Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 82]

Kokerellen.

In de Boere-klucht van Teewis de Boer en Men Juffer van Grevelinckhuyzen, Dl. IV, 2de Uitkomst, vs. 1179, vlgg., zegt Beely de dienstmeid:

 
Wel wat moghen dit toch wesen voor ghesellen,
 
't Schijnen wel Luycker Walen die nou loopen kokerellen,
 
Die hier met ien Krydt Ben comen in 't Landt, enz.

Raadplegen we Oudemans, Woordenb. ten opzichte van het onderstreepte woord, dan vinden wij Dl. III, bl. 459: Kokerellen, cokerellen, kokerillen, coquerellen: Zingen, vroolijk zijn, feestvieren. Kil. Meyer.

Bij Kiliaen treffen we aan:

Kockerillen, Holl. i. kopperen, en kokerillen, celebrare hilaria.
Daarnaast echter ook kokerol, kokeloer: cochlea et Homo cochleae vitam agens. Hisp. cacarol. Kokeroliën, kokeloeren, Cochleae vitam agere: domi latitare.

Het woord cacarol heb ik in geen enkel spaansch woordenboek kunnen vinden; dat cacarol echter in het Romaansch bestaan heeft kan blijken uit den Dictionnaire de la langue romane ou du vieux langage français, Paris, 1778, alwaar wij bl. 93 lezen:

caquerole, un escargot, limax (dus: limace, limaçon).

Naast dit woord bestaat echter in het Fransch en Spaansch een ander caracole, caracol, dat blijkbaar hetzelfde woord is, in gewijzigden vorm.

Littré, Dict. Etym. zegt dienaangaande: ‘caracole, de l'espagnol caracol, limaçon, coquille de mer faite en forme de vis, et par suite espèce de danse où les danseurs font différents mouvements les uns derrière les autres, et dans le manége caracole: tous sens dérivés des contours de la coquille; de l'arabe karkara tourner.’ Inderdaad geven dan ook de

[p. 83]

Spaansche woordenboeken dit woord in gelijkluidende beteekenissen met het Fransch op, b.v. C.A. Schmid (Leipzig, 1795): caracol, eine schnecke, muschelschale, wendeltreppe, ein gewisser Tanz, eine Schwenkung der Pferde.

Naar Prof. de Goeje mij mededeelt, bestaat er een arabisch ww. karra, dat met fr. caracole en caracoler eene treffende overeenkomst aanbiedt en waarvan de infinitief karkara beduidt het draaien (actief en passief).

Met dit woord zullen dus het spaansche caracol, het ital. caragollo en het port. caracol samenhangen. Is dit zoo, dan zal de vorm cacarol, caquerole, wel de oorspronkelijke zijn (met syncope der r) en heeft zich caracol door methathesis daaruit ontwikkeld. Eene dergelijke plaatsverwisseliug van twee medeklinkers, die door eenen klinker van elkander gescheiden zijn, moge zeldzaam wezen, zij komt in vele talen, ook in de onze voor. Zie J. te Winkel, Gramm. fig. bl. 319: mhd. biever voor 't gewone fieber (koorts, Lat. febris); aalt voor aald uit adel (urina); naald voor nadel; het achtervoegsel les voor sel in de Middeleeuwen en de 17de eeuw: stremmeles en sageles voor stremsel en zaagsel, enz. Zie ook Kluge, Etym. Wtb. op essig (akeits), en erle.

Uit de straks opgenoemde beteekenissen van caracol-cacarol zijn er voor onze taal twee bijzonder merkwaardig. Het zijn die van: 1o slak, 2o dans. Deze zullen wij hier eenigszins uitvoerig gaan beschouwen.

Behalve bij Kiliaen heb ik het woord in de beteekenis van slak nog slechts ontmoet in het Zuid-Limb. dialect, waar het karkol luidt en de naam is, evenals in het Spaansch en Fransch van eene soort slak met spiraalvormig, spits toeloopend huisje, die gegeten wordt1).

Aan de beteekenis slak of slakkenhuisje zal echter wel ont-

[p. 84]

leend zijn het bij de Bo, Westvl. Idiot. voorkomende kokerulle: ‘hut, kleen huisje. In een kokerulleken wonen. Gemeenzaam gesprek, ook Koutertje genaamd. Een kokkerulletje doen rond eene koffikan.’ Met dit laatste hangt dan weer samen het onmiddellijk daarna opgegeven werkw. Kokerullen: ‘Ergens met twee'n of drie'n aan 't praten zijn, vertrouwelijk te samen spreken met een halfluide stem om van de anderen niet verstaen te worden. Laet ze maer van politieke spreken; wij gaen ons gevieren in den hoek daer wat kokerullen.’

Eene tweede aan de beteekenis slak ontleende vorming is het bij Hooft voorkomende kokerol. In diens Historiën, Dl. II, bl. 153. (Uitg. Siegenbeek) leest men: ‘Ook leed hij (Don Carlos) niemandt in zijne kaamer; maar te bed geholpen zijnde, deed al zijn luiden vertrekken; weetende zonder opstaan uit den bedde, de deure te sluiten, ende, als hij dienst behoefde, weeder te openen bij middel van zeekere kokerrollen. Dr. Verwijs [1ste editie van Hoofts Historiën, (Nederl. Klass.) bl. 62] zegt dienaangaande in de noot aan den voet der bladzijde: ‘kookerolle. Zoo noemt Hooft het toestel met den windas, waardoor Carlos de deur kon openen en sluiten.’ Het lijdt geen twijfel, of hier is sprake, niet van eene windas, maar van zeker kegelvormig lichaam met naar den top afnemende windingen, dat bij ons ook snek (Hgd. schnecke = slak) heet; zie Van Dale, Wdb.: ‘Snek, snekrad (horl.) een slakvormig rad, gelijk een afgeknotten kegel, waarop men den ketting van een afgeloopen horloge windt.’ Huygens bezigt dan ook snecke in den zelfden zin als Hooft kookerrol: Hofw. vs. 1627: Van al dat uerwerk zijn de veeren ons bekent, en rad en ronsselen en ketingen en snecken. (Zie Dr. Stoett, 3de uitg. v. Hoofts Historiën bl. 89). Hooft heeft waarschijnlijk het oorspronkelijke spaansche woord caracol of cacarol tot kookerrolle verhollandscht, gelijk dat zijne gewoonte was, wanneer hij het niet vertaalde.

Van geheel anderen aard is een in Limburg en Brabant bestaand kokerel en kokerellen (ww.) dat echter ook weer met de beteekenis slak ten nauwste samenhangt. Kokerel noemt

[p. 85]

men aldaar den drijftol, wel te onderscheiden van den werptol, die daar dop of iesdop genoemd wordt.

De beteekenis drijftol heb ik, noch bij het door Kiliaen opgegeven kokerol, noch bij het fransche caracole, noch bij het spaansche caracol kunnen opsporen; opmerkelijker wijze citeert echter Dozy in zijn Supplément II, 335b uit een Spaansch-Arabisch auteur het woord gargara in den zin van toupie (‘à ce qu'il semble’) en dit schijnt, naar het citaat te oordeelen, een drijftol te zijn, daar er van het slaan van de gargara gesproken wordt. Door dit woord, dat wel weer met het bovengenoemde Arabische karkara zal samenhangen, wordt het waarschijnlijk, dat wij het woord kokerel, drijftol, van de Arabieren hebben ontleend door tusschenkomst van de Spanjaarden. In den Nouveau Diction. Encycl. van J. Trousset, V, bl. 494a, wordt dit soort van tol dan ook bepaaldelijk toupie espagnole genoemd.

Het spelen met den drijftol nu dagteekent uit de hoogste oudheid en, hoogst merkwaardig, wordt dit speeltuig bij Grieken, Romeinen, Spanjaarden en Duitschers steeds met eene soort slak of slakkenhuis in verband gebracht, al hebben die benamingen onderling niets met elkaar, noch met het woord caracol te maken. In de Ilias, B. XIV, vs. 412, vlgg. lezen wij:

τῶν ἓν ἀείρας, στῆϑος βεβλήϰειν ὑπερ ἄντυφος, ἀγχόϑι δειρῆς. στρόμβον δ᾽ ὣς ἔσσευε βαλών, περι δ᾽ ἔδραμε πάντη.1)

De στρόμβος is niets anders dan onze tol, die in het Grieksch ook wel ῥόμβος en στρόβιλος genoemdt wordt; het eerste woord beteekent echter ook slakkenhuisje; zie Pape, Griech. Wörterb. bl. 904b: στρομβος, 1o kreisel, 2o wirbelwind, 3o ein gewundenes, nach oben spitzig zugehendes Schneckengehäuse (Theocr. 9, 25). In 't latijn komt de drijftol bij vele schrijvers voor, o.a. Virg. Aen. VII, 376-383.

[p. 86]
 
ceu quondam torto volitans sub verbere turbo,
 
quem pueri magno in gyro vacua atria circum,
 
intenti ludo exercent; ille actus habena
 
curvatis fertur spatiis; stupet inscia supra
 
impubesque manus, mirata volubile buxum1)
 
dant animos plagae, non cursu segnior illo
 
per medias urbes agitur populosque ferocis2).

Zie ook Tibullus I, 5, 3.

Dat de turbo, drijftol, ook hier weer in verband gebracht wordt met een slakkenhuis of kinkhoorn blijkt uit Plinius, Hist. Nat. IX, 36: conchae genus clavatum ad turbinem usque.

In het Spaansch, waar het woord caracol niet voor drijftol in gebruik schijnt te zijn, heet dit speeltuig peon, peonca; doch ook trompo (Booch-Arkossy, Span. Deutsch. Wtb. I, 1037a) en trompa marina wordt aldaar weergegeven door: Seetrompete, trompetenschnecke, kinkhorn.

In het Duitsch eindelijk, waar de tol kreisel heet (oudere en betere vorm: kräusel) wordt hij ook (zie Grimm i.v.) in Fabri Thes. rädlein (treib hörnlein) genoemd3)). Wijst dit hörnlein reeds op slakkenhuis of kinkhoorn, ook het nieuwere Duitsch kent de Kreiselschnecke, welke ik bij Brockhaus, Conversationslexicon, i.

[p. 87]

v. beschreven vond: Kreiselschnecke (Trochidae) heisst eine familie der schildkiemigen Mollusken mit spiraligen kreisel-oder turmförmigen schalen.

Grimm geeft ook nog als beteekenis van kräusel op: ein tanz, welzabend, B 3a (lausitz) en voegt erbij: vgl. gr. στρόβιλος, kreisel, wirbel, ist auch ein tanz.

Tot die beteekenis van dans, welke, gelijk uit bovenstaande aanhalingen uit Littré en Schmid blijkt, ook caracol heeft, wensch ik thans over te gaan.

In de eerste plaats vestig ik dan de aandacht op het woord karkol voorkomende in den Moetwillighen Bootsghesel (1697) bl. 21:

 
Wat al karkollen zel je maken, hoe zel je met je voeten,
 
Springen en wringen, ja wijf, je zoud' er aen moeten.

Het is duidelijk, dat we hier denken moeten aan eene draaiende beweging, kromme of bokkesprongen. Helderder reeds treedt de beteekenis van dans of spel op den voorgrond in de bij Oudemans, Wdb. Dl. III, bl. 459, aangehaalde citaten uit Dr. Verwijs, Oorl. van Hert. Albr. bl. 161: Item den scoelkinderen van Leiden, die aen minen here cokerelden gegeven, enz. en ibid. bl. 306: Item den scoelkinderen van Leyden, die aen mynen here cokerelden gegeven ij ny gulden. Eene soortgelijke plaats kan ik nog bijbrengen uit v. Hasselt, Bijdr. tot de oude Geldersche maaltijden (Rek. v.h. Landschap Gelre over 1408, 1409: den scoelren tot dye kokerelden gegeven 24 gr.

C.W. Ackersdijck, die in De Jagers Taalk. Mag. III, 75, over dit woord handelt, vermoedt dat het een kinderspel zal geweest zijn, wat ik beäam, terwijl ik er aan toevoeg: waarschijnlijk een rondedans of slingerdeslang, die met gezang gepaard ging. In eene Ordonnantie toch van de Staten van Utrecht, Placaetb. I, 354, wordt het ‘singhen ende coquerellen, soe op Kors (kerstmis) nieuwe jaer en driekoningen als andere avonden ende daghen’, geinterdiceerd en verboden. Hoeufft (Proeve, 316) houdt het ook voor een spel of gezang van kinderen,

[p. 88]

zooals er in zijn tijd nog te Breda en in de Baronie op oudejaars-avond, vasten-avond, enz. plaats hadden. In de Baronie was zelfs het slotwoord of referein dier gezangen nog steeds kokerelle.

Dat intusschen vroeger ook oudere personen aan het kokerellen deel namen, kan blijken uit Dodt v. Flensburg, Ordin. van Utrecht, Archief voor Kerk. en Wereldl. Geschied. V, 107: Noch verbiet die raet dat niemant en kokerelle, hi sy jonck ofte out, by 't verboeren van een pont, enz. ibid. bl. 113: Voert verbiet die raet enen yegelicke, jonc ende out, dat niemant en cokerelle binnen onser stat.

Dit en de overweging, dat de kokerelders, waarvan Beely spreekt in het boven aangehaalde citaat, voor Luyker Waelen gehouden worden, heeft mij op het denkbeeld gebracht, dat de kokerellen niets anders zijn, dan de van oudsher in het land van Luik gebruikelijke cramions, of daarmede nauwe verwantschap hebben. Aangaande deze schrijft mij de heer Mr. Franquinet te Maastricht, een uitstekend kenner van alles wat op het Walen-kwartier betrekking heeft: ‘Cramions of cramignons zijn dansen op straat, uitgevoerd door een aantal personen (jongens en meisjes, mannen en vrouwen) die elkander hand aan hand houden en slangsgewijze spring- en stapbewegingen maken, zooals deze aangegeven worden door den eersten danser, den chef de file, op de maat van een lied, waarvan ieder couplet door hem gezongen, onmiddellijk door alle dansers herhaald wordt. Het is niet altijd hetzelfde lied, dat zij zingen. De volksdichters, en die zijn nog al menigvuldig te Luik, zorgen voor altijd nieuwe. Ik heb er menigmaal hooren zingen; zij zijn niet altijd even kiesch, en ik ben wel eens verontwaardigd geweest over de vuiligheden, die men zoo maar, soms door jonge kinderen, op straat hoort uitgalmen. Gelijk het met de meeste oude gewoonten en gebruiken gaat, is de cramignon thans nog alleen een dans van 't gemeene volk. In de Middel-eeuwen, toen de burgerij niet zoo preutsch was als in de nieuwere tijden, schaamde zij zich niet den

[p. 89]

cramignon op straat te dansen; later en nog in de vorige eeuw, werd hij ook in de burgerhuizen en in de tuinen van voorname woningen gedanst bij gelegenheid van 't een of ander familiefeest, natuurlijk familiemaal en -brasserij’.

Al het hier gezegde kan ook voor het kokerellen gelden en dan is tevens verklaard, waarom de overheid later zoo tegen dit spel gekant was en er soms zelfs betrekkelijk hooge boeten op stelde. Maakt men de opwerping, dat de twee bedelaars in den Teeuwis toch moeilijk een dergelijken rondedans kunnen uitgevoerd hebben, dan antwoord ik, dat dit ook niet hoeft, daar het bij den dans gezongen lied zeer goed daaraan zijnen naam kan ontleend hebben, evenals het fr. ronde, dat zoowel een lied, beurtzang, als een rondedans beteekent. Hierdoor zou dan tevens verklaard zijn, hoe M. de Casteleyn in zijn Konst van Rhetoriken (Rotterdam, 1612) bl. 189, kan getuigen:

 
Simple Beusel dicht heedt men cocorullen.

De staaltjes, die hij er, bl. 183, van geeft, bevestigen dit gezegde; zij staven van den anderen kant echter ook, dat zij op een spel betrekking hebben, daar hij ze noemt: Cocorullen, op alle kinderen (Onnoozele kinderen) dach. Zie hier een staaltje.

 
Dat men u versmaedde, 't ware emmers bot wat,
 
Als (al?) is dyn ghesichte afgriselick en gruwelick:
 
Ghy hebt eenen langen neuse ende een breet snotgat,
 
Buuck ende den eers, ghelijc eenen pot plat,
 
Van handelijnghe valdy straf, ende ruwelick,
 
Ghy wert om daghen een propre huwelick.

In de Tafel (inhoudsopgave) citeert hij echter no. 224 zijner Baladen ook als Cocarul. Dat het kokerellen ook met bras- of smulpartijen gepaard ging, kan daaruit blijken, dat Ackersdijck bovengenoemd artikel in het Taalk. Mag. inleidt met de opmerking, dat door Hoeufft, Proeve, enz. bl. 315, kokerellen weergegeven wordt door: lekkernijen, veelvuldige spijzen. Hieruit zou dan tevens verklaard zijn, waartoe het kokerels-

[p. 90]

geldt, dienen moest, waarvan sprake is in de Ordin. v. Utrecht (Dodt v. Flensburgh V, 90): ‘Dat er gheen kynderen met bannieren en lopen bi der straten, of di luden en houden om kokerelsgeldt, bi eenen koer van X st. ende die ouderen selmen panden voer die koeren.’ En daarmede stemt dan weer de inhoud van het lied, dat de twee bedelaars in den Teeuwis zingen en dat wij natuurlijk voor een kokerel moeten houden (wegens het gezegde van Beely) uitnemend overeen. Het 2de couplet begint aldus:

 
Backt Wafels en Pancoecken vet, oock IJser Koecken mede,
 
Die men opt lest op Tafel sedt, mit ander Leckerhede.

terwijl Couplet 8 en 9 luiden:

 
U hoeden rondom dight bekleedt, met lekker hoender bouten,
 
De varkens billen niet vergeet, al zijnse wat ghesouten,
 
En an u halsen kransen maeckt
 
Van worsten en sausysen veel, ghepepert eel,
 
Daer wel een dronck op smaeckt.
 
 
 
De maeghdekens met rankjes loont, van pancoecken en vladen
 
Waer me men haer verdiensten loont, schaf op ghesoen gebraden,
 
En viert de Vastelavonts dach,
 
Want daer nae comt met druck belaen, de Vasten aen,
 
Die gheen wit sien en mach.

Hoogst waarschijnlijk kreeg men de hier opgesomde ‘leckerheden’ aan de huizen, waar men kokerelde, daar er op vooravonden van zulke feestdagen, als Vastenavond, Kerstmis, Nieuwejaar, Driekoningen, enz. overal lustig gebakken en gebraden werd. Geld, om dergelijke snoeperijtjes te koopen, was echter ook welkom. Zoo althans was het in mijne jeugd in Limburg op Vastenavond en de daaraan voorafgaande ‘Vette donderdagen’. Het zou zelfs mogelijk kunnen zijn, dat men aan een op die feestdagen vervaardigd gebak den naam van kokerelle gegeven heeft; in ieder geval heeft men het woord met koken in verband gebracht; want Junius (aangehaald door

[p. 91]

Hoeufft t.a.p.) houdt het voor een frequentatief van koken, coquere, omdat men op de feestavonden van Oudejaar, Vastenavond enz. in de keukens eene bijzondere drukte kon waarnemen van diegenen, die er zich op toelegden lekkere spijzen en toespijzen te bereiden. Naar Hoeuffts meening wordt in Noord-Holland het ww. kokerellen nog voor het aanrechten van eene meer dan gewone kokerij gebezigd.

Het is mogelijk, dat dit gebruik oorspronkelijk slechts bij het vieren van den laatstgenoemden feestavond in zwang was; althans Mellema1), Schat der Duytscher Tale, vertaalt kokerellen door célébrer quaresmaux, welk laatste woord, doch quarremaux gespeld, hij in zijn Dictionn. franç. flam. door vasten-avond weergeeft. Roquefort, Dict. de la Langue Romane, Suppl. 62, zegt dienaangaande: caresmaux, quares miaux (le jour des): le mardi-gras, que nos pères appelaient aussi caresme-entrant. Het is dus de Dinsdag voor de Vasten, die met Asch-Woensdag begint, de eigenlijke Vasten-avond.

Ten einde zoo volledig mogelijk te zijn, wil ik nu nog ten slotte de aandacht er op vestigen, dat Kiliaen naast de woorden kokerol en kokeroliën ook opgeeft kokeloer en kokeloeren, met gelijke beteekenis. Ook vermeldt hij nog een werkwoord kokelirren, dat hij door metathesis van r en l, als uit kokerillen ontstaan, verklaart.

Merkwaardig is verder nog, dat er zelfs, te Yperen, een oproer heeft plaats gehad, dat den naam van De Kokerulle gekregen heeft. In het begin van het jaar 1280 heerschte in die stad ontevredenheid over sommige keuren, door de overheid ingesteld, welke naar het schijnt de gilden, inzonderheid het lakenweversgild, benadeelden. Het volk eischte hare afschaffing en toen hieraan niet voldaan werd, barstte een oproer uit, onder den kreet van cokerulle, cokerulle! Zie Annales de la Sociéte d'Emulation de la Flandre Occidentale, XV, 144; en Ypriana, Notices, Etudes etc. sur Ypres, IV, 40.

[p. 92]

Daar in deze werken het woord cokerulle le ‘cri de ralliement’ van de muitelingen genoemd wordt en het oproer in het begin van het jaar plaats had, ligt het voor de hand te vermoeden, dat men gebruik gemaakt heeft van de vasten-avonddrukte, om het volk op de been te brengen, en dat het kokerellen daartoe geschikte gelegenheid gaf. Dat het oproer dan den naam van Cokerulle gekregen heeft, zal niemand vreemd toeschijnen. En wanneer te Yperen, evenals in de Baronie v. Breda, het referein der vasten-avondzangen cokerulle geweest is, dan kan dit inderdaad als leus of cri de ralliement gebezigd zijn.

 

Amsterdam.

h.j. eymael.