Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12. E.J. Brill, Leiden 1893  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Het haar van den hond.

In Huygens' Oogentroost komt in de beschrijving der ‘Gesonde lien’, op bl. 262 van dl. I der Korenbloemen de uitdrukking voor, welke boven deze regels staat en die wel verdient, dat wij haar nog iets nauwkeuriger beschouwen dan tot heden is geschied.

‘Het stadige geblick’, zegt Huygens, van de toonbeelden van gezondheid en welvaart sprekende,

 
‘van haren Sonneschijn
 
Verblindt haer' oogen soo, dat wat sy niet en zijn,
 
Haer dunckt onmogelick, als andere te werden.
 
Soo siet mense door weeld' in weeld' op weeld' volherden:
 
Soo legghen s'alle daegh 't haer van den hond daer op:
 
Soo vieren se staegh schoot en voeren 't in den top,
 
Tot dat s'een slingerbuy sien vallen in haer laken.

De plaats heeft aan Bilderdijk aanleiding gegeven tot het schrijven dezer aanteekening (bl. 212): ‘Thaer van den hond, oude en gemeene spreekwijs, doch men zei van den ouden hond. En dit was mee een woordspeling met het woord hond of hont. 't Was naamlijk ook de naam van een soort van oud en sterk bier. Ook van Rijnschen wijn, dien men om 't jaren lang onaangeroerd liggen den naam van kelderwachter en zoo van ouden kelderhond gaf, en eindelijk eenvoudig den ouden hond noemde. Die zijn leed of pijn verdronk, werd daarom gezegd het hair van den hond daarop te leggen, evenals men alle verzachting voor allerlei leed een pleister of zelfs een gouden pleister noemde.

[p. 141]

Maar voort te gaan in zijn kwaad in plaats van verbeteren, heette van den ouden hond daar op te leggen’. - ‘Dat Bilderdijk gelijk heeft’, aldus teekent Eymael in zijne Huygens-Studiën, bl. 131, aan op deze aanteekening, ‘blijkt uit Langend. Bruil. v. Camacho (uitg. Panth.) bl. 35:

 
't Gebraad is ondieft murf, et smelt puer in je mongt,
 
Kom gaen we, proef iens van mijn starken ouwe hongd.

Vgl. Bredero, Klucht v.d. Koe, vs. 179:

 
Haelt men eens van 't ouwe geloof. Giert. Wat is dat?
 
Opt. Delfs,

en de aant. v. Dr. te Winkel: ‘Vandaar dat dronken worden van bier genoemd wordt: ‘gebeten worden van een Delftschen hond’.

Uit deze mededeelingen blijkt, dat werkelijk hond en oude hond benamingen waren voor drank, hetzij dan wijn of bier. Ik voeg er nog eene plaats bij uit Langendijk's Krelis Louwen (bl. 255):

 
Dat komt deur dat ik bij Kees Krijnen heb ezoopen
 
Van d'ouwen hongd, en die is in mijn kop eloopen,

waarop de dokter antwoordt:

 
‘Nu die veurschreven oude hond
 
Maakt u het lichaam ongezond’,

en bl. 256:

 
‘'t Klisteeren zal heel noodig zijn,
 
Want anders zal dien ouden wijn
 
Uw bloed verdikken.

Doch vanwaar is deze benaming? Bilderdijk beschouwt het woord hond in deze beteekenis als een ander woord dan het gewone. Maar hij bewijst het niet, en in het Mnl., Mhd. en Mnd. zou hij ook geen bewijs hebben kunnen vinden: er is in die talen geen spoor te vinden van een woord hond in den zin van wijn of bier. Kil. en Plant. zwijgen er eveneens van. Bij Hoogstraten noch bij Bilderdijk zelf is in zijne Geslachts-

[p. 142]

lijst iets te vinden, en het bij Grimm (42, 1919) vermelde woord hund met de bet. ein bier das in Dassel im stift Hildesheim gebraut wird zal wel niet als bewijs kunnen gelden van de oudheid der benaming. Ik voor mij geloof, dat wij geene moeite behoeven te doen, om een dergelijk woord te vinden, omdat deze toch vruchteloos zou zijn en overbodig tevens. Immers wat Bilderdijk zelf aan zijne gissing toevoegt, nl. dat men Rijnschen wijn, ‘om 't jaren lang onaangeroerd liggen’ den naam van kelderwachter en zoo van ouden kelderhond gaf, geeft ons het recht, het vermoeden uit te spreken, dat hond in dezen zin geen ander woord is, doch het gewone hond in eene door het volksvernuft gewijzigde opvatting. Weliswaar geeft Bilderdijk evenmin bewijzen voor deze meening, en er blijkt dus bij dezen dichter-taalvorscher, bij wien de fantasie ongeregelder en willekeuriger werkte dan bij Jacob Grimm, althans eenige grond voor twijfel over. Bovendien moet opgemerkt worden, dat niet hond in dezen zin gebruikt wordt, maar bepaaldelijk oude hond; ook in de uit Brederoo medegedeelde plaats wordt gesproken van het ‘oude Delftsche geloof’. De oude hond was het fijnste, dat de kelder opleverde, dat zorgvuldig was bewaard en slechts bij zeer zeldzame gelegenheden werd aangesproken, dus eene extra-fijne flesch. En nu zou het zeer goed kunnen zijn, dat hond in deze uitdrukking hetzelfde beteekent als het bij Kil. vermelde hond, Euclionis aula (een warenarspot, genoemd naar Euclio, den Warenar uit Plautus' Aulularia), thesaurus reconditus aut in terra defossus, d.i. een zorgvuldig verborgen of in den grond begraven schat (zie Naschrift). Dat het woord in dezen zin evenmin iets anders is dan het gewone woord hond, door het volksvernuft van beteekenis gewijzigd, is duidelijk, wanneer wij er naast plaatsen spreekwijzen aan de volkstaal ontleend, en opgeteekend bij Schuermans in zijn Vlaamsch Idioticon: ‘hij heeft een dikken hond op zijde liggen’, d.i. eene groote beurs geld, en eene andere, vermeld bij Rutten, Haspengouwsch Idioticon 94: ‘zijnen hond loslaten’, d.i. ‘zijn geld voor den dag halen’.

[p. 143]

Hoe is hond in dezen zin aan zijne beteekenis gekomen? Daar hier ongetwijfeld het volksvernuft aan het woord is, is het moeilijk, den oorsprong op te sporen. Onwillekeurig denkt men bij hond aan ndl. aap, dat eene zelfde bet. heeft, nl. ‘een opgespaarde en weggelegde geldsom, een zorgvuldig bewaarde schat.’ Zie Ndl. Wdb. 1, 527, waar ook wordt medegedeeld, dat het fra. magot de beide beteekenissen vereenigt. Den overgang der beide opvattingen vormt de bet. spaarpot, welke vermoedelijk eigen is geweest aan aap, zoowel als aan hond, doch het bewijs, dat voorwerpen in den vorm van aap en hond oudtijds voor spaarpotten hebben gediend, gelijk in onzen tijd daarvoor varkens gebruikt worden, ontbreekt. Zou wellicht het fr. magot, beurs, dat etymologisch een geheel ander woord is dan magot, aap, aanleiding gegeven hebben tot de benaming? Toen eenmaal aap in den zin van beurs, spaarpot gebruikt werd, kon er licht een ander dier, b.v. een hond, van gemaakt worden, te eer omdat men daaraan het denkbeeld van trouwe bewaking of bewaring verbinden kon. Zoo ontstond naast de uitdrukking den aap vlooien, d.i. de geldsom nauwkeurig tellen, de gelijkluidende den hond vlooien, welke men o.a. leest bij Poirters, Mask. 158: ‘een oud bestemoertjen ... sat de vrienden (den magen) overal in de wegh, want sy verlangden om haer hondeken wat te vloyen.’ Mogelijk is natuurlijk ook, dat hond in dezen zin ouder is dan aap (hond komt in 't begin der 16de eeuw reeds voor; zie Naschrift) en dat het volksvernuft van den hond een aap heeft gemaakt. In deze eeuw hebben hond en aap beide plaats moeten maken voor het varken, en werd de uitdr. hond of aap vlooien vervangen door het varken slachten.

Als wij de bovengenoemde spreekwijze ‘het haar van den hond op iets leggen’ nog eens nader beschouwen, dan zien wij, dat daarin niet staat ouden hond, maar hond, en dat dus Bilderdijk geen gelijk heeft, wanneer hij zegt: ‘voort te gaan in zijn kwaad in plaats van verbeteren heette van den ouden hond daar op leggen.’ Het komt mij dan ook voor, dat Eymael wat al te grif Bilderdijk in dezen gelijk geeft. Ook hij

[p. 144]

geeft geen voorbeeld van het gebruik van ouden hond in de bovengenoemde spreekwijze; wel haalt hij eene gelijksoortige spreekwijze aan uit de Noordbrabantsche Volkstaal, doch daarin staat niet oude hond maar dezelfde hond (zie beneden), en ieder zal inzien, dat dit niet hetzelfde is. Hoogstens kan men in de spreekwijze eene toespeling zien op de uitdrukking ouden hond - en het feit, dat zij herhaaldelijk van drinkers gebruikt wordt, pleit voor dit vermoeden -, doch de oorsprong kan daarin onmogelijk worden gezocht, al ware het alleen reeds daarom, dat hier van ‘haar van den hond’ wordt gesproken, hetgeen ons natuurlijk doet denken aan hond in den eigenlijken zin. Wij moeten dus in deze richting gaan zoeken. Geven wij eerst nog eens het woord aan Bilderdijk, die in zijn Geslachtslijst op hond zich nog eenmaal over de spreekwijze in kwestie uitlaat, en nu aldus: ‘De oude spreekwijze thair van den hond weêr opleggen, voorheen zeer algemeen, en ook in Huygens' Oogentroost te vinden, wordt in mijne Aanteekeningen op dezen dichter verklaard: (zij) beteekent den ouden of denzelfden gang gaan.’ Men ziet het, de ‘oude hond’ is hier losgelaten, en er is niets meer van overgebleven, dan een ‘oude gang’1). De spreekwijze kan nog wel iets nauwkeuriger weergegeven (want weer staat er eigenlijk niet in) en ook verklaard worden, dan door Bilderdijk gedaan is, doch zien wij eerst hoe hij den oorsprong uitlegt. ‘Naar een oud bijgeloof lei men, na van een hond gebeten te zijn, het hair van dien hond op de wond ter genezing, evenals op een kwetsuur van een venijnig dier (b.v. een schorpioen) dat dier verbrijzeld tot verband strekte. Die dus van een hond gebeten was, nam zijn toevlucht tot dien hond om van

[p. 145]

zijn hair daarop te leggen, en gelijk de dronkaart zijn toevlucht telkens op nieuw tot den wijn neemt, ook om bij de gevolgen der dronkenschap troost te zoeken, zoo geleek men dit bij dat opleggen van het hair van den hond.’ Ook deze woorden worden weliswaar niet met voorbeelden gestaafd, doch hiervan zijn juist in den laatsten tijd allerlei bewijzen gevonden en bekend gemaakt, en daaruit blijkt duidelijk, dat Bilderdijk hier de zaak meesterlijk uiteengezet en de ware verklaring der uitdrukking medegedeeld heeft. Er behoeft niets aan toegevoegd te worden dan alleen de bewijzen, en die laat ik hier volgen.

In 1891 verscheen te Gent bij Julius Vuylsteke een vanwege het ‘Taelverbond’ uitgegeven werk van A. de Cock over ‘Volksgeneeskunde’, eene der onderdeelen der wetenschap van den dag en der mode, nl. Volkskunde of Folklore. Op bl. 29 vlg. spreekt hij over de eigenaardige geneeswijze, welke met den naam van sympathie bestempeld kan worden, en in onze eeuw als homoeopathie1) op nieuw een kortstondig bestaan heeft gehad, aldus: ‘Hoe is het volk nu op het denkbeeld gekomen van zijne gekke remediën en praktijken? Waaruit heeft het de vermeende kracht van een aantal dingen en kruiden afgeleid? Wat heeft de massa doen gelooven, dat vele heiligen als bijzondere schutspatronen tegen bepaalde ziekten en kwalen aangesteld zijn? Moeilijk op te lossen vraagstuk, dat wij aan meer bevoegden overlaten. Zeker is het althans, dat de sympathie hierin de hoofdrol speelt en daarom onze beste aandacht vergt. (Zij is) eene gemeenschappelijkheid van gevoel tusschen de natuurwezens aan den eenen en den lijder aan den anderen kant. Dat geheimzinnig verband kan berusten op de oorzaak der ziekte, het uitwerksel, den naam, den aard der ziekte enz.’

[p. 146]

Daarvan worden achtereenvolgens merkwaardige voorbeelden medegedeeld, die ik hier niet kan herhalen. Alleen haal ik nog aan van bl. 30, wat ons voor ons bepaalde doel te pas komt: ‘de oorzaak, b.v. den hond die u gebeten heeft. Men volstaat met zijn haar op de wonde te leggen of zijn vleesch te eten. Dat gebruik is in geheel Europa, ja in Indië en China terug te vinden’. Homoeopathie, gelijk men ziet. Alleen met dit verschil, dat hier onder deze geneeswijze verstaan wordt, die welke de geneesmiddelen ontleent aan datgene wat de kwaal veroorzaakt of teweeggebracht heeft, niet, die middelen aanwendt, welke in den regel de kwaal zouden veroorzaken1).

Onlangs vond ik in een handschrift, berustende op de Universiteits-bibliotheek te Gent, afkomstig uit de nalatenschap van Serrure2), op bl. 120 de rechtstreeksche bevestiging dezer meeningen in een recept tegen eene hondsbeet, waarin werkelijk dit homoeopatisch middel wordt voorgeschreven; het luidt aldus: ‘Omme te ghenesene een hondtsbete, neemt een ey ghestampt mette schale ende daerinne thaer van den honde.’ En dat Bilderdijk gelijk heeft, als hij zegt, dat deze spreekwijze vroeger zeer gewoon is geweest, bewijst o.a. eene plaats uit Ogier, De Seven Hooftsonden (nieuwe uitg., 1890), bl. 113 (aangeh. bij De Cock t.a.p.):

 
‘Alsmen van Honden gebeten is, moetter tselve hayr op liggen,
 
Maer ick sal anders, leggen slaegen op den Hont,
 
d'Inbeldingh die men maeckt verbetert wel een wond.’

Vgl. ook Harrebomée, dl. 3, bl. ccxlii, waar de uitdrukking vermeld wordt in een verhaal, betreffende Peter den Groote en Cornelis de Bruyn (zie Navorscher 16, 81) en ook wordt medegedeeld, dat dit bijgeloof nog niet geheel uitgestorven is.

[p. 147]

‘Ik heb’, aldus lezen wij daar, ‘er nog wel in Noordholland ontmoet, die van een kwaden hond eenen beet ontvangen hebbende, er het allereerst aan dachten, hem zeer behendig een vlokjen haar af te knippen, om daarmede de wond te heelen’. En nog heden is de uitdrukking in allerlei volksgezegden bekend, vooral in toepassing op het willen verdrijven der gevolgen van dronkenschap door een nieuwen roes. De bedoeling der spreekwijze is eigenlijk niet, zooals Bilderdijk zegt, ‘zijn ouden gang gaan’, maar ‘een geneesmiddel aanwenden, waardoor de kwaal verergert, of althans niet geneest’. Huygens gebruikt haar in dezen zin, doch nog niet van het drankgebruik in het bijzonder, maar in het algemeen van het zich baden in weelde of zingenot:

 
Soo siet mense door weeld' in weeld' op weeld' volherden:
 
Soo legghen s'alle daegh thaer van den hond daer op;

òf hij vergelijkt de weelderigen bij dronkaards, en dan staat de spreekwijze ook hier in dezelfde beteekenis. Dit laatste zal wel juist zijn; althans in dezen zin is de uitdr. al oud. En nog heden wordt zij in allerlei tongvallen toegepast op het gebruiken van drank, ten einde de onaangename gevolgen van een roes, door dienzelfden drank veroorzaakt, te verdrijven. In dien zin is o.a. in Noord-Brabant en Limburg nog bekend de uitdr. haar van denzelfden hond er op leggen, wanneer men de gevolgen der dronkenschap door drank tracht te verdrijven’ (Eymael t.a.p. bl. 131). Hierop doelt het spreekwoordelijk gezegde bij Harreb. 1, 316: ‘de hond die mij gebeten heeft moet mij ook genezen’, waarbij de volgende Aanteekening is gevoegd: ‘dit is een spreekwoord in den mond der nathalzen bestorven; ziende op den roes van gisteren, beginnen zij dan de flesch op nieuw lustig aan te spreken. In denzelfden zin zeggen de drinkebroers: “die van den hond gebeten is, moet van hetzelfde haar daarop leggen”’. Ook op bl. 268 vinden wij het vermeld, en daaraan toegevoegd deze aanteekening: ‘dat is, verdrijf het kwaad door het eigen kwaad, gelijk het bijgeloof

[p. 148]

meende, dat de dollehondsbeet te genezen was door eene pleister van hondenhaar. Het spreekwoord wordt op dronkaards toegepast, die de duizelingen in het hoofd, door den drank ontstaan, door den drank trachten te verdrijven.’ En wel, voeg ik er bij, door denzelfden drank, waardoor de kwaal is veroorzaakt. Vgl. verder Suringar, Erasmus bl. 402. Aan de vermelding van het spreekw. ‘clavum clavo pellere’, voegt Erasmus toe: ‘quod quidem et hodie manet aeque celebratum inter compotores. Addunt jocum de pilo canis rabidi, et experiuntur facetiam multis exitialem.’ Het spreekwoord is verder te vinden bij Tuinman, De Brune, Gruterus, Witsen, Van Eyk, Bohn, alle aangehaald bij Suringar, Erasmus 402; en Harreb. 3, 210 en 407. Ook in fransche en duitsche spreekwoordenverzamelingen komt het herhaaldelijk voor. Zoo leest men bij Meurier: ‘contre morsure de chien de nuict le mesme poil tres bien y duit’; bij Car. Bovillus: ‘ejus qui te momordit pilis vel sanguine curabere; du poil de la beste qui te mordit ou de son sang serais guery’; bij Eiselein, Sprichw. 331: ‘Man must hundshare darauf legen’; prendre du poil de la bête, d.i. ‘einen schaden mit dem heilen, womit er verursacht worden’; bij Körte, Sprichw.: ‘hundshaare auflegen, d.i. sich heilen mit demselben, was das übel veranlaszte, z.b. katzenjammer mit branntwein’; bij Lehmann, Politischer Blumengarten: ‘uf des hundes bisz hundshar nit vergisz, und uf vil win lasz win das beste pflaster sin’; bij Simrock, D. Sprichw. 267: ‘hundsbisz heilt hundhaar’; bij Wander, Sprichw. Lex. 2, 875: ‘wer von hunden wird gebissen, der heilt es mit hundshaaren’; zoo ook ald. bl. 900 en 905.

Dat het bij het spreekwoord in deze opvatting niet noodig is te denken aan eene toespeling op den bovengenoemden ‘ouden hond’ bewijst het feit, dat ook in de meeste der bovengenoemde fransche en duitsche spreekwoorden, de toevoeging oud niet voorkomt; ook in Engeland zegt men op dezelfde wijze tot iemand, die lijdt aan de gevolgen van een roes, m.e.a.w. aan katterigheid: ‘take a hair of the dog, that bit you’.

[p. 149]

Eene andere vraag is, of niet misschien de bovengenoemde beteekenis drank (wijn of bier), aan hond is eigen geworden tengevolge der bepaalde toepassing, die van de spreekwijze ‘haar van den hond er op leggen’ werd gemaakt. Is dit zoo - en hoewel het niet onmogelijk is, is een stellig antwoord hier op niet te geven - dan zou daardoor de bet. van het woord hond in de 17de eeuw, en van het uit Grimm's Wdb.aangehaalde hd. hund, naam van eene biersoort, voldoende worden verklaard en opgehelderd.

 

j. verdam.

Naschrift.

Mijn vriend J.W. Muller wijst mij nog op eene andere, veel oudere plaats, waar hont voorkomt in den zin van schat, nl. in eene klucht van den jongen Jacke, waarvan een Antwerpsche druk van 1528 bekend is. Een exemplaar van den Amsterdamschen druk (bij Hermen Jansz., z.j.) is in de Bibl. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden. Zie Joh. Bolte, Das Märchen vom Tanze des Mönches im Dornbusch (in Festschrift zum 5. Neuphilologentage, Berlin 1892). Ald. leest men bl. 54, vs. 833:

 
Noyt en had ick beteren vont,
 
Dan dat ick dus crijghe desen hont,
 
Die mijn stiefmoeder hier heeft gheborgen;

Vgl. 51, 709:

 
Hier heb ick nu gemaeckt een gat,
 
Daer legghe ick in desen heymelijcken schat;

en 55, 879:

 
Dus wil ick gaen sonder dralen
 
Van stonden aen mijnen schat halen,
 
Die ick daer buyten heb verborgen.