Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Het substantief echt.

Dat het adjectief echt ‘wettig’ aan het mhd. ēhaft, ohd. ēohaft legitimus beantwoordt en door synkope der h mitsgaders den overgang van ft tot cht en de door cht veroorzaakte vocaalverkorting ontstaan is, lijdt geen twijfel. Het ligt daarom bij den eersten blik vóór de hand voor het substantief echt, mnl. echt en echte fem. gen., samenhang met ons adjectief te vermoeden, te meer zoo men let op het mhd. ēhafte ‘rechte und pflichte einer gemeinde,’ ohd. ēohaftī religio, waarnaar een aan 't mnl. echte ten grondslag liggend oudwestnfrk. ēohafti (met -i uit -ī als afleidingssuffix) ‘wettigheid’, ‘wettig huwelijk’ denkbaar zou wezen. Toch noopt ons een nadere beschouwing die opvatting prijs te geven: naast den gen. dat. sg. der echten staat een mnl. dat. sg. echt (z. Mnl. wb. 2, 511), die zich tegen het aannemen van een afleiding op -i (-ī) verzet en uitdrukkelijk op een oorspronkelijken i-stam wijst, welke in het Dietsch in den gen. en dat. sg. zoowel met -en (of -e) als zonder uitgang voorkomt (vgl. Mnl. Sprkk. § 276 en 275). En een zoodanig prototype vinden we inderdaad in den femin. i-stam, die in 't Ohd. en Ags. als ēht, illustratieht ‘bezit’ (in 't algemeen) beteekent, doch in 't Os. en Saalfrank. als ēht het ‘door huwelijk of verloving verworven bezit van iemand’ uitdrukt; vgl. de in Paul

[p. 304]

und Braunes Beiträge 25, 329 geciteerde of besproken bewijsplaatsen: sīthor siu mannes uuarth erlas an illustratiehti - thiu ērr sīnes bruother uuas idis an illustratiehti - *andras an ēchti = ‘sponsa aliena.’

In verband met dit i-femininum vindt voorts ook het gebruik van des echts, den echt (acc.), in den echt in zeventiende-eeuwsche geschriften (z. Kluits Geslachtslijst bl. 124) zijn verklaring; men herinnere zich het boven bl. 1 besproken verschijnsel, dat blijkens § 64 der Vondel-gramm. in de 17de eeuw in niet geringe mate voortwoekerde.

Van een zoodanig mann. echt is tot heden toe voor de mnl. taalperiode geen voorbeeld aangewezen; vandaar dat we de n van necht (in zijn necht) der Leidsche Rechtsbr. bl. 249 niet uit in den echt mogen verklaren, maar als het gevolg te beschouwen hebben der verkeerde opvatting van een als zijnnecht, mijnnecht, innecht(e) gesproken zijn echt, mijn echt, in echt(e).