Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19. E.J. Brill, Leiden 1900  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 183]

Wouterloot, wouter, woutermannetje.

Hier en daar, bepaaldelijk te Leiden en Schiedam is een geslachtsnaam Wouterlood bekend. Winkler rekent hem tot de zonderlinge, onverklaarde, maar uit duidelijk Nederlandsche bestanddeelen samengestelde namen1). Verdam verklaart het woord, als gemeen znw., naar analogie van mnl. wouterblock en woutersteen (bij Kiliaan; verg. mnd. wolteblock, woltestên) en nnl. rolsteen (bij Van Dale), als eene samenstelling uit lood, plumbus en wouteren, rollen (en daarna: goed gaan, gelukken), frequentatief van wouten, ohd. walzan, van welks causatief *welten, hd. wälzen, het frequentatief *weltelen, mnl. welteren en nnl. wentelen is afgeleid. Volgens hem is wouterlood ‘hetzelfde als rollood, eene rol lood (men weet dat lood aan rollen in den handel wordt gebracht), die voor het een of ander doel (b.v. om te pletten of gelijk te maken) gebruikt wordt’2).

In deze omschrijving worden verschillende beteekenissen dooreengemengd. Een samenst. als rollood beteekent niet ‘eene rol lood’, maar òf ‘een lood om te rollen’, òf wel, als stofnaam, ‘lood aan rollen’ (verg. plaatijzer, bladtin enz.). Dit echter daargelaten, zou Wouterlood, daar de laatstgenoemde opvatting als stofnaam zeer onwaarschijnlijk is - immers rol is dan znw., en wouter is alleen als stam van het ww., niet als znw. bekend3) - dan moeten beteekenen: een (natuurlijk rolvormig, maar dat is secundair) lood om te wouteren, te wentelen. Ongelukkig steunt deze beteekenis op niets dan eene gissing, of liever: een appellatief in dezen zin bestaat niet, is althans nog niet aangewezen: de eigennaam staat derhalve tot dusverre geheel alleen en op zich zelf. Vermoedelijk zal het woord in dezen zin ook wel nimmer aangetroffen worden. Er heeft wel

[p. 184]

een gemeen znw. wouterloot bestaan; maar dit heeft heel iets anders beteekend, gelijk ik toevallig in staat ben aan te toonen.

In het Spel van Tilleghem, voorkomende in de onlangs verschenen tweede aflevering der Spelen van Cornelis Everaert, wil ‘Vreidsaem Ghenouchte, gheabituweirt als een landsman, met beesten, honden ende anders’ op de jaarmarkt ‘dier over dier beeste over beeste barteren’ of ‘vermanghelen’. Op de vraag van ‘Onreyn Besouck’: ‘Wat wilt ghy vermanghelen?’ antwoordt hij (XXIX, vs. 131, blz. 469):

 
Een aecxter, ofte een wouterloot
 
Sallic vermanghelen, licht als een plume.

Onreyn Besouck wil den ruil aangaan:

 
Ic gheue hu een catte ofte hondt ghereedt
 
Ouer hu vueghels alle beede.

Van Vloten, die dit spel reeds vroeger, in Janssen en Van Dale's Zeeuwsch-Vlaamsche Bijdr. VI, 226 vlgg., met enkele (veelal onnoodige of dwaze) noten heeft uitgegeven, zwijgt over de beteekenis van dit woord, acht het zelfs geen vraagteeken waard. De bedoeling blijkt uit het verband trouwens duidelijk genoeg: kennelijk is wouterloot hier de naam van een vogel. En zoolang het woord niet in eene andere beteekenis wordt aangewezen, zal men dus - om dit maar dadelijk vast te stellen - den geslachtsnaam Wouterlood wel mogen vergelijken met zulke als Vink, Kraay, Exter, De Rouck, De Gaay enz.1).

De naam is thans, zoover ik weet, in Noord-Nederland zeldzaam. Maar Dr. Boekenoogen wees mij eenen kanunnik Tristram Wouterloot te Yperen (ao. 1344) aan2); dit voorkomen in dien tijd in West-Vlaanderen strookt voortreffelijk met het vinden van den vogelnaam bij den Bruggeling Everaert. Vermoedelijk is de naam, zoowel van den vogel als van het geslacht3) dus

[p. 185]

bepaaldelijk Westvlaamsch. Doch de vogelnaam schijnt thans ook daar te lande onbekend: nergens heb ik hem gevonden, en noch Prof. Mac Leod noch Prof. De Vreese te Gent, noch de heer De Cock te Denderleeuw, noch de heer Teirlinck te Brussel wist mij eenig spoor er van aan te wijzen. Maar wel bestaan er, in Vlaanderen en elders, andere blijkbaar verwante vogelnamen.

Wouter komt als een andere naam van den ‘meerkol’ voor in het woordenboek van Van Dale, t.w. in den 2den, door dezen bewerkten druk; in den 1sten druk, door I.M. en N.S. Calisch bewerkt, ontbreekt het nog. Zooals men weet, heeft Van Dale menig Zeeuwsch-Vlaamsch woord in dit woordenboek ingelascht, en het dan dikwijls maar niet altijd als ‘gewestelijk’ gemerkt; vermoedelijk is ook deze naam uit die streek afkomstig. En Schuermans geeft wiewouter (wijwouter, weewouter) op als Oostvlaamsche namen van den vogel, die in Brabant roetaard, in het land van Waas en Brabant hanne of hannewuite heet, in andere gewesten nog weer andere namen draagt (welke ik voorshands laat rusten), doch die door den Franschen naam geai (eng. jay) gemakkelijk is thuis te brengen. Het is de (Vlaamsche) gaai, bij de dierkundigen meer bekend onder zijn wetenschappelijken naam Garrulus (of: Corvus) glandarius L. Deze vogel, die in zijne bonte kleur en zijn levendigen aard (aan een van welke eigenschappen hij wellicht zijn Franschen naam dankt), in uiterlijk en leefwijze veel overeenkomst heeft met de ekster, wordt ook veelal te zamen met deze genoemd. Soms worden dezelfde namen op beide toegepast (zie Ned. Wdb. IV, 20 en Verdam IV, 1182). Dat Everaert, eveneens in één adem van aecxster en wouterloot gewagende, met dezen laatsten naam denzelfden vogel bedoelt, die nu in Vlaanderen nog (wie)wouter heet, kan redelijkerwijze, dunkt mij, niet betwijfeld worden.

Doch, aangenomen dat wouterloot evenals wouter een naam is voor de Vlaamsche gaai of meerkol, wat beteekent dan dat tweede lid of aanhangsel -loot? Noch lood, plumbus, noch loot, spruit (dat bovendien een Hollandsch woord schijnt van jongere dagteekening) geeft hier een redelijken zin. De vorm

[p. 186]

deed mij, na eenig vergeefsch zoeken, denken aan woorden als sakkerloot, en vervolgens aan malloot, welks oorsprong (fr. malot, hommel) onlangs door Kluyver is gevonden1). Zou -loot wellicht ook in wouterloot van Fransche afkomst kunnen zijn? Dit zou denkbaar zijn, wanneer ndl. wouter in 't Fransch overgenomen en van daar, met een verkleiningsuitgang -(e)lot verrijkt, teruggekomen was. Zijn er misschien Fransche gewestelijke namen van dezen vogel, die recht geven tot zulk eene gissing? Bij Nemnich, Allg. Polygl.-Lexic. d. Naturgesch. I, 1243 vond ik inderdaad: ‘Corvus (garrulus) glandarius. Fr. le geai. In verschied, Provinzen: Jay, gay, gayon, jaques, gauter[e]au, geta, jacuta, vautrot, richard, girard’. De hier gespatiëerd gedrukte namen sprongen mij natuurlijk aanstonds in 't oog; en in verband gebracht met de Vlaamsche namen van denzelfden vogel, geven zij mij aanleiding tot de volgende gissing.

Gautereau, uit ouder gauterel, is kennelijk een diminutief van Gautier = Wouter: deze naam voor den vogel blijkt dus aan de Vlaamsche en de aangrenzende Fransche gewesten gemeen te zijn geweest. Kan vautrôt niet een dergelijk diminutief, met anderen uitgang, van hetzelfde woord geweest zijn? Verkleiningsuitgangen zijn bij dierennamen zeer gewoon, en inzonderheid is de uitgang -ot in 't Fransch daarbij niet zeldzaam2). 't Is waar, dat de Oudgermaansche begin-w in 't Fransch altijd g(u) is geworden: guerre, gué, gage, Gautier enz. Doch in den lateren tijd kan zij, althans in sommige dialecten, opgevat zijn als een klank, het naast met fr. v overeenkomende, en dus als zoodanig zijn overgenomen en geschreven; verg. b.v. vacarme, vasista, bivouac3). En zou men dan, naast gauterel en vautrot, niet een derden diminutiefvorm mogen onderstellen, waarin, evenals b.v. in javelot en andere Fransche woorden4), de beide

[p. 187]

uitgangen -el en -ot verbonden zijn: *gautrelot of *vautrelot? Deze vorm zou aan de Fransch-Vlaamsche grenzen weder overgenomen1) en, naast den vanouds inheemschen vorm wouter, in zekere, wellicht slechts enkele tongvallen2) in zwang geweest kunnen zijn.

Mijn geloof aan de waarschijnlijkheid dezer gissing is versterkt door de instemming van den heer Antoine Thomas, den voltooier van Hatzfeld-Darmesteter's Dictionnaire, die op mijne vraag naar de volksnamen van de Vlaamsche gaai, opgegeven in Rolland, Faune populaire de la France - het gezaghebbende werk in dezen, dat ik helaas hier te lande niet volledig heb gevonden - en naar zijn oordeel over mijne conjectuur, zoo vriendelijk was mij het volgende te schrijven: ‘Rolland II, 144 ne donne que gautereau (Champagne), -trot, vautrot3), vatron (Aisne), wateron (Aisne), ouatra (Metz) et vouoetra (Ban de la Roche) comme noms populaires du geai dérivés de Waltharius, mais je suis persuadé comme vous que le flamand wouterloot prouve l'existence d'une forme française gvauterelot, formé avec un double suffixe diminutif. Le nom de personne Gautrelet est fréquent, et je suppose que Gautrelot existe aussi. Selon les régions le w germanique est rendu dans les dialectes français par v, w ou g4), et les formes du nom du geai sont en rapport avec les formes mêmes du nom de personne Vautier, Wautier, Gautier.’

Al is dus een vorm *vautrelot als naam van de Vlaamsche gaai in 't Fransch nog niet aangewezen, dat deze vorm bestaan heeft en dat hierin de oorsprong te zoeken is van den Neder-

[p. 188]

landschen vogelnaam en geslachtsnaam is, dunkt mij, hier waarschijnlijk gemaakt1).

Voor ik van den Franschen naam afstap, nog een enkel woord over een anderen, oogenschijnlijk verwanten naam. In Renard le Nouvel wordt de Vlaamsche gaai eenige malen met den eigennaam Wauket genoemd (ed. Méon, IV, 274, vs. 3662, 3665 etc.)2). Is dit nog weer een andere, samengetrokken diminutiefvorm van Wautier? De Leer L. Sudre, wien ik naar zijn gevoelen vroeg, schrijft mij dat hij twijfelt of men deze namen wel met elkander in verband mag brengen.

 

Waarom echter heeft men dezen vogel in Nederland den naam Wouter, in Frankrijk allerlei van Gautier afgeleide namen gegeven? Niemand zal er zeker een ander woord dan den bekenden mansnaam in willen zoeken. Maar men zou kunnen vragen, of die naam als zoodanig, d.i. als bloote mansnaam zonder meer, aan den vogel is gegeven, dan of men zich daarbij soms nog de etymologische beteekenis van dien naam bewust was? Zooals men weet was deze laatste verklaring van dierennamen voorheen, op 't voorbeeld van Grimm, in hoog aanzien; en zij zou hier inderdaad verleidelijk kunnen schijnen. Immers mocht men wouter, zooals Kiliaan doet, opvatten als woud-heer, silvae dominus, boschkoning, dan ware een treffend analogon voor dezen naam te vinden in Markwart, een anderen naam van denzelfden vogel in Reinke de Vos, die (te recht of ten onrechte) wordt uitgelegd als: ‘boschwaarder’3): twee van die zinrijke dierennamen, evenals Reinaert en Isengrim (naar de oude verklaring) wortelende in de Germaansche oudheid, en beide zeer geschikt voor dezen uiterst schuwen vogel, die zich zelden buiten de bosschen

[p. 189]

vertoont1). En in verband met nog een anderen, uit de sage bekenden naam van denzelfden vogel, markolf2), of wel met een

[p. 190]

andere mythologische beteekenis van wouter en wouterman, huis-(of bosch)geest - over welke namen en beteekenissen straks nader - zou het dan niet moeilijk vallen in dezen vogelnaam niet alleen ‘germanischen waldgeruch’, maar zelfs Oudgermaansche sagen en mythen te bespeuren! Doch, hoe 't ook gesteld zij met den naam markolf en de andere beteekenissen van wouter(man), de vogelnaam wouter(loot) zal wel buiten eenig verband hiermede staan en op eenvoudiger wijze te verklaren zijn. Immers Wouter beteekent natuurlijk volstrekt niet woudheer, maar, blijkens den ouderen naam ohd. Walt-hări (mlat. Waltharius): legeraanvoerder (van got. waldan en harjis); dezelfde bestanddeelen in omgekeerde volgorde (gelijk zoo dikwijls) vindt men in den naam Hari-wald (bij Tacitus Chario-valda), onr. Harald, osaks. Heriold, hetzelfde woord als ons fr.-nnl. heraut1). En in deze etymologische opvatting is de naam Wouter niet bijster toepasselijk op de Vlaamsche gaai!

Neen, de naam Wouter zal hier wel niets anders en meer zijn dan de gewone mansnaam, aan den vogel gegeven zonder eenige bijgedachte aan de (toen natuurlijk reeds lang uit het volksbesef verdwenen) etymologische beteekenis, maar alleen uit behoefte om hem op gemeenzame wijze te noemen. Wouter beteekent hier niets meer dan andere mans- (soms ook vrouwen)-namen waarmede dezelfde vogel door het volk genoemd is: fr. jaques2), jaquet3), richard4), girard5); nnl. hannewuit, hanne,

[p. 191]

hanneke, hannik (voor de Vlaamsche gaai, de ekster of de roek)1); it. berta, bertina2), piemont. berton3); niets meer ook dan Reinaert en Isengrim, volgens de nieuwere verklaring4): geenszins overoude, zinrijke epitheta die eigennamen geworden zijn, maar louter gewone mansnamen, door het volk uit zekere vertrouwelijkheid gegeven aan sommige hetzij tamme of toen nog overal in 't wild voorkomende dieren, met wie men dikwijls als vriend of als vijand te doen had. Het is hetzelfde wat wij nu nog doen, wanneer wij een ezel (of ook zeldzamer, een stier, beer, paplam, vleeschvlieg) Hans5), een aap Kees, een kraai of een ekster Gerrit5) noemen; evenzoo heette een beer voorheen in Frankrijk Martin6), een ‘blauwvoet’ (eene soort van valk) bij ons Richard7). Hoe algemeen deze benoeming van dieren voorheen was leert de volgende plaats uit het spel van den Katmaecker (in den bundel ‘Trou moet blycken’, blz. 276), waarop Dr. Boekenoogen mij opmerkzaam maakt. Een man is in twijfel welken naam hij aan zijn jonggeboren kind zal geven:

 
Nu wil ic mijn gaen bepeijnsen,
 
Hoe ict alder profijtelijxte mochte heetten:
 
Heet ict Heijne (zijn eigen naam) bij Gans sweten,
 
So salt sijn nat schoffierlick mogen,
 
Want het goê bier doet mijn hart verhoegen.
 
Sout ock Herri heten, so waer ic beschaemt,
 
Want Herri is een esel genaemt;
 
Heet ict Pieter, die stellent flux int werre;
[p. 192]
 
Of heet ict Willem, dat is een verre;
 
Heet ict Kuen, dat is een oijvaer;
 
Gerrit, dat is een gent voerwaer;
 
Heet ict Melis, dat waer die cratte (of tratte?)
 
Heet ict Thonis, dat waer een varcken datte;
 
Heet ict Aert, dat is een raven;
 
En Wouter, dat is een schaep. Nu laet ict draven;
 
Die naem en wijl ic mij niet onderwinnen enz.

Hieruit blijkt tevens dat, evenals Hans en Gerrit, ook de naam Wouter aan meer dan één dier is gegeven; eene derde toepassing is die op een slak, in een kinderliedje1). Dat sommige dezer eigennamen mettertijd soortnamen geworden zijn blijkt uit fr. renard, nnl. griet en pieterman (als vischnamen), en waarschijnlijk ook wel vl. wouter, Vlaamsche gaai; doch de grenzen tusschen nomina propria en appellativa zijn hier niet altoos even scherp.

Het gebruik van wouter en wiewouter in Vlaanderen als benamingen voor een dommerik, botterik (Schuerm. 872b) berust zeker wel op eene overdracht van den naam van dezen alles nabootsenden vogel op een mensch; verg. behalve wuite ook ekster, papegaai, gans, eend, aap, malloot: alle schimpnamen voor personen, ontleend aan dieren die druk, levendig geluiden of gebaren maken of die van anderen nabootsen.

De vorm wie- of wijwouter is opmerkelijk genoeg. Hij schijnt inderdaad wel ontstaan onder invloed van vijfwouter, ook wiewouter (uit *vivouter, naast viveldre, viveltre, ohd. fifaldra, verwant met lat. papilio), vlinder, witje, al hebben deze namen ook niets anders gemeen dan den klank, de gissing van Schuermans (861b), dat de Vlaamsche gaai zoo genoemd is ‘licht omdat die vogel gespikkelde kleuren heeft als de vlinder of zomervogel’ zal wel geene instemming vinden.

 

Eindelijk is wouter ook de naam van zekere lagere geesten uit de Germaansche mythologie. Bij Anna Bijns, blz. 464, lezen wij:

 
Doen Muncken in 't Bosch als wilde wouters liepen.
[p. 193]

Van Helten verklaart het daar met: ‘sater’. Volgens Oudemans komt wouther ook, in den zin van: ‘boschman’, voor bij ‘Lutg. 475’; doch deze plaats heb ik, bij gebreke van nadere aanwijzing van het bedoelde werk en van het citaat zelf, niet kunnen terugvinden; wellicht is hier eene vergissing in 't spel. Tuinman, Spreekw. II, 201 geeft op: 't Is een wilde wouter, gezegd van een ongetemd, bandeloos mensch. Blijkbaar heeft men ook hier weder altijd gedacht aan een verband van wouter met woud; zeker op 't voetspoor of onder invloed van de volgende artikeltjes van Kiliaan vol etymologie: ‘woud-heer, woudt-her. Syluarum prefectus, syluarum dominus: Et Syluanus deus, Faunus’; ‘wilde woudt-her. Syluanus agrestis, Faunus agrestis, Satyrus: Pan’; ‘woud-her-man, woudt-her-manneken. Faunus: Et Spectrum, terriculamentum’ en: ‘woud-her-mannekens. Penates, lares’. Kennelijk weifelt Kiliaan tusschen: boschgeest en: huisgeest. Misschien was de beteekenis in zijn tijd al eenigszins onzeker en werd bij het - ook om de alliteratie zeker geliefde - wilde wouter inderdaad ook wel aan iets als een ‘boschgeest’ gedacht. Het bij Kiliaan bedoelde woutermanneken komt ook voor in eene plaats, die ik aan het apparaat voor het Mnl. Wdb. heb mogen ontleenen (Boeth. 252d): ‘Men verwondert ooc mede van dat de dijnghen zelsaem zijn of zelden gheschien, ghelijc vanden marmoten, woutermannekens, ende andere vreimde dijnghen, of als een kind met tween hoofden’. Hier schijnt Kiliaan's tweede beteekenis; spook, gedrocht, monster bedoeld. Ook in Nederduitschland zijn de wolterkens bekend, en wel niet als bosch-, maar als huisgeesten, dus: ‘lares, penates’; zie Schiller-Lübben, Mnd. Wtb. en Van den Bergh, Wdb. d. Ned. myth. 387 en het daar aangehaalde uit Grimm, D. Mythol.4 417 en 422, waaruit duidelijk blijkt, dat wouter ook hier, evenals straks bij den vogel, niets is dan de gewone mansnaam, evenals elders andere namen, uit zekere behoefte aan gemeenzaamheid gegeven aan deze ‘kaboutermannetjes’ (een woord dat misschien wel mede onder invloed van het oudere woutermannetje ontstaan is). Het laatste is zeker eene soort van

[p. 194]

‘vleivorm’ van wouter, te vergelijken met ons Janneman, Pieterman, Hanneman, Heineman (hd. Heinzel-, Petermännchen, zie Grimm t.a.p.) of met enkele oude namen op -boy; zie Niermeyer, Verh. ov. h. booze wezen, 28 vlgg. en Boekenoogen 96.

Ten slotte: vanwaar komen de benamingen wouter en woutermannetje, als scheeps- en timmermanstermen voor zekere strookjes hout, die ergens tegen of onder gespijkerd worden om 't uitglijden te beletten, of ook: zekere blokjes zonder schijven voor dunne lijnen (zie Van Dale, Boekenoogen en Van Lennep, Zeemans-Wdb.)? Zijn deze woorden dan toch wèl afgeleid van wouteren, rollen, zooals Vercoullie en Boekenoogen meenen? Of is bij deze benaming gedacht aan de wouter(mannetje)s, de huisgeesten, waarmede die voorwerpen (wellicht om de hulp die zij verleenen) vergeleken werden? Beide is mogelijk. Maar het is evenzeer denkbaar, dat ook hier de bloote mansnaam is gebruikt op dezelfde manier als dit - met meer of minder zekerheid - geschied is bij nnl. klaas, houten scheepmakerstang, kuipersknijpertje, houten nap (zie Van Dale en Boekenoogen), harmen, dommekracht (Boekenoogen), dirk, zeker scheepstouw, griet, zekere soort van lat of rib, en nhd. dietrich, looper om sloten te openen1). Uit een soort van ‘slang’ zijn die woorden gaandeweg ingedrongen in de algemeene taal.

Noch woud, bosch, noch ook wouteren, wentelen, rollen heeft dus waarschijnlijk eenig aandeel aan al de hierboven besproken woorden: alleen de mansnaam Wouter zal de oorsprong zijn dezer zeer uiteenloopende benamingen.

 

Leiden, Juli 1900.

j.w. muller.