia scire satagit, ille exponit. alter concitatior et ardentior, alter cautior: alter nullum non conjugii modum probat; alter non nisi legibus circumscriptum: hic juvenili ardore et fiducia promit, quicquid dictat amoris affectus, ille senili gravitate regit dictis animos et pectora mulcet. hic, ut vivant, aut ut vivere optent amantes, ille ut vivere oporteat, ostendit. Horum exemplo Dialogos quosdam ejusdem argumenti scripsit C. Barlaeus, in quibus cum viris maximis amicissimisque loquitur, serò, jocosè, miscens Stoico Cynicum, theologum philosopho, ut et recreare possit eorundem lectio non morosum lectorem, et docere non omnino sciolum.’ In één der samenspraken, de conjugii necessitate, wordt door Van Baerle de lof van Tesselschade verkondigd. Een paar gedichten vindt men in de dialogen.

Misschien vond de uitgever, dat het boek nu nog niet dik genoeg was. Ten minste er werd nog een prozawerkje van Barlaeus achter gedrukt, nl. de Nvptiae peripateticae, sive Uni-

[p. 38]

versae Philosophiae ad statum conjugalem festiva applicatio. Dit stuk was in het najaar van 1629 geschreven ter eere van het huwelijk van Dirk de Graef met eene juffrouw Bicker. De Graef was vroeger te Leiden een leerling van Barlaeus geweest. Het stuk had reeds vroeger afzonderlijk het licht gezien1), maar werd nu weer afgedrukt2).

Het geheele werk zag in 1656 nog eens het licht3). De volgorde is eenigszins veranderd; er zijn nog drie gedichten van Barlaeus op Cats in opgenomen4) en bovendien een werkje van Jacobus Lydius, die Cats bij ééne zijner ambassades naar Engeland als gezantschapsprediker was gevolgd, predikant te Dordrecht is geweest en zich als geleerde en dichter van Latijnsche en Nederlandsche verzen naam heeft gemaakt. Lydius had vroeger zijne Sermonvm Convivalivm lib. II. aan Cats opgedragen; dit boekje zag thans weer het licht. Aan het slot er van is de Latijnsche vertaling van den dialoog tusschen Anna en Phyllis uit het eerste deel van Cats' Houwelyck.

Zoo verschenen dus in 1656 de Faces Avgvstae voor de tweede maal. Het is te betwijfelen of zij den roem van Cats buiten 's lands hebben verbreid, omdat de Latijnsche bewerking veel van het eigenaardige der Nederlandsche gedichten heeft wegge-

[p. 39]

nomen, en dus meer naderde tot de gewone wijze van behandelen van zeer bekende onderwerpen. Bovendien zijn wel de bewijzen aanwezig, dat Barlaeus in zijne verzen een toon wist te treffen, die in zijn tijd overal weerklank vond, maar van Boyus, die als middelmatig Latijnsch dichter bekend staat, valt niet hetzelfde te berichten, al worden dan ook in de Saturnalia1), eene reeks van gedichten door Nicolaus Heinsius tegen de Latijnsche verzen van hem en van Franciscus Plante gericht, zijne bijdragen voor de Faces Avgvstae niet met name doorgehaald.

Groningen, Maart 1886.

j.a. worp.